MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 21
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 22
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 23

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 7
  • nummer 1
  • januari 2019

Coververhaal

De gouden eeuw van Deventer Boekenstad

Geschiedenis van alle dag

Geschiedenis van het vrije weekend

Overijsselaars van toen

Gaatske Ladenius: Socialisme voor vrouwen in een treincoupé

Naar de plek van ...

Susan Faal-Takak: ‘Het was als thuiskomen’

Overijssel in boeken

Overijssel in boeken

Van de redactie
  • jaargang 7
  • nummer 1
  • januari 2019

Geschiedenis houdt niet op bij de provinciegrenzen

Vorig jaar verscheen de ‘Wereldgeschiedenis van Nederland’. Het lijvige boekwerk laat zien dat de ‘vaderlandse’ geschiedenis vele internationale dimensies kent. De meer dan honderd bijdragen tonen overtuigend aan dat het verhaal van Nederland vanaf de prehistorie tot nu in hoge mate beïnvloed is geweest door ontwikkelingen buiten de grenzen. De levendige bundel is een echte aanrader voor de historisch geïnteresseerde.

Maar geldt niet hetzelfde voor de geschiedenis van Overijssel? Hoe komt een Luttenberger jongeman in 1867 terecht in het pauselijke leger? Elke zondag wordt in de bossen tussen Diepenheim en Goor een Anglicaanse eredienst gehouden. Wat is het verhaal achter dat in neo-Tudorstijl gebouwde kerkje? Hoe leidde de zoektocht naar schoon drinkwater op het landgoed Twickel tot het grootste, wereldwijde exportproduct van Twente? Dit nummer van het online magazine MijnStadMijnDorp geeft antwoord op intrigerende vragen. Ook al een aanrader!

Dinand Webbink, hoofdredacteur

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Dinand Webbink (HCO), Susanne de Jong (Athenaeumbibliotheek Deventer) Marcel Mentink (Rijnbrink) en Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Michel Hoenderboom (IJsselacademie), Door Schokkenbroek (HCO), Suzan Folkerts (Athenaeumbibliotheek), Girbe Buist, Harrie Scholtmeijer (IJsselacademie), Hennie Vrielink.

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
ijsselacademie
rijnbrink

De gouden eeuw van Deventer Boekenstad

Met de tentoonstelling ‘Deventer Boekenstad. Twaalf eeuwen boekcultuur aan de IJssel’ en bijbehorende publicatie vieren de Bibliotheek Deventer/Athenaeum-bibliotheek en Deventer Verhaal het 1250-jarig bestaan van de stad. In het bijzonder vieren we hiermee twaalf eeuwen van uitwisseling van kennis, tekst en boeken.

Vanaf de komst van Lebuïnus en andere geestelijken naar de IJsselstad oefenden schrift en boeken blijvende invloed uit op Deventer en haar inwoners. De boekcultuur bereikte in de vijftiende eeuw een hoogtepunt. In deze bijdrage wil ik tonen waarom de vijftiende eeuw de gouden eeuw van Deventer Boekenstad is en wie Deventer tot die beroemde Boekenstad maakten. Dat doe ik aan de hand van enkele stukken die in de tentoonstelling zijn te zien of in de publicatie worden behandeld.

Hoge productie

Waarop is de roem van Deventer Boekenstad gebaseerd? Een feit dat in dit kader veel wordt genoemd - en terecht, want het is zeer opmerkelijk - is dat rond 1500 meer klassieke teksten van de persen rolden in Deventer, een stadje van enkele duizenden inwoners, dan in Parijs, dat circa 200.000 inwoners en een beroemde universiteit telde. Die hoge productie heeft alles te maken met de bloeiende Latijnse school van Deventer, waar rector Alexander Hegius vele studenten en geleerden trok. Voor het humanistische onderwijs waren schoolboekjes over retorica en andere klassieke teksten nodig. Richard Pafraet uit Keulen, bij wie Hegius in huis woonde, en Jacob van Breda waren de eersten die hierop inspeelden en in Deventer waren neergestreken om een drukkerij te bestieren. De lijvige ‘Liber Bibliae Moralis’ - overigens geen schoolboek maar een bijbelcommentaar - die Pafraet in 1477 van de pers liet rollen, geldt als Deventers eerste gedrukte boek.

Petrus Berchorius, ‘Liber bibliae moralis’, gedrukt in Deventer door Richard Pafraet in 1477. (Deventer, Athenaeumbibliotheek, 113 C 9 KL)

HUMANISME

1477 is in dit verhaal een cruciaal jaar, maar niet alleen omdat in dat jaar het eerste gedrukte boek in Deventer verscheen. De jaren zeventig van de vijftiende eeuw waren namelijk ook het hoogtepunt in de handschriftenproductie in de Lage Landen. Drukkers die het risico namen om dure materialen aan te schaffen om een voorraad boeken te drukken, wisten zich verzekerd van afname. Er bestond al een levendige schrijf- en leescultuur in de Nederlandse steden en er was dus vraag naar boeken.

In Deventer steunde die cultuur, behalve op de florerende Latijnse school en het humanisme, op twee andere pijlers: enerzijds de handel en het stedelijke bestuur, en anderzijds het religieuze enthousiasme dat hand in hand ging met de Moderne Devotie. Niet toevallig worden ook deze pijlers onder het succes van Deventer Boekenstad vertegenwoordigd door boeken die uit 1477 dateren.

ADMINISTRATIE

De bloeiende handel in Hanzestad Deventer vergde een hoge mate van schriftgebruik. De indrukwekkende Koopmansgilderol en andere administratieve geschriften in de tentoonstelling demonstreren dat. Handelaren, ambachtslieden en stadsbestuurders hielden hun administratie bij en stadsklerken schreven net zulke mooie boeken als de kloosterlingen. Een prachtig voorbeeld daarvan is het Keurboek uit 1486, waarvan het ontwerp uit circa 1477 dateert. Hierin werden alle verordeningen die het bestuur liet uitgaan, opgetekend.

Het Keurboek van de stad Deventer uit 1486. (HCO Stadsarchief Deventer, ID 0690, inv. nr. 133)

MODERNE DEVOTIE

De stevigste pijler onder de gouden eeuw van Deventer Boekenstad is het religieuze enthousiasme dat sinds de veertiende eeuw onder invloed van de beweging van Geert Grote in de stad heerste. De Moderne Devotie inspireerde niet alleen religieuzen maar ook leken tot het schrijven, verzamelen en lezen van religieuze teksten, met als doel Christus’ voorbeeld te volgen. Aan het eind van de veertiende eeuw werden veel belangrijke religieuze werken vanuit het Latijn in de volkstaal vertaald, zodat mensen die niet in het Latijn waren geschoold thuis of in een religieus convent zelf konden werken aan hun zielenheil.

Het meest verspreide werk in de vijftiende eeuw is het Getijdenboek, de verzameling gebeden voor de kerkelijke eredienst, dat Geert Grote zelf had vertaald. Omdat deze bestseller een Deventer auteur heeft, en omdat dit gebedenboek niet alleen in kringen van religieuzen maar ook leken werd gelezen, is het getijdenboek hét boek van Deventer Boekenstad. Het exemplaar uit 1477 dat in de tentoonstelling in de Bibliotheek wordt getoond, is bovendien in de IJsselstreek vervaardigd.

Initiaal H met Maria met Kind in een getijdenboek uit 1477. (Deventer, Athenaeumbibliotheek, 101 D 34 KL)

UITWISSELING

Hoewel ik de drie fundamenten onder de gouden eeuw van Deventer Boekenstad nu afzonderlijk, met hun eigen voorbeelden presenteer, moeten we de stad zien als een plek waar al de mensen achter deze boeken samenleefden en kennis en boeken uitwisselden. Die interactie is sterk aanwezig in de samenwerking tussen drukkers, geleerden en broeders van het gemene leven. Toen Hegius de Groningse humanist Rudolf Agricola als bezoeker ontving, haastte zijn huurbaas Richard Pafraet zich om het gedicht ‘Anna mater’ dat Agricola bij zich droeg, te zetten en te drukken.

Pafraet vroeg vermoedelijk ook een van de broeders van het Heer-Florenshuis, zijn achterburen, een grote verzameling van exempelen, korte stichtelijke verhalen, bijeen te brengen. Deze broeder verzamelde vele verhalen uit Europa in negen ‘afdelingen’ van de ‘Speculum exemplorum’ en schreef daarnaast voor de tiende afdeling nieuwe exempelen over de broeders in Deventer en Zwolle, onder anderen Thomas a Kempis.

Rudolf Agricola, ‘Anna mater’, gedrukt door Richard Pafraet in 1484. (Den Haag, KB, KW 170 G 8)

GOUDEN EEUW

Het exemplaar van Pafraets ‘Liber Bibliae moralis’ dat in de tentoonstelling is te zien, is afkomstig uit een particuliere collectie en is gekozen omdat veel hoofdletters (initialen) met prachtig penwerk zijn versierd. Dat penwerk is kenmerkend voor de IJsselstreek, en een aantekening voorin verraadt dat het boek hoogstwaarschijnlijk in Diepenveen is gedecoreerd: ‘Pertinet in dyepeveen …’. In een andere aantekening is te lezen dat het boek vervolgens in het bezit kwam van het kruisbroedersklooster in Emmerik. Dit boek ging dus door de handen van verschillende mensen in en buiten de stad: drukkers, boekverluchters - in dit geval kloosterzusters - boekbinders, initiële en latere lezers.

Dit boek laat verder zien dat in Diepenveen niet alleen handschriften werden afgeschreven, maar ook gedrukte boeken werden verlucht. Er valt nog veel onderzoek te doen naar de uitwisseling van kennis en boeken tussen de stedelingen, of ze nu leek of religieuzen waren. We staan nog maar aan het begin van de ontdekkingstocht naar de gouden eeuw van Deventer Boekenstad!

Penwerk in een exemplaar van het ‘Liber bibliae moralis’ uit het klooster Diepenveen. (Particuliere collectie)

De dubbeltentoonstelling Deventer Boekenstad is nog tot en met 3 maart 2019 te bezoeken in museum De Waag en de Bibliotheek Deventer.
Hier is een korte film te zien over Deventer Boekenstad.

Door Suzan Folkerts
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Zwemmen in zout water. Bad Boekelo, de 'zee op de heide'

In 1883 overlijdt Carel van Heeckeren van Wassenaer aan tyfus door het gebruik van besmet drinkwater. Zijn broer gaat op het landgoed Twickel op zoek naar schoon water. In plaats van drinkwater wordt in 1886 echter zout aangeboord.

De onverwachte vondst vormt de opmaat naar de oprichting in 1918 van de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie (KNZ), één van de ‘voorouders’ van het huidige AkzoNobel-concern. De KNZ speelt in de eerste helft van de twintigste eeuw een voortrekkersrol door het gebruik van moderne industriële technieken. Het bedrijf verricht echter ook op ander vlak pionierswerk. Haar bijdrage aan de ontwikkeling van recreatie en toerisme in Twente mag niet vergeten worden.

Onder de bezielende leiding van Jacob Pieter Vis (1858-1924) probeert de KNZ in haar beginjaren met de hulp van de nieuwste technieken zout uit de bodem van Twente te halen. De KNZ streeft naar vernieuwing door niet langer op ambachtelijke, traditionele wijze zout te winnen zoals de kleinere zoutziederijen al sinds mensenheugenis deden. In de periode 1918-1940 maakt de KNZ een sterke groei door. De omzet verzevenvoudigt. Ondanks de beperkingen van de Zoutconventie, het kartel van Nederlandse zoutzieders, een soms moeilijke exportmarkt en de economische crisis van de jaren dertig, is de KNZ een florerend bedrijf. De onderneming breidt zelfs uit met een elektrochemische tak. Na het overlijden van Jacob Pieter Vis in 1924 neemt Geurt de Haas (1884-1949) het stokje over als directeur van de KNZ. De Haas is de drijvende kracht achter de stichting van het kuuroord ‘Bad Boekelo’, een natuur-zoutbad net buiten het dorpje Boekelo.

Bouw van Bad Boekelo, 10 april 1934. (Instituut voor Beeld en Geluid)

Grootse plannen

Voor de oprichting van Bad Boekelo is één gebeurtenis van groot belang: de verlening aan de KNZ van de zoutwinningsconcessie Twenthe-Rijn bij koninklijk besluit van 20 oktober 1933. Plannen voor een zijtak naar Boekelo voor het in aanbouw zijnde Twente-Rijnkanaal gaan niet door. De KNZ besluit het bedrijf vanwege de lagere vrachtkosten te verplaatsen naar een locatie aan het kanaal. De verhuizing naar Hengelo betekent echter wel de afbouw van capaciteit in Boekelo en later zelfs de algehele opheffing. Geurt de Haas stelt voor om in Boekelo een kuuroord te stichten als compensatie voor de verloren bedrijvigheid. Het kuuroord krijgt de toepasselijke naam ‘Bad Boekelo’.

Op 24 november 1933 legt Geurt de Haas zijn plannen voor aan de Raad van Commissarissen. De Haas staat als directeur van de KNZ bekend om zijn eigenmachtige en autoritaire optreden. Ook het kuuroord Bad Boekelo pakt hij met grote voortvarendheid aan. De plannen omvatten een open natuurbad met zoutwater, twaalf badkamers voor baden onder medische begeleiding en een restaurant. Het complex kan worden uitgebreid met een hotel en sanatorium indien de financiële resultaten dit toe laten. De plannen zijn goed onderbouwd. De Haas wint gezondheidsadvies in bij enkele specialisten. De patiënt kan volgens het plan gebruik maken van verschillende diensten: sportieve ontspanning, een fijne hotelkamer, van alle gemakken voorzien, en indien nodig dieetvoeding. Iedere patiënt staat onder begeleiding van een deskundig arts. Het bad zelf wordt geleid door ervaren badpersoneel.

Geurt de Haas, directeur van de KNZ.

Op de achtergrond speelt de economische crisis van de jaren dertig. De voorgenomen verhuizing van de fabriek van Boekelo naar Hengelo heeft grote gevolgen. In Boekelo staan honderd woningen van personeel van de KNZ. Met de stichting van Bad Boekelo wil De Haas werk verschaffen aan de kinderen van de arbeiders. In Boekelo werken op dat moment tweehonderd mensen. Om de Raad van Commissarissen te overtuigen beredeneert de directeur dat een deel van de werknemers mee kan naar Hengelo, een ander deel blijft bij de zoutpannen in Boekelo. De overgebleven werknemers kunnen aan de slag bij de nieuwe werkgever, Bad Boekelo. Zo gaat geen werkgelegenheid verloren. De Raad van Commissarissen is terughoudend. Met name op bedrijfseconomisch vlak bestaan verschillende bezwaren. Vraag is of Bad Boekelo wel rendabel zal zijn.

Morele bezwaren

Het natuur-zoutbad leidt ook tot morele bezwaren. Is de zedelijkheid niet in het geding? De pastoor van de rooms-katholieke parochie Boekelo, J.H. Schneider, uit zijn zorgen over het gemengd zwemmen. Geurt de Haas is niet blij met de kritiek van roomse zijde. Hij besluit geen bijdrage te geven aan de bouw van een nieuwe rooms-katholieke kerk in het dorp. Uiteindelijk ontvangt de parochie toch een gift van de KNZ. De Raad van Commissarissen dwingt De Haas hiertoe omdat de KNZ dertien katholieke arbeiders uit Boekelo in dienst heeft. Pastoor Schneider schrijft een bedankbrief.

Op 2 maart 1934 gaat de gemeenteraad van Lonneker akkoord met de oprichting van Bad Boekelo, maar wel onder strenge bepalingen om de openbare zedelijkheid te garanderen. Er moeten aparte voorzieningen komen voor mannen en vrouwen voor het zonnebaden en het baden in de openlucht. Schoonzoon Kuiper is volgens Geurt de Haas de ideale kandidaat om leiding te geven aan Bad Boekelo. Niet alleen heeft Kuiper een hbs-diploma en een mo-akte gymnastiek, maar ook een in Finland behaald diploma voor baden en gymnastiek. De Raad van Commissarissen beaamt dat de door Kuiper behaalde cijfers inderdaad erg indrukwekkend zijn.

Bad Boekelo vanuit de lucht. (Aviodrome, Lelystad)

Opening

Op zondag 24 mei 1934 vindt de opening plaats. 2500 mensen betalen die dag vijftig cent om naar binnen te mogen. Paradepaardje is het golfslagbad van honderd meter lang met verwarmd zout water. Kunstmatige golven geven de bezoeker het gevoel dat hij aan zee is. Bad Boekelo krijgt daarom al snel de bijnaam ‘de zee op de heide’. Om dit alles mogelijk te maken is in Duitsland voor het lieve bedrag van 24.000 gulden een golfslagmachine aangeschaft. Naast het golfslagbad kunnen bezoekers ontspannen op een strand en gebruik maken van een restaurant met twee terrassen en een dansvloer.

De medische afdeling in het hoofdgebouw, die zich richt op de behandeling van verschillende kwalen zoals psoriasis, reuma en aandoeningen aan de luchtwegen, is nog niet af. Geurt de Haas en zijn schoonzoon hebben grootse plannen voor de toekomst. De Raad van Commissarissen wijst bijna alles af. Een binnenbad, overdekte tennisbaan, uitbreiding van het restaurant, een sintelbaan voor atletiek, hockeybaan en overdekte sporthal of misschien zelfs een casino vinden geen doorgang. Wel komt er naast het golfslagbad een familiebad, een kinderbad en een kanovijver, die in de winter als ijsbaan wordt gebruikt.

Eén van de kamers in Bad Boekelo. (Cas Oorthuys, Nederlands Fotomuseum)

Zijn tijd vooruit

Bad Boekelo maakt geen winst. Ook de werkgelegenheid blijft beperkt. Verschillende mogelijke oorzaken passeren de revue. Een verblijf in Bad Boekelo is niet voor iedereen. De entreeprijs is voor velen simpelweg te hoog. Bad Boekelo moet namelijk wel het juiste publiek aantrekken. Het weer valt te vaak tegen. Het kuuroord is slecht bereikbaar als gevolg van de onverharde, smalle wegen rondom Boekelo. Katholieken en gemengd baden gaan niet goed samen. Het lukt Duitsers niet altijd om de grens over te steken. De belangrijkste reden is dat kuurbaden simpelweg nog niet populair is in Nederland. Pas eind jaren tachtig komt in Nederland het bezoek aan geneeskrachtige baden langzaam op gang. Bad Boekelo is zijn tijd vijftig jaar vooruit.

Bronnen:

- R. Roordink, ‘De Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie: zout uit de bodem van Twente’, in: Overijsselse historische bijdragen 108 (1993) 97-130, m.n. p. 120-121.
- R. Roordink, Een bloeiend bedrijf in een wisselende conjunctuur: de geschiedenis van de K.N.Z. 1918-1940 (Enschede 1984) m.n. p. 14-15, 62-64.
- Seijer Troost, Koninklijk zout: ontstaan en groei van Zout en Basis Chemie in de twintigste eeuw (Oldenzaal 2007) m.n. p. 67-69, 120-128, 191-192.

Door Michel Hoenderboom
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Krukkerts Jan uit Luttenberg vecht voor de paus

De schoolplaat met daarop woest uitziende soldaten in kleurrijke uniformen moet op de kinderen van de lagere school in Luttenberg een onuitwisbare indruk hebben gemaakt. De afbeelding hing in de eerste helft van de vorige eeuw in verschillende katholieke klaslokalen en moest de roomse kinderen herinneren aan het onverschrokken optreden van katholieke jongemannen in dienst van de paus, de zogenaamde zoeaven.

De geschiedenisplaat verwijst naar hun roemrijke stormaanval bij Mentana in 1867: soldaten van de paus in aanval op de troepen van Garibaldi, die probeerde de Kerkelijke Staat van Rome te veroveren. Ondanks de grote overmacht van Garibaldi, wonnen de dappere zoeaven de slag. De voorste soldaat op de schoolplaat, die met een indrukwekkend geweer met vooruitstekende bajonet de aanval inzet en heldhaftig op de Garibaldisten afstormt, zou met enige fantasie zo maar Krukkerts Jan uit Luttenberg kunnen zijn geweest.

Schoolplaat: stormaanval van de Zoeaven bij Mentana.

KRUKKERTS JAN OP WEG NAAR ROME

Johannes Jansman, in Luttenberg beter bekend als Krukkerts Jan, werd op 3 september 1835 geboren op boerderij Krukkert in de Achterberg als jongste kind van Jannes Jansman en Urselina Krukkert. Het echtpaar had al drie kinderen: Evert, Wilhelmina en Hendrika. Jan werkte als boerenknecht toen hij hoorde dat paus Pius IX katholieke jongeren uit heel de wereld opriep hem te helpen bij de verdediging van de Kerkelijke Staat in Italië. Wellicht was Jan avontuurlijk aangelegd of voelde hij zich om geloofsredenen aangesproken door de oproep van de paus. Hoe dan ook, in 1867, op 31-jarige leeftijd, besloot hij zich aan te melden. Jongemannen die zich wilden aansluiten bij het pauselijke leger dienden ongetrouwd en van onbesproken katholiek gedrag te zijn. Jan moest daarom bij pastoor Korte van Luttenberg een bewijs van goed gedrag halen.

Krukkerts Jan in het exotische zoeavenuniform.

Jan reisde met de trein van Deventer via de toen pas aangelegde spoorlijn naar Arnhem, en vervolgens naar Amsterdam, waar hij zich meldde bij pater De Kruyf van de Sint Augustinuskerk aan het Rusland. De volgende dag werd de reis voortgezet naar Oudenbosch, verzamel- en vertrekpunt voor de Nederlandse aspirant-zoeaven. Van daaruit met de trein naar Brussel, waar de jongemannen werden ingeschreven door een Belgische ambtenaar die slechts de Franse taal machtig was. Jan werd ingeschreven als ‘Jean’ Jansman.

Detail van het formulier van indienstneming waarmee ‘Jean’ Jansman werd ingeschreven bij de zoeaven.

Nadat aan alle formaliteiten was voldaan en de medische keuring had plaatsgevonden, ging de reis per stoomtrein naar Parijs, waar enige gelegenheid werd geboden om deze wereldstad te bezichtigen. De Eiffeltoren heeft Jan niet gezien, want die werd pas twintig jaar later gebouwd. De volgende dagen spoorden de jongemannen naar Marseille, waar men op de boot stapte om twee dagen laten aan te komen in Civita Vecchia, de haven van de Pauselijke Staat. Het laatste traject was de treinreis naar Rome, alwaar Jan, samen met vele anderen, werd ingekwartierd in een kazerne voor een acht weken durende opleiding. Op 2 februari 1867 werd hij als Giovanni Jansman ingeschreven als lid van de pauselijke troepen. De reis moet voor Krukkerts Jan een enorme ervaring zijn geweest, want de meeste Luttenbergse jongemannen van die tijd vonden een bezoek aan de veemarkten van Zwolle en Deventer al een indrukwekkende gebeurtenis.

‘Giovanni’ Jansman werd op 2 februari 1867 ingeschreven als lid van de pauselijke troepen.

SLAG BIJ MENTANA

Italië bestond begin negentiende eeuw uit verschillende staatjes. De Pauselijke ofwel Kerkelijke Staat in het midden van Italië was er een van. In 1848 kwam er een beweging op gang om van alle staatjes een eenheidsstaat te maken en in 1861 werd het Koninkrijk Italië uitgeroepen, met Rome als hoofdstad. De paus wilde zich echter niet aansluiten bij deze eenheidsstaat. Op 3 november 1867 trokken zijn troepen, ondersteund door delen van het Franse leger, de Zwitserse garde en het zoeavenleger op naar Mentana, een plaats ten noordoosten van Rome om het leger van Garibaldi aan te vallen. Hoewel deze over 15.000 man beschikte en de Paus slechts over 2.000 Franse militairen en 3.000 zoeaven (waarvan een derde Nederlanders), behaalden de pauselijke troepen na felle gevechten toch de overwinning. Krukkerts Jan heeft actief meegedaan aan de gevechten. Als infanterist stond hij vooraan. Dertien Nederlandse zoeaven sneuvelden. In 1870 moest de paus zich gewonnen geven. Hij trok zich terug in het gebied dat nu Vaticaanstad heet. De zoeaven werden korte tijd krijgsgevangen gehouden, maar de vrijwilligers van het pauselijke legioen kregen al snel vrij aftocht en vertrokken naar huis.

Zouaven. (Koninklijke Bibliotheek)

TERUG NAAR LUTTENBERG

Jan zwaaide in december 1869 af. Als deelnemer aan de veldtocht bij Mentana werd hij onderscheiden met de medaille Mentana met daarop het pauselijke wapen van gekruiste sleutels en tiara. Ongetwijfeld heeft hij deze medaille meegenomen naar Luttenberg en nog vaak in zijn handen gehad. Hoe hij de omschakeling naar het gewone leven op het Sallandse platteland heeft ervaren, weten we niet. Twee jaar na zijn terugkeer trouwde hij met zijn buurmeisje Johanna Heuves en ging wonen op boerderij Beltman in de Achterberg van Luttenberg. In 1872 werd hun zoon Theodorus geboren. Vele katholieke streekgenoten zullen Jan hebben bewonderd. Generaties lang zijn de veteranen van de slag bij Mentana als ware katholieke helden vereerd. De schoolplaat met de krijgshaftige strijders, getekend door Stan de Reuder, heeft daaraan een niet weinig bijgedragen.

*Dit artikel is een bewerking van het verhaal ‘Krukkerts Jan vecht voor de paus’ uit het boek ‘Leven rondom de Berg. Geschiedenis van Luttenbergers’ door Herman Holtmaat en Hennie Vrielink. Het is deze zomer uitgegeven door de Stichting Luttenberg 700 en kost € 29,95. Het is te bestellen via krukkerthobert@home.nl en te koop bij supermarkt Coop in Luttenberg en bij Bruna in Raalte. 

**Titelfoto: De Zoeaaf. Olieverf op doek door Vincent van Gogh. (Van Gogh Museum, Amsterdam)

Door Hennie Vrielink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Het Nedersaksisch, wat is dat nu eigenlijk?

Op 10 oktober sloten Rijk en de vijf noordoostelijke provincies een convenant om te werken aan de erkenning van het Nedersaksisch. In de pers heette het al gauw dat het Nedersaksisch daarmee ook als taal erkend is, maar zo ver is het nog niet. Ook over het Nedersaksisch is veel onduidelijkheid: wat hoort erbij en wat niet? En kun je eigenlijk van Nedersaksisch spreken als er zo veel varianten zijn? Harrie Scholtmeijer probeert deze vragen te beantwoorden door met een taalkundige visie naar het Nedersaksisch te kijken.

Dat we taalkundig naar een taal of dialect kijken, klinkt logisch, maar het gebeurt niet altijd. Meestal is de afdeling geografisch: het Nedersaksisch is de streektaal van Noord-Oost-Nederland. Dan beginnen de moeilijkheden, zoals ook rond de 10de oktober is gebleken. Ook de geografische begrenzing is niet altijd duidelijk. Waar houdt Noord-Oost-Nederland eigenlijk op? Hoort het Urks er ook bij? En het West-Veluws? Waar loopt eigenlijk de grens van het Nedersaksisch?

Grenslijnen

Maar goed, we willen nu de vraag naar de begrenzing van het Nedersaksisch taalkundig benaderen. Door het Nederlandse taallandschap lopen veel grenslijnen, isoglossen genaamd, die een bepaald dialectverschijnsel afbakenen. Een bekend dialectverschil in Nederland (en Vlaanderen) is de uitspraak van woorden die in het Nederlands met een lange ij geschreven worden: dijk, ijs. In het oosten van Nederland (en in het zuidwesten van het Nederlandse taalgebied: het Zeeuws en het Vlaams) wordt daar een ie gesproken, in het westen net als in het Nederlands een tweeklank: ij en soms aai. Ook de woorden die in het Nederlands met ui geschreven hebben, kennen verschillende dialectuitspraken. Langs de oostgrens krijgen die een oe, wat meer naar het westen een uu, en in de westelijke helft van ons taalgebied een ui. Voor dit verschijnsel kunnen we dus verschillende isoglossen op de kaart tekenen: een isoglosse die de ou van de uu scheidt, en een die de uu van de ui scheidt.

Een gezin in Hardenberg zit klaar voor de maaltijd. (uit: Overijssel in kleur)

Zo zijn er talloze isoglossen te tekenen, elk klankverschijnsel, elk vormverschijnsel en in zekere zin elk woord heeft er wel een. Dialectologen hebben de isoglossen vaak gebruikt om een dialectgebied af te bakenen, en je kunt in principe dus telkens weer een andere indeling maken. Dat is niet zo effectief. Het is ook mogelijk bepaalde isoglossen een hogere status te geven.

Jo Daan tekende op haar befaamde dialectkaart als grenslijnen de isoglossen die in de beleving van de dialectsprekers belangrijk waren: “in dat dorp, daar praten ze héél anders”. Op die kaart wordt het Urks tot het Gelders-Overijssels gerekend. Dat Gelders-Overijsels heeft een groene kleur, net als alle andere noordoostelijke dialecten, en ook het Veluws heeft die (licht)groene kleur. De westgrens van dat gebied is voor haar de westgrens van het Nedersaksisch, en de isoglosse die die grens vormt, is de isoglosse van de bewaarde slot-n: ten oosten van die lijn zeggen ze lopen, eten, werken, ten westen ervan lope, ete, werke.

De dialectkaart van Daan uit 1968. (Meertens Instituut)

Klinkersysteem

De dialectkaart van Daan is bijna een halve eeuw oud. In de huidige dialectkunde wordt het belang van een isoglosse niet meer zozeer bepaald door een individuele klinker of medeklinker, maar door een verschil in klinkersysteem. Dat hangt samen met de ontwikkeling in de taalkunde waarbij er meer aandacht is voor het taalsysteem in plaats van de afzonderlijke klanken. De dialectologie gaat daarbij op zoek naar systematische verschijnselen die niet op één bepaalde klank betrekking hebben, maar op een complex van samenhangende klanken. Zo’n klinkersysteem is bijvoorbeeld de zogeheten i-umlaut.

Om uit te leggen wat i-umlaut is, moeten we om te beginnen ons realiseren dat we klinkers – die van dialect tot dialect wel het meest veranderlijk zijn – op verschillende manieren in categorieën kunnen worden onderverdeeld: in lange klinkers (ie, uu, oe, ee, eu, oo, aa) versus korte klinkers (i, u, e, o, a), en in klinkers die voor in de mondholte worden gemaakt (ie, uu, ee, eu, i, u, e) versus klinker die achter in de mondholte worden gemaakt (oe, oo, aa, o, a). De i-umlaut is een proces waarbij een klinker die vroeger achter in de mond wordt gemaakt nu meer naar voren wordt uitgesproken. Dat kan op alle achtermondklinkers betrekking hebben, maar het opmerkelijke is dat het in het Nederlands, en bij de westelijke dialecten waarop ons Standaardnederlands gebaseerd is, alleen bij de korte klinkers heeft plaatsgevonden. In het Duits heeft het wel bij alle achtermondklinkers plaatsgevonden, ook de lange. Dat zien we als we Duitse woorden Käse en grün vergelijken met de Nederlandse tegenhangers: kaas en groen. Als je de puntjes boven de Duitse woorden (die ook umlaut worden genoemd) wegdenkt, zie je nog de oorspronkelijke klank van die woorden, waarbij we wel moeten bedenken dat de u in het Duits als oe wordt uitgesproken.

Dames op de markt in Markelo. (uit: Overijssel in kleur)

Die umlaut van lange klinkers komen we ook in de oostelijke dialecten van Nederland tegen: keze, dreug en gruun of greun. Omdat de i-umlaut niet betrekking heeft op één individuele klinker maar op álle achtermondklinkers, en omdat er een duidelijk verschil is tussen het oosten en het westen van het Nederlandse taalgebied (in het westen zijn de lange klinkers weer van dat proces uitgezonderd), beschouwt de dialectoloog Goossens de isoglosse van de i-umlaut op lange vocalen als de belangrijkste isoglosse in het Nedersaksische taalgebied. Die isoglosse loopt dus van noord naar zuid, net als heel veel andere isoglossen – zoals de hiervoor genoemd ie/ij-, oe/uu- en uu/ui-isoglossen.

Franken en Saksen

De vraag is waarom die richting zo is. Volgens de Amerikaanse taalkundige Buccini gaat dat terug op de Volksverhuizingstijd (derde tot zesde eeuw na Chr.), toen de Franken zich in het westen van het Nederlandse taalgebied vestigden en de oorspronkelijke taal terugdrongen tot achter de IJssel. De Franken waren gekerstend en beschikten over een schrijfcultuur (in het vroegmiddeleeuwse Europa zien we dat wel vaker samengaan), al was de taal waarin ze schreven voornamelijk het Latijn. Zij noemden de stammen in het oosten Saxones, Saksen, zonder zich al te druk te maken over wie er wel of niet toe behoorden. De Saks, dat was in hun ogen simpelweg de heidense wilde, die bekeerd en - als dat niet lukte - bestreden moest worden. Het verschil tussen Franken en Saksen in taalkundige zin is volgens Buccini het verschil in i-umlaut: bij de Franken alleen in korte klinkers, bij de Saksen ook op lange klinkers.

Een hondje wordt gekeurd door de dierenarts in Haarle. (uit: Overijssel in kleur)

Grensoverschrijdende taal

Als we de visie van Goossens (de belangrijkste scheidslijn in het Nederlandse taalgebied is die van de i-umlaut op lange klinkers) combineren met de visie van Buccini (i-umlaut op lange vocalen is Saksisch), is duidelijk waarom we de Oost-Nederlandse dialecten met die term aanduiden. Neder- in Nedersaksisch hebben we te danken aan het Duitse Nedersaksen, waar een verwant dialect werd gesproken. Het Nedersaksisch is dus een grensoverschrijdende taal. Het heeft nooit als landstaal gefunctioneerd, en dat merk je tot op de dag van vandaag.

Waar de natiestaat de eenheidstaal reguleerde – belangrijk voor bestuur, rechtspraak, onderwijs etc. – is het Nedersaksisch altijd een lappendeken gebleven. Sommigen zien dat gebrek aan eenheid ook als een reden om het Nedersaksisch de status van taal te onthouden. ‘Echte’ talen zoals het Nederlands, Fries en de Nederlandse Gebarentaal (de laatste is ook nog altijd niet erkend), hebben een uniforme standaard. Of hadden, want sinds enkele decennia zien we dat de bandbreedte van een taal steeds groter wordt, en dat er binnen het Nederlands ruimte komt voor variatie: wat de Vlaming zegt is niet meer zeker en vast onjuist! De eenheid van staat en taal (in de negentiende eeuw ook nog van Kerk) wordt meer en meer een anachronisme. In die zin is de Nedersaksische variatie juist heel modern.

Kaart van het Nedersaksisch taalgebied. (SONT)

Groter taalgebied dan gedacht

Het Nedersaksisch mag dan heterogeen zijn, er is een onmiskenbare eenheid omdat ze zich allemaal aan de oostzijde van de belangrijkste isoglosse in het Nederlandse taalgebied bevinden: de isoglosse van de umlaut op lange klinkers. En dan nu de vraag uit het begin; behoren het Urks en het West-Veluws ertoe? Het antwoord is ja. Sterker nog, umlaut van lange vocalen komt ook voor bij de autochtone dialectsprekers in Bunschoten-Spakenburg, Huizen en Laren. Van die laatste plaats, tegenwoordig een villadorp, kunnen we ons afvragen hoeveel autochtone dialectsprekers daar nog wonen, maar in 1985 werd voor een dialectenquête in dat dorp het woord greun opgetekend (net als in Huizen). Het Nedersaksisch wordt dus niet alleen gesproken in de provincies Groningen, Friesland (Stellingwerven), Drenthe, Overijssel en Gelderland (Achterhoek en Veluwe), maar ook in Flevoland (Urk), Utrecht (Bunschoten-Spakenburg) en Noord-Holland (Huizen en Laren). Al met al in acht van de twaalf Nederlandse provincies!

Bronnen

- Buccini, A. (1995), Ontstaan en vroegste ontwikkeling van het Nederlandse taallandschap. Taal en Tongval Themanummer 8 (historische dialectologie), p. 1-66.
- Daan, Jo en D.P. Blok (1969). Van Randstad tot landrand. Toelichting bij de kaart Dialecten en Naamkunde. Amsterdam: KNAW.
- Goossens, J. (1996), Hoe is het Nederlandse taalgebied tot stand gekomen? Neerlandica Wratislaviensia 9, p. 63-78.
- Goossens, J. (2008), Dialectgeografische grondslagen van een Nederlandse taalgeschiedenis. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 78, p. 37-97.

Door Harrie Scholtmeijer
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Twentehoes biedt onderdak aan Twentse taal en cultuur

In september is Twentehoes van start gegaan in de Openbare Bibliotheek in Hengelo. Twentehoes biedt letterlijk en figuurlijk onderdak aan de Twentse taal en cultuur. Van voorlezen tot dialectmuziek, van streektaal in de zorg tot een dialectblad voor basisschoolleerlingen.

Twentehoes is verbonden aan de Overijsselacademie, kenniscentrum op het gebied van streektaal, streekcultuur en regionale geschiedenis in Overijssel. Het doel van het Twentehoes is om het Twents op de kaart te zetten door bestaande projecten in verbinding met elkaar te brengen en nieuwe projecten te organiseren.

Het onderkomen van het Twentehoes in de bibliotheek van Hengelo.

Het afgelopen halfjaar zat het Twentehoes in de opstartfase en waren we druk met het aankleden van de ruimte in de bibliotheek. Er staat ondertussen een grote verzameling naslagwerken en leuke boeken over en in het Twents en Twente. De bedoeling is dat er in de ruimte geregeld een vrijwilliger te vinden is die je wegwijs kan maken in het Twentehoes, kan vertellen wat er te doen is op streektaalgebied, eventueel zelfs inhoudelijke vragen of het Twents of kleine Twentse vertalingen kan geven. Op dit moment is de bezetting helaas nog niet rond, maar je kunt altijd binnenlopen. Ben je daar niet voor in de gelegenheid, kijk dan eens op de website of volg het Twentehoes op Facebook.

Activiteiten

Na de officiële opening door gedeputeerde Hester Maij zijn er door het Twentehoes al een aantal activiteiten georganiseerd, zoals de Twentse bijdrage aan de Nationale voorleeslunch, de signeersessie van Thea Kroese van haar nieuwe kookboek en het Twentecafé. Tijdens het Twentecafé is er altijd iemand in het Twentehoes.

Voor het onderwijs is het Twentehoes bezig met het opzetten van een module Twents voor het voortgezet onderwijs. Deze kunnen ingezet worden in een keuzeuur of in een projectweek, maar docenten kunnen ook alleen losse filmpjes of opdrachten gebruiken in een les over streektaal. Daarnaast komt er een Twentse profielwerkstukprijs. Leerlingen kunnen hun profielwerkstuk over Twente of het Twents inleveren en dan een mooie prijs winnen.

Gedeputeerde Hester Maij (links) met Marieke Dannenberg bij de opening van het Twentehoes.

Meedoen?

Op het moment is er een vacature voor projectmedewerker organisatie en PR. Dit kan gecombineerd worden met de vacature voor regiohistoricus (zie www.ijsselacademie.nl) Tenslotte is er altijd wat te doen op het gebied van vertalen, voorlezen of cursussen verzorgen. Meld je dan als vrijwilliger bij het Twentehoes. We hebben een gezellig team met korte lijntjes, waarin veel mogelijk is!

*Marieke Dannenberg is projectmedewerker streektaal en onderwijs bij het Twentehoes. Daarnaast werkt ze als docent Nederlands aan CSG Het Noordik in Almelo. Dannenberg is opgegroeid met het Rijssens en schrijft al een aantal jaren columns en verhalen in het Twents. Voor één dag in de week kan ze nu haar liefde voor Twents inzetten voor het onderwijs.

Door Marieke Dannenberg
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Naar de plek van...

Susan Faal-Takak: ‘Het was als thuiskomen’

‘Het is een cadeautje’, zegt Susan Faal-Takak. We staan op het binnenplein van de St. Ignatius Nuronokerk in Rijssen. Achter ons is de gemeenschapsruimte waar oudere Syrisch-orthodoxe inwoners samen hun dag doorbrengen, gezellig pratend of een kaartje leggend.

‘Ik ben geboren en opgegroeid in Schijndel in een rooms-katholieke omgeving. De Zusters van de Liefde hebben ons altijd bijgestaan. Daarna heb ik bestuurskunde gestudeerd aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Zeven jaar geleden ging ik met mijn man - hij is ook Syrisch-orthodox - in Rijssen wonen. Voor ons was dat toen een logische keuze omdat mijn man er vandaan kwam en zijn familie in het Twentse stadje woonde. Wij wonen weliswaar niet in de wijk rondom de kerk, waar de meesten van de zeshonderd Syrisch-orthodoxe christenen wonen, maar maken wel deel uit van de gemeenschap. Het was als thuiskomen.’

RESPECT

Als de pastoor komt, gaan we met hem de kerk in. Abuna Elyas Basmaçi praat Syrisch, Susan antwoordt in het Koerdisch. ‘Ik ben wel Syrisch aan het leren’. De kerk is in 1995 geopend en helemaal door de gemeenschap zelf gebouwd en betaald. Later praten we met twee oudere mannen. Citgez, die het meest aan het woord is, zegt trots dat hij al 85 jaar is. Vroeger, in het oosten van Turkije, was hij boer. Hij heeft er nu weer een huis en gaat er elk jaar naar toe. Soms gaan Nederlandse vrienden mee. ‘Wij staan heel erg open ten opzichte van de samenleving. Het gaat bij ons om respect voor elkaar, je thuis voelen, elkaar helpen. Het is erg fijn dat ouderen nu een plek hebben en hier gelukkig kunnen zijn. Mijn rol in de politiek heeft daar ook mee te maken. Het je inzetten voor de samenleving is een van mijn drijfveren.'

De St. Ignatius Nurono Kerk in Rijssen. 

WELKOM

‘Hoewel het Syrisch-orthodoxe geloof verwant is met de katholieke religie voelen we ons in het protestantse Rijssen heel erg thuis en welkom. Rijssenaren zijn hardwerkende en ondernemende mensen. Dat past bij ons. Of wij het van de Rijssenaren geleerd hebben of dat het al in ons zat, weet ik niet’, zegt ze lachend.

ALLEEN VOOR MANNEN

In de kerk zitten de vrouwen links, de mannen rechts. Citgez nodigt mij uit om achter het gordijn het altaar te bekijken. Het is een fraai, modern altaar met een in hout gesneden beeltenis van Jezus als de Goede Herder. Susan gaat niet met ons mee. Alleen mannen mogen in de ruimte achter de preekstoel komen. ‘Vind je dat als jonge en zelfbewuste politica geen probleem?’ Vol overtuiging zegt ze zich er helemaal in te kunnen vinden. ‘Het hoort bij onze cultuur, ons geloof. Het is een keuze. Ook mijn kinderen zullen een keer die keuze maken. Ik laat ze daar vrij in. Voor mij is het belangrijk om taal en geloof te behouden.’

*Titelfoto: V.l.n.r.: dhr Coga, Susan Faal-Takak, dhr. Citgez (foto: Dinand Webbink).

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Deventer Boekenstad - Twaalf eeuwen boekcultuur aan de IJssel

Deventer Boekenstad kent een rijke geschiedenis. Vanaf het moment dat missionaris Lebuinus 1250 jaar geleden de IJssel overstak en aan de oevers van de rivier een missiepost vestigde, lieten Deventenaren hun sporen na in schrift.

Die geschiedenis strekt zich uit van de eerste geestelijken in de parochiekerken en de Proosdij tot de persen van Kluwer en Roto Smeets, van schrijvende zusters en broeders in de gemeenschappen van de Moderne Devotie tot de bouw van een nieuwe bibliotheek, van de eerste Deventer drukker Richard Pafraet tot de jaarlijkse Deventer boekenmarkt, en van de geleerde boeken van het Athenaeum Illustre tot de centsprenten van De Lange. Dit boek viert twaalf eeuwen boekcultuur aan de IJssel.

Auteur: Suzan Folkerts & Garrelt Verhoeven
Uitgever: Walburg Pers, Zutphen

ISBN 9789462493247 | 320 pag. | € 29,95

Door Suzan Folkerts & Garrelt Verhoeven

Oale Groond – Geschiedenis van het Twentse landschap

Het unieke Twentse coulissenlandschap is ontstaan door natuurlijke processen en de invloeden van de mensen die daar al vele eeuwen gewoond hebben. De toerist vindt hier glooiende landschappen, kleine oude steden naast moderne industriesteden, boerenerven en havezaten.

Twente kende uitgestrekte markengronden die door collectieven van boeren werden beheerd. De ontginning in de negentiende eeuw en de verkaveling van de gronden hebben een grote invloed gehad op het uiterlijk van het landschap. Heidevelden en houtwallen verdwenen. Met de opkomst van de industriële revolutie kwam de textielnijverheid met fabrieken in Almelo en Enschede en de textielbaronnen bouwden hun landhuizen.

De auteur benoemt ook de ‘landschapspijn’: de teruggang van de bio- en geodiversiteit op het platteland. Het landschap wordt doorsneden met snelwegen, de essen worden bebouwd en kavels worden vergroot en geëgaliseerd. De auteur vindt dat het roer radicaal omgegooid moet worden willen we ook in de toekomst nog van dit mooie landschap kunnen genieten en meester Bernink zich niet langer in zijn graf omdraait.

De tekst en vele foto’s in het boek laten zien hoe deze streek is geworden zoals ze nu is: een uniek landschap waar we zuinig op moeten zijn.

Auteur: John van Zuidam
Uitgever: Uitgeverij Matrijs, Utrecht

ISBN 978 90 534 5538 8 | 168 pag. | € 24,95

Door John van Zuidam

Assendorp – Niet zomaar een Zwolse wijk

Eeuwenlang is Assendorp niet meer dan een boerenstreek buiten de stadsmuren. Alles verandert als Zwolle een aansluiting krijgt op het spoorwegnet en de spoorwegen achter het station een grote werkplaats vestigen voor het onderhoud van aller spoormaterieel. Honderden medewerkers van de werkplaats vinden in Assendorp een woning, Assendorp wordt spoorwijk.

Na de sluiting van de werkplaats in de jaren dertig van de vorige eeuw en vooral na de Tweede Wereldoorlog is de wijk er slecht aan toe. Geleidelijk komt Assendorp er weer bovenop en ontwikkelt zich, met behoud van het oorspronkelijke karakter, tot een levendige wijk met veel sociale samenhang, tot een wijk waar men graag woont. In dit rijk geïllustreerde boek wordt de historie van Assendorp uitvoerig beschreven.

Auteur: Herman Aarts
Uitgever: Waanders Zwolle

ISBN 978 94 626 2198 5 | 200 pag. | € 24,95

Door Herman Aarts

Haarle en de berg

Stichting Marke Haarle heeft het initiatief genomen om de verbondenheid tussen Haarle en de berg weer te geven in een boek. Els van der Meer-Bosman, Hennie Bouwhuis en Henk Vloedgraven hebben samen met anderen over specifieke onderwerpen geschreven. Zo staan er verhalen in over de ijstijd, archeologische vondsten, de invloed van de heuvelrug op het weer, mensen die nabij ‘de berg’ woonden. Weinigen weten hoe Haarlenaren ten tijde van de Koude Oorlog werden getraind om vijandelijke vliegtuigen te herkennen.

De invloed van de eigenaren van de landgoederen Koningsbelten en Sprengenberg is tientallen jaren groot geweest. Ook bewoners van de Palthetoren vertellen hun geschiedenis in het boek. Naast onderwerpen uit het verleden is in het boek ook ruim plaats voor de hedendaagse ontwikkeling in natuur en landschap in Nationaal Park De Sallandse Heuvelrug. De ruim 200 foto’s en enkele cartoons zorgen voor een mooie afwisseling.

Auteur: Els van der Meer-Bosman, Hennie Bouwhuis en Henk Vloedgraven
Uitgever: Stichting Marke Haarle

Te koop bij Stichting Marke Haarle, Spar en Spijkerman. Verder ligt het te koop bij Bruna in Raalte en Nijverdal.

ISBN | 175 pag. | € 20

Door Els van der Meer-Bosman

Oldenzaal Spoorwegstad 1865 – 2018

Ooit was het station Oldenzaal een belangrijk spoorwegknooppunt. Het had maar liefst drie station: AS, GOLS en NWSM. Op Oldenzaal As stopten in het verleden de internationale treinen van en naar Kopenhagen, Moskou en Berlijn, om van locomotief te wisselen. Er werkten ooit meer dan 120 spoor- douane en passencontroleurs.

Industriëlen stonden aan de bakermat van het spoor in Twente, want zij hadden baat bij goede verbindingen voor het vervoer van grondstoffen en eindproducten. Ook de fabrieksarbeiders maakten gebruik van de treinverbindingen. In de spoorweggeschiedenis duiken dan ook namen op als Blijdenstein, van Heek, Stork en Gelderman. In 1938 brak een nieuwe fase aan met de oprichting van de Nederlandse Spoorwegen die het einde inluidde van Oldenzaal als spoorwegknooppunt.

Auteur: Martin Meijerink
Uitgever: Heinink Media

ISBN 978 94 916 4028 5 | 200 pag. | € 29,95

Door Martin Meijerink

Een steen in de vijver

Op 8 mei 1939 is het feest op de Vrouwenarbeidsschool aan de Diepenveenseweg in Deventer. Bertha van Marle is die dag maar liefst veertig jaar lang presidente van het bestuur van de school. Ze krijgt een herinneringsalbum aangeboden, gevuld met toepasselijke aquarellen van de kunstenaar Engelbartus Bokhorst. Later belandt het albumpje in het stadsarchief, waar het jarenlang een enigszins verborgen bestaan ledit.

Deze kleurrijke creaties van de Deventer schilder verdienen een breder publiek. Daarnaast vertelt deze publicatie iets meer over de geschiedenis van de Vrouwenarbeidsschool en het leven van Bertha van Marle.

Auteurs: Marion Karsch & Dinand Webbink
Uitgever: Corps 9 Publishers ism Ver. Vrienden van de Athenaeumbibliotheek

ISBN 978 90 797 0148 3 | 68 pag. | € 14,50

Door Marion Karsch en Dinand Webbink

De Rusluie: Een Nederlands-Russische familiegeschiedenis

Nicole Harmsen schreef met 'De Rusluie' een filmisch epos waarin de gevoelens van een bonte schakering avonturiers invoelbaar zijn gemaakt; een boek over vrijheid, handelsgeest en doorzettingsvermogen, maar ook over het perpetuum mobile van haat en liefde, oorlog en vrede, dood en leven. 'De Rusluie' is Harmsens debuutroman.

Vriezenveen, 1738. Clara Grobben, die door een ongeval verlamd is, kan niets anders dan lijdzaam toezien hoe haar familie gebukt gaat onder de armoedige omstandigheden. Clara ziet toe hoe andere boeren, thuiswevers, als marskramers hun weg naar Petersburg vinden. Deze Vjenneluie, de Rusluie genoemd, nemen linnen mee, tuinzaden, vlaszaden en lijnzaadolie. Meestal blijven ze lang weg, maar de investering loont, want de boeren worden zienderogen rijker.

Het verhaal van Clara vormt de start van dit schitterende familie-epos dat een periode van tweehonderd jaar omspant. Terwijl de families in Rusland in steeds grotere welvaart leven, komen de Franse Revolutie, de Bataafse Revolutie en de Russische Revolutie voorbij. Tegen de achtergrond van deze grote historische gebeurtenissen worstelen verschillende verhaalpersonages met hun drang naar vrijheid, vechten ze tegen onderdrukking en moeten ze erbarmelijke omstandigheden het hoofd bieden.

Auteur: Nicole Harmsen
Uitgever: Ambo Anthos

ISBN 9789026336096 | 406 pag. | € 21,99

Door Nicole Harmsen

De pioniers van het Bergkwartier 1966-1969. Mannen van het eerste uur

De plannen van de gemeente Deventer om de vervallen wijk ‘op de Berg’ te slopen en een rondweg aan te leggen, waren ver gevorderd. In 1966 besluit een groepje mannen om in actie te komen om het tij te keren is. Met lef bedachten zij een landelijk bijzondere aanpak: herstel in plaats van slopen. Samen met de juiste contacten in het land bracht hen dat in korte tijd succes. Het leidde tot het tegenwoordig zo fraai gerestaureerde Bergkwartier.

Auteur: Ingrid van Bergen Henegouwen

ISBN 978946323406190 | 108 pag. | € 15,95

Door Ingrid van Bergen Henegouwen
Overijsselaars van Toen

Gaatske Ladenius: Socialisme voor vrouwen in een treincoupé

In 1919 kiest het mannelijk deel van de bevolking van Overijssel de eerste vrouw in de Provinciale Staten: Gaatske Adriana Ladenius. Vrouwen kunnen sinds 1917 wel gekozen worden, maar mogen niet zelf stemmen. Actief kiesrecht voor vrouwen wordt weliswaar in 1919 ingevoerd, maar pas nadat de Statenverkiezingen zijn geweest. In de Tweede Kamer verschijnt in 1918 al de eerste vrouw. Het is Suze Groeneweg, net als Ladenius is zij lid van de SDAP.

Gaatske Adriana Ladenius wordt in 1883 in Emmen geboren en overlijdt in Almelo in 1953. Zij woont met haar moeder Catharina Elisabeth Bencker Andreae en haar vader Hendrik Johannes Ladenius in Zuidhorn en Vianen. In 1897 verhuist het gezin naar Almelo. Gaatske volgt de Hoogere Burger School (HBS) en gaat in 1902 naar Amsterdam naar een tekenschool voor meisjes en naar de Academie voor Beeldende Kunsten, een opleiding van drie jaar. In 1907 keert ze terug naar Almelo en in 1908 sluit ze zich aan bij de SDAP. In 1921, op 38-jarige leeftijd, trouwt ze met de veertigjarige Albertus Cornelis Leendertz, rechter en later president van de rechtbank in Almelo.

Gedurende haar politieke loopbaan blijft ze tekenen en schilderen. Het Rijksmuseum heeft werk van Ladenius in het archief. Ook tekent ze voor kinderboeken, en maakt politieke prenten voor socialistische tijdschriften.

Illustratie van Ladenius over vrouwenkiesrecht. (Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, jrg 12, 1907-1908, no 8, 15-06-1908)

In den spoortrein

Haar politieke overtuigingen beschrijft Ladenius in haar boek 'In den Spoortrein, het belang van de arbeidersvrouw in de gemeenteraadspolitiek' waarin ‘een blonde vrouw met een boek’ arbeidersvrouwen in een treincoupé socialistische grondbeginselen uit de doeken doet. Arbeidersvrouwen zijn gebaat bij vrouwenkiesrecht, betoogt Ladenius, omdat zij daarmee hun omstandigheden kunnen verbeteren.

“'t Was vol in de coupé 3de klasse vrouwen. Zij zaten er met hun zevenen, meest arbeidersvrouwen met vroeg verouderde gezichten,” zo begint In den spoortrein. “Natuurlijk liep 't gesprek over de dure tijden. ‘Mensch, mensch, waar moet 't toch naar toe!’ zei een dikke vrouw, ‘'t leven wordt maar aldoor duurder, je weet haast niet meer, waarop je zult bezuinigen. 'k Heb in geen twee jaar een nieuw stukje kleeren gekocht.’ … ‘Toen kwam de diepe, klankvolle stem van een blonde jonge vrouw, die in een hoek in een boek zat te lezen: ‘Als wij vrouwen 't kiesrecht hadden, hadden we meer invloed op de levensmiddelenvoorziening dan nu.’ Ze keken haar allemaal aan en de magere vrouw vroeg een beetje spottend: ‘Zouden we 't beter krijgen, als we 't kiesrecht hebben?’ Toen lei de blonde vrouw haar boek weg en antwoordde lachend: ‘Ja, zeker, als we ons kiesrecht maar goed gebruiken!’

Omslag van In den spoortrein (Amsterdam 1918).

Algemeen kiesrecht

Waar in 1917 het passieve vrouwenkiesrecht was ingevoerd, volgde in 1919 een wetsvoorstel van Deventenaar en Tweede Kamerlid voor de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB), Henri Marchant, om algemeen vrouwenkiesrecht in te voeren. Op 18 september ondertekende koningin Wilhelmina de wet die vrouwen volledig kiesrecht gaf. Bij de eerste verkiezingen die volgden, in 1922, kwamen zeven vrouwen in de Tweede Kamer. Bij deze verkiezingen bleek dat vrouwen niet zo anders stemden dan de mannen. De politieke verhoudingen van voor de invoering van het vrouwenkiesrecht bleven praktisch hetzelfde.

Statenverkiezingen

Bij de Statenverkiezingen in 1919 was het algemeen kiesrecht voor mannen ouder dan vijfentwintig jaar en in 1923 ook voor vrouwen na veel strijd een feit. Bij de verkiezingen van 1919 waren de liberalen de grote verliezers: ze vielen terug van negentien naar tien zetels. De socialisten waren de grote winnaars: van vier naar acht zetels, waaronder een zetel voor Ladenius. Voor het eerst kwam een communist in de staten. De protestants-christelijke partijen konden hun veertien zetels handhaven, maar de antirevolutionaire partij verloor drie zetels, waaronder een aan de christensocialisten. De rooms-katholieke partij won vier zetels en kwam op dertien zetels uit.

Gaatske Adriana Ladenius (1883-1953).

Politieke loopbaan

Ladenius zou met een onderbreking als gevolg van de Duitse bezetting tot 1950 in de Provinciale Staten van Overijssel blijven en kreeg pas in 1948 gezelschap van een andere vrouw: de communiste J. Broekman-Smit. In de gemeenteraad van Almelo zat Ladenius van 1919 tot 1941.

In 1948 blikt Ladenius terug op haar politieke loopbaan in een toespraak ter gelegenheid van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina: “Na langdurige strijd werd én aan de arbeiders én aan de vrouwen de politieke medezeggenschap, het kiesrecht, toegekend. De plaats van de vrouw en de plaats van de arbeider is nu een geheel andere dan een halve eeuw geleden. Waren het toen goeddeels de hooggeplaatsten en welgestelden, die deel uitmaakten van Regering, Eerste en Tweede Kamer, Staten en Gemeenteraden, thans is ook het arbeiderselement, zijn de kleine burgers en de kleine boeren er rijkelijk in vertegenwoordigd, ook in deze Staten. Dat de vrouwen in die lichamen rijkelijk vertegenwoordigd zijn, kan ik helaas niet zeggen, .... maar misschien komt dat later nog...’.

Ingezonden brief van Ladenius in Het Volk, 16 april 1940.

Literatuur:

• Carla Joosten, ‘Eerste vrouw in Staten mocht niet stemmen, maar werd wel gekozen’, Elsevier Weekblad 19 maart 2015.
• De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 13, 1917-1918, no 19, 13-07-1918.
http://www.dboverijssel.nl/archieven/4990
Vrouwenlexicon over Ladenius 
https://socialhistory.org/bwsa/biografie/ladenius
https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/RP-T-2015-41-938 Meisje met bezem bij een poppenhuis, Adri Ladenius, 1893 – 1953. pen in Oost-Indische inkt, h 121mm × b 138mm
https://www.wieiswieinoverijssel.nl/zoekresultaten/p2/76-adri-ladenius
Over vrouwenkiesrecht en de eerste vrouwen in de Provinciale Staten
• A. Ladenius, In den Spoortrein, Amsterdam 1918

Door Door Schokkenbroek
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

Geschiedenis van het vrije weekend

Wij vinden het vanzelfsprekend om een weekend vrij te zijn. Toch bestaat de vrije zaterdag en zondag nog niet zo heel lang. In onze rubriek Geschiedenis van alledag beschrijft historicus Girbe Buist de geschiedenis van het vrije weekend.

Voor de heidense Vikingen was zaterdag baddag. Dan gingen ze in de tobbe, naar de sauna of sprongen ze in een IJslandse bron. Met de komst van het Christendom werd de zondag speciaal. Volgens de Bijbel schiep God de aarde in zes dagen en rustte hij op de zevende. Daarom lieten de gelovigen het werk liggen op zondag en gebruikten ze die tijd voor kerkgang en gebed.

Het idee van een vrije zaterdag en zondag kwam uit de Verenigde Staten. Daar ontstond het begrip weekend toen Joden de kans kregen om op hun heilige zaterdag vrij te nemen in plaats van op zondag. Rond 1920 kregen ook veel niet-joodse Amerikanen een halve zaterdag vrij. De autofabrikant Henry Ford ging in 1926 een stap verder. Als eerste voerde hij een volledig vrij weekend in. Hij dacht dat dit banen zou creëren en goed zou zijn voor de economie.

Dames uit Ootmarsum tijdens een uitstapje van confectie Blom. (Heemkunde Ootmarsum)

Nederland

De invoering van een vrij weekend in Nederland ging geleidelijk en is vooral te danken aan de vakbonden, die in de 20ste eeuw ijverden voor een kortere arbeidsduur. De Tweede Kamer voerde in 1919 de Arbeidswet in, waarin stond dat een werknemer recht had op één vrije dag in de week. Het waren de socialisten die strijd voerden voor meer vrije tijd. De christelijke partijen haakten hierop in door te pleiten voor een vrije zondag, zodat arbeiders naar de kerk konden. Er volgde een wettelijk verbod voor werken op zondag. Maar ook de zaterdag was dankzij de arbeidswet geen hele werkdag meer: werknemers hoefden voortaan maar tot twaalf uur ’s middags te werken.

Na de Tweede Wereldoorlog besloot de regering dat een werkweek uit minimaal 48 uur moest bestaan om het land weer op te bouwen. Na de wederopbouw in de jaren vijftig nam de welvaart in de jaren zestig in heel West Europa in hoog tempo toe. De arbeidsmarkt raakte gespannen en er ontstond een grote behoefte aan vrije tijd. In 1959 werd een aantal cao’s afgesloten waarin een 45-uren week was geregeld. In 1960 probeerden werkgevers personeel te lokken met een vijfdaagse werkweek, hoewel de overheid nog aan het tobben was of de zaterdag nu wel of niet een vrije dag moest worden. Op 23 december 1960 werd de vrije zaterdag wettelijk goedgekeurd en daarna in de bedrijfstakken en overheidssectoren geleidelijk ingevoerd.

Recreatie aan de weg tussen Blauwe Hand en Belt-Schutsloot, ca. 1960. (collectie HCO)

Nijverdal ten Cate

Nijverdal ten Cate was in Overijssel één van de eerste bedrijven, die de vijfdaagse werkweek invoerde. Zaterdag 18 februari 1961 was het zover. In het personeelsblad de Schakel lezen wij: “Onze eerste vrije zaterdag in het kader van de arbeidstijdverkorting was in alle opzichten een succes. Het prachtige voorjaarsweer van deze februari dag werkte daar wel heel hard aan mee.”

Verder wordt een beroep gedaan op de inzet van werknemers om deze arbeidstijdverkorting tot een succes te maken: “de directie wil alles doen om het productieverlies op te vangen door nog verdere modernisering van het machinepark en het bevorderen van alle organisatorische maatregelen die er aan mede kunnen werken productieverlies te voorkomen en een hogere productie per manuur te bereiken. Veel zal echter afhangen van de bereidheid van allen om de puntjes op de i te zetten.” Tenslotte hoopt de directie dat de nu begonnen arbeidstijdverkorting een succes mag worden en dat zij mag leiden tot "de verhoging van de levensvreugde van allen, die bij ons werken".

Wandeltocht van wandelsportvereniging van Nijverdal Ten Cate op zaterdag 15 april 1967. (Historische Kring Hellendoorn-Nijverdal)

*Met dank aan Nico Vilters van de Historische Kring Hellendoorn-Nijverdal (HKHN)

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Engelse invloeden op Twentse havezaten

Rond de vorige eeuwwisseling was de Engelse architect William Samuel Weatherley (1851-1922) actief in en rond de Twentse havezaten Twickel en Weldam en bij Middachten in Gelderland. Dit had alles te maken met de Engelse achtergronden van de toenmalige bezitters, die bovendien ook nog eens door familiebanden met elkaar verbonden waren. Op Twickel leidde de Brit de ingrijpende verbouwing van het interieur. Weldam werd uitgebreid met twee machtige torens. En bij Middachten verrees een dienstgebouw met daarin een noviteit voor Nederland: een squashbaan. Veel Engelser kan het niet.

In 1877 kwam de havezate Weldam bij Goor in bezit van het echtpaar Maria Cornelia (‘Mary’) barones van Heeckeren van Wassenaer en Wilhelm Graf von Aldenburg Bentinck und Waldeck-Limpurg. Hoe Duits zijn naam ook klinkt, ‘Willy’ had de Britse nationaliteit. Zijn vader vocht in 1815 aan de kant van de Engelsen toen Napoleon zijn Waterloo vond. De nieuwbakken eigenaar van Weldam zelf was Brits diplomaat in ruste.

‘HE AND SHE TOWER’

Mary en Willy verbleven sinds 1879 af en toe op Weldam. Er vond een grondige renovatie plaats van het kasteeltje en het omringende park, die in 1886 zijn beslag kreeg. Hoewel ze vaker niet dan wel op de Goorse havezate te vinden waren, constateerden ze na twintig jaar toch enig ruimtegebrek. Er verrezen twee monumentale hoektorens aan de achterzijde, ontworpen door Weatherley. In 1897 werd een vierkante toren gebouwd, twee jaar later een rankere achtkantige. De Engelsman was er trots op en zou ze liefkozend ‘the he tower and the she tower’ hebben genoemd (zie titelfoto), hoewel die lezing tegenwoordig wordt betwijfeld. Zeker is wel dat Mary vanuit haar zitkamer in de she tower uitkeek over het park waar ze de buxushaag kon zien die nog steeds de naam MARY vormt.

Interieur van kasteel Twickel.

TWICKEL

In 1883 werd Mary’s broer Rodolphe Frédéric eigenaar van Twickel. ‘Dolly’ wilde het interieur van Twickel grondig vernieuwen. Aangezien hij ook een huis in Londen bezat, had hij ruimschoots de gelegenheid zich te oriënteren in Engelse landhuizen en kastelen. Zijn keuze voor Weatherley lag voor de hand. Vanaf 1896 tot aan het overlijden van de architect in 1922 zou deze werken aan het interieur van Twickel, dat dan ook compleet gerenoveerd werd. Hij ontwierp onder meer de ‘service staircase’ en een typisch Engelse ‘dining room’. Weatherley maakte er een volledig Britse aangelegenheid van. Zijn ontwerpen kwamen tot stand op zijn kantoor in de Engelse hoofdstad, hij liet alle benodigde materialen uit eigen land aanvoeren en Engelse werklieden voerden vervolgens de werkzaamheden uit. Dat laatste leidde tot wat strubbelingen in 1814. De Engelse bouwvakkers stortten zich halsoverkop in de oorlog en lieten de baron van Twickel met de rommel en veel ergernis zitten.

RENTMEESTERSWONING

Aan het begin van de oprijlaan naar Weldam bouwde de Londenaar een karakteristieke rentmeesterwoning in Engelse cottagestijl. De huidige bewoners zijn blij met hun woning en vertellen met zichtbaar plezier over Marie Anne Tellegen, directeur van het Kabinet der Koningin. Eind jaren vijftig betrok zij de voormalige rentmeesterwoning om te genieten van een welverdiend pensioen. Ze onderhield nog steeds goede contacten met koningin Juliana die haar meermalen bezocht. Ook andere bekende Nederlanders kwamen bij haar over de vloer. Adriaan Roland Holst, de bekende dichter, vond het huis en de omgeving zo inspirerend dat hij er wekenlang logeerde.

Rentmeesterswoning bij Weldam in Engelse cottagestijl. (foto: Willem Wijnen)

SLOTKAPEL

Toch is Weatherley is vooral bekend vanwege zijn charmante kapel bij Weldam uit 1900. Het karakteristieke in late Engelse neo-Tudorstijl gebouwde godshuis wordt nog steeds gebruikt door de Anglicaanse gemeenschap en is een populaire trouwlocatie. Aan de weg van Goor naar Diepenheim wijst een ovalen, houten bord onder aan een eik de weg naar St. Mary’s Chapel. Wie er oog voor heeft, ziet meteen dat de bouw on-Nederlands aandoet. Momenteel is het in gebruik door de Anglican Church Twente. Elke zondag komen er kerkgangers bijeen uit Oost-Nederland en aangrenzend Duitsland. Toch is het kerkje destijds in opdracht van de heer van Weldam gebouwd voor de Nederlands-Hervormde eredienst. 

Slotkapel Weldam, tegenwoordig St. Mary’s Chapel, zomer 2018. (foto: Willem Wijnen)

In 1882 werd in Goor de Vereniging van Evangelisatie opgericht om tegenwicht te bieden aan de al te vrijzinnige prediking van de dominee van de plaatselijke hervormde kerk. De vereniging had in de gravin en graaf Von Bentinck van Weldam enthousiaste medestanders. De graaf was een diepgelovig mens. Begin 1880 bezocht hij de zieke echtgenote van een van zijn pachters. Hij beloofde voor haar herstel te zullen bidden. Rentmeester Wilterdink schrijft enige tijd daarna aan de graaf: ‘Een aangenaam berigt mag ik UHGeb. geven aangaande de jonge vrouw van Klein Wannink. Zij is na het bezoek van UHGeb. beter geworden … Zij schrijft hare beterschap er aan toe dat UHGeb. voor haar gebeden hebt.’

ST. MARY’S CHAPEL

Bij het uitgestrekte landgoed Weldam horen een zestigtal boerderijen, nog steeds te herkennen aan de zwart-gele luiken. Voor het onderhoud was een timmerman in dienst, die de beschikking had over een eigen timmerloods. In 1890 werd een nieuwe loods gebouwd en zo ingericht dat de Vereniging van Evangelisatie er haar kerkdiensten kon houden. Het nog bestaande gebouwtje bood plaats aan maar liefst 120 personen.

Zuidgevel van St. Mary’s chapel. (foto: Willem Wijnen)

Uiteindelijk vond de heer van Weldam een timmerwerkplaats geen geschikte omgeving voor een godsdienstoefening. In 1900 gaf hij de Engelse architect William Samuel Weatherly opdracht om een slotkapel te bouwen voor 180 kerkgangers. Ondanks teruglopende belangstelling werd het bedehuis na de Tweede Wereldoorlog nog gebruikt door de Nederlands-Hervormde kerk te Goor voor vroegdiensten. Daarna stond kapel Weldam enige tijd leeg. In 1979 betrok de Anglicaanse gemeente het. Dat was niet geheel toevallig, want de eigenaar van huis Weldam, Alfred Otto Friedrich Graf zu Solms Sonnenwalde, bracht een deel van zijn jeugd in Engeland door en is lid van de Anglicaanse kerk. In 1987 werd kapel Weldam door de hulpbisschop van Gibraltar gewijd aan Maria en heet sindsdien St. Mary’s Chapel.

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Expositie: Deventer klei maakt opnieuw geschiedenis

Toen Lebuïnus 1250 jaar geleden de IJssel overstak en de stad Daventria stichtte, liep hij er al overheen: de Deventer klei. Na 1250 jaar maakt de Deventer klei opnieuw geschiedenis in een expositie bij Architectuurcentrum Rondeel.

Keramist en beeldend kunstenaar Mechtild Paauwe verbeeldt samen met cursisten de geschiedenis van bijzondere stadspanden in Deventer klei, onder andere de Waag, de Muntentoren, de Bergkerk en andere historische gebouwen. In Architectuurcentrum Rondeel worden alle kunstwerken en archieffoto’s gezamenlijk geëxposeerd.

Deventer Klei

De klei voor de beelden is door de kunstenares zelf uit de IJssel gewonnen en in een speciale procedure geschikt gemaakt voor gebruik. Deze lokale klei vertelt bij uitstek de geschiedenis van de Hanzestad. Het is eeuwenlang de basis geweest voor het huidige Deventer; voor het bouwen van huizen en wijken, het ontwikkelen van de stad en de groei van gewassen om de stad heen. Zo is uiteindelijk de bruisende stad Deventer ontstaan die dit jaar haar 1250ste verjaardag viert.

Architectuurcentrum Rondeel
Assenstraat 14, 7411 JT Deventer
Dinsdag t/m zondag: 13.00-17.00 uur
8 november 2018 t/m 20 januari 2019 (gratis entree)

Door de redactie

Tentoonstelling: Martelaressen van adel

In het begin van de zestiende eeuw ontwikkelden zich in Europa reformatorische bewegingen die al snel in conflict kwamen met de macht van de heersende Kerk. Met Luther en Calvijn als voorgangers ontstond er een schisma in de door het Vaticaan beheerste wereld van de rooms-katholieken. Ook Twente ontkwam niet aan deze geloofsscheuring. Temidden van het opkomende protestantisme kregen de pastoors in de jaren 1540-1550 sporadisch te maken met de wederdopers, een groep gelovigen waaruit de latere doopsgezinden zijn voortgekomen. Hun invloed had aanvankelijk een beperkt karakter. Dat was vooral te wijten aan de strenge vervolgingen die op bevel van landvoogdes Maria van Hongarije werden uitgevoerd. Wie van ‘doperse sympathieën’ werd verdacht, eindigde doorgaans op het schavot, met een steen in de rivier of op de brandstapel.

Twee van deze verdachte personen, Maria van Beckum en haar schoonzuster Ursula van Werdum, woonden op het Nijenhuis in Diepenheim. Beiden waren van adel. Heimelijk hingen ze de nieuwe doperse leer aan hetgeen hun dood zou worden. In opdracht van Goossen van Raesfelt, de toenmalige drost van Twente, werden ze gearresteerd en na verhoor in Deventer opgesloten in de kerker van kasteel Twickel in Delden. Ondanks alle pogingen om de beide joffers weer terug te brengen in de schoot van de moederkerk, bleven ze volharden in hun religieuze overtuiging. Op 13 november 1544 werden de beide standvastige freules veroordeeld tot de brandstapel op het galgenveld bij Delden.

Hun executie is nadien uitvoerig bezongen in talloze martelaarsliederen. Historici en romanschrijvers zorgden er later voor dat de beide joffers niet in vergetelheid raakten. In het laatste aan Maria en Ursula gewijde boek, Martelaressen van adel, heeft auteur Henk Boom geprobeerd het kaf van het koren te scheiden als het om waarheidsvinding, feiten en fictie gaat.

Met de tentoonstelling Martelaressen van adel wordt de bezoeker een beeld getoond over de periode en de omgeving waarin de beide joffers hebben geleefd.

T/m 2 februari te zien in Museum Bussemakershuis in Borne.

Door de redactie

Thomas a Kempis - De Film

De Zwolse kloosterling Thomas a Kempis (1380-1471), volgeling van Geert Groote, werd bekend door zijn bestseller 'De Navolging van Christus'. Eerder verscheen er al een glossy over hem en nu heeft hij zijn eigen film. Op donderdag 24 januari om 16.15 uur wordt deze getoond in Museum Geert Groote Huis. De initiatiefnemer voor deze film, Bert Pierik, zal een korte inleiding geven.

In de film worden plaatsen bezocht die herinneren aan het leven en werk van Thomas a Kempis. Beelden vanuit zijn geboorteplaats Kempen, de stad van de Moderne Devotie Deventer en ook Windesheim, Zwolle en de Agnietenberg komen voorbij. Thomas a Kempis woonde en werkte in het Agnietenklooster in Zwolle. In 1441 verscheen er zijn 'Navolging van Christus', een boek waarvan gezegd wordt dat het na de Bijbel, het meest vertaalde, verspreide en gelezen boek in de wereld is.

Omdat de makers niet alleen een historisch verhaal wilde maken, komt Thomas a Kempis ook zelf aan het woord. Citaten uit de 'navolging' blijken verrassend actueel en snijden thema's aan die ook in deze tijd nog spelen. "Mensen zijn minder traditioneel geworden in het denken over geloof, maar niet minder spiritueel", aldus Bert Pierik van de Stichting Thomas a Kempis Zwolle, initiatiefnemer van deze Zwolse documentaire in samenwerking met Veasonic.

Entree kost € 7,50, inclusief een bezoek aan de tentoonstelling ‘Deventer 1250 jaar: De Moderne Devotie, spiritualiteit en cultuur vanaf de late middeleeuwen’. Vrienden van het Geert Groote Huis betalen € 5,= . Inloop vanaf 16.00 uur, het programma begint rond 16.15 uur. Wilt u zeker zijn van een zitplaats? Geef dan uw intentie om te komen door via reserveringen@geertgrootehuis.nl (onder vermelding van uw naam en het aantal personen waarmee u komt).

Museum Geert Groote Huis
Lamme van Dieseplein 4
7411 LX Deventer
info@geertgrootehuis.nl
www.geertgrootehuis.nl

Door de redactie

Lezing: Zieke Zwollenaren

Ruim zes eeuwen hebben genees-, heel- en verloskunstbeoefenaren hulp geboden aan stadsbewoners en reizigers die zich voor raad en behandeling aanboden met hun kwalen en ongemakken. Gezondheid en ziekte raken alle facetten van het menselijke bestaan, en laten zo hun sporen na in alle onderdelen van de geschiedenis. Zwollenaar Mart van Lieburg, em. prof. dr. Medische Geschiedenis, laat ons deze avond die sporen volgen, ondersteund door beelden die ons van de rampspoed der Zwollenaren zijn overgeleverd.

Meld je aan voor deze lezing via de website van Waanders In de Broeren.
Muziek: Bewoonsters van Het Vrouwen, allen student aan het ArtEZ Conservatorium (NB: 8 maart is Nationale Vrouwendag)
Organisatie: Het Vrouwenhuis en Academiehuis de Grote Kerk

Locatie: Waanders In de Broeren, Achter de Broeren 1-3
Inloop: 19:30 uur Aanvang: 20:00 uur
Toegang: gratis, consumpties voor eigen rekening

Deze lezing wordt aangeboden door het Erfgoedplatform Zwolle, deze wordt gevormd door: Zwolse Historische Vereniging, Het Oversticht, Historisch Centrum Overijssel, Vrienden van de Stadskern, Zwols Architectuur Podium, Monumentenzorg en Archeologie gemeente Zwolle, Waanders In de Broeren, Stichting Het Vrouwenhuis Zwolle, Stichting Stadsherstel Zwolle, Academiehuis de Grote Kerk Zwolle, Stichting Allemaal Zwolle.

Door de redactie

De Tijdelijke Textieldrukkerij

Oude textielambachten en de allernieuwste technieken voor het bedrukken en verven van textiel smelten samen in De Tijdelijke Textieldrukkerij, een tentoonstelling en een textielwerkplaats in één. In de tentoonstelling, die gaat over het verfraaien van textiel door middel van verven en bedrukken, worden in samenwerking met de Textiel Factorij Amsterdam ontwerpen van Nederlandse kunstenaars getoond. Daarnaast zijn prachtige objecten uit de textielcollectie van De Museumfabriek te zien. In de Makerspace, die geheel is ingericht als textielwerkplaats, kan jong en oud, ervaren en onervaren aan de slag met bijzondere verf- en druktechnieken. Voor het programma, klik hier.

Door de redactie

Dirk Hannema, verzamelaar, museum-directeur, kasteelheer

In Kasteel het Nijenhuis bij Heino is tot 24 februari de tentoonstelling ‘Dirk Hannema (1895-1984) - Verzamelaar, museumdirecteur en kasteelheer’ te zien. De expositie vertelt het opmerkelijke verhaal van de gepassioneerde verzamelaar Dirk Hannema, vooroorlogs directeur van Museum Boijmans Van Beuningen en stichter van Museum de Fundatie. Een keuze uit de door hem aangekochte schilderijen, beelden, meubels en andere toegepaste kunstobjecten is opgesteld zoals in de tijd dat Hannema het kasteel bewoonde. Aanleiding voor de tentoonstelling is de biografie ‘Hannema: museumdirecteur’ door prof. dr. W.E. Krul.

Een rijk scala aan beeldende kunst geeft een overzicht van Hannema’s brede interesse en unieke collectie. Topstukken van internationaal kaliber, rariteiten en exotica onderstrepen het buitengewoon hoge niveau en de grilligheid van zijn verzameling. De kamers van het kasteel ademen de sfeer van een verzamelaarshuis. Dirk Hannema woonde in het Nijenhuis van 1958 tot zijn overlijden in 1984.

Door de redactie
. . . . . . . . .