MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 21

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 6
  • nummer 4
  • oktober 2018

Coververhaal

Een steen in de vijver: de Vrouwenarbeidsschool in Deventer

Overijsselaars van toen

Cornelis Brandts Buijs, spil van het Deventer muziekleven

Geworteld in Overijssel

De Twentse wortels van de familie Stork

Overijssel in boeken

Overijssel in boeken

Overijsselse topstukken

Van motor in molenmaalderij tot museumstuk in De Laarman

Van de redactie
  • jaargang 6
  • nummer 4
  • oktober 2018

De maakbare samenleving vanuit negentiende-eeuws perspectief

Het begrip de ‘maakbare samenleving’ wordt in de 21e eeuw met enig wantrouwen bejegend. De samenleving wordt steeds individueler, het is ieder voor zich en God voor bijna niemand meer.

Hoe anders keken sommigen eind negentiende eeuw naar de wereld en naar hun medeburgers. De ‘verlichte’ ondernemer Charles Stork probeerde niet alleen zijn metaalfabriek tot een succes te maken, hij bouwde een hele stadswijk, stelde een pensioenfonds in, stichtte een badhuis en regelde de ontspanning voor zijn werknemers. In zijn fabriek kon iedere arbeider zich ontwikkelen, ‘mits je vlijtig was en goed oppaste’. Een ander mooi voorbeeld is de Deventer ‘dame van stand’ Bertha van Marle-Cost Budde. Als vertegenwoordiger van het patriciaat van de Hanzestad stelde zij haar leven in dienst van de verheffing van meisjes uit de arbeidersklasse. Gemeenschapszin en plichtbesef waren haar kernwaarden. Die waarden gelden ook voor de zusters Gerarda en Anthonie, de laatst overgeblevenen van de Windesheimer kloostergemeenschap. Hoe anders is het individualisme van kunstenaars als Willem Witsen, tijdgenoot van Charles Stork en Bertha van Marle. Maar ook hij dacht de wereld te kunnen veranderen door zijn kunst. Het zijn uitersten die elkaar op wonderlijke wijze aanvullen en die samenkomen in dit nummer van het online magazine MijnStadMijnDorp.

Dinand Webbink, hoofdredacteur

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Dinand Webbink, Sabine Melenhorst (HCO), Marcel Mentink (Rijnbrink), Susanne de Jong (Athenaeumbibliotheek Deventer) en Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Marion Karsch, Ewout van der Horst, Harrie Scholtmeijer (IJsselacademie), Tineke Stein.

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
ijsselacademie
rijnbrink

Een steen in de vijver: de Vrouwenarbeidsschool in Deventer

In het Stadsarchief van Deventer bevindt zich een fraai albumpje met aquarellen van een lid van de bekende kunstenaarsfamilie Bokhorst. Bladerend door het boekje zie je een sfeervolle afbeelding van schaatsers op ondergelopen uiterwaarden langs de IJssel en intrigerende plaatjes van Franse vluchtelingen in 1918. Het boekje verdient het om beter bekeken te worden. Wat staat er precies in, wie is de kunstenaar en voor wie is het bestemd?

Het is feest. In 1939 wordt in de Vrouwenarbeidsschool aan de Diepenveenseweg in Deventer gevierd dat Bertha van Marle-Cost Budde (1870-1954) vanaf de oprichting in 1899 presidente is van de nijverheidsschool. Maar liefst veertig jaar lang heeft zij haar beste krachten gewijd aan de vorming van jonge meisjes. Volgens een verslag in een lokaal nieuwsblaadje was de sfeer buitengewoon ontspannen: ‘Wij gelooven, dat er zelden een feest is geweest zóó spontaan, zóó van harte gemeend … met veel warme echt gemeende waardeering, veel hartelijkheid, veel grappen.’ Bertha krijgt een prachtig herinneringsalbum aangeboden met toepasselijke aquarellen van de Deventer kunstenaar Engelbartus Bokhorst (1871-1939).

Het is feest. De economische crisis lijkt bezworen. Toch is er al een dreiging voelbaar. In hetzelfde jaar worden sirenes geïnstalleerd die de Deventenaar waarschuwen bij luchtaanvallen. Een van de sirenes wordt geplaatst op het gebouw van de Vrouwenarbeidsschool.

Engelbartus Bokhorst (1871-1939), geportretteerd door zijn neef Arnold. (collectie Deventer Verhaal)

Deventer te klein

Het album met dertien aquarellen die Bart Bokhorst van toepasselijke teksten voorziet, is een van zijn laatste werken. In oktober van 1939 zal hij na een zwaar ziekbed overlijden. Met zijn opvallende uiterlijk, een ‘markante kop, een fijn profiel met een scherpe neus’ is Bokhorst een bekende persoonlijkheid in de Hanzestad. Hij speelt een belangrijke rol in het sociaal-culturele leven als medeoprichter en bestuurslid van museum De Waag en diaken van de Nederlands Hervormde kerk. Toch is hij misschien wel een landelijke carrière als kunstenaar misgelopen juist doordat hij gekluisterd is aan zijn geboortestad. Deventer was voor hem te klein, zo beweert de schrijver Herman Korteling. Was hij als jonge man in het westen des lands gebleven dan ‘had hij met zijn uitgesproken decoratieve talent een van de grootste Nederlandse “Jugendstil” sierkunstenaars van ons land kunnen worden’.

In 1891 is de jonge Bart enige tijd verbonden aan de beroemde aardewerkfabriek Rozenburg in Den Haag. Daar vervaardigt hij als twintigjarige zijn masterpiece: vijf tegeltableaus, elk drie meter hoog, bestemd voor de badkamer van koningin Wilhelmina in het paleis Noordeinde. De tableaus zijn nog niet geplaatst als Bart teruggeroepen wordt naar zijn geboortestad na het overlijden van zijn vader. Samen met zijn broer Johan zet hij het schildersbedrijf van zijn familie voort om nooit meer uit Deventer weg te gaan.

Fragment van een van de tableaus uit de badkamer van koningin Wilhelmina, door Engelbartus Bokhorst. (Rijksmuseum Amsterdam)

Plichtsgetrouw presidente

Bertha Cost Budde, dochter van Willem Herman Cost Budde en de Zwitserse Emma Anna Barbara Meister, trouwt in 1893 in Deventer met mr. Carel Ernest ‘Nes’ van Marle. Ze krijgen drie kinderen, Emma, Ru en Willem. De kinderen krijgen niet de kans hun vader te leren kennen, want in 1905, het jaar waarin benjamin Willem wordt geboren, sterft Nes plotseling. Bertha staat vanaf dat moment alleen voor de opvoeding van haar drie kinderen. Ze doet er alles aan om hen een fijn thuis en een goede opleiding te geven. Het zomerhuis het Kleine Schol in Wilp wordt vergroot en Bertha betrekt het permanent met haar kinderen.

Bertha van Marle. (HCO, Stadsarchief Deventer)

Daarnaast blijft ze zeer actief op maatschappelijk gebied. Al vanaf de oprichting is Bertha betrokken bij de Vrouwenarbeidsschool, later Nijverheidsschool voor meisjes in Deventer. In 1899 treedt ze aan als voorzitter van het bestuur. Ze blijft maar liefst 48 jaar aan als presidente, tot aan haar afscheid in 1947. Bij haar aftreden ontvangt ze uit handen van de burgemeester het ereburgerschap van Deventer, in de vorm van een verguld zilveren medaille en inschrijving in het gulden boek van Deventer.

De oprichting van de Vrouwen- arbeidsschool was als het gooien van een steen in de vijver.

Vrouwenarbeidsschool

De Vrouwenarbeidsschool is niet alleen bedoeld voor arbeidersmeisjes, maar ook voor ‘dames, die les kunnen krijgen op de kookafdeling en de ‘Wasch- en strijkafdeling.’ De opleiding komt in een stroomversnelling als er in 1904 een fusie plaats vindt met de gemeentelijke naai- en breischool. De Vrouwenarbeidsschool groeit onstuimig en na verschillende verbouwingen wordt in het begin van de jaren twintig besloten tot nieuwbouw. In december 1924 kan het door architect W. Uytenhoudt ontworpen monumentale gebouw aan de Diepenveenseweg worden betrokken.

De strijkklas, ca. 1925. Foto: J.H. Rutgers. (collectie HCO, Stadsarchief Deventer)

De onderwijsinstelling overleeft de bezuinigingen tijdens de crisis. De Tweede Wereldoorlog is een nog grotere beproeving. Het gebouw wordt door de bezetter geconfisqueerd en heeft te lijden van het oorlogsgeweld. In 1947 houdt mevrouw Van Marle het voor gezien. Haar vertrek markeert het einde van een tijdperk. In het naoorlogse Nederland is geen plaats meer voor bestuurders van de oude stempel, net zo min als er nog vraag is naar tweede meisjes, linnenmeisjes of kostuumnaaisters. De nijverheidsscholen ondergaan grote veranderingen, mede door de in 1968 ingevoerde Mammoetwet. Algemene vorming wordt steeds belangrijker en de vakopleidingen richten zich op administratieve beroepen en de zorg. In de jaren zeventig komen er jongens op de nijverheidsscholen en er gaan meisjes naar de technische school. Daarna volgen fusies van diverse schoolsoorten. De Vrouwenarbeidsschool is voorgoed verleden tijd.

Vrouwenarbeids- school aan de Diepenveenseweg rond 1925. Foto: J.W. Jansen. (collectie HCO, Stadsarchief Deventer)

In november 2018 wordt het herinneringsalbum met aquarellen van Bart Bokhorst integraal gepubliceerd onder de titel ‘Een steen in de vijver’. Het is voorzien van inleidingen en een toelichting door de schrijvers van dit artikel. Het boek wordt uitgegeven door de Vereniging van Vrienden van de Athenaeumbibliotheek i.s.m. Corps 9. Het kost € 14,50 en is verkrijgbaar bij boekhandel Praamstra.

Binnenkijken: zo ziet de Vrouwenarbeidsschool er nu van binnen uit

Door Marion Karsch en Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

"Neem het leven zoals het komt." De laatste zusters van Windesheim

Haar witte habijt met zwarte kap maakt zichtbaar dat zuster Anthonie in de traditie van de Moderne Devotie staat. Deze kledij wordt nog door welgeteld twee Nederlandse vrouwen gedragen. ‘Zuster Gerarda en ik zijn de laatst overgeblevenen van onze communiteit van reguliere kanunnikessen van Windesheim in Nederland’, stelt priorin Anthonie Koolen (Helmond, 1932). Haar leefgemeenschap is in 1997 vanuit klooster Soeterbeeck in Deursen naar verzorgingstehuis Sint Jozefoord in Nuland verhuisd. ‘We waren toen nog met elf zusters, maar de anderen zijn inmiddels bij de Heer’.

Zuster Anthonie was oorspronkelijk ingetreden bij een congregatie die bekend staat als de Zusters van de Visitatie, in hun klooster te Tilburg. In 1953 is ze op 21-jarige leeftijd in dit besloten klooster ingetreden. ‘Ze hebben het weleens over een roeping, maar bij mij is het geleidelijk gegroeid’, verklaart ze. ‘Het sprak mij gewoon heel erg aan, vooral het koorgebed. Als meisje ging ik weleens met mijn moeder naar het klooster van de clarissen, een heel gesloten gemeenschap. Het zingen van die zusters vond ik erg mooi. Zodoende is die wens in mij gegroeid. Een paar tantes en mijn zus waren bij actieve orden, maar ik wilde geen actieve zuster worden. Ik had het leven in een slotklooster voor ogen’.

Zuster Anthonie en zuster Gerarda. (Foto: Albert Bartels)

Geen bankrekening

Als zuster legde Anthonie eerst haar tijdelijke geloften af, waardoor ze novice werd, later gevolgd door haar eeuwige geloften van maagdelijkheid, gehoorzaamheid en armoede – hierna was er geen weg meer terug. Voor haar intrede had ze een tijdlang een relatie: ‘Maar toen het erop aan kwam, dacht ik: “Dit wil ik niet”. Ik heb hem gezegd dat ik naar het klooster wilde. Dat was mijn keuze’. De gelofte van gehoorzaamheid betekende vooral dat ze gehoor moest geven aan haar overste. ‘Tegenwoordig gaat het allemaal veel meer in overleg’, stelt de priorin. ‘Nu hebben ze het ook over soberheid in plaats van armoede. Maar het komt op hetzelfde neer. Ik heb altijd uit een gemeenschappelijke kas geleefd. Die staat op naam van de reguliere kanunnikessen. Verder heb je niets. Ik heb zelf geen bankrekening, nooit gehad ook’.

Tralies

Evenals in klooster Soeterbeeck leidden de Zusters van de Visitatie een afgezonderd leven. Een zogenaamde ‘buitenzuster’ van elders verzorgde de contacten met de buitenwereld en deed de boodschappen. ‘Bezoek kon alleen in een spreekkamer komen’, vertelt Zuster Anthonie. ‘Er zaten tralies tussen ons en de familie. Je mocht niet naar elkaar toe. Je kon net je hand door de tralies steken om elkaar te begroeten. Maar het hoorde erbij. Je hebt het gewild, dus moet je het maar aanvaarden’. Onder invloed van het Tweede Vaticaans Concilie kwam aan het gesloten karakter van de slotkloosters een einde. De tralies verdwenen en de familie kon gewoon op bezoek komen.

Zuster Antonie. (foto: Albert Bartelds)

Rijke traditie

Vlak voor de opheffing van de vrijwel uitgestorven kloostergemeenschap in Tilburg stapte zuster Anthonie in 1985 over naar klooster Soeterbeeck. De reguliere kanunnikessen in Deursen stonden meer open voor de buitenwereld dan de Zusters van de Visitatie. ‘Vroeger zaten de zusters boven en de bezoekers beneden in de kapel, zonder dat ze elkaar konden zien’, licht zuster Anthonie toe. ‘Dat was in mijn tijd al niet meer. De tijdgeest was aan het veranderen. We hielden in Soeterbeeck ook rondleidingen in het klooster, en er waren gasten en bezinningsdagen’.

Innigheid

In 1991 werd zuster Anthonie door de communiteit gekozen als priorin. Zo kreeg ze de dagelijkse leiding over de gemeenschap. Pater Van Dijk was haar geestelijk raadsman. Hij sprak veel over de betekenis van de Moderne Devotie. ‘Het is lastig over die innigheid te praten’, meent zuster Anthonie, ‘want iedereen voelt dat anders. Die verre voorgangers zijn voor ons vooral van betekenis in het dagelijkse leven, bijvoorbeeld als het gaat om het ideaal van soberheid. Wij hoeven geen overdadig luxe eten of overdreven veel kleren. Neem het leven zoals het komt. Dat zit helemaal ingebakken in de Moderne Devotie’.

Thomas à Kempis op de Agnietenberg. (Stedelijk Museum Zwolle)

Idealen

Het teruglopende aantal zusters maakte de exploitatie van het kloostercomplex steeds moeizamer. Met pijn in het hart besloot de communiteit het klooster in 1997 te verruilen voor een vleugel in Sint Jozefoord. Voor zover mogelijk proberen de laatste twee zusters twintig jaar later het dagritme van hun orde vast te houden. Zuster Anthonie: ‘In naam ben ik nog steeds priorin, maar wat houdt het eigenlijk in? We hebben geen eigen klooster meer en ik heb nog slechts één onderdaan’. Toch laat ze de moed niet zakken: ‘Met ons heengaan hoeven de idealen van de Moderne Devotie niet te verdwijnen. Ik denk dat ze op een andere manier wel zullen voortleven. Ik ben heel dankbaar dat we in deze rijke traditie mochten leven’.

Mini-documentaire

In het Brabantse verzorgingstehuis Sint Jozefoord wonen de laatste twee zusters van Nederland die rechtstreeks in de traditie staan van de Moderne Devotie, een middeleeuwse hervormingsbeweging. HCO-IJsselacademie liet bureau Beeldtaal een korte film over zr. Anthonie en zr. Gerarda maken.

Om verder te lezen

- R. Th. M. van Dijk, Het klooster Soeterbeeck te Deursen, Tilburg, 1982.
- R. Th. M. van Dijk, ‘Vrouwelijk Windesheim. De uitstraling van mater Salome Sticken’, in Idem, Twaalf kapittels over ontstaan, bloei en doorwerking van de Moderne Devotie, red. C. Caspers & R. Hofman, Hilversum, 2012, p. 199-224.
- R. Th. M. van Dijk, ‘“Dat oetmoedich fundament ende privilegie der susteren”. Het leven van een reguliere kanunnikes in Soeterbeeck’, in Twaalf kapittels over ontstaan, bloei en doorwerking van de Moderne Devotie, p. 225-245.

Door Ewout van der Horst
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De dorpse stilte van Willem Witsen in Diepenheim

In het Rijksmuseum te Amsterdam wordt een schetsboekje bewaard van de schilder, etser en fotograaf Willem Witsen (1860-1923). Sommige van de tekeningen zijn voor liefhebbers van het Twents erfgoed heel herkenbaar, zoals het huis Diepenheim en een dorpsgezicht met de Johanneskerk. Witsen verblijft in de herfst van 1887 een paar weken in het ‘stedeke’. Niet alleen zijn schetsboek is bewaard gebleven, ook de brieven die hij gedurende zijn korte verblijf aan de dichter Albert Verwey schrijft, zijn op internet te vinden.

Sensationele kunst

Willem Witsen is het jongste kind uit een welgestelde hoofdstedelijke familie. Al op jonge leeftijd wordt bij de begaafde Wim zijn tekentalent ontdekt. Omdat zijn vader, een rijke ijzerhandelaar, hem van harte steunt, kan zoonlief zich helemaal wijden aan de kunst. Het artistieke klimaat in Amsterdam is er ook naar. Jonge kunstenaars, zoals de dichter Willem Kloos (‘Ik ben een god in ‘t diepst van mijn gedachten’), Albert Verwey, Jacobus van Looy en Isaac Israëls willen de hemel bestormen met vernieuwende kunst en afrekenen met ‘predikantengezapigheid en burgerlijke benepenheid.’ Vooral de dichters onder hen zullen geschiedenis schrijven als de Tachtigers. In Willem Witsen hebben ze een warm pleitbezorger. In één van zijn twee Diepenheimse brieven schrijft hij aan Albert Verwey: ‘Maar ik verbeeld me dat we op weg zijn naar 'n Nieuwe periode, 'n sensationneele kunst geinfluenceerd door de letterkunde of liever geboren uit 't contact mèt de litteratuur...’. Over zijn eigen werk van dat moment is hij allesbehalve tevreden: ‘Ik knoei nog net zoo als toen 'k van de academie kwam … 'k heb alle geloof in mezelf verloren.’ 

 

Willem Witsen, zelfportret (Prentenkabinet UB Leiden)

Doodsbang voor drank

Rusteloos als hij is, verdeelt Witsen zijn tijd tussen de stad en het platteland. In Amsterdam, waar hij op dat moment woont bij zijn vriend de kunstschilder George Breitner, is de aantrekkingskracht van het uitgaansleven bijzonder groot. Samen met zijn kunstbroeders bezoekt hij de vele café chantants langs de Nes en omgeving, daarbij grote hoeveelheden alcohol nuttigend, ‘slechte cognac, die is als water in de mond en als vuur in de keel.’ Als hij rust zoekt, kan hij naar het ouderlijk landgoed de Ewijckshoeve bij Soest. Wellicht dat de nabijheid van zijn depressieve zuster Anna, die zich enkele jaren later van het leven zal benemen, hem teveel benauwt. Aan Verwey geeft hij een andere reden voor zijn verblijf in Twente: ‘Waarschijnlijk kom ‘k wel in Amst., maar ‘k ben bang, doodsbang voor drank. - Je weet wel, zooals wij dat deden, veel drank! Maar de provincie en m'n werk … leeren me ‘t drinken af.’

‘Gezicht op Huis Diepenheim’. Rijksmuseum Amsterdam

 

Waar de 27-jarige kunstenaar precies verblijft, vertelt hij niet. Hij noemt de waard ‘een gekke vent’ die niets liever wil dan met hem om geld kaarten, eenentwintigen. Zijn kamer bevalt hem prima, ondanks het gezelschap van ‘verschillende soorten spinnen en veel muizen; de eerste nacht trok 'k 'n heel bedenkelijk gezicht - nu ben 'k eraan gewoon.’ ’s Ochtends gaat hij er op uit om te schetsen na een ontbijt van ‘weitebrood en kaas, met slechte thee en goede eieren’, ’s middags schildert hij.

‘Dorpsweg te Diepenheim’. 

Rijksmuseum Amsterdam

Heerlijke dingen 

Aan het eind van de middag gaat hij weer het dorp in: ‘Dat uurtje is ’t mooiste van den dag; dan zie ik altijd heerlijke dingen, hier in ’t dorp, ’n schat van etsen en teekeningen.’ Die ‘heerlijke dingen’ tekent Willem dan ook, schetsmatig, maar trefzeker. Van het huis Diepenheim maakt hij twee schetsen. De karakteristieke toegangspoort tekent hij vanuit een ongewone hoek, waarschijnlijk omdat het spel van licht en schaduw onder de brug hem boeit. Verder vervaardigt hij impressies van de Grotestraat met de Johanneskerk, huis Warmelo, eenzame landweggetjes, een waterrijk landschap (het Stokkumerbroek?), een gammel, houten bruggetje, verschillende boerderijen en een ophaalbrug van een tot nu toe ongeïdentificeerde havezate. Ook tekent hij ‘dikwijls tot 2 of 3 uur ‘s nachts, tot verbazing van m'n waard en z'n vrouw die niet gewoon zijn aan die stads gewoonten.’ Op zijn beurt verbaast de Amsterdammer zich over de rust: ‘… die stilte op zoo’n dorp, ’s nachts dat is gewoon ongelooflijk; ‘k krijg als ‘k er op let altijd de sensatie of ‘k alleen op ’n onbewoond eiland ben of god weet waar!’ 

‘Gezicht op de toegangspoort van Huis Diepenheim’. Rijksmuseum Amsterdam

Het schetsboek van Witsen is te vinden op www.rijksmuseum.nl. Zijn brieven worden bewaard in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam en zijn integraal op internet te raadplegen. Drie door Witsen in Diepenheim geschilderde werken bevinden zich in de collectie van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Twee daarvan zijn op internet te vinden, maar de kwaliteit van de digitale reproductie is matig. 

‘Ophaalbrug over een slotgracht’. Rijksmuseum Amsterdam

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

150 jaar Stork in Hengelo, sociaal voor mens en gemeenschap

Zeg Stork, en iedereen in Twente en misschien wel in heel Nederland, weet waarover je het hebt. Het kleine onderhoudsfabriekje dat in 1868 naar Hengelo verhuisde, werd een toonaangevende wereldspeler met 26.000 personeelsleden wereldwijd op het gebied van stoomketels, pompen voor gemalen, machines voor de suikerrietindustrie en scheepsmotoren. Ook stond het aan de wieg van bedrijven als Werkspoor en Hoogovens. Dit jaar is het 150 jaar geleden dat de firma Stork zich in Hengelo vestigde. Een feit dat uitgebreid wordt herdacht.

Dat de familie Stork begaan was met zijn personeel en veel voor hen (en Hengelo) heeft betekend, staat buiten kijf. Denk aan de oprichting van Tuindorp ’t Lansink in 1867, het eigen pensioenfonds in 1881(!) en het bijzondere steunfonds voor werknemers die in de problemen zaten. Vergeet ook niet het badhuis, het verenigingsgebouw, de spaarkas, het studiefonds, arbeidstijdverkorting, loon naar werk, de bedrijfsgeneeskundige dienst, winstdeling voor arbeiders en scholing van het personeel. Buiten de fabriekshekken waren er de gymnastiekvereniging Hercules, de muziekvereniging Armonia, een mannenkoor, en last but not least: het revuegezelschap Stork’n-nus.

Hoe het ooit begon

Charles Theodorus Stork stopte in 1836 op 13-jarige leeftijd  met de Gymnasiumopleiding. Na een bezoek aan een stoomspinnerij in Enschede te hebben gebracht wilde hij textielfabrikant worden. Hij leende ƒ 2000 van zijn vader en door de aankoop van drie weefgetouwen was de oprichting van C. T. Stork & Co een feit. Als 13-jarige was hij de jongste ondernemer van Nederland. In een klein gebouwtje met twee weefstoelen, begon hij in loon te werken voor G & H Salomonson in Almelo. Hij haalde de garens met zijn wagentje van Almelo en leverde daar ook het goed weer af. Het was zwaar, maar hij hield vol.
Met zijn broer Jurriaan E. Stork (die in Zwitserland al ervaring had opgedaan met het verven van garen) begonnen ze in Oldenzaal en Denekamp een bontweverij en in 1854  begonnen ze in Hengelo een bontweverij samen met hun latere zwager H.J. Ekker.

De in 1853 opgerichte Fabriek Denekamp nabij de Dinkel. (Tachtig jaar Stork, Hengelo 1948)

Samen met burgemeester Eeckhout van Oldenzaal en de heer H.P. Gelderman had Charles het plan opgevat een stoomkatoenspinnerij op te richten. Iets geheel nieuws in Oldenzaal. De fabriek die in 1861 werd opgericht kon de fabrieken in de omgeving naar de kroon steken.
Charles Theodorus zag dat de opkomende textielindustrie en stoomweverijen ook steeds meer behoefte hadden aan machinerieën en reparatiewerkplaatsen daarvoor. Zijn jongere broer Coenraad Craan werkte op aanraden van Charles al samen met de eigenaar van een smederij in Borne en zij hadden op 13 mei 1859 daar de ijzer- en metaalgieterij Stork & Meyling geopend. In de daaropvolgende periode draaide de fabriek vanwege de groeiende vraag al met vrij goede resultaten.
Coenraad overleed in 1863 en Charles Theodorus trad toe. De heer Meyling trad toen ook terug en in 1865 was Gebr. Stork & Co geboren. (Ook zijn broer Jurriaan was toegetreden evenals hun zwager H.J. Ekker.)

Kruispunt van spoorlijnen

In 1868 werd de fabriek met de naam Gebr. Stork & Co verplaatst naar Hengelo op het kruispunt van de spoorlijnen Almelo-Salzbergen en Hengelo-Zutphen. De spoorlijnen waarvoor hij samen met andere textielfabrikanten had gestreden. In zijn jaren als directeur stapte hij ’s ochtends voor half zeven op de trein (die speciaal voor hem niet ver van zijn huis in Oldenzaal stopte), ging tussen de middag naar huis om daar te eten, zodat hij verkwikt de middag tot 5 uur weer in Hengelo aan de slag kon.

Charles Theodorus Stork. (R.E. Hattink, Het geslacht Stork, Leeuwarden 1915)

Politiek

Charles Theodorus Stork heeft ook een politieke carrière gemaakt. Hij begon halverwege de negentiende eeuw als raadslid van Oldenzaal en Hengelo. Op 18 september 1867, werd Stork lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal voor de provincie Overijssel. Met enkele tussenpozen van ongeveer een maand, bleef hij tot vlak voor zijn dood lid van de Eerste Kamer. 
Tijdens zijn periode als lid heeft hij voor de afschaffing van de doodstraf gestemd en tegen het Kinderwetje van Van Houten, omdat dat niet ten goede zou komen aan de ondernemers, zoals hij.

Sociaal

De sociale inslag van Charles Theodorus Stork blijkt onder andere uit het volgende citaat uit het gedenkboek dat is uitgegeven ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van de firma Gebr. Stork en Co. Daarin vertelt hij over een boek, waarschijnlijk Kapitaal en arbeid, dat diepe indruk op hem had gemaakt: 'In het boek werd een fabriek beschreven, waarin elke arbeider als het ware tot zijn recht kwam, vlijtige en verstandige menschen hadden het beter dan luie en onverstandige of onverschillige. De chef of chefs der fabriek waren ervan doordrongen, dat zij grooter verantwoordelijkheid hadden tegenover hunne arbeiders, dan destijds over het algemeen gevoeld werd, elke arbeider werd in de gelegenheid gesteld zich meer en meer te ontwikkelen naar mate van zijn aanleg en elk die vlijtig was en goed oppaste kon een goed loon verdienen, terwijl zij die het meest ijver, wilskracht en geduld ten toon spreiden, konden opklimmen tot de hoogste rangen.'

Toen Charles Theodorus  in 1857 eens naar zijn broer Coenraad in Manchester reisde, liet Coenraad hem daar de ‘free library’ zien, 'waar ieder arbeider en jongen alles voor niets kan lezen, een ontzagchelijk mooi gebouw, waar wij vele arbeiders en jongens van arbeiders allerlei boeken en couranten zagen lezen en halen om in huis te lezen. Ontzagchelijk interessant.' Uit het dagboek van Stork – 20 mei 1874 (uit: C.T. Stork – in zijn leven en werken geschetst 1822- 1895) 'Het was zoo kalm, zoo zonder geldzorgen. Nu en dan een kleinigheid, maar geen wezenlijke zorgen. Met de Bontweverij ging en gaat het best! Wij verdienen genoeg. Als wij geld genoeg hebben moeten wij nog wat meer voor de opvoeding der arbeiders doen. Geen mooier en dankbaarder taak dan deze!'

In het voorjaar van 1895 voelde hij zich niet meer gezond: ‘zenuwachtig’, noemde hij het zelf. In werkelijkheid was zijn gezondheid ernstig aangetast. Tijdens een vergadering enkele maanden later werd hij onwel en de geraadpleegde dokter raadde hem volledige rust aan. Slechte enkele dagen later op 19 juli overleed hij.

De opvolger

De oudste zoon van Charles, Dirk Willem, was al als 17 jarige in de fabriek van zijn vader en oom begonnen. Hij wist veel van techniek en financiën en werkte samen met Technisch directeur Strumphler. DW Stork wist het bedrijf tot bloei te brengen en in 1878 winstgevend te maken.

De draaijerij in 1893. (Tachtig jaar Stork, Hengelo 1948)

Zijn grootste verdiensten liggen echter op het terrein van de sociale voorzieningen, waar hij het ideaal dat zijn vader zich had gesteld wist te verwezenlijken. De opbouw en verzorging van maatregelen in het maatschappelijk belang van het personeel van de fabriek, werd zijn levenswerk.

Het begon in 1881 met het ‘Zieken- en Pensioenfonds’. Dit ging geheel in overleg met de door hem opgerichte 'Technische Vereeniging', later de 'Kern', bestaande uit personeelsleden uit verschillende fabrieksafdelingen en een aantal directieleden. Ook stelde hij een 'Spaarkas' in waarin de loonsverhoging voor jongeren werd gestort, zodat ze een eigen kapitaal konden opbouwen. In 1895 kwam er een reglement voor 'Invaliditeits-, weduwen- en weezenpensioenfonds', omdat het gewone pensioenfonds niet voorzag in de gevallen waar werknemers invalide werden en geen ondersteuning gaf aan weduwen en wezen. 

Bestuur der Vereeniging 1948, met in het midden zittend twee broers Stork CT en DW van een jongere generatie. (Tachtig jaar Stork, Hengelo 1948)

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak besloot de 'Kern' dat tot nader order 20% van hun loon in een fonds gestort zou worden voor werkloosheid en  andere noodgevallen. DW had gezegd: “Laten we eensgezind zijn; zolang wij, directieleden, te eten hebben, zult gij ook te eten hebben. En in dat vertrouwen werd het voorstel aanvaard.

DW Stork overleed na een lang ziekbed op 15 februari 1928. Ter ere van hem werd er in 1935 een monument aan de poort van de fabriek onthuld.

Monument DW Stork. (Tachtig jaar Stork, Hengelo 1948)

De jongere zoon neemt het roer over

Coenraad Stork, de jongste zoon van Charles T. Stork, trad op 1 september 1888 als ingenieur in dienst bij de fabriek. In 1892 kreeg hij de technische leiding van de fabriek en in 1893 werd hij als firmant in de zaak opgenomen. Na het overlijden van zijn vader in 1895 kwam de fabriek geheel onder leiding van de drie gebroeders D.W., H.C. en C.F. Stork; Dirk Willem overleed in 1928 en de tweede trok zich in maart 1922 uit de zaak terug en overleed in 1934; Coenraad hield de leiding tot kort voor zijn dood in handen.

H.C. 'Boer' Stork. (Tachtig jaar Stork, Hengelo 1948)

In de ruim 40 jaren waarin een Stork de machinefabriek (mee)bestuurde, maakte deze - behalve een daling in de crisisjaren na 1928 - een enorme groei door. Aan de basis van het succes stond altijd zijn belangstelling voor de mens en de gemeenschap. Hier mag de invloed van de opvoeding van vader Stork op zijn zoons, wanneer het ging om goede verhoudingen tussen werkgever en werknemer, niet vergeten worden. 

Bronnen:

Het geslacht Stork in Twente, Hattink 1884.
Machinefabriek, Gebr.Stork & Co Hengelo Gedenkboek 1893.
Het geslacht Stork, Hattink/Snuif 1915.
Gebr.Stork & Co Machinefabriek Hengelo Fotoboek 1915
C.T. Stork in zijn leven en werken geschetst – C.F. Stork 1918
Machinefabriek Gebr.Stork & Co Hengelo 1922
Hengelosche Fabrieksbode 1922 & 1928
80 jaar Stork 1948
Wikipedia lemma: Stork

 
Door Marcel Mentink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De Twentse wortels van de familie Stork

Iedereen kent de naam en de fabriek, maar waar kwamen de leden van deze familie vandaan en wie waren deze mensen die een onuitwisbare rol gespeeld hebben in het leven van duizenden inwoners van Hengelo.

Het geslacht Stork is al een heel oud (Twents) geslacht. De oudste stukken waarin de naam Storck wordt aangetroffen, zijn akten uit het jaar 1450 waar Godiken Storck voor de richter B. van Bevervorde te Ootmarsum verschijnt en verklaart dat hij Prior en Convent van Albergen vrijwaart van alle aanspraken op het erf Hilbijng te Albergen.

Op 26 mei 1675 wordt Frederik Stork door de Ridderschap en Steden van Overijssel benoemd tot richter te Ootmarsum. Van hem is het geslachtswapen bewaard gebleven, 'zijnde in goud een zilveren ooijevaar met groenen paling in zijn snavel, met zilveren, goud getralieden, gesierden en omboorden helm, van rood gevoerd, hebbende als helmteeken den ooijevaar uit het schild; terwijl wrong en dekkleden van zilver en goud zijn.' Aldus Mr R.E. Hattink in zijn boek ‘Het geslacht Stork in Twenthe’ uit circa 1884.

Het wapen van de familie Stork. (R.E. Hattink, Het geslacht Stork, Leeuwarden 1915)

Gerhard Willem Stork (1693 - 1776)

Gerhard is  gedoopt op 29 juni 1693 te Ibbenbüren, 50 kilometer over de grens bij Oldenzaal. Hij komt in 1728 voor als burgemeester van Oldenzaal en verwalter van het Landgericht. Hij huwde in april 1717 te Oldenzaal met Agneta Potken (ged: 3-06-1694 overl: 19-12-1769). Zij krijgen samen 11 kinderen. Hij woonde aan de markt in Oldenzaal in een in 1770 verbouwd huis waar in de geveltop een ooievaar (stork) met paling in de snavel en een pot met de namen Storck en Potken.
Gerhard overlijdt op 14 juni 1776. 

Ruim een eeuw heeft de familie Stork in dit huis gewoond dat in 1901 afbrandde. De gevelsteen die ook beschadigd raakte is gerestaureerd en geplaatst op 'de Koppelboer' in De Lutte. (R.E. Hattink, Het geslacht Stork, Leeuwarden 1915)

Jurriaan Engelbert Stork (1737 – 1823)

Geboren op 9 juli 1737 te Oldenzaal als 10e kind van Gerhard en Agneta. Jurriaan is gehuwd op 19-03-1772 te Weerselo met Henriette Rosina Dorothea van Dören (geb: 20-10-1754 overl: 19-02-1831). Jurriaan was collecteur van de Landsmiddelen te Oldenzaal en richtte daar met twee zwagers een bombazijnfabriek op. Na 1770 komt hij als burgemeester en als lid van de magistraat voor.
Jurriaan overlijdt op 23 maart 1823 te Oldenzaal. 

Jurriaan Engelbert Stork. (R.E. Hattink, Het geslacht Stork, Leeuwarden 1915)

Derk Willem Stork (1788 – 1847)

De vader van Charles Theodorus Stork is Derk Willem, geboren 9 oktober 1788 te Oldenzaal als 9e van de 12 kinderen uit het huwelijk van Jurriaan en Henriette. Hij was rijksontvanger en directeur van het postkantoor, lid van de Provinciale Staten van Overijssel. Hij is gehuwd op 18 november 1818 te Zutphen met Anna Craan, dochter van Cornelis Hendrik Craan en Theresia Maus van Köhler.
Dochter Johanna huwt met  Arnold van Wulfften Palthe. Dochter Anna huwt met Hendrik Jan Ekker, later lid van de firma Stork & Co. Derk Willem overleed op 29 november 1847 in zijn woonplaats Oldenzaal.

Charles Theodorus Stork (1822 – 1895)

We blijven nog steeds in Oldenzaal waar de familie Stork al jaren woont. Op 9 februari 1822 wordt daar Charles Theodorus Stork geboren als tweede van de negen kinderen. Charles Theodorus Stork treedt op 22 augustus 1850 in het huwelijk met Alida Philippina Johanne Reincke de Sitter, geboren te Beers 31-01-1825. (Overl: 28-06-1892). Uit dit huwelijk worden geboren:

1. Anna Stork (17/06/1851)
2. Philippina Johanna Stork (10/02/1853). Zij huwt Gerhard Johan Otto Doris Dikkers
3. Dirk Willem Stork (4/04/1855)
4. Hendrik Casper Stork (19/08/1857)
5. Charles Stork (8/12/1859)
6. Johanna Stork (15/04/1862)
7. Coenraad Frederik Stork (6/02/1865)

Charles Theodorus was (mede)oprichter van de firma’s CT Stork & Co (katoenweverij), Gebr. Stork & Co (machinefabriek en Gelderman, Stork en Eekhout (katoenspinnerij). Directeur van het postkantoor te Oldenzaal, voorzitter van de Kamer van Koophandel en lid van de Eerste Kamer. 

De beschadigde grafsteen van Charles Theodorus Stork is nu geplaatst in de tuin van het Palthehuis te Oldenzaal. (foto Marcel Mentink)

Dirk Willem Stork (1855 – 1928)

De oudste zoon van Charles Theodorus Stork  is geboren op 4 april 1855. Hij is drie keer getrouwd geweest:
Fenna Zeper - 10 juli 1878 te Oosterbeek.
Cornelia Sara E Thomas – 6 maart 1890 te Ede
Catharina van Aken – 15 februari 1918 te Amsterdam.
Hij begon als 17-jarige in de fabriek als helper van zijn vader en oom. Wist veel van techniek en financiën en werkte samen met technisch directeur Strumphler. Dirk Willem Stork wist het bedrijf tot bloei te brengen en in 1878 winstgevend te maken. Hij was lid van de Provinciale Staten in Overijssel, lid van de Eerste Kamer, voorzitter van de Nederlandse Werkgevers en voorzitter van de Kamer van Koophandel. In 1911 droeg hij alle dagelijkse taken over aan zijn jongere broer Coenraad Frederik Stork. Derk Willem overleed op 15 februari 1928 te Hengelo.

Monument Dirk Willem Stork. (Tachtig jaar Stork, Hengelo 1948)

Coenraad Frederik Stork (1865 – 1934)

Coenraad Frederik Stork, de jongste zoon van Charles Theodorus Stork, bezocht de lagere school te Oldenzaal, daarna de Franse school te Hengelo en ging op zijn veertiende jaar over naar de derde klas van de HBS te Arnhem, waar hij in 1882 het einddiploma behaalde. Voor hij naar de Polytechnische School in Delft ging, werkte hij drie jaar als vrijwilliger op de fabriek van zijn vader. Door de ervaring die hij daar opdeed, werd hij later voorstander van een praktische vooropleiding tot de ingenieursstudie. In 1888 studeerde hij af in Delft als werktuigkundig ingenieur.

Coenraad Frederik Stork. (Tachtig jaar Stork, Hengelo 1948)

Charles Theodoor Stork (1893 – 1966)

De zoon van Coenraad Frederik. Stork geboren op 20 maart 1893 werd als directeur verantwoordelijk voor de zorg voor het bedrijf. Naast hem waren er nog twee andere directeuren: J.A. Avéres (financier) en ir J. Overweg (technisch directeur). In 1947 hebben zij de leiding van het bedrijf aan een jongere directie overgedragen. Charles Theodoor overleed op 5 juli 1966 in Tampico Mexico.

Na deze Stork werd in 1947 de directie uitgebreid tot 4 personen waarvan D.W. Stork en F.G. Stork deel uitmaakten.

DW Stork (jongere). (Tachtig jaar Stork, Hengelo 1948)

Door Marcel Mentink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Van Voorst tot Worst. Over de Worstsloot en Worstdijk bij Kuinre

Op de meest noordwestelijke punt van Overijssel liggen de Worstdijk en de Worstsloot. Intrigerende namen, omdat de Worstdijk geen dijk is, en de Worstsloot geen sloot, en Worst niets te maken heeft met wat wij onder worst verstaan. Wel kunnen die namen ons mogelijk iets zeggen over hoe het landschap er vroeger uitgezien heeft. Worst in de namen Worstdijk en Worstsloot bij Kuinre kan heel goed hetzelfde zijn als de Voorst bij Vollenhove: de naam verwijst naar een bos.

De Worstdijk was vroeger wel een dijk, die van Schoterzijl naar de oude Zuiderzeedijk liep. In 1702 werd deze overbodig door de aanleg van de Statendijk. De Worstsloot was vanaf 1828 het uitwateringskanaal van Schoterzijl naar de Zuiderzee, tussen de Buitenpolder en het Buitendijksveld. Bij de aanleg van de Noordoostpolder in de jaren veertig verdween dit kanaal, al loopt er nog steeds een sloot langs de weg Worstsloot.

Eerdere verklaringen

In het blad De Silehammer van de Historische Vereniging IJsselham is de volgende  verklaring aangedragen. Ons woord worst in de betekenis ‘vleesproduct’ gaat terug op een Proto-Indo-Europese vorm *-uert (de asterisk betekent: niet overgeleverd maar gereconstrueerd). De betekenis hiervan is ‘draaien’. Een worst is dus ineengedraaid vlees. In De Silehammer van december 2017 noemt de redactie de mogelijkheid dat de kronkelingen van de Worst aan een worst deden denken. Nu is de Worstdijk volgens Kamman (R. Kamman, 1985, Geschiedenis van Kuinre en Omgeving, p. 17)  inderdaad een kronkelende dijk geweest; maar er zit een belangrijk verschil tussen het draaien van de dijk en het draaien van de worst. Een worst wordt gedraaid, een kronkelende dijk draait zelf. Die betekenissen kunnen niet zomaar op één hoop worden gegooid.

Een nieuwe verklaring

Wie vanaf Schoterzijl de Worstsloot af fietst, komt in de Noordoostpolder uit, en het eerste wat je daar ziet is het Kuinderbos. De slappe veengrond van het Kuinderbos was voor de landbouw totaal ongeschikt. Zo’n twintig kilometer ten zuiden van het Kuinderbos vinden we ook een groot bos, het Voorsterbos. Ook hier gaat het om gronden die voor landbouw ongeschikt waren. Niet omdat het veen was, maar vanwege de stenige grond, restant van de voorlaatste ijstijd. En ook hier is de grond als het ware een uitloper van het gebied op het oude land, de keileemhoogte van Vollenhove. De klif werd en wordt hier aangeduid als de Voorst, en het Voorsterbos is naar de Voorst genoemd.

De Worstsloot bij Kuinre. (foto: Harrie Scholtmeijer)

Voorst

Het woord Voorst is hetzelfde als het Middelnederlandse woord foreest, en verwant aan het Engelse forest, het Duitse Forst en ook het Franse forêt. De betekenis is telkens bos, maar oorspronkelijk wel een bijzonder bos, namelijk een bos met jachtrechten voor de adellijke heerser. Eigenlijk ging het om een wildernis, lastig in cultuur te brengen, en omdat een bos altijd wel deel uitmaakte van zo’n wildernis, is voorst later bos gaan betekenen. Plaatsnamen die ontleend zijn aan voorst zijn Voorst in Gelderland en Vorst in België. De naam Voorsterbos betekent dus niets anders dan: bos van het bos.

Als nu het Voorsterbos op (landbouwkundig slechte) grond ligt die een uitloper is geweest van de eveneens slecht te cultiveren grond op het oude land waar een bos (‘voorst’) gelegen heeft, zou dat dan ook het geval kunnen zijn bij het Kuinderbos? Ligt dat misschien ook op een uitloper van slecht te bewerken grond waar ooit, bij gebrek aan beter, een bos is geweest? Een voorst? En is het dit Voorst dat ten grondslag ligt aan het bestanddeel worst dat terugkeert in de namen Worstdijk en Worstsloot?

Taalkundig is dat goed mogelijk. De eerder genoemde plaatsnamen Voorst en Vorst zijn ooit ook genoteerd als Worst, Voorst in 1222 en Vorst in 1188. De overgang van f via v naar w is niet zo ongebruikelijk, en datzelfde geldt voor de overgang van oo naar o. De bijgedachte aan worst in de betekenis ‘vleesproduct’ kan hierbij een rol gespeeld hebben een geval van volksetymologie. In de Frankische tijd (rond 800) werd de gouw ten noorden van Fulnaho (Vollenhove) en ten zuiden van Sutrachi (Zuidergo) de Pagus Forestensis genoemd. Dit Forestensis zou kunnen verwijzen naar een bos, en hetzelfde kunnen zijn als Voorst en Worst.

Bos dicht bij de zee

Worst in de namen Worstdijk en Worstsloot bij Kuinre kan dus heel goed hetzelfde zijn als de Voorst bij Vollenhove: een bos. We hebben dan, op zo’n twintig kilometer van elkaar, te maken met een bos dat aan de zee gegrensd heeft. Welke zee of welk meer dat geweest is – Zuiderzee, of de voorlopers daarvan: Almere of zelfs de Vlie – is voorwerp van speculatie. Wellicht zijn deze bossen, een uitloper geweest van het Kreilerbos, het befaamde  Woud van Ongenade. Zag de Viking Egil Skallagrimson, in de naar hem genoemde saga,  dit bos toen hij terugvoer van Saksen naar Friesland? Wat we wel zo goed als zeker weten is dat er bos is geweest, niet alleen in het gebied op het oude land dat nu grenst aan het Voorsterbos, maar ook in het gebied dat nu grenst aan het Kuinderbos. In beide gevallen leeft de herinnering aan dat verdwenen bos nog voort in de oude namen: de Voorst en Voorsterbos, respectievelijk Worstdijk en Worstsloot.

Bronnen:

Noordhof (2011), Bosatlas van de Geschiedenis van Nederland. Groningen, Noordhof, p. 79.
Nog een stukje worst. De Silehammer 25/4, p. 18-22.
R. Kamman (1985), Geschiedenis van Kuinre en Omgeving, p. 17.
IJsselakademie (1987 en 2001), Namen in de Noordoostpolder, Kampen p. 21 resp. 24.
Snorri Sturluson, De Saga van Egils, Singel uitgeverijen.

Door Harrie Scholtmeijer
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Er hoeft er maar één te beginnen

Waarom weten veel Nederlanders wél dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog een Februaristaking en een spoorwegstaking is geweest, maar die derde grote landelijke staking, de April-Mei-staking (Melkstaking) zo goed als onbekend? En waarom werd er gestaakt?

In de lente van 1943 legt maar liefst een half miljoen Nederlanders het werk neer om hun ongenoegen te uiten over de Duitse bezetter. De reden hiervoor is dat Hitler 300.000 Nederlandse oud-militairen oproept om in de Duitse oorlogsindustrie te gaan werken.

De Februaristaking wordt het grootste burgerprotest tijdens de Tweede Wereldoorlog en vormt bovendien een kantelpunt in het verzet.

ISBN 978 90 828 5910 2 | 84 pag. | € 24,95

Door Petra Wolthuis

Storkiaan – Een leven lang

Loopjongens, vormers, draaiers, technisch tekenaars, telefonistes. In dit boek staan hun verhalen. “De mensen die Stork groot gemaakt hebben, die wil ik een gezicht geven”, aldus de auteur. Over de successen, het gevaar, de komische situaties. Maar ook de verdrietige neergang van hún bedrijf. Ze zijn en blijven voor altijd Storkiaan. Een heel leven lang.

ISBN 978 90 827 2981 8 | 56 pag. | € 9,99

Door Marco Krijnsen

Bij Stork

Bij Stork werpt een nieuw licht op de wording en de betekenis van een machinefabriek die haar tijd ver vooruit is. Die sterke impulsen geeft aan het denken over ondernemerschap, sociale gerechtigheid, solidariteit, innovatie en medezeggenschap. Bij Stork vertelt het verhaal van een bevlogen ondernemersgeslacht dat grote betrokkenehid toont bij het welzijn van haar arbediers. En zo een stevig basis legt voor het Nederlandse polderodel. Dit boek gaat daarom voorla over mensen en belangen: over de Storken, hun keuzes en hun medewerkers. Ook na 150 jaar is dat verhaal verrassend actueel en inspirerend.

Auteur: Gerard Löbker, Hans van de Broek, Hans Morssinkhof
Uitgever: WBooks Zwolle

ISBN 978 94 625 8304 7 | 419 pag. | € 29,95

Door Gerard Löbker

Oldenzaal – veertien eeuwen geschiedenis

Dit boek neemt de lezer aan de hand voor een boeiende tijdreis door deze plaats. Te beginnen in het diepe verleden en pas eindigend in het oord van nu is te ervaren hoe uit en rond de “olde Sala” gaandeweg een karakteristieke stad is ontstaan.

De verhalen vertellen hoe op het fundament van veldkeien de majestueuze Plechelmuskerk oprees, hoe stadspoorten, grachten en gasthuizen ontstonden en hoe de Oldenzalers van toen in roerige tijden binnen de vestigingswerken van de enige ommuurde stad in Twente moesten leven.

Auteur: Gerard Vaanholt (Eindredactie)
Uitgever: Stichting Oldenzaalse musea

ISBN 978 90 811 4552 7 | 392 pag. | € 29,95

Door Gerard Vaanholt

Domineesfabriek: geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen

Tweeduizend dominees werden er opgeleid sinds 1854, dus de titel van het boek over de geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen is adequaat: 'Domineesfabriek'. Tot voor kort moest je eerst nog uitleggen welke Kampense universiteit je bedoelde, want dit stadje aan de IJssel had meer dan vijftig jaar lang twee theologische opleidingen. Een van de Gereformeerde Kerken (synodaal - tegenwoordig deel van de Protestantse Kerk) en één van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), twee kerkgenootschappen die sinds een kerkscheuring in 1944 niet meer door één deur konden.

Het is de vrijgemaakte universiteit die hier wordt beschreven, met zo'n 118.000 kerkleden als achterban. Vanwege al die dominees die de theologische opleiding - wetenschappelijke instelling en beroepsopleiding ineen - vanaf haar oprichting in 1854 voortbracht, had de universiteit alleen al daardoor een belangrijke invloed op kerkelijk Nederland.

'Kampen' heeft nooit op zichzelf gestaan, maar is het symbool van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en haar geschiedenis. En dat is, bevestigt dit boek maar weer eens, een weinig gezellige geschiedenis die ronduit sektarische neigingen heeft gekend. 

Uitgever: Prometheus Amsterdam

ISBN 978 90 351 4387 6 | 682 pag. | € 49,99

Door George Harinck & Wim Berkelaar

De Brugman collectie

Berry Brugman (1915-1966) was een Almelose expressionistisch kunstschilder, die zich onder meer liet inspireren door het Twentse landschap. Zijn echtgenote Janny Brugman-de Vries (1918-2006) werd vooral bekend als beeldhouwster. Er is veel werk van haar te zien in openbare ruimtes in heel Nederland. In het boek ‘De Brugman Collectie, ode aan kunstenaarsechtpaar’ beschrijft Jan van der Kolk het boeiende leven van Berry en Janny en laat hij een selectie van meer dan 350 kunstwerken zien.

Bestellen via debrugmancollectie@gmail.com.

 

ISBN | 224 pag. | € 34,95

Door Jan van der Kolk

Arnichem, buitenplaats aan de Vecht

Arnichem ligt idyllisch aan de oever van de Overijsselse Vecht in Haerst, onder de rook van Zwolle. De geschiedenis van de buitenplaats gaat terug tot circa 1400. Het huis heeft in zijn lange bestaan een bonte parade van bezitters en bewoners zien passeren. In de 20ste eeuw fungeerde Arnichem geruime tijd als vakantieverblijf voor dominicaner priesterstudenten. In dit fraai geïllustreerde boek wordt het kleine verhaal van het landgoed verweven met de grote geschiedenis van Zwolle, de regio en Nederland. Ook de historie van het nauw met Arnichem verbonden Haersterveer komt uitgebreid aan bod.

ISBN 9789462621916 | 216 pag. | € 29,95

Door Jan ten Hove

Moderne Devotie - Spiritualiteit en cultuur vanaf de Middeleeuwen

Een charismatisch leider die zich na een ernstige ziekte bekeert en furore maakt als rondreizend prediker, totdat hij zijn hand overspeelt. Een kloosteroverste die afgezet en verbannen wordt vanwege haar mystieke aanleg. Een zuster die zich uit nederigheid dagenlang op zolder verstopt om geen leidinggevende taken te hoeven vervullen.

De Moderne Devotie is een van de meest invloedrijke initiatieven uit de Nederlandse geschiedenis. Dit is het eerste overzichtswerk waarin deze laatmiddeleeuwse beweging in al haar schakeringen in een bredere historische context wordt geplaatst. Met aandacht voor haar Europese uitstraling, inspiratiebronnen, parallelle stromingen, de beeldvorming door de eeuwen heen en de Moderne Devotie nu. In honderd korte verhalen maakt de lezer kennis met de mensen achter dit succesverhaal, hun literatuur, kunst en cultuur vanaf het gebied rondom de IJssel tot ver daarbuiten.

De rijkgeschakeerde wereld van de Moderne Devotie ontvouwt zich vanaf het einde van de veertiende eeuw en inspireert nog steeds. 

Auteur: Anna Dlabačová en Rijcklof Hofman (red)
Uitgever: WBooks, Zwolle

ISBN 978 94 625 8295 8 | 272 pag. | € 24,95

Door Anna Dlabačová en Rijcklof Hofman
Overijsselaars van Toen

Cornelis Brandts Buijs, spil van het Deventer muziekleven

De Europese cultuur was in de negentiende eeuw sterk gekleurd door romantiek en godsdienstige gevoelens. Daarnaast zette ook de vaderliefde een stempel op een groot aantal uitingen van kunst: was men dankbaar eindelijk verlost te zijn van de Franse overheersing en nam zich voor ten allen tijde het dierbare vaderland te verdedigen tegen dreigingen van buitenaf. Dat gold in sterke mate voor Deventer dat in desolate toestand was achtergelaten door de Franse troepen.

Het herstel kwam maar langzaam van de grond, ook wat betrof de muziek. Als regel was de plaatselijke organist belast met het organiseren van muzikale activiteiten, maar de carrière van organist Jan van Tright was geen succesverhaal, en na het zoveelste verschil van mening met de kerkvoogdij nam hij in 1840 ontslag. Het stadsbestuur was blij in hetzelfde jaar een nieuwe organist te kunnen benoemen in de persoon van Cornelis Alijander Brandts Buijs (1812-1890). Hij was afkomstig uit een muzikale familie in Zaltbommel waar hij in zijn kinderjaren muziekles kreeg van zijn vader, en later trouwde met mejuffrouw Bosch Marison.

Cornelis Alijander Brandts Buijs (1812-1890).

Organist, klokkenist en dirigent

Bij zijn vaste aanstelling als stadsorganist en klokkenist aan de Lebuinuskerk te Deventer ontving hij een jaarsalaris van f 400.-, en kreeg hij zoals gebruikelijk een lijstje instructies mee over speeltijden en onderhoud van het instrument, en waarin ‘het gebruik van eenigen drank, alsmede het rooken en pruimen van tabak op het orgel volstrekt verboden was’. Met groot enthousiasme ging Cornelis aan de slag, niet alleen als organist en klokkenist maar ook als dirigent. Vanaf 1845 leidde hij het orkest ‘Unis par les sons de la musique’, dat was opgericht in 1793 en dat veel bekende Deventenaren, studenten en militairen van het in de stad gelegerde garnizoen onder zijn leden telde. Ook dirigeerde hij een aantal koren: ‘Musis Sacrum’ vanaf 1841, het ‘Deventer Volkszanggezelschap’, later ‘Euterpe’ geheten, en het kerkkoor ‘Caecilia’.

Deventer mannenkoor

Heel bijzonder was de ‘Deventer Liedertafel’ , ook wel ‘Deventer Mannenkoor’ genoemd, dat door hem werd opgericht in 1864. Het bestond uit twaalf à vijftien kunstzinnige jonge mannen, die gezeten rond een tafel in een café met bierglazen voor zich, hun overwegend vaderlandslievend repertoire lieten horen.

Vrolijke bijeenkomst van het Deventer Mannenkoor, 1868. (HCO Stadsarchief Deventer)

Waarschijnlijk hadden soortgelijke koren zich al in het begin van de negentiende eeuw vanuit Duitsland over Europa verspreid. Van het Deventer koor zijn drie geïllustreerde ‘Notulenboeken’ bewaard gebleven, waarin de koorleden zelf met potlood, pen, verf en camera een humoristisch overzicht geven van hun activiteiten over de jaren 1863 tot 1907: de oprichting, diverse uitvoeringen met bijbehorend programma, de latere samenwerking met een ‘gemengd koor’, en met als hoogtepunten de deelname aan nationale zangfestivals in wisselende steden. Het koor nam verschillende prijzen mee naar huis. Cornelis leidde vele ambitieuze uitvoeringen totdat hij in 1877 aftrad. In 1880 nam Jan Rijken het dirigeerstokje over.

Tekening uit het notulenboek. (HCO Stadsarchief Deventer)

Belangrijk in deze tijd was ook de opkomst van muziekscholen. Ook daarin speelde Cornelis een hoofdrol: in 1849 werd in Deventer de Deventer Muziekschool geopend, waar gratis les aan jonge leerlingen werd gegeven, en waar hijzelf directeur en docent zang en theorie was.

Componist

Naast die vele werkzaamheden hield Cornelis nog tijd over om te componeren. Niet minder dan negentig composities van zijn hand zijn bewaard gebleven, gedeeltelijk in gedrukte vorm. De manuscripten bevinden zich grotendeels in het Nederlands Muziekinstituut in Den Haag. In de Deventer Athenaeumbibliotheek bewaart men naast enkele composities ook de verzameling ‘Harmonie Studiën’ . Het gaat daarbij niet om kladjes voor composities zoals wel wordt verondersteld, maar om uitgewerkte opgaven voor het vak harmonieleer, een belangrijk vak als je wilde componeren.

Het laat zien dat Cornelis een ijverige leerling was. Een echt grote componist was Cornelis niet, maar een ‘Feestmarsch’ ter gelegenheid van een reünie van studenten aan het Athenaeum Illustre in de stad, en het bekende ’t Is plicht dat ied’re jongen’ laten zien dat hij maatschappelijk betrokken was en inspeelde op alom aanwezige vaderlandsliefde. Zijn ‘Quintet voor piano en blazers’ werd in 1854 bekroond door de Nederlandsche Toonkunstenaars Vereeniging. Cornelis overleed in 1890. Onder grote belangstelling werd hij begraven op de oude Algemene Begraafplaats. Het Deventer Mannenkoor eerde daarbij zijn beminde oprichter en dirigent met het zingen van koralen.

Literatuur en bronnen

- NL-DvHCO, Stadsarchief Deventer, Archief Familie Houck, ID 1333, inv. 213, Iz.A. Houck, Levensbericht van Cornelis Alijander Brandts Buijs, 1812-1890.
- J. ten Bokum, ‘Componeren in Deventer, Deventer Jaarboek, 1990.
- G.D. Webbink, Deventer Componisten door de eeuwen heen. Deventer 2006.
- G.J. Lugard jr, De zingende stad, een historie van Deventer. Deventer z.j.
- Notulenboek Deventer Mannenkoor, Historisch Museum Deventer, H 1988.
- NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 0998, inv. nr. 1 en 2, Geïllustreerd Notulenboek der Zangvereeniging Deventer Mannenkoor. Muziekdirecteur C.A. Brandts Buijs. W.G. van Poorten fecit 1868.
- NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 704, inv. nr. 23. Instructieboek kerkelijke ambtenaren. C.A. Brandts Buys, Harmonie Studien. Dv Muz 69.

Door Tineke Stein
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselse Topstukken

Van motor in molenmaalderij tot museumstuk in De Laarman

Overijssel kent vele musea en historische verenigingen die een bijzonder topstuk in hun bezit hebben. Dit keer is dat een dieselmotor uit 1933 in de collectie van Sallands Landbouwmuseum De Laarman in Luttenberg.

Supertrots zijn ze bij De Laarman op hun motor. “We hebben hier ook een paar mooie oude tractoren staan, maar deze dieselmotor is bijzonder”, vertellen vrijwilligers Jan Luchtenberg en Henk Tuten. “We zijn er echt gek mee.” De dieselmotor stamt uit 1933 en is gemaakt in De Steeg bij Arnhem, vertelt Jan Luchtenberg. “Hij heeft 25 pk, maakt 340 toeren per minuut en is op nummer gemaakt. We hebben zelfs nog een kopie van het aankoopbewijs en de gebruiksaanwijzing. Het bijzondere van deze dieselmotor is dat hij op luchtdruk gestart moet worden.”

Van Limburg naar Overijssel

De motor deed vanaf 1933 dienst als reservemotor in molenmaalderij Zeldenrust in het Limburgse Nederweert voor als er niet genoeg wind was. Bij de bevrijding van Limburg in 1944 werd de molen kapotgeschoten en lag de motor tot 1953 onder het puin. Bij de opgraving bleek hij onbeschadigd en werd verkocht aan slagerij Hutten in Nieuw-Heeten. “Die gebruikte de motor voor de koeling van het vlees. Het was destijds te duur om vanuit Holten elektriciteit te laten aanleggen”, legt Jan Luchtenberg uit.

Molen Zeldenrust in Nederweert. (Museum de Laarman)

Dertig jaar lang liep de motor dag en nacht in de slagerij. Henk Tuten: “In die periode maakte de motor 150.000 bedrijfsuren. Dat is erg veel, want 1 bedrijfsuur staat voor 50 kilometer. Dat is dus een heel eind.” In 1983 werd de slagerij verbouwd en kreeg het bedrijf van de familie Hutten tevens elektriciteit. De slagerij maakte hierdoor geen gebruik meer van de motor, maar startte deze nog af en toe. “Dat gebeurde één tot twee keer per jaar ter demonstratie. Bij Hutten waren ze erg trots op die motor. En nog steeds. Ze komen af en toe bij het museum langs om naar hun oude motor te kijken.”

Op een dieplader naar Luttenberg

In 2015 verhuisde slagerij Hutten van de Ambachtstraat in Nieuw-Heeten naar de IJzerweg in Heeten. Vrijwilligers van De Laarman haalden de motor naar Luttenberg. Dat ging niet zonder slag of stoot, vertelt Jan Luchtenberg. “Hij zat vast in beton en de kozijnen en ramen van de slagerij moesten eruit om de motor naar buiten te krijgen. Vanwege het enorme gewicht – 3 á 4 ton – moest hij met een dieplader naar Luttenberg worden gebracht.”

Vrijwilligers Doris Tielbeke, Geert Jansen en Toon Scholten namen de restauratie van de motor voor hun rekening. “Twee jaar lang hebben zij elke donderdag aan de motor gewerkt. Ze bouwden een onderstel van vrachtwagenassen, maakten de motor helemaal schoon en repareerden deze waar nodig. Jan en ik mochten een beetje assisteren”, lacht Henk Tuten.

De motor in huidige staat. (foto: Sabine Melenhorst)

En toen was het moment daar om de motor voor de allereerste keer te starten. “Maar we kregen hem niet aan de praat”, vertelt Jan Luchtenberg. “Uiteindelijk moest er een dorspoelie met een grote drijfriem aan te pas komen, voordat het lukte. Inmiddels weten we nu hoe het moet en starten we hem een paar keer per jaar.”

Demonstratie

Speciaal voor MijnStadMijnDorp hebben Henk Tuten en Jan Luchtenberg de motor uit een nabijgelegen schuur gehaald voor een demonstratie. De motor is nu nog niet in de permanente collectie van De Laarman te zien, maar wel bij speciale gelegenheden, zoals het Historisch Festival in Luttenberg en de Sallandse Wandelvierdaagse. Henk Tuten: “We hebben nu niet genoeg ruimte in het museum. Maar met onze vrijwilligers werken we hard aan een nieuw gebouw achter het museum. Als de nieuwbouw in 2019 klaar is, dan krijgt hij daar een ereplaatsje.”

Over De Laarman

Hoe werkte de boer in Salland vroeger met zijn aardappelrooier? Of hoe vernuftig is de dorsmachine van het type Wilhelm Fricke Bündnis 11, met de kennis van toen, eigenlijk wel niet gebouwd. In landbouwmuseum De Laarman verbaas je je over de tijdsbestendige bouw van oude landbouwmachines. Het museum heeft diverse prachtige topstukken, waaronder een grote collectie oude tractoren. Aangevuld met exposities van oude foto's, documenten en prenten krijg je een goed beeld van de rijke landbouwhistorie van Salland. De gehele collectie bestrijkt de periode van 1875 tot 1960. Het museum is ondergebracht in de voormalige veevoedersilo bovenop de Luttenberg.

Door Sabine Melenhorst
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Opening modelboerderij in Barsbeek was hele gebeurtenis

In de tuin van hun moderne burgerwoning in een Vollenhoofse nieuwbouwwijk tonen Peter en Jannie van Beekhuizen trots een oude kunstmeststrooier die dienst doet als plantenbak. De landbouwmachine herinnert aan het boerenleven dat het echtpaar ruim tien jaar geleden achter zich liet. 

Peter van Beekhuizen bracht zijn jeugd door op de boerderij van zijn ouders aan het Lichtmis-kanaal, waar nu de A28 tussen Zwolle en Meppel ligt. Zijn ouders pachtten een boerderij met zo'n 15 hectare grond. Ze hadden vijftien tot twintig koeien en wat varkens. Dat ze in de buurt van de Lichtmis woonden was min of meer toevallig. 'Mijn vader kwam uit Zalk en mijn moeder uit Sint Jansklooster', vertelt Peter. 'In 1936 hadden ze daar een boerderij gekocht, in de Barsbeek. Het was de bedoeling dat ze er na hun trouwen in mei 1937 gingen wonen.'

Maar vader Van Beekhuizen was ontzettend gehecht aan Zalk en wilde het dorp eigenlijk niet verlaten. Hij schreef zich in voor een pachtboerderij en kreeg het bedrijf tot zijn verassing toegewezen. 'Mijn moeder vond dat maar niks', weet Peter. 'Ze hadden immers net die boerderij in de Barsbeek gekocht. Mijn opa, Peter de Olde, wist raad. Hij had een vrij groot gezin en wilde wel op de boerderij wonen. M'n ouders gingen toen naar Zalk.' Niet lang daarna moesten de Van Beekhuizens opnieuw verhuizen. De eigenaar van de pachtboerderij zette zijn neefje op het bedrijf. De pachtwet, die de boeren moest beschermen, was nog niet in werking. Peters ouders moesten op zoek naar andere plek. Van lieverlee belandden ze in mei 1940 bij de Lichtmis. 

De boerderij aan de Barsbeek 92, voorafgaand aan de verbouwing. (collectie Van Beekhuizen)

Streekverbetering

In de jaren vijftig begon in de omgeving van Sint Jansklooster de ruilverkaveling. Daardoor kregen Peters ouders de mogelijkheid om alsnog hun boerderij in de Barsbeek te betrekken. 'Mijn oom boerde daar nog steeds, maar kon in 1963 een nieuwe boerderij bouwen aan de Bergkampen. Het land zou hij dan bij het bedrijf houden. Mijn ouders zijn een jaar later naar de Barsbeek gegaan. 28 jaar nadat ze die boerderij hadden gekocht.'

Gerrit en Margje van Beekhuizen bij hun 40-jarige huwelijk in 1977. (collectie Van Beekhuizen)

Op het moment dat Peters oom de boerderij in de Barsbeek verliet, kwamen zijn ouders in contact met juffrouw Knol van de landbouwhuishoudschool in Vollenhove. Zij zat bij de streekverbetering, een voorlichtingsprogramma van de overheid om achtergebleven agrarische gebieden op te stomen in de vaart der volkeren. Naast bedrijfstechnische voorlichting richtte men zich hierbij nadrukkelijk ook op huishoudelijke en sociale vernieuwingen. 'Daar was tot dan toe weinig aandacht voor', vertelt Peter. 'Het geld werd immers in het achterhuis verdiend, niet in het voorhuis, zeiden de boeren. Juffrouw Knol zocht kandidaten die met hulp van goede voorlichting hun woning wilden moderniseren. Mijn ouders zijn toen met haar in zee gegaan.'

In het jaar dat volgde verbouwde vader Van Beekhuizen, met hulp van een aannemer, het hele huis. 'In de jaren vijftig waren veel boerderijen nog ouderwets ingericht', zegt Peter. 'Mijn oom en tante moesten altijd twaalf meter lopen van het fornuis naar de keukentafel, drie deuren door. Ze hadden geen douche en de wc was achterin de stal, boven de gierkelder. Er was een voorkamer, twee kleine slaapkamers en een zolder waar mijn opa zaden droogde. Na de verbouwing hadden mijn ouders een nieuwe keuken met het aanrecht vlakbij de keukentafel. Er was een douche gemaakt waarin een wasmachine stond en de wc kwam in de gang. Op zolder waren slaapkamers gemaakt met een wasgelegenheid en er was waterleiding boven. Voor mijn moeder was dat allemaal veel makkelijker. We hadden helemaal een nieuwe woning, moderner was er niet in die tijd.'

Uitsnede uit een brochure over de voorlichtingsobjecten in het streekverbeteringsgebied Vollenhove-Blokzijl. Bij het aanrecht staat moeder Van Beekhuizen. (collectie Van Beekhuizen)

Modelwoning

Toen de verbouwing klaar was vond juffrouw Knol dat de boerderij een naam moest hebben. 'Mijn ouders kozen voor GERMA-hoeve. Mijn vader heette Gerrit en mijn moeder Margje.' Na de verbouwing werd de boerderij op 14 juli 1964 geopend, in het bijzijn van vertegenwoordigers van de CBTB, de landbouwvoorlichting en de ruilverkavelingscommissie. Peter: 'Eerst was er een bijeenkomst in de landbouwhuishoudschool in Vollenhove. Daarna gingen we met z'n allen naar de boerderij. Burgemeester Krol verrichte de officiële opening en mijn ouders kregen een bakelieten telefoon aangeboden. Het was een hele gebeurtenis. Zelfs de radio besteedde er aandacht aan.'

Krantenbericht over de opening van de modelwoning op 14 juli 1964.

De boerderij was in het kader van de streekverbetering ingericht als zogeheten modelwoning. De eerste twee jaar na de opening was het huis twee middagen per week opengesteld voor publiek. Men kon de woning op afspraak komen bezichtigen. Trots haalt Peter het gastenboek tevoorschijn: 'In het eerste jaar zijn er bijna vijfhonderd mensen wezen kijken, meestal vrouwen. Vaak waren het leerlingen van de huishoudschool, vrouwenverenigingen of afdelingen van de Bond van Plattelandsvrouwen. Ze kwamen overal vandaan. Mijn moeder gaf dan een rondleiding door het huis zodat de bezoekers met eigen ogen konden zien hoe je een woning efficiënt kon indelen.'

Voorblad van het gastenboek van de modelwoning van de familie Van Beekhuizen. (collectie Van Beekhuizen)

Vader Van Beekhuizen had zijn melk altijd geleverd aan de zuivelfabriek in Vollenhove en van Peter werd, nadat hij de boerderij in 1974 had overgenomen, eigenlijk verwacht dat hij het lidmaatschap voort zou zetten. 'Ik heb toen de melkprijzen eens bekeken. Het bleek dat je bij de NOVAC-fabriek in Tuk wel vier cent per liter melk meer zou beuren. Dus toen zijn we daar naar toe gegaan. Dat vonden ze in Vollenhove misschien niet leuk, maar dat is ondernemerschap.' De overstap vergde evenwel nog een grote investering. 'De NOVAC haalde geen melkbussen meer op, waardoor we een melktank moesten aanschaffen. Dat was een heel bedrag zo kort nadat we de boerderij hadden overgenomen. We waren één van de eerste boeren in de buurt met een melktank. Ik heb er nooit spijt van gehad. Het scheelde heel wat gesjouw met emmers en melkbussen.'

Peter en Jannie van Beekhuizen op de trekker op hun bedrijf, ca. 1970. (collectie Van Beekhuizen)

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Tentoonstelling: Deventer Boekenstad

In de tentoonstelling ‘Deventer Boekenstad. Twaalf eeuwen boekcultuur aan de IJssel’ laat Museum De Waag de rijke geschiedenis van Deventer als eeuwenoude boekenstad zien. Met bijzondere handschriften, zeer oude, gedrukte boeken en andere topstukken uit de collectie van de Deventer Athenaeumbibliotheek, aangevuld met bijzondere bruiklenen uit binnen- en buitenland wordt deze unieke historie tot leven gebracht. Van een negende-eeuws evangelie via laatmiddeleeuwse, prachtig versierde handschriften tot en met de Donald Duck van vorige week.

Lebuinuscodex

Deventer was in de vijftiende eeuw de boekenhoofdstad van ons land. De befaamde drukker Richard Pafraet publiceerde in 1477 het eerste boek in deze Hanzestad. Nog altijd kent Deventer grote spelers op de markt van de grafische industrie, zoals Kluwer, Roto Smeets en Drukwerkdeal.

Museum De Waag
Brink 56 Deventer
18 november 2018 t/m 3 maart 2019

 
Door de redactie

De Brugman-kunstroute

Dit jaar is het honderd jaar geleden dat beeldhouwster Janny Brugman-de Vries werd geboren. Daarom is 2018 het jaar van Janny Brugman en haar echtgenoot, de expressionistische kunstschilder Berry Brugman. In het boek 'De Brugman Collectie, ode aan kunstenaarsechtpaar' beschrijft Jan van der Kolk het boeiende leven van Berry en Janny en laat hij een mooie selectie zien van meer dan 350 kunstwerken zien (zie verder Overijssel in boeken).

Voor wie het werk van de kunstenaars live wil zien, is er in Almelo een wandeling samengesteld. Deze leidt langs een vijftal tentoonstellingen, de adressen waar de kunstenaars gewoond hebben en bovendien maar liefst achttien kunstwerken van Janny Brugman-de Vries in de openbare ruimte. 

De Brugman Kunstroute is verkrijgbaar in het Tourist Info punt in de bibliotheek, Kunsthal Hof 88, Stadsmuseum Almelo, Grote Kerk, Stadhuis en in het Huis van Katoen en Nu.

Door de redactie

Lezing: Europese naam en faam

Wie in Zwolle op zoek gaat naar Europese kunstenaars en architecten, stuit op verrassend weinig namen. Het waren aanvankelijk lokaal of regionaal werkzame vakmensen die de architectuur voorzagen van internationaal toegepaste stijlelementen. Toch drukten ook Europeanen een stempel op de stad.

Gouden Verleden - Allereerst zijn er ambachtslieden van naam en faam. De lezing voert je langs orgels, stucplafonds, een klooster en houten noodwoningen.

Fris Modern - Eind 20ste eeuw, als Nederlandse architecten in hoog aanzien komen te staan in het buitenland, krijgen juist meer buitenlandse architecten opdrachten in Nederland. Je wordt meegenomen in het verhaal over complexe projecten op grootschalige binnenstedelijke locaties.

Meld je aan voor deze lezing via de website van Waanders In de Broeren.

Muziek: Studenten ArtEZ Conservatorium
Organisatie: Het Oversticht en Zwols Architectuur Podium

Praktische info

Locatie: Waanders In de Broeren, Achter de Broeren 1-3
Inloop: 19:30 uur
Aanvang: 20:00 uur
Toegang: gratis, consumpties voor eigen rekening

Erfgoedplatform Zwolle

Deze lezing wordt aangeboden door het Erfgoedplatform Zwolle, deze wordt gevormd door: Zwolse Historische Vereniging, Het Oversticht, Historisch Centrum Overijssel, Vrienden van de Stadskern, Zwols Architectuur Podium, Monumentenzorg en Archeologie gemeente Zwolle, Waanders In de Broeren, Stichting Het Vrouwenhuis Zwolle, Stichting Stadsherstel Zwolle, Academiehuis de Grote Kerk Zwolle, Stichting Allemaal Zwolle.

 
Door de redactie

Lezing: Thorbecke wil het

De geboren Zwollenaar Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872) geldt als architect van de grondwet, de Nederlandse staatsinrichting en de parlementaire democratie. Remieg Aerts, auteur van de veelgeprezen recente Thorbecke-biografie, brengt deze intrigerende staatsman tot leven, in een breed panorama van de politiek, wetenschap en cultuur van de negentiende eeuw.

Meld je aan voor deze lezing via de website van Waanders In de Broeren.

Muziek: Studenten ArtEZ ConservatoriumOrganisatie: Historisch Centrum Overijssel, Waanders In de Broeren en Allemaal Zwolle

Praktische info

Datum: 16 november 2018
Locatie: Waanders In de Broeren, Achter de Broeren 1-3
Inloop: 19:30 uur
Aanvang: 20:00 uur
Toegang: gratis, consumpties voor eigen rekening

Erfgoedplatform Zwolle

Deze lezing wordt aangeboden door het Erfgoedplatform Zwolle, deze wordt gevormd door: Zwolse Historische Vereniging, Het Oversticht, Historisch Centrum Overijssel, Vrienden van de Stadskern, Zwols Architectuur Podium, Monumentenzorg en Archeologie gemeente Zwolle, Waanders In de Broeren, Stichting Het Vrouwenhuis Zwolle, Stichting Stadsherstel Zwolle, Academiehuis de Grote Kerk Zwolle, Stichting Allemaal Zwolle.

Door de redactie

Lezing Nelleke Noordervliet: Door met de strijd

Deden we het goed als opstandelingen? Waren we slim en barmhartig als machthebbers? Essayist Nelleke Noordervliet neemt ons mee in haar zoektocht en geeft zo een inkijkje in haar essay Door met de strijd. Nederland en opstand, dat in oktober in de boekhandel ligt.

Nelleke Noordervliet is de auteur van het essay voor de 15de Maand van de Geschiedenis met het thema Opstand. En komt op 25 oktober naar Bibliotheek Hengelo Stad. Noordervliets voorliefde voor geschiedenis blijkt uit diverse historische romans. Uit haar werk spreekt steeds de actualiteit van het verleden en de historiciteit van het heden. Zelf is ze enthousiast over het thema. “Vereerd nam ik de opdracht van de CPNB aan om het essay voor de Maand van de Geschiedenis te schrijven. Handenwrijvend en enthousiast begon ik het thema Opstand te verkennen. Wat een heerlijk onderwerp!”

Het essay met de titel 'Door met de strijd' wordt door de CPNB uitgegeven en is tijdens de Maand van de Geschiedenis, jaarlijks in oktober, in de boekhandel te koop voor € 3,50. Vanavond verzorgd boekhandel Broekhuis de boekverkoop.

Donderdag 25 oktober | 20:00 - 21:30 | Bibliotheek Hengelo Stad | € 5,00 leden en € 7,50 niet leden

Door de redactie

De Moderne Devotie: spiritualiteit en cultuur vanaf de Middeleeuwen

Omdat Deventer dit jaar 1250 jaar bestaat en omdat er een prachtig overzichtsboek is verschenen over de Moderne Devotie, gaat Museum Geert Groote Huis een tentoonstelling wijden aan dit onderwerp. Er zullen objecten te zien zijn die nog niet eerder in deze regio getoond werden. De expositie is voor publiek toegankelijk vanaf 17 oktober tot en met 27 januari 2019.

Nieuw boek over de Moderne Devotie bij Wbooks

Het boek ‘De Moderne Devotie | Spiritualiteit en cultuur vanaf de late Middeleeuwen’ dat onlangs is verschenen bij uitgeverij W books, werpt een nieuwe blik op het gedachtegoed van Geert Groote (Deventer 1340-1384). Vooral de grote invloed die de Moderne Devotie had op de samenleving, wordt steeds duidelijker. Ook blijkt steeds meer de actuele waarde van deze laatmiddeleeuwse beweging.

Redactieleden stelden de expositie mede samen

Het verschijnen van dit boek was een goede reden om redactieleden uit te nodigen om hun medewerking te verlenen aan de expositie. Hierbij diende het boek als richtlijn, maar de tentoonstelling verrijkt dit verhaal. Door middel van objecten (die niet eerder in deze regio getoond werden), film en inspirerende informatie begrijpt u nog beter wat de waarde is van de Moderne Devotie, toen en nu.

Wanneer te bezoeken

Het Museum Geert Groote Huis is geopend van woensdag tot en met zaterdag, van 11.00 uur tot 17.00 uur (vanaf 1 november van 11.00 uur tot 16.00 uur). Op zondag openen we om 13.00 uur de deuren en sluiten ze weer om 17.00 uur (vanaf 1 november sluiten we ze om 16.00 uur). De toegangsprijs is 5,= euro per persoon, inclusief Virtual Reality Experience.

Door de redactie
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

Volle kracht...! De fabricage van Stork-Ricardo-Dieselmotoren

Bedrijfsfilm over de fabricage van Ricardo-Dieselmotoren voor schepen door Stork ,met commentaar van Max Dendermonde en als uitvoerend producent Bert Haanstra.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Fotocollectie Stork

Opname van gymnastiekvereniging "Hercules" in het Verenigingsgebouw aan de Berfloweg 1, Hengelo

C.T. Stork staat bekend als een verlicht ondernemer. Hij gelooft sterk in goede onderlinge verhoudingen tussen het personeel van de fabriek en de directie. Dit gevoel draagt hij later over aan zijn zoon D.W. (Dirk Willem) Stork (1855 – 1928), die in 1881 verantwoordelijk is voor de oprichting van de ‘Vereeniging tot behartiging van de belangen van het personeel, verbonden aan de Machinefabriek van Gebr. Stork & Co’. Alle personeelsleden in vaste dienst zijn hier automatisch lid van. De ‘verlichte ondernemers’ proberen als patriarchen hun arbeiders door goede sociale voorzieningen tot betrokken medewerkers te ontwikkelen. Zo ontstaat al vroeg, en voordat de overheid dat in het kader van de verzorgingsstaat gaat doen, een uitgebreid stelsel van voorzieningen voor hun arbeiders. 

Het culturele leven in Hengelo wordt ook gestimuleerd, o.a. door de oprichting van muziekvereniging ‘Armonia’, gymnastiekvereniging ‘Hercules’ en van het Storks Mannenkoor en vooral door de bouw van het Verenigingsgebouw in 1894.

Door de redactie
Volgende pagina
. . . . . . . . . . . . .