MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 21
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 22
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 23

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 7
  • nummer 2
  • april 2019

Coververhaal

Het Heideveld. Boerenrepubliek aan de Reune

Geworteld in Overijssel

De Overijsselse roots van Sander Schimmelpenninck

Geschiedenis van alle dag

De supermarkt vervangt de kruidenier

Overijsselaars van toen

Anna Scholten (1874-1949), een excentrieke schrijfster uit Enschede

Overijsselse topstukken

Rode Kruisverpleegster in Nationaal Blikkenmuseum in Marle

Van de redactie
  • jaargang 7
  • nummer 2
  • april 2019

Een geschiedenis van kleine dingen

Gerrit Jan Eshuis, fietsenmaker en amateurhistoricus, schreef in het voorwoord van zijn standaardwerk over Almelo, getiteld ‘Van boerenland tot stadsrand’: ‘De daden van koningen en keizers, graven en hertogen en de lotgevallen van moedige ridders zijn in tal van geschiedenisboeken vereeuwigd en ons op de schoolbanken tot in den treure verteld. Minder, of vaak in ’t geheel geen aandacht is gewijd aan het leven van de “gewone man”.’ De geschiedenis van gewone stervelingen, alledaagse gebeurtenissen en simpele voorwerpen kan net zo boeiend zijn als de ‘grote’ geschiedenis van vorsten, oorlogen en smaragden.

Iedereen heeft wel zo iets: dingen die anderen niets zeggen maar voor hem of haar een speciale betekenis hebben. Een foto, een eenvoudig sieraad, een kledingstuk, een gebruiksvoorwerp. In dit nummer van het Historisch Tijdschrift Overijssel is er aandacht voor die kleine dingen. Een jongetje dat scherven spaart, een cacaoblikje, een dagboekje. En wat te denken van hooi. Wat is er alledaagser dan gedroogd gras? Maar hooi heeft wel levens gered! Zo spelen gewone dingen soms een bijzonder belangrijke rol in een mensenleven.

Dinand Webbink, hoofdredacteur

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Dinand Webbink (HCO), Susanne de Jong (Athenaeumbibliotheek), Marcel Mentink (Rijnbrink), Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Ester Smit (HCO), Girbe Buist, Harrie Scholtmeijer (IJsselacademie), Wim Coster, Lamberthe de Jong, Mark Deckers, René Berends.

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
ijsselacademie
rijnbrink

Het Heideveld. Boerenrepubliek aan de Reune

‘De kommissie door de Steenwijker boeren benoemd, was meer gelast onze voorslagen aan te hooren, dan definitief te handelen. De heer Schuurman deed den eisch van bijna al de grond, en de boeren boden ons nauwelijks 1/8 daarvan aan. Ze antwoordden dat als de Maatschappij vermenende recht op de grond te hebben, ze maar moest eigenen, en niet met hen behoefde te onderhandelen.’

Dit schreef Benjamin van den Bosch, directeur van de kolonie Frederiksoord, in 1819 aan zijn broer Johannes van den Bosch, directeur van de Maatschappij van Weldadigheid, over de onderhandelingen voor de aankoop van een stuk grond voor de vestiging van de kolonie Willemsoord. Het stuk heideveld waarop de Maatschappij haar oog had laten vallen, was al sinds mensenheugenis in gemeenschappelijk gebruik bij de boeren van Steenwijkerwold. Om hun eigendom te beschermen organiseerden zij zich in Het Heideveld, een vereniging van grondeigenaren die anno 2019 nog steeds actief is. Op 16 februari 2019 vierde Het Heideveld zijn 200-jarige bestaan met de onthulling van een monument en de presentatie van een jubileumboek.

Boerenadel

De oorsprong van Het Heideveld lag bij de 64 erven uit de omgeving van Steenwijkerwold die in het eerste reglement uit 1819 worden genoemd. Deze eigengeërfde boeren bleken taaie onderhandelaars. Johannes van den Bosch wilde aanvankelijk niet meer dan 400 gulden voor de benodigde grond betalen, maar moest met een koopsom van 3.500 gulden voor 400 morgen grond uiteindelijk diep in de buidel tasten. Het onderhandelingsresultaat tekende het zelfbewustzijn van de boeren van Het Heideveld. Als echte herenboeren hadden ze bovendien soms meerdere boerderijen in hun bezit.

Titus Groenestege, tweede van rechts, bestuurslid van Het Heideveld van 1868 tot 1907, met zijn gezin voor het erve Bunzinge aan de Lage Egge. (collectie Jan de Vries)

Vanaf halverwege de negentiende eeuw begonnen de boeren een grootschalige ontginningsoperatie van het kale uitgestrekte heideveld, die hen een invloedrijke positie in de omgeving verschafte. Het Heideveld-bestuur bepaalde wie er werk kon krijgen in de ontginningen, welke wegen werden aangelegd en onderhouden, welke grond werd ontgonnen en wie voor welke prijs land mocht huren. Het bestuurslidmaatschap ging vaak over van vader op zoon en bleef zo geruime tijd in handen van dezelfde boerenfamilies, de ‘boerenadel’, die bestond uit families als de Van Essens, Groenestege, Tiel, Spitzen, Dedden, Hogeman, Koster en Gras. Namen die je vandaag de dag nog steeds in de omgeving tegenkomt. De burgemeester van Steenwijkerwold (later Steenwijk) was ruim 180 jaar lang ambtshalve voorzitter van de algemene vergadering van stemgerechtigden en bestuurslid van Het Heideveld. Ook bekleedden de herenboeren geregeld de functie van wethouder.

Werkverschaffing

Gedurende de negentiende eeuw leefden Het Heideveld en de Maatschappij van Weldadigheid op gespannen voet. De aanwezigheid van de kolonie Willemsoord zorgde voor een enorme toestroom van ‘paupers’ uit het hele land naar de omgeving van Steenwijkerwold. Afvallers uit de kolonie, zoals kolonisten die wilden trouwen of die uit de kolonie deserteerden, kwamen vaak letterlijk te wonen in kleine hutjes op de hei in de naaste omgeving. Zo ontstond onder meer de huidige buurschap Marijenkampen, die vroeger Huttenberg heette. De bewoners leefden in bittere armoede, vormden de onderlaag van de maatschappij en kwamen vaak voor rekening van de armenkas van de gemeente Steenwijkerwold, die al deze hulpvragen niet aan kon.

Aardappels rooien aan de Paasloregel door de familie De Nekker, 1939. (collectie Rijkmans)

Het Heideveld probeerde de pijn te verzachten door juist deze mensen werk te verschaffen in de ontginning van de heide. Deze werkwijze paste binnen de doelstelling van de vereniging om de buurtschap Steenwijkerwold mee te laten profiteren van het gemeenschappelijke grondbezit. Omstreeks 1880 had Het Heideveld in totaal 86 arbeiders in dienst, die bijna 50 cent per dag verdienden. Nadat de grond was ontgonnen kregen zij de mogelijkheid om tegen een gunstige prijs een stukje land te huren om in hun eigen onderhoud te kunnen voorzien. De nabijgelegen kolonie Willemsoord diende hierbij ongetwijfeld als inspiratiebron, al had Het Heideveld niet het voor de kolonie kenmerkende opvoedingsideaal.

Rieksdaelder-meeting

De grote ontginningsoperatie die de boeren waren gestart heeft het voortbestaan van Het Heideveld in de negentiende eeuw verzekerd. De vereniging was min of meer een opvolger van de middeleeuwse marke Steenwijkerwold. Toen de overheid rond 1885 de laatste overgebleven markeorganisaties in Nederland wilde opheffen, ontsprong Het Heideveld de dans omdat ze al zo actief grond aan het ontginnen was. 

Ruim tien jaar later zou het weer op een haar na schelen of het Heideveld was opgeheven. In 1898 vond een groep, vooral katholieke, boeren dat ze te weinig zeggenschap had over het gemeenschappelijk bezit. Aanvankelijk richtten ze hun onvrede op burgemeester Albertus Francois Stroink, die ze in de Steenwijker Courant ‘eene despotische handelswijze’ verweten ‘die beter thuishoort in Rusland om met de knoet te regeren dan in ons vrije Nederland!’ Nadat een afzettingspoging was mislukt, probeerden de boeren op een tumultueuze vergadering, die de geschiedenis in is gegaan als de ‘Rieksdaelder-meeting’, een meerderheid te krijgen voor een voorstel om alle gronden te verdelen. Tegenstanders van de verdeling suggereerden dat het de groep boeren puur om het geld te doen was. Een anonieme briefschrijver raadde de ‘deelhebbers in ’t Steenwiekerwoldsche Heideveld’ in de Steenwijker Courant aan om ‘een flinke geldbule mit te nemen en veural ’n brook an te trekken met ’n paer diepe, stevige busen. ’n Binnenzak in de jasse kan ook gien kwaod’. De ontevreden boeren dolven het onderspit. Het verdelingsvoorstel kwam er op de vergadering niet door, waarmee opheffing van Het Heideveld was voorkomen.

‘Naor de Rieksdaelder-meeting’, bericht in de Opregte Steenwijker Courant. (Gemeentearchief Steenwijkerland)

Gemeentebestuur

Door de nauwe band met de gemeente werd Het Heideveld een instrument om het gemeentebestuur te ontlasten. Zo had de vereniging een groot aantal wegen in beheer, die de werkbaas jaarlijks verhardde met sintels afkomstig van de Nederlandse Spoorwegen. De bekende burgemeestersfamilie Stroink, vader en zoon waren samen 75 jaar lang burgemeester van Steenwijkerwold, gebruikte Het Heideveld om zoveel mogelijk vruchtbare landbouwgrond te ontginnen om zo de boeren vooruit te helpen. Onder burgemeester Van Panthaleon van Eck was er na de Tweede Wereldoorlog juist weer veel aandacht voor de aanleg en verbetering van bossen, en kwam er een ruilverkaveling in het Heideveld-gebied tot stand.

Oud-burgemeester Van Panthaleon van Eck (met hoed, tweede van rechts) bij de onthulling van het naar hem vernoemde bos in 1989. Tegenover hem (oud-)bestuursleden van Het Heideveld. (foto: Sieb van der Laan)

Vanaf de jaren zestig werd de onderlinge band losser. Dit werd mede veroorzaakt door de groei van het takenpakket van de gemeenten, waardoor niet alle burgemeesters zoveel aandacht meer aan Het Heideveld konden besteden. Uiteindelijk is in 2000, bij het ontstaan van de gemeente Steenwijkerland, de formele band tussen de burgemeester en Het Heideveld geschrapt. 

Anoniem bestaan

Het Heideveld leidde de laatste decennia een relatief anoniem bestaan. Door de schaalvergroting en modernisering in de landbouw daalde het aantal boeren en waren er steeds minder mensen afhankelijk van de huur van Heideveld-gronden. Dit had als gevolg dat veel mensen uit de omgeving niet van het bestaan van Het Heideveld afwisten. Nog steeds weten veel grondeigenaren in de oude buurtschap Steenwijkerwold niet dat als ze meer dan een halve hectare grond bezitten, ze stemrecht in Het Heideveld hebben.

Het bestuur van Het Heideveld anno 2019. Vlnr staand: Alle Ytsma, Bernard ter Schure, Renier Lugtenberg; zittend: Meine Boltjes, secretaris-thesaurier Gerard Eilers, voorzitter Thijs van Veen. (foto: Martin van der Linde)

De laatste jaren heeft Het Heideveld de blik weer meer naar buiten gericht en probeert de vereniging weer wat bekender te worden. Dit gebeurt onder meer door de openstelling van de bossen, de aanleg van wandelpaden en picknickplekken en de totstandkoming van een natuurbegraafplaats. Ook kunnen nog steeds allerlei instellingen en organisaties uit het werkgebied een financieel beroep op Het Heideveld doen. Bij de jubileumviering op 16 februari jl. onthulde de vereniging een beeld van een man, die trots uitkijkt over het omliggende landschap dat met noeste arbeid is ontgonnen en vruchtbaar gemaakt. Deze boer, leunend op zijn schop, markeert de verbondenheid met de historische grond die de vereniging als erfgenaam van Steenwijkerwold al tweehonderd jaar in beheer heeft.

Voorkant van het boek Het Heideveld. Boerenrepubliek aan de Reune

Boek, beeld en wandelroutes

Tijdens het jubileum presenteerde Het Heideveld een twee fiets- en wandelroutes door het gebied. Deze routes zijn gratis te downloaden. Ze voeren onder meer langs het genoemde beeld in de buurtschap De Baars. 

Ook verscheen het jubileumboek Het Heideveld. Boerenrepubliek aan de Reune van historicus Martin van der Linde. Het boek is voor 17,50 euro te bestellen via de website van Het Heideveld of via info@hetheideveld-steenwijkerwold.nl 

Bekijk ook de reportage van RTV Oost over het jubileum van Het Heideveld.

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Mysteries op de kaart: Varen op de Potbeek tussen Schipbeek en Regge

Wie in Overijssel in het gebied van de Regge en Schipbeek fietst, ergens voorbij Deventer, tussen Markelo en Haaksbergen, ontkomt niet aan de vele weteringen en beekjes die -met hetzelfde water erin- dikwijls van naam veranderen. Zo bestaan er in de omgeving van de Regge en het Twentekanaal de Holtdijksbeek, de Schipbeek, de Bolksbeek, de Buurserbeek, de Markveldsche beek en de Poelsbeek. Ze splitsen van elkaar af of monden in elkaar uit.

Vroeger waren een paar van deze waterstroompjes brede rivieren, zoals de Regge, die intensief gebruikt werden voor de scheepvaart. Tegenwoordig zijn het dikwijls niet meer dan strakgetrokken slootjes die soms plotseling lijken te verdwijnen. De Schipbeek doorklieft nog steeds als een kanaal het landschap. Hoe liggen de waterlopen precies? Van googlemaps worden we niets wijzer. Bieden oude kaarten soelaas? Die lijken alleen nog maar meer vragen op te werpen. Zo staat er op een kaart van Nicolaas ten Have uit 1648 een dikke rivier ingetekend in een bijna onnatuurlijke S-vorm. Deze S is eeuwenlang gekopieerd door kaartendrukkers. Wateringenieur Dirk van der Schrier heeft in 2004 deze S onderzocht. Met deze rivier is iets geks aan de hand.

Links van het plaatsje Goor maakt de waterweg een slingerbeweging via Diepenheim naar de Schipbeek. Vervaardigd door Nicolaas Visscher omstreeks 1680. (Collectie HCO)

Nicolaas ten Have en de flauwe S

Sinds de vervaardiging van de kaart in 1648 is die S, iets onder het midden, als vaarweg tussen de Regge en de Schipbeek door de eeuwen heen klakkeloos overgenomen. Weergegeven in een vloeiende lijn en minder kronkelig dan andere beken, maar wel breed genoeg om een vaarweg te zijn. Zelfs Christiaan Sepp tekende een kleine 150 jaar later, in 1793 de beek in als vaarweg. Het zou hier gaan om de Potbeek, een verbinding tussen Schipbeek en Regge, gegraven in opdracht van het stadsbestuur van Deventer. Echter, er waren al voldoende verbindingen tussen deze rivieren, waarom nog een erbij graven?

Op de door Reinier en Joshua Ottens vervaardigde kaart uit 1740 staat eveneens de Potbeek met S-vorm (Collectie HCO)

Strijd om het water 

Zowel voor Deventer als voor Zwolle waren scheepvaartverbindingen belangrijk. In 1547 bijvoorbeeld werd door Deventer bij Hellendoorn de scheepvaart in de Regge geblokkeerd. Het riviertje mondt uit in de Vecht, die nog steeds naar Zwolle stroomt. Met de blokkade hoopte Deventer haar concurrentiepositie te versterken (wat overigens jammerlijk mislukte). Strijd om het water in Overijssel, zo lijkt het. De Schipbeek was op haar beurt voor Deventer van groot belang. De stad investeerde veel in het bevaarbaar houden ervan. Over het vaarvak tussen Diepenheim en Goor had Deventer echter geen enkele bestuurlijke invloed. De oplossing zou de aanleg van een nieuwe verbinding zijn: de Potbeek.

Overzichtskaart van het gebied waar Regge en Schipbeek bij elkaar stromen door T.J. Stieltjes rond 1870.

Waar de naam Potbeek vandaan komt weten we niet precies. Van Schrier somt een aantal mogelijkheden op. Even verderop bijvoorbeeld, stroomde het beekje de Potlee, waarvan op googlemaps niets meer is terug te vinden. De naam zou kunnen refereren aan herberg ‘de Pot’, die nog steeds bestaat. Of de beek zou naar een scheepstype genoemd kunnen zijn, met een platte bodem, geschikt om ondiepe wateren te bevaren. De schippers van dergelijke bootjes werden potschuivers genoemd, wat ook zeker refereerde aan de slechte bevaarbaarheid van de Overijsselse riviertjes. De Potbeek zou vanuit de Regge door Markelo naar de Schipbeek stromen. Dit stroompje zou later door verkeerde interpretatie van de bronnen bekendstaan als het riviertje dat Schipbeek en Regge verbond.

Minuut (calque op papier) uit 1847 van ingenieur Stieltjes met als rechte lijn de verbinding van de Regge met de Schipbeek. Er is geen Potbeek als vaarweg met de flauwe S-bocht. (Collectie HCO)

Niets bevaarbaars

In de negentiende eeuw waren de Provinciale Staten het er over eens dat er iets moest gebeuren om de problemen met de bevaarbaarheid van de Overijsselse wateren het hoofd te bieden. Een tweetal ingenieurs, Staring en Stieltjes kregen de opdracht om dit te onderzoeken, wat uiteindelijk resulteerde in het rapport ‘Overijsselsche Wateren’. Nieuwe kanalen zouden moeten worden gegraven, stuwen moesten worden gebouwd in de Vecht, Regge en nog wat andere beken en de rivieren moesten worden rechtgetrokken. Van 1846 tot 1869 lieten Staring en Stieltjes alle wateren in Overijssel in kaart brengen. De kaarten hiervan, evenals het zwarte houten kistje waarin Stieltjes de kaarten opborg, berusten in het Historisch Centrum Overijssel. In het rapport ‘Overijsselsche Wateren’, concludeerden beide heren dat er geen aparte bevaarbare verbinding bestond tussen Regge en Schipbeek dan die bij Westervlier, en dat eventuele waterwegen ertussen ‘verkeerdelijk [tussen] deze beide beken zamenhangend [zijn] voorgesteld, als of die ene verbinding tussen Schipbeek en Regge vormden’.

Kaart uit 1746 gemaakt in opdracht van de ‘Heeren gecommitteerden der stad Deventer’, met betrekking tot waterwerken in de Schipbeek en de Regge om beide beken bevaarbaar te houden. (Collectie HCO)

Wat is hier gebeurd?

In 1629 droeg de stad Deventer aan de landmeter Geelkercken op om te onderzoeken of het mogelijk was een nieuwe vaarroute aan te leggen tussen de Regge en de Schipbeek, en wel zo snel mogelijk. Het schijnt dat de vaarweg gereed kwam in 1630. Helaas, want de nieuwe Potbeek bleek te ondiep, de oevers waren te stijl, waardoor er een aantal instortten. Tevens hadden de gravers een kwel geraakt, waardoor er wit zand in de pas gereedgekomen vaargeul vloeide. Men ging aan de slag om de schade te herstellen. In 1632 was het werk klaar en kwamen de hoge heren uit Deventer poolshoogte nemen. Maar of er nou gevaren is op deze Potbeek? 

De steden Zwolle, Diepenheim en Goor waren op zijn zachtst gezegd niet blij met de nieuwe beek, gevuld met afgetapt Reggewater. Zwolle zag haar concurrentiepositie verzwakt, want doordat de Regge onbevaarbaarder werd, had dit gevolgen voor de bevaarbaarheid van de Vecht. Bovendien zouden de schippers het stadje Goor niet meer aandoen, en Diepenheim zou tolgelden mislopen omdat de plaats door de nieuwe vaarweg omzeild kon worden, zo was het doemscenario. Er braken geschillen uit tussen de steden Zwolle, Diepenheim, Goor en Deventer.

Mislukking

Diepenheim en Goor werkten vanaf het begin af aan tegen, maar zij waren niet de oorzaak van de mislukking van de Potbeek. Allereerst was de stad Deventer geen goede betaler als het ging om de ingestelde tolgelden voor Diepenheim. Die tolgelden waren voor Deventer de reden om de nieuwe vaarweg te graven. Logisch beredeneerd erkende Deventer daarmee dus het tolrecht van Diepenheim, maar de stad wilde onder de betaling uit komen. De Potbeek echter, lag er verlaten bij en was niet bevaarbaar.

Deventer en Diepenheim kwamen in 1644 overeen om de oude vaarwegen te onderhouden. In datzelfde jaar kocht de stad Deventer de Diepenheimse tol af en werden de oude vaarverbindingen tussen de Regge en de Schipbeek volledig hersteld. Kortom, er werd een nieuwe vaarweg gegraven, maar het project mislukte jammerlijk. Daarna sloegen Deventer en Diepenheim in 1644 de handen ineen en stonden de steden weer op goede voet met elkaar. Mysterie opgelost.

De stadssecretaris Pieter Theodorus Golts maakte in 1750 deze kaart met nadruk op de afwatering van de Schipbeek en de Regge. De Potbeek-, die afboog boven Stoevelaar is niet meer op de kaart weergeven. Het lijkt erop dat de stadsbesturen zich nog steeds hielden aan de afspraken uit 1644. (Collectie HCO)

 

Dan is de Ten Have gereed

Maar dan is Nicolaas klaar, na vijf jaar landmeetkundig werk. En wat verschijnt er drie jaar na de overeenkomst tussen Deventer en Diepenheim in volle glorie op zijn kaart in 1648? Een brede vaarweg in de vorm van een flauwe S, genaamd de Pot- of Holtdijkse beek. De dikke zwarte lijn wordt onderbroken; het lijkt wel of daarmee schutten of sluizen zijn aangegeven. Dus tóch een vaarweg? Waarom stak Deventer dan (samen met Diepenheim) sinds 1644 energie in het onderhoud van de oude vaarverbinding tussen Regge en Schipbeek? 

Op de fiets is het mogelijk om bij herberg de Pot de Herikeresweg in te slaan. Het weggetje kronkelt door het mooie Overijsselse landschap. Volgens de kaart zou de Potbeek (of de Holtdijkse beek) even verderop met een duiker onder de weg moeten stromen. Door de hedendaagse GPS-systemen kunnen we tegenwoordig tot iedere stap nauwkeurig zien waar we zijn. De rode google-pijl geeft aan waar de Holtdijkse beek zou stromen. Het is niet meer dan een droog greppeltje, niet dieper dan een hazenleger.

Bronnen

- Doornink, G.J. Uit de geschiedenis van de Schipbeek uit: Verslagen en mededeelingen van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Gescheidenis, deel 51 (1935)
- Groot J.C.H. de Overijssels ‘landtafereel’ van de zeventiende eeuw;
- de oorspronkelijke kaart van Nicolaas ten Have, conrector van de Latijnse School te Zwolle en kartograaf van Overijssel uit: Overijsselse Historische Bijdragen, deel 105 (1990)
- Schrier, D.M. van der De Potbeek, een mysterieuze vaarweg langs Markelo In: Overijssels Historische Bijdragen, deel 104 (2004)
- Staring, W. en T.J. Stieltjes De Overijsselsche Wateren (Zwolle) 1848

Kaarten

- Nicolaas Visscher omstreeks 1680. (HCO, kaartencollecties, toegang 1678, inventarisnummer 1740)
- Reinier en Joshua Ottens kaart uit 1740. (HCO, kaartencollecties, toegang 1678, inventarisnummer 336)
- T.J. Stieltjes rond 1870. (HCO, toegang 25.1, inventarisnummer 2576_KD001664)
- Minuut (calque op papier) uit 1847 van ingenieur Stieltjes (HCO, toegang 0025, inventarisnummer 19224_C15.41)
- kaart uit 1746. De strak weergegeven Regge en Schipbeek met het vijf-hoekige terrein van kasteel Westervlier werd in kaart gebracht in opdracht van de ‘Heeren gecommitteerden der stad Deventer’, met betrekking tot waterwerken in de Schipbeek en de Regge om beide beken bevaarbaar te houden. (HCO, toegang 0700, inventarisnummer 1370_KD000261)
- De stadssecretaris Pieter Theodorus Golts maakte in 1750 deze kaart (HCO, toegang 700, inventarisnummer 1369_KD000256)

Door Ester Smit
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Reddend hooi. Hooikisten en hooibergen in tijden van oorlog

In het kader van het project Van Oerbos tot Hooiland deden de Rijksuniversiteit Groningen, stichting IJsselacademie en historicus Wim Coster onderzoek naar de hooicultuur in de IJsseldelta. In dit artikel vertelt Wim Coster over het hooi in tijden van rampspoed.

De bijzondere omstandigheden tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden voor de landbouw grote gevolgen. De regering greep in met distributiemaatregelen en de verplichting tot het scheuren van grasland tot bouwland. Bij voorkeur moesten broodgraan, peulvruchten, aardappelen, haver, voederbieten en knolrapen worden verbouwd. Doel van dit alles was om de voedselvoorziening tegen redelijke prijzen veilig te stellen.

Een Kampereilander boer maait het gras. (collectie Zwier Stoel, fototheek Kampereiland)

Voor het scheuren van land kozen de boeren ‘menige tamme weide, maar ook veel zogenaamde wilde maten, die in een eeuwenoude zode een vrij belangrijk bodemkapitaal nagenoeg renteloos hadden vastgelegd,’ aldus een later provinciaal verslag. De grotere boerenbedrijven leenden zich hiervoor het best. De kleinere boeren konden moeilijk tot scheuren overgaan, omdat zij hun veestapel dan belangrijk moesten inkrimpen. De bemesting van het bouwland zou dan in gevaar komen. Maar ook de hooiwinning kwam in het gedrang, want: zonder gras geen hooi. 

Provinciaal Hooibureau

In het kader van de Distributiewet 1916 stelde de overheid op 24 mei van dat jaar een Centraal Hooibureau (CB) en elf provinciale bureaus in. Het CB was gevestigd in Den Haag, het Provinciaal Hooibureau voor Overijssel in Zwolle. De Provinciale Hooibureaus verstrekten onder meer vervoerbewijzen voor het transporteren van hooi. Ze hielden ook toezicht op plaatselijke commissies voor de hooiregelingen, die waren betrokken bij de verdeling van het hooi op lokaal niveau.

De firma Van der Weerd vervoert een vracht hooi vanaf de Mandjeswaard. (collectie Zwier Stoel, fototheek Kampereiland)

De distributie ging bepaald niet zonder problemen, zoals blijkt uit een schrijven van burgemeester Dorhout Mees van Zwollerkerpsel aan de Commissaris van de Koningin. Samen met wethouder L.A. Reuvekamp, in het dagelijks leven hooihandelaar, regelde hij de vordering en taxatie van het hooi. Het voorwerk was al gedaan door een luitenant. Het hooi dat deze voor de legerpaarden had uitgekozen, was gewoonlijk van de hoogste kwaliteit. Maar, moest de burgemeester tot zijn spijt vaststellen, het ‘werd geleverd soms maanden na de vordering, wat ook bezwaarlijk anders kon, aangezien het gevorderde hooi zich bevond juist ónder in de berg en dus pas kon worden afgeleverd nadat het bovenste was vervoerd.’ Het gevolg was, dat ‘hierdoor de boer een zeer schone gelegenheid kreeg om onnaspeurlijk te frauderen door het beste, gevorderde hooi zelf te vervoeren en te laten uitbetalen, terwijl veel minder, ja zelfs ondeugdelijk hooi naar Kampen reisde ter aflevering.’ 

Persen van hooi om vervolgens per schip te transporteren. (collectie Zwier Stoel, fototheek Kampereiland)

De door hemzelf en wethouder Reuvekamp ‘zeer tijdrovende en zeer nauwkeurig uitgevoerde taxaties’ moesten dus, constateerde Dorhout Mees met spijt, ‘worden beschouwd als verloren arbeid.’ De prijzen voor het allerbeste hooi, vergelijkbaar met de kwaliteit van dat van het Kampereiland, hoewel in Mastenbroek weinig te vinden, had hij vastgesteld op 60 gulden per ton. Die van de minste kwaliteit bepaalde hij eerst op 44 gulden, maar later op 50. Hij adviseerde de prijzen van 50 en 60 gulden, ook in andere gemeenten, voorlopig te handhaven. Bovendien stelde hij dringend voor de prijs pas vast te stellen bij aflevering. 

De perikelen van distributie en prijsbeheersing hielden nog even aan, nadat op 1 november 1918 een eind was gekomen aan de Eerste Wereldoorlog. Pas op 3 oktober 1919 werden het Centraal Hooibureau en de Provinciale Bureaus officieel opgeheven. 

Hooitransport per schip over het Ganzendiep. (collectie Zwier Stoel, fototheek Kampereiland)

De hooikist

Vanwege de schaarste gingen tijden de Eerste Wereldoorlog ook steenkolen op de bon en werd de straatverlichting tot een minimum beperkt. Scholen gingen op zaterdag dicht en er reden minder treinen. De burger moest zuinig aandoen met brandstof. In 1916 kreeg Nederland ook daarom voor het eerst te maken met de zomertijd. 

Voedingsdeskundige Martine Wittop Koning bracht in september 1917 een boekje uit onder de titel Warmte bewaren: besparing van gas en brandstof bij spijsbereiding. Er stonden tips in over het bewaren van lichaamswarmte en het zo efficiënt mogelijk bereiden van voedsel. Eén van de manieren was de hooikist, een houten kist waarin een dikke laag hooi tegen de wanden was aangedrukt. Om kosten te besparen en vanwege gebrek aan hout werden ze ook gemaakt van tonnen, emmers, manden en kartonnen dozen. Ter voorkoming van het stuiven, zat er een voering om het hooi heen. Zo hoefden aardappelen eerst maar 5 à 10 minuten te koken, als de pan daarna maar anderhalf uur op temperatuur bleef in de hooikist. De aardappelen werden op die manier dus gaar, zonder dat er verder brandstof nodig was. Ook na de oorlog bleef de hooikist in gebruik, zoals met meer noodgedwongen vindingen het geval was.

De hooikist. Prent van Theo van Reijn, 1917. (collectie IISG)

In september 1922 ging mevrouw J.M.F. van der Meer-Dinger in het Overijsselsch Landbouwblad, in de rubriek ‘Voor de boerin’, uitvoerig in op het gebruik en de voordelen van de hooikist. Niet alleen hoefden de pannen korter op het vuur te staan, ze sleten ook minder, er kon niets aanbranden of overkoken, er waren minder geuren en de boerin kon onder het koken rustig iets anders doen. Multitasking dus, bij de bereiding van ‘degelijke eenvoudige kost als bonen, soepen, stamppotten en pappen.’ Hooikisten waren kant en klaar te koop, maar je kon ze ook zelf maken. Uitvoerig beschreef mevrouw Van der Meer hoe dat moest. Eerst een kist, mand of ton bekleden met een slecht warmte geleidende en goed droge stof, dan opvullen met hooi, maar wel met ruimte voor een pan en 5 centimeter extra ruimte enz., enz…

Demonstratie van de hooikist in een keuken met een fornuis en een granito vloer, 1936. (Geheugen van Nederland)

Schuilplaats

In tijden van oorlog speelden hooibergen of hooizolders vaak een even belangrijke als verborgen rol. Juist, omdat ze zelf de gelegenheid boden om mensen, maar ook wapens of munitie, verborgen te houden. De Meppeler verzetsman Gerrit Gunnink vertelt bijvoorbeeld hoe hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in september 1944 op weg was van Hasselt naar het noorden van Drenthe. Kort na Dolle Dinsdag stuitte hij samen met zijn broer op een colonne Duitse militairen. De beide mannen wisten ongemerkt weg te komen en brachten de nacht door in een hooiberg. Uit een opgevangen gesprek tussen de boer, diens vrouw en een postbode wisten ze, dat ze van deze mensen geen kwaad hadden te duchten. 

Maar een verblijf kon ook veel langer duren, al dan niet met medewerking van de eigenaren, zoals blijkt uit een in Mastenbroek spelend oorlogsverhaal van Nelly De Jonge-Wielink: In en rond haar ouderlijk huis aan de Kerkwetering 5, naast de pastorie op nummer 7, zaten onderduikers. ‘Er zat een gat in de hooiberg waar het hooi naar beneden werd gegooid en daarnaast hadden ze ook een gat gemaakt. Er werd heel veel hooi uitgehaald en dan ging er iemand in, of misschien wel twee mensen, en dan werd het weer netjes dichtgemaakt. Dat wisten de Duitsers niet. Ik weet ook niet wie er in de hooiberg gezeten hebben.’ Zo werd menigeen tijdens de oorlog gered of bewaard, met dank vaak aan moedige mensen, maar ook aan het opgetaste hooi.

Vanaf 13 april tot en met oktober 2019 is in de Veldschuur in Rouveen de expositie ‘Van Oerbos tot Hooiland. Hooi, hooien en hooiers in de IJsseldelta’, te bezichtigen. Kijk voor meer informatie op www.hooidelta.nl of op de website van de Veldschuur.

 
Door Wim Coster
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Hoe twee jongedames in Deventer een bibliotheek begonnen

Na het bombardement van 6 februari 1945 opent de bibliotheek van Deventer een noodfiliaal in de winkel van Jamin. De ‘filiaalmanagers’ Corrie van Ommen en Betty de Gaaij houden een dagboek bij.

Het is 6 februari 1945. Deventernaren rennen naar binnen nadat het luchtalarm is afgegaan. Niet veel later begint het zwaarste bombardement dat Deventer tijdens de Tweede Wereld oorlog te verduren krijgt. Grote delen van de binnenstad staan in brand en er zijn vele doden te betreuren. Ook de bibliotheek in Deventer aan de Brink raakt beschadigd. Uitlenen blijkt in dit pand voorlopig niet meer mogelijk.

Maar het bibliotheekpersoneel is niet voor één gat te vangen. Men start drie noodfilialen in verschillende delen van de stad. Deze drie noodfilialen zijn in gebruik geweest van 23 februari tot 14 april 1945. Eén van die filialen was gevestigd in de oude Jaminwinkel in de Lange Bisschopsstraat. Twee jongedames van 20 jaar oud en nog in opleiding tot bibliotheekassistent bestieren die filiaal. Het zijn Corrie van Ommen en Betty de Gaaij. Ze houden een dagboekje bij van hun periode als ‘filiaalmanagers’ waardoor het verhaal van dit filiaal bewaard is gebleven.

Vol verwachting

Hun dagboek begint als volgt: "23 februari 1945. Vanmorgen half tien opening van het leeszaalfiliaal in de winkel van Jamin. Het eerste half uur vol verwachting, doch weinig leden. In de loop van de dag nam de kou van onze voeten toe met het aantal bezoekers die de hele dag zo’n beetje door bleven druppelen. Drie jongens kwamen vragen om een kaart van Nederland. Ze vertelden dat ze drie van de 1.200 jongens waren, die in Bloemendaal bij razzia’s waren opgepakt, vervoerd waren per weermachttrein, in de buurt van Deventer uit de trein waren gesprongen en nu te voet de reis naar huis wilden aanvaarden na raadpleging van een kaart."

Dag na dag wordt zo beschreven, met kleine en grote geschiedenissen. Van bezoekers die hun boeken niet op tijd terugbrengen tot ouden van dagen die uithuilen bij de bibliotheek nadat het gasthuis voor ouden van dagen is gebombardeerd en ze huis en haard kwijt waren. Het eindigt op 10 april, de dag van de bevrijding van Deventer.

Na de bevrijding worden de noodfilialen gesloten en gaat na korte tijd de bibliotheek aan de Brink weer open. De foto hierboven is van enkele dagen na de bevrijding. Daar staan ze dan: het personeel van de bibliotheek in een vaal voorjaarszonnetje. Allen hebben ze bange maanden achter de rug. Bombardementen, beschietingen en een tekort aan bijna alles. De vlag hangt uit, maar het puin ligt nog voor de deur. Wie de foto beter bekijkt, ziet dat er geen glas meer in de ramen zit. Alleen nog houten vensters en er zitten kogelgaten in de muur. Er staat een schoolbord achter het personeel. Met een vergrootglas kun je net lezen wat erop staat: ‘Verboden boeken werden niet ingeleverd. Alles behouden!’ Het was een kleine verzetsdaad van de bibliotheek: het personeel had alle boeken verborgen die door de bezetter verboden waren.

Net na de oorlog is er in de bibliotheek een tentoonstelling over deze verboden boeken te bekijken. Juffrouw Timmenga - directeur van de bibliotheek - houdt een toespraak bij de opening van deze tentoonstelling en onthult waar het verboden deel van de collectie werd bewaard. Al die tijd waren de verboden boeken namelijk wél aanwezig in de bibliotheek: ‘Daar was Oranje, Oranje boven… op zolder!’ Het geheim van de bibliotheek bevond zich al die tijd in het pand aan de Brink:

"Bij het bombardement van 6 februari ontblootte het oorlogsgeweld wat de zolders verborgen. Geen dakpan was er meer om de kostbare schat tegen regen te beschermen. Dezelfde dag werd alles naar beneden gebracht. Duizenden boeken. Niet tevergeefs, want diezelfde nacht stortregende het. Daarna verborg het kelderduister de schat, totdat we 10 april konden schrijven: Alles behouden."

Personeel voor de bibliotheek aan de Brink enkele dagen na de bevrijding

Publicatie over de oorlogsdagboeken

Mark Deckers - in het dagelijks leven bibliotheekadviseur bij Rijnbrink - kwam het dagboek over het noodfiliaal in de oude Jaminwinkel samen met andere oorlogsdagboeken van de bibliotheek op het spoor. Deckers zocht contact met nabestaanden van de ‘filiaalmanagers’ en kreeg zo ook de beschikking over het persoonlijke dagboek van één van de twee jongedames. Begin april is zijn boek onder de titel ‘Alles behouden’ uitgekomen, waarin het dagboek over het filiaal in de Jaminwinkel centraal staat. 

*Alles behouden van Mark Deckers is uitgegeven bij WalburgPers en verkrijgbaar bij elke boekhandel voor €12,50.

Door Mark Deckers
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Het doosje met de gekleurde scherven

René Berends schrijft graag over zijn geboortestad Deventer en veel voor kinderen. Vorig jaar verscheen ‘Kinderen van Deventer’, het eerste échte geschiedenisboek over de Hanzestad aan de IJssel voor basisschoolleerlingen. Voor het online magazine MijnStadMijnDorp schreef René een fictief oorlogsverhaal, gebaseerd op historische feiten.

Wim zit zwijgend achter een bord pap. Hij houdt niet van pap, maar het is in ieder geval warm en het zorgt ervoor dat zijn maag ophoudt met knorren. Moeder heeft de potkachel in de keuken opgestookt met wat hout. Het is voor vader een hele kunst om de voorraad hout in het schuurtje op peil te houden. Het is hartje winter, twee weken voor Kerst. Maar dit jaar zullen ze geen kerstboom hebben. Als er nog sparren te vinden zijn, dan worden die opgestookt en niet als kerstboom gebruikt. Moeder heeft in de keuken, langs de rand van de kastjes, een paar kerstballen opgehangen. Dat geeft nog een beetje het gevoel van kerst.

Als Wim zijn bord leeg heeft, kijkt hij vragend naar zijn moeder. ‘Ja, ga nog maar even,’ zegt ze meteen, ‘maar blijf in de buurt!’ Wim glimlacht. Zijn moeder heeft aan een half woord genoeg om hem te begrijpen en soms dat niet eens. Dan is een enkele blik genoeg. Dat geeft hem een warm vertrouwd gevoel. Hij houdt van zijn moeder.

Met zijn jas nog half over zijn schouder, stapt hij snel naar buiten, zodat de warmte van het kacheltje binnenblijft. Hij loopt het gangetje door naar de straat en gaat op het stenen paaltje zitten voor hun huis. Dit is echt zijn plek. Het liefst zit hij hier elke dag even. Hij kan vanaf hier de hele straat overzien. Met een schuin oog kijkt hij naar het huis op nummer 15 aan de overkant. Daar woont Evers, een NSB’er. In het begin van de oorlog collecteerde die man voor de Winterhulp. Wim herinnert zich goed wat zijn vader toen zei: ‘Nog geen knoop van mijn gulp voor de Winterhulp!’ Toen Evers had aangebeld, hadden ze net gedaan alsof ze niet thuis waren. Het laatste jaar zien ze Evers nauwelijks meer. Zou hij bang zijn dat de Duitsers de oorlog gaan verliezen? Dat zou wat zijn! Zou Evers dan weer vluchten, net zoals hij op Dolle Dinsdag gedaan heeft?

Dan kijkt Wim naar het huis op nummer 7. Wim weet van vader dat daar op zolder een onderduiker zit. Hij zal daar nooit over beginnen. Tegen wie dan ook! Hij zal er zelfs niet met zijn vrienden over praten. Je kunt zomaar iets zeggen, waarmee je iemand kan verraden. Zou Evers dat eigenlijk niet weten, dat van die onderduiker op nummer 7? Hij woont hier toch ook in de straat. Zou hij zijn ogen niet open hebben?

Wim voelt in de zak van zijn jas. Hij pakt het doosje dat hij van zijn moeder gekregen heeft. Moeder heeft er sieraden in gehad, maar nu heeft Wim er stukjes gekleurd glas in. Hij pakt een blauw stukje en houdt het tegen het licht. Hij vindt het de mooiste kleur die er is! Vorige week dinsdag heeft hij met vader en moeder een wandeling gemaakt. Ze zijn gaan kijken bij de President Steynstraat en de Hoge Hondstraat. Een paar dagen eerder waren daar bommen gevallen en zijn er verschillende huizen vernield. De geallieerden probeerden de bruggen over de IJssel te bombarderen. Maar door het vele afweergeschut van de Duitsers, konden ze alleen van grote hoogte hun bommen afwerpen. Die vielen daardoor meer in de stad en in de rivier en de uiterwaarden dan op de bruggen.

De President Steijnstraat in Deventer na het bombardement.

‘Wat een wereld, wat een wereld!’, had moeder gepreveld, terwijl ze haar hand voor de mond had gehouden, toen ze langs de gebombardeerde huizen waren gelopen. ‘Ramptoeristen zijn we!’, had vader gezegd. ‘Maar wat moeten we?’ Wim had de machteloosheid in vaders stem gehoord. Toen had Wim verschillende stukjes rood- en blauwgekleurd glas gevonden. Het waren resten van glas-in-loodramen. Even had hij nog gezocht naar een stukje wit glas. Dan had hij er de vlag mee kunnen maken.

Thuis had hij de stukjes glas aan moeder laten zien en had hij van haar het doosje gekregen, waarin hij nu de stukjes bewaarde. Wim kijkt door een stukje rood glas de straat door. En net als hij het stukje weer in het doosje doet en in zijn zak stopt, gebeurt het. In een fractie van een seconde spatten bij een hele rij huizen in de straat de ramen uit de sponningen van de kozijnen en vliegt Wim van het stenen paaltje door de lucht. Vier meter verder komt hij midden op de straat terecht. Dan volgt er een enorme knal. Versuft blijft hij even liggen. Dan gaat Wim rechtop zitten. Het is al weer stil. Hij kijkt om zich heen en voelt aan zijn hoofd. Hij is met zijn hoofd tegen de stenen gesmakt en er stroomt wat bloed uit een wondje aan zijn voorhoofd. Dan zwaait de voordeur open. Vader rent de straat op. ‘Wim! Waar ben je?’, roept hij. ‘Wim. Is er wat?’ ‘Hier!’, is het enige dat Wim kan antwoorden.

Als hij op wil staan, wankelt hij even wat duizelig. Vader pakt hem onder zijn arm en inspecteert het wondje aan zijn hoofd. Hij veegt het bloed met zijn hand weg. ‘Wat was dat?’, vraagt Wim verbaasd. Hij weet niet wat hem overkomen is. ‘Er was geen sirene. Dus was het geen bom uit een geallieerd vliegtuig. Het moet wel een V1 zijn geweest!’, zegt vader dan. ‘Die schieten de Duitsers hier in de buurt af op Antwerpen en Londen. Er zal er eentje uit koers geraakt zijn en in de stad neergekomen zijn, net als twee dagen geleden bij Brinkgreven!’

Vader houdt Wim bij de arm vast, terwijl ze samen terug naar huis lopen. Als ze de huiskamer inlopen, schrikt Wim van wat hij ziet. Ook bij hun is het glas uit de kozijnen geknapt. De hele kamer ligt vol met glas. Zelfs verschillende glas-in-loodraampjes van de schuifdeuren tussen de voor- en achterkamer zijn kapot. ‘Gelukkig zaten wij in de keuken’, zegt moeder, ‘anders hadden we al dat glas over ons heen gekregen!’

Ze pakt de stoffer en een blik en begint de scherven op te vegen. Wim staat er stil en beduusd naar te kijken. Dan ziet hij een stukje wit glas liggen. Het is van een van de glas-in-loodraampjes van de schuifdeuren. Hij pakt de scherf op en bekijkt het. Dan tast hij in zijn jaszak naar het doosje met de andere scherven. Ik heb de kleuren nu compleet, denkt hij.

Door René Berends
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Het Heideveld. Boerenrepubliek aan de Reune

De boeren van Steenwijkerwold waren er niet van gediend toen Johannes van den Bosch, oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid, hun uitgestrekte heideveld even ten noorden van Steenwijk dreigde te annexeren voor de aanleg van de kolonie Willemsoord. Om hun gemeenschappelijke eigendom te beschermen richtten ze in 1819 de vereniging Het Heideveld en de daartoe behorende fondsen en eigendommen in de buurtschap Steenwijkerwold op, kortweg Het Heideveld.

Gedurende de negentiende- en twintigste eeuw voerden de boeren als bestuurders van Het Heideveld een grootschalige ontginningsoperatie uit, waarbij ze werk verschaften en grond verhuurden aan ‘armlastige gezinnen’ uit de omgeving. Generaties lang hebben mensen gespit, geploegd, gezaaid en geploeterd om de kale heide te veranderen in vruchtbare grond. 

Het Heideveld heeft anno 2019 ruim 360 hectare grond in zijn bezit rondom de buurtschappen Basse, Marijenkampen, De Pol en Baars. Ongeveer 55 hectare hiervan bestaat uit bos dat is opengesteld voor bezoekers. De overige gronden worden voor een gunstige prijs verpacht aan boeren en andere belangstellenden in de regio. 

Het boek is verkrijgbaar via info@hetheideveld-steenwijkerwold.nl

ISBN | 136 pag. | € 17,50

Door Martin van der Linde

Wandelen op de Twentse wallen

Zoals iedereen weet is niet alleen Amsterdam ruim bedeeld met wallen. Ook in het oosten van ons land barst het van de wallen. Stuwwallen wel te verstaan. In de voorlaatste ijstijd ontstaan door het voortstuwende ijs. Duidelijk zichtbare plooien en glooien in het landschap zijn het nog steeds zichtbare gevolg. Op de Veluwe en de Sallandse Heuvelrug zijn deze stuwwallen het duidelijkst te zien. Maar ook in Twente wemelt het van de wallen. Namen als Apenberg, Kuiperberg, Tankenberg of Austieberg beloven vergezichten zoals je die alleen in het buitenland verwacht. Truus Wijnen, Tukker in hart en nieren, heeft al deze Twentse wallen beklommen en de mooiste van deze wandeltochten heeft ze in deze gids verzameld. Geniet van fraaie vergezichten, kronkelende bergpaden en diepe dalen. En dat allemaal dichtbij huis in Twente.

Auteur: Truus Wijnen
Uitgever: Gegarandeerd onregelmatig, Arnhem

ISBN 978 90 786 4169 8 | 128 pag. | € 16,95

Door Truus Wijnen

In de man zit nog een jongen – de biografie Willem Wilmink

Voor In de man zit nog een jongen sprak neerlandicus en journalist Elsbeth Etty met tientallen tijdgenoten en intimi van Wilmink. Het resultaat is "een intiem en niets verhullend portret”.

Willem Wilmink is een van de meest geliefde dichters van Nederland. Zijn eenvoudige maar treffende gedichten en liedjes, veelal geschreven voor legendarische tv-programma’s als De Stratemakeropzeeshow, J.J. de Bom en De film van Ome Willem, spreken iedereen aan. ‘De oude school’, ‘Deze vuist op deze vuist’ en ‘Ben Ali Libi’ behoren tot de canon van de Nederlandse literatuur. Hetzelfde geldt voor Wilminks hertalingen van Middeleeuwse klassiekers. Hij was een groot kenner van poëzie uit alle tijdvakken en in al haar verschijningsvormen.

Zijn werk is doortrokken van heimwee naar een veilige kinderwereld die nooit heeft bestaan. Naar eigen zeggen is Wilmink altijd elf jaar gebleven, wat aanvankelijk zijn loopbaan en privéleven ernstig frustreerde, maar tegelijkertijd zijn poëtische kapitaal bleek. Met humor en zelfspot maakte hij zijn lange tijd door miskenning en afwijzing getekende leven leefbaar.

Auteur: Elsbeth Etty
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar

ISBN 978 90 388 0611 2 | 544 pag. | € 34,99

Door Elsbeth Etty

Martelaressen van adel; de doperse joffers van Beckum

Op 13 november 1544 kwamen twee schoonzusters, Maria en Ursula (de joffers Van Beckum) wegens ‘doperse sympathieën’ op de brandstapel. Daar, op het Galgenveld bij Delden, stierven ze als ware martelaressen. Omdat beide vrouwen van adel waren, kregen ze nadien veel aandacht in de aan de wederdopers gewijde martelaarsliederen. Dat leidde in latere publicaties tot een overdosis aannames en fantasie. Drie al vergeelde historische romans verhoogden het spagaat tussen fictie en feiten.

Waren ze werkelijk doopsgezind? En hoe kan het dat het gerechtelijke vonnis en de verslagen van hun verhoren door de inquisitie spoorloos zijn verdwenen? Waren er wellicht andere belangen geweest die destijds hadden geleid tot hun arrestatie. Was er in die jaren eigenlijk wel sprake van een ketterjacht in Twente?

Om orde te kunnen scheppen in deze dwaaltuin van waarheid, verbeelding en anekdote volgde Henk Boom het spoor van de joffers terug, van de laatste novelle en gedigitaliseerde publicaties tot het allereerste martelaarslied in 1555. In lokale, regionale en landelijke archieven ontdekte hij nieuwe gegevens. Bevrijd van bedenksels en verdichting blijft het een bizar en waargebeurd verhaal. Samen genereren fictie en feiten een hervertelling, voor het eerst geplaatst in de context van die tijd en eindigend met een klein wonder.

Auteur: Henk Boom
Uitgever: WalburgPers Zutphen

ISBN 978 94 624 9281 3 | 256 pag. | € 24,95

Door Henk Boom

Koninklijke Buisman: 150 jaar Buisman

Een ‘lepeltje Buisman’ is een begrip in Nederland. Op 9 augustus 1867 legde Herman Buisman in Zwartsluis het fundament met zijn ‘koffijstroop’. Met ‘Buismans Gebrande Suiker’ verbond hij zijn naam aan een product en Buisman werd daarmee een van de eerste merken van Nederland.

Sinds die tijd draait het om een Hollandse blik op koffie. Dit boek gaat over dat staaltje Hollands ondernemerschap. Met het verhaal van koffieschaarste, van Zwartsluis, van het iconische Buisman-blikje, maar ook gaat het over de laatste innovaties.

Auteur: Angelique van Os in opdracht van Buisman
Uitgever: Pavlovpubliceert.nl

ISBN | 151 pag. | € € 24,99

Door Angelique van Os

Gerrit Bennink – Strijdend voor verdrukten en misdeelden

Bennink heeft het socialisme in Twente gepropageerd in de jaren tachtig en negentig van de 19de eeuw. Hij was ook de enige Twentenaar die meedeed met de enquête van Domela Nieuwenhuis naar arbeidsomstandigheden in Twente. Daar is een vriendschap tussen de twee uit ontstaan. Bennink heeft het socialisme hier verder verbreid. Daar moesten de (textiel)fabrikanten niks van hebben.

Van zijn inzet hebben heel veel mensen in Twente uiteindelijk voordeel bij gehad, direct en indirect. Er waren er ook heel veel die hem op handen droegen. Maar hij had ook veel tegenstanders, met name Storkarbeiders, vanwege zijn kritiek op D.W. Stork. 

Bennink is de eerste echte sociaaldemocraat geweest in de Provinciale Staten van Overijssel: een selfmade man tussen de deftige heren.

Wat de auteur het meest heeft gefrappeerd aan de persoon Bennink was het gegeven dat hij vrijwel geen opleiding genoten had, alleen een paar jaar lagere school, daarna moest hij de fabriek in. Hij heeft zich enorm ontwikkeld door zelfstudie. 

Auteur: Henk Kleinhout
Uitgever: Stichting Historisch Archief Hengelo

ISBN 978 90 826 5319 9 | 120 pag. | € 15,00

Door Henk Kleinhout

Deining in de IJsseldelta

Deining in de IJsseldelta. Biografie van de bypass bij Kampen vertelt het verhaal van een project dat jarenlang de voorpagina’s haalde: van de eerste plannen, de weerstand in de omgeving en de rechtszaken tot de aanleg van de bijzondere waterbouwkundige werken.

In vijftien jaar tijd veranderde het aanzicht van de IJsseldelta bij Kampen ingrijpend. Om het gebied te beschermen tegen hoogwater kreeg de rivier de ruimte: de IJssel werd uitgediept en kreeg met het Reevediep een bypass naar het Drontermeer.

Wat betekende het project voor de bewoner wiens huis moest wijken voor het Reevediep? Voor de actievoerder die zich tot aan de Raad van State verzette tegen de plannen? Voor de archeoloog die een middeleeuwse kogge uit de IJssel opdiepte? Voor de ecoloog die tienduizenden kwetsbare dieren redde tijdens de werkzaamheden? Zij en vele andere betrokkenen doen in dit boek hun persoonlijke verhaal.

Auteur: Joep Boerboom
Uitgever: W-Books Zwolle

ISBN 978 94 625 8311 5 | 150 pag. | € 19,95

Door Joep Boerboom

Groene Parels in Overijssel

Groene Parels in Overijssel brengt de rijke collectie in beeld van landschapsparken die in de periode 1780 tot 1830 in Overijssel werden aangelegd. In deze collectie schuilen bijzondere verhalen van prachtige locaties in een gevarieerd landschap, van toonaangevende tuinarchitecten en bijzondere opdrachtgevers, van stadsparken en buitenplaatsen en van diverse ontwerptekeningen en gedetailleerde oude kaarten.

Het boek biedt een breed overzicht van de verrassende groene rijkdom die Overijssel al omstreeks 1830 bezat. Deze romantische wereld wordt rijk geïllustreerd aan de hand van oude en nieuwe beelden, waaronder vele nieuwe kaarten waarin de historische situatie gecombineerd wordt met het reliëf van het huidige landschap.

ISBN 9789462622258 | 240 pag. | € 24,95

Door de redactie

'Donder in het kale holt'. Weersuitdrukkingen in Overijssel

Onweer is typisch iets wat we associëren met zomerse dagen en drukkend weer. Wanneer in de winter of in het vroege voorjaar, als het blad nog niet aan de bomen zit, onweer optreedt is dat veel opvallender. Vaak wordt daar dan ook een voorspellende betekenis aan gehecht: donder in het kale holt gif een veurjaor nat en kold. Deze uitspraak is opgetekend in Wijhe, maar komt in allerlei varianten door de hele provincie Overijssel wel voor.

Opmerkelijk is dat in het oosten van Twente de weersvoorspelling zich over een nog grotere termijn kan uitstrekken: grommel op nen zoaren toog [kale tak] het hele jaor reagen genoog, zo zeggen ze in Saasveld, De Lutte en Tubbergen. Ook Vriezenveen kent de uitspraak, maar met iets andere klanken: doonder op nen kaolen toug, het hele joar water genoug. In Hengevelde rijmt op kale toog: het hele joar reagenboog.  

Tegenover de langetermijnvoorspelling in Twente en de voorspelling in overig Overijssel waar alleen over een nat voorjaar wordt gesproken, staat Oldemarkt, waar ze zeggen: onweer op het dreuge holt gef zes weken guur en kold. Ook nog best lang natuurlijk, die zes weken, maar toch niet een heel voorjaar. Of een zomer, want in Hasselt en Staphorst voorspelt onweer in het kale hout juist een natte zomer. Die voorspelling geldt ook in Deventer, en in opmerkelijk tegenspraak daarmee is dat in dezelfde plaats wordt gezegd:  as ’t dondert deur de kale bomen, zal d’r een mooi veurjöör komen.

Geil kerkhof

Een nat voorjaar, een natte zomer of zelfs een heel nat jaar is nog tot daar aan toe, maar opmerkelijk is dat meer dan eens onweer in het voorjaar in verband wordt gebracht met een verhoogd sterftecijfer: een vrog onweer ’n geilen karkhof, zo werd er in Nijverdal gezegd (geil is vruchtbaar, een kerkhof dus dat snel in aantal bijzettingen toeneemt). 

Uit de onweersbui in het voorjaar kan nog iets voorspeld worden, namelijk de richting waar de overige onweersbuien dat jaar naartoe trekken: woar het eerste schoer hen trek in het vuurjoar doa gaot ze ommoal hen dat joar (Ambt-Delden); waor de beujen ien ’t veurjaor langes gaot, gaot ze het iele jaor langes (Staphorst). Hoe dan ook, onweer in het vroege voorjaar is opvallend, zoals soms zelfs in het Nederlands wordt gezegd: donder op naakt hout dat gedenkt nog jong en oud.

Een begrafenis in Zwartsluis, ca. 1930. (Historische Vereniging Zwartsluis)

Objecten

Het blijkt ook mogelijk te voorspellen (met een zekere slag om de arm natuurlijk) waar het onweer niet heen gaat. Overal in de provincie bevinden zich objecten waar het onweer niet langs kan komen, en waar het dus weer terugkeert. Vaak is dat object het water, en in het westen van de provincie wordt nog herinnerd dat een onweersbui boven de Zuiderzee bleef hangen. Ook de IJssel of de Beulakerwiede worden wel genoemd. In het oosten zijn het uiteraard kleinere watervlakten: het Twentekanaal, de Regge of het kanaal Almelo-Nordhorn (in de woorden van de zegslieden de afmeting van een flinke sloot). Maar vaker zijn het heuvels, hier soms  barg genoemd: de Lemelerbarg, de Holterbarg, de Tutenbearg, de Gilhoeser (Gildehauser) berg, de Wieler (Wilsumer) berg of, meermaals genoemd, de Kuiperberg in Ootmöske (Ootmarsum). Maar soms heeft onweer helemaal geen objecten nodig om te blijven hangen en vervolgens terug te keren: vrogge bedelaars en onweer komt oaverdag nog es weer (Olst). 

De Holterberg omstreeks 1950. (Erfgoed Rijssen-Holten)

Kuunderse duuf en Sluziger kip

De komst van onweer, maar vooral van regen in het algemeen, kon vaak voorspeld worden. Soms met planten, bijvoorbeeld de druppel die aan het blad van aronskelk hangt (Vollenhove), de bosanemoon die zich sluit (Wijhe) of dennenappels die zich sluiten (Ambt Delden). Zon, maan en wind zijn ook goede voorspellers (krimpende weend en uutgaonde vrouwen zeen neet te vertrouwen). Vochtige vloeren en stinkende putten, ja zelfs trekkende woonwagens zijn een aanwijzing, en natuurlijk ook stekende likdoorns.

Maar het meest wordt regen voorspeld met het gedrag van dieren: laagvliegende zwaluwen, roepende duiven en koekoeken, schreeuwende pauwen, of koeien die naar één kant van het weiland trekken. Als koeien tijdens een regenbui gewoon door blijven grazen, is de regen nog niet gelijk verdwenen. Regen, maar vooral ook storm, kon voorspeld worden door de verschijning van meeuwen. Nu zie je die in de hele provincie, maar vroeger was dat een typische zeevogel. Pas als het weer aan de kust slecht werd, trokken ze landinwaarts, maar daar kregen ze in het dialect dan wel een naam die naar een plaats aan de kust verwees. Zo werd de meeuw in Steenwijkerwold Kuunderse duuf genoemd, en in Staphorst Sluziger kippe. Vanuit Steenwijkerwold is Kuinre de plaats aan de (Zuider)zee die het dichtst bij ligt, voor Staphorst is dat Zwartsluis, waar het Zwarte Water de Zuiderzee naderde. Bijzonder is dat de meeuw in deze dialecten met kip of duif worden aangeduid, dieren die qua voorkomen en gedrag toch helemaal niet op een meeuw lijken. Wellicht is het een vorm van ironie: de meeuw, scherend en krijsend in de storm,  krijgt de naam van bij uitstek huiselijke vogels als de kip of de duif. Het omgekeerde komt trouwens ook voor. In het Nederlands maar ook in de dialecten, bestaat er een kippenras dat met meeuw wordt aangeduid, namelijk de Groninger meeuw (Boks & Weber 2004). De taal zit toch vol verrassingen.

Bronnen:

- Boks, A. & R. Weber (2004), Oonze Nederlandse Hoonderrassen (ummezat deur Janny van WulfthenPalthe-Stulen). Z. pl. Nederlaandse Hoonderclub.
- Woordenboek van de Overijsselse Dialecten 4, De Wereld-A, Kampen 2006.
- Het woord Kuunderse duuf werd mij meegedeeld door Jan ten Klooster, destijds directeur van de IJsselacademie.

Door Harrie Scholtmeijer
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselaars van toen

Anna Scholten (1874-1949), een excentrieke schrijfster uit Enschede

Anna Scholten was een opmerkelijke figuur in de wereld van de Twentse textielfamilies voor 1940. Excentriek, onafhankelijk en zeer intelligent. Ze publiceerde tussen 1936 en 1940 een eigenhandig volgeschreven tijdschrift onder de naam O.S.A.S. ofwel 'Objectieve en Subjectieve grepen uit mijne dagboeken van A.S.' (=Anna Scholten). Er verschenen zeventien afleveringen die de schrijfster vaak zelf rondbracht in Enschede en omgeving. Ook vertaalde ze Duitse gedichten.

Johanna Scholten Jd. (= Jansdochter), van jongs af aan Anna genoemd, werd in Enschede geboren  op 14 februari 1874 als vijfde van zes kinderen. Haar vader Jan Scholten was eigenaar van een textielfabriek en haar moeder Hermina Wilhelmina Blijdenstein kwam ook uit een Twentse textielfamilie.  Anna was in jaar jeugd nogal ziekelijk en werd flink verwend. In 1891 verbleef ze bij een senatorenfamilie in Hamburg en hier begon haar liefde voor de Duitse cultuur. 

Net als andere familieleden  werkte ze - de ochtenden - op de textielfabriek van Scholten, voornamelijk tussen 1893-1919 en bij de administratie.  Na 1919 werd ze grootaandeelhouder en ontving ze net als haar eveneens ongehuwde zus Ida een jaarlijkse dividenduitkering.  De dames konden er goed van leven en woonden tot 1927 samen in het familiehuis aan de Hengelosestraat in Enschede.

Anna (links) en haar zusje Ida in 1887.

Bij Twekkelo bezaten zij een stuk grond 'De Horste' met appel- en perenboomgaarden en hier lieten zij een tuinhuis bouwen. Ze maakten samen grote buitenlandse reizen in  hun eigen auto. Zoals gebruikelijk bij de meisjes en vrouwen uit de Twentse textielelite waren de zussen hun leven lang lid van een 'krans'. Anna zelf was zeer geïnteresseerd in muziek en Duitse literatuur en had als hobby's schaken, kunst verzamelen fotograferen en tennis.  

Tijdens de Eerste Wereldoorlog zetten de zussen zich in bij de opvang van Belgische vluchtelingen. Ook was Anna actief bij de jeugdinstelling 'Hulp der Jeugd' in Enschede; bang voor represailles van de aangeklaagde ouders was zij niet. Haar vijftigste verjaardag vierde Anna met een groot feest, haar 'zilveren bruiloft' volgens een ironische Enschedese elite.

Anna Scholten in 1927. Foto atelier J. Merkelbach, stadsarchief Amsterdam.

Naar een psychiatrische inrichting

Op 53-jarige leeftijd werd Anna verliefd op de haar behandelende KNO-arts.  Ze meende dat de liefde wederkerig was en liet zelfs huwelijksannonces drukken en wilde een advertentie in dagblad Tubantia plaatsen. Bij toeval werd zus Ida vooraf geïnformeerd door de krant. Om een schandaal te voorkomen besloten haar broers en zus haar gedwongen te laten opnemen in een  luxueuze kliniek in Zwitserland.  Zij werd er - tegen haar zin behandeld. Er was wel gelegenheid om te tennissen, te  fotograferen en ook beheerde ze ook haar eigen financiën. Door een abonnement op Tubantia bleef zij op de hoogte van wat er 'thuis' gebeurde. Hier begon zij ook met het vertalen van het werk van de Duitse dichter Frits Reuter (1810-1874), uit het Platduits naar het Hoogduits en naar het Nederlands In 1930 kwam ze terug, maar ze wilde niet meer met haar zus samenwonen en kocht een huis in Hengelo. Bijzonder omdat echte Enschedeërs  (toen) niet in Hengelo willen wonen.

Eigen tijdschrift 

Het kwartaaltijdschrift O.S.A. S. verscheen eerst in een oplage van 200 en later 500 (met veel gratis abonnementen) Anna was de enige redacteur en uitgever en publiceerde uit haar dagboeken over haar gedwongen verblijf in het sanatorium en haar ‘verloving’. Verder nam ze stukken op over familiezaken, compleet met foto’s en brieven. Ook publiceerde ze vertalingen van gedichten en schreef ze over medische zaken, literatuur, het koningshuis, genealogie en heemkunde, vaak in het Duits. Ze stuurde exemplaren naar bekende personen als prins Hendrik en minister-president Colijn en bracht ook zelf - of haar chauffeur - het tijdschrift rond in Twente. 

Het tijdschrift van Anna Scholten.

Er verschenen zeventien nummers, het laatste nummer op 23 december 1940. Haar familie geneerde zich en probeerde zoveel mogelijk nummers op te kopen. Daardoor is er maar één complete set bewaard gebleven.

Persoonlijkheid

In Twente was Anna Scholten een bekende persoonlijkheid; zij was een onconventionele vrouw en viel op vanwege haar excentrieke gedrag. Zij verplaatste zich - na haar ongeluk in 1938 - op een grote autoped, samen met haar hondje Fideltje. Tijdens kerkdiensten begon zij soms luidkeels te zingen, vooral als zij het niet eens was met de preek.  In de oorlog zong zij vaak het Wilhelmus op straat, vooral als zij Duitse soldaten zag. 

Zij was erg genereus en schonk in 1938 een bedrag van vijfduizend gulden voor het te stichten natuurhistorisch museum in Enschede. Ook ondersteunde zij noodlijdende kunstenaars participeerde in 1938 in de bouw van een Duitse Zeppelin. Haar familie was bepaald niet gelukkig met haar excentrieke gedrag. 

Anna Scholten was een tante van de schrijfster Mini ter Kuile-Scholten. Ze verzamelde veel over de familiegeschiedenis, die haar achterneef en auteur Jaap Scholten gebruikte in zijn familieboek Horizon City (2014).

De laatste jaren van haar leven woonde Anna Scholten weer in Enschede, waar zij op 12 januari 1949 op 74-jarige leeftijd overleed.

Meer informatie en literatuur over Anna Scholten op www.wieiswieinoverijssel.nl en in het Vrouwenlexicon via www.biografischportaal.nl

Door Lamberthe de Jong
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselse topstukken

Rode Kruisverpleegster in Nationaal Blikkenmuseum in Marle

Naast uitbater van het pannenkoekenhuis in Marle, een buurtschap in de gemeente Hellendoorn, is Henk van der Vegt een enthousiast verzamelaar van blikken. Blikken voor koekjes, chocolade, snoep, medicijnen, sigaren, koffie, cacao. De blikken zijn te bezichtigen in het Nationaal Blikkenmuseum in Hellendoorn.

11.000 blikken

De verzameling in het twee verdiepingen tellende Nationaal Blikkenmuseum omvat inmiddels meer dan 11.000 voorwerpen. Ze zijn thematisch gerangschikt. Meer dan duizend banketbakkerstrommeltjes staan op ooghoogte door het hele museum. De deksels laten een pittoresk dorps- of stadsgezicht zien. Ook alle cacaoblikken staan samen in een kast, met al die bekende merken als Tjokla, Van Houten en natuurlijk Droste. 

"De mensen gaan hier altijd heel tevreden vandaan. Ze vinden het prachtig, één en al nostalgie. Een feest van herkenning", zegt Henk van der Vegt.

Henk van der Vegt, blikkenverzamelaar

"Elk blik heeft zijn verhaal", vertelt Henk. Als horecaondernemer heeft hij helaas te weinig tijd om zich in alle achtergronden te verdiepen. Gelukkig zijn er deskundigen die de nodige mooie verhalen kunnen vertellen. Zoals Job Koens , een expert op het gebied van de bekende cacaoblikken van de Haarlemse chocoladefabriek aan de Spaarne. Hij schreef er zelfs een boek over: ‘Droste, een blik waardig’ (2017). "Met hem zou ik graag een keer een soort tussen-kunst-en-kitsch willen organiseren", zegt Van der Vegt. "Veel ouderen hebben nog genoeg blikken in huis en willen misschien wel weten of ze iets waard zijn." 

Vanaf het moment dat het museum enige bekendheid verwierf, brengen mensen van heinde en verre allerhande spullen naar Marle, zelfs vanuit België. "Sinds er een groot artikel in de Telegraaf stond, is ook het hele Westen des lands hier langs geweest", vertelt Henk trots. En veel mensen brachten blikken, bussen en trommels mee.

Een cacaobusje van Droste van meer dan een eeuw oud

Zeldzaam

Sommige blikken zijn gewilde verzamelaarsobjecten. Een oud, door de tand des tijds aangetast busje van Droste is heel bijzonder. Henk wijst op het rode kruisje op de mouw van de verpleegster. Dat embleem is het officiële logo van de noodhulporganisatie het Rode Kruis. Die organisatie protesteerde in 1914 tegen het gebruik van het beeldmerk en het kruis verdween van de mouw. Blikken met zo’n rood kruisje zijn zeldzaam. En per definitie meer dan een eeuw oud. 

Nationaal Blikkenmuseum
Hellendoornseweg 40
7447 SH Hellendoorn

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geworteld in Overijssel

De Overijsselse roots van Sander Schimmelpenninck

Journalist en ondernemer Sander Schimmelpenninck (Hengelo, 1984) is een telg uit het adellijke geslacht Schimmelpenninck. Hij studeerde rechten in Rotterdam aan de Erasmus Universiteit ("Ik kan er niets meer van reproduceren") en Milaan, was enkele jaren advocaat op de Amsterdamse Zuidas, ("ontzettend oninteressant, specialistisch werk"), werd in 2013 redacteur bij Quote en vervolgens in 2016 hoofdredacteur. Voor WNL maakte hij de tv-serie ‘De opvolgers’ over familiebedrijven.

Over zijn jeugd zegt hij in een interview in Trouw het volgende: "Ik had een heel gewone jeugd, hoewel we op een familielandgoed woonden. Ik fietste bijvoorbeeld kilometers heen en weer naar school in Hengelo en Lochem en ik zat op voetbal."

Een jonge Sander Schimmelpenninck met zijn ouders en zusje voor het noordelijke bouwhuis van het Nijenhuis. (uit: De bewoners van Nijenhuis en Westerflier, 1999)

Treurbeuk

"Wij woonden als gezin in het bouwhuis en mijn opa en oma in het grote huis, het kasteel. Mijn vader was altijd rentmeester van het grootste Twentse landgoed, Twickel. Mijn moeder is arts, radioloog. ’s Zomers wandelden we braaf in de Alpen en in de meivakantie gingen mijn zusje en ik met opa en oma naar een bungalowpark."

"Er staat in onze tuin een treurbeuk, ooit geplant door een voorvader die droevig was, omdat hij dacht dat het landgoed verloren zou gaan. Daarna werden er in de familie een paar rijke Duitse vrouwen getrouwd, waardoor het geld toch weer binnenstroomde." Rijkdom moet je altijd kunnen uitleggen, vindt Sander Schimmelpenninck en hij heeft geen medelijden met rijke mensen die in de Quote 500 staan: "Deal er maar mee".

Rentmeester

De vader van Sander, ir. Albert Hieronymus graaf Schimmelpenninck trad in 1984 in dienst van Stichting Twickel als rentmeester. Het beheren van landgoederen kreeg hij van huis uit mee. Zijn familie bezat immers de landgoederen Nijenhuis en Westerflier in Diepenheim. "De mooiste baan die ik me kon bedenken." Beslist ook geen negen tot vijf baan. Na jaren van behoudend beleid was de tijd rijp voor een actievere houding. Er moesten herstelplannen gemaakt worden voor achterstallig onderhoud, meer ruimte voor publiek om te wandelen, fietsen en om paard te rijden. De Umfassungsweg, een wandel- en fietspad rondom het landgoed, had zijn speciale belangstelling. Albert Schimmelpenninck is in 2017 met pensioen gegaan.

De grootvader van Sander Schimmelpenninck was Lodewijk Herbert Schimmelpenninck, heer van Nijenhuis en Peckedam (1921 – 2009), president van de rechtbank in Haarlem. Tegenwoordig vormen het Nijenhuis en het Westerflier samen één landgoed. Een landgoed met een rijke geschiedenis. Mr. Lodewijk Herbert graaf Schimmelpenninck heeft het nagelaten aan zijn vier zonen. Na zijn overlijden heeft het Nijenhuis een interne verbouwing ondergaan.

Interieur van het Nijenhuis.

Overgrootvader Lodewijk Hieronymus Schimmelpenninck, heer van Nijenhuis en Peckedam (1858 -1942), was rentmeester op het kroondomein. Lodewijk Hieronymus nam het Nijenhuis over van zijn vader en liet in 1888 de tuin verfraaien door de bekende tuinarchitect Hugo Poortman. Fungeerde het Nijenhuis in voorgaande eeuwen vrijwel uitsluitend als tweede woning, Lodewijk Hieronymus en zijn echtgenote Wally Marianne Eugenie Lucius besloten hier permanent te gaan wonen. In 1914 werd het Nijenhuis uitgebreid met twee vleugels aan de achterzijde.

Havezate Peckedam.

Rutger Jan Schimmelpenninck, heer van Nijenhuis, Peckedam en Westerflier (1821 – 1893) verwierf in 1874 het recht om de titel van graaf te vererven voor al zijn nakomelingen. Rutger Jan had in 1854 het Westerflier gekocht en woonde daar voor zover zijn werkzaamheden dat toelieten. In 1864, na de dood van zijn vader, verhuisde hij naar het Nijenhuis.

Het Westerflier. (foto: Marcel Mentink)

Bet-betovergrootvader van Sander was Gerrit graaf Schimmelpenninck heer van Nijenhuis en Peckedam (1794 – 1863) minister, voorzitter ministerraad. Gerrit werd in 1834 in de adelstand verheven en hem werd de titel van graaf (bij eerstgeboorte) verleend. Na de dood van zijn vader werd zijn enige zoon Gerrit Schimmelpenninck bewoner van het Nijenhuis. Als directeur van de Nederlandsche Handel-Maatschappij haalde hij in 1833 de Engelsman Thomas Ainsworth naar Goor, die daar leiding gaf aan de eerste weefschool in Twente. Gerrit Schimmelpenninck bekleedde diverse diplomatieke functies.

Het Nijenhuis. (foto: Marcel Mentink)

Bet-bet-betovergrootvader was Rutger Jan Schimmelpenninck, heer van Nijenhuis, Peckedam en Gellicum (1761 – 1825), ambassadeur en raadpensionaris. Met hem begon de opkomst van het geslacht in de hogere ambtelijke functies. Bij algemeen besluit werd hij in 1811 verheven tot ‘comte de l’Empire. De familie verwierf bezittingen in en rond Diepenheim, waaronder huis Nijenhuis, huis Westerflier, huis Peckedam en huis Diepenheim. De laatste werd verworven in de negentiende eeuw en werd verkocht in de twintigste, de andere zijn vanaf 1799, Westerflier vanaf 1854 in hun bezit.

Rutger Jan Schimmelpenninck (1761-1825).

Rutger Jan werd geboren in Deventer als zoon van een wijnkoper, ging daar naar het Athenaeum Illustre en studeerde rechten in Leiden. Hij speelde als aanhanger van de patriottenbeweging een belangrijke rol in de politiek. Na de Franse inval in 1795 werd Schimmelpenninck lid van de Nationale Vergadering (de toenmalige Tweede Kamer) en enkele jaren later ambassadeur in Parijs. De Franse keizer Napoleon benoemde hem in 1805 tot Raadpensionaris van de Bataafse Republiek, een soort presidentsfunctie. Hij ontwierp een nieuwe regeringsvorm en stelde een nieuwe ministersploeg samen, bestaande uit patriotten enerzijds en Oranjegezinden anderzijds.

Stamvader was Gerrit Schimmelpenninck (1725- 1804), wijnhandelaar.

Door Marcel Mentink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

De supermarkt vervangt de kruidenier

De supermarkt betekende een revolutie voor het boodschappen doen. In plaats van lang in de rij te staan bij de kruidenier konden de klanten zelf boodschappen uitzoeken om daarna af te rekenen bij de kassa. Historicus Girben Buist beschrijft de geschiedenis van de supermarkt.

Een supermarkt is een relatief grote zelfbedieningswinkel waar voedingsmiddelen, waaronder ook verse groente, brood, vlees en huishoudelijke artikelen worden verkocht.

Tegen het einde van de twintigste eeuw waaide het supermarkt concept (winkelwagentje vullen en aan het einde afrekenen bij de kassa) ook over naar andere branches zoals doe-het-zelf- meubelzaken (IKEA) en zaken voor huishoudelijke artikelen (Blokker).

Supermarkt in Zwartsluis (Collectie HCO)

Revolutie

De supermarkten  betekenden ook een revolutie in verpakkingsmateriaal. Werd bij de kruidenier vrijwel alles afgewogen en in aparte zakken verpakt, in de supermarkt ligt alles zo aantrekkelijk mogelijk verpakt, met verschillende merken en verschillende hoeveelheden. De komst van de supermarkt heeft tot gevolg gehad dat zeer veel kleine, gespecialiseerde winkels verdwenen zijn.

Wiebelende Biggetjes

Het supermarktconcept is in 1916 bedacht door de Amerikaan Clarence Saunders. Hij noemde zijn winkel “Piggly Wiggly”. Het was een rare naam waar niemand wat van begreep. Wie noemt zijn Winkel nou Wiebelende Biggetjes?

Meneer Saunders wilde nooit verklappen waarom hij zijn winkel Piggly Wiggly had genoemd. Toen een journalist hem naar de reden vroeg, zei Saunders: “Omdat mensen dan vragen wat u ook zojuist heeft gevraagd!” En meer wilde hij er niet over zeggen.

Het verhaal luidt dat Saunders ooit in de trein zat, naar buiten keek en een paar biggetjes zag, die zich onder een hek door probeerden te wringen. Toen kwam hij op de naam Piggly Wiggly. Maar of het echt zo is gegaan? 

Pick-Pack supermarkt aan de Assendorperstraat in Zwolle (Collectie HCO)

In Nederland

In 1946 startte Chris van Woerkom als eerste met zelfbediening in Nijmegen. In 1948 volgde Dirk van den Broek in Amsterdam en in 1949 Kijkgrijp in Velsen-Noord.

In 1969 kreeg Nederland een nieuwe Vestigingswet Bedrijven, waarin de eisen tot gescheiden verkoop van vlees, groenten en brood werden geschrapt. Vanaf dat jaar gingen de zelfbedieningskruideniers hun assortiment verbreden, en het nieuwe type winkel werd met de Amerikaanse term ‘supermarkt’ aangeduid.

De eerste supermarkt in Noordoost-Nederland gaat op 14 oktober 1959 in Zwolle open. In de Pick-Pack aan de Assendorperstraat kan de klant in één aankoopdaad kruidenierswaren, verse groente, vers voorverpakt vlees en zuivelproducten kopen. Zo wordt tegemoetgekomen aan de wensen van de consument, die meer gemak, efficiëntie en moderne artikelen wil.

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Het rariteitenkabinet van de dorpsdokters

Vader en zoon Pieter en Rein ter Borg waren beiden huisarts in Hellendoorn. Pieter van 1901 tot 1932, Rein van 1931 tot 1962. Beiden hadden een bijzondere belangstelling voor geologie en archeologie. Vaak geholpen door hun patiënten legden zij een bijzondere verzameling aan: van de wervel van een Groenlandse walvis die ooit als hakblok gebruikt werd op een boerderij, tot een piepkleine Lochemse 'diamant'. Andere topstukken in de collectie zijn diverse fraai versierde urnen, bijzondere Vikingkammen, prehistorische bijlen en enkele oude, mysterieuze schedels. 

Museum Erve Hofman  www.oaldheldern.nl/Museum.html
1 mei t/m 26 oktober 2019

Door de redactie

Expositie: Deventer, Stad van de IJssel

Museum De Waag toont de hoogtepunten uit de geschiedenis van Deventer in de tentoonstelling ‘Deventer, Stad van de IJssel’. Van het moment dat de missionaris Lebuinus een kerkje stichtte aan de oevers van de IJssel tot de tijd van de industriële bloei van Deventer in de negentiende en twintigste eeuw. Speciale aandacht gaat uit naar archeologische vondsten die door de lage waterstand in het afgelopen jaar in de IJssel zijn gedaan. Allerlei interessante voorwerpen uit het dagelijks leven van keramiek, metaal, hout, leer en bot kwamen naar boven. Niet alleen is er een overvloed aan fragmenten te zien, maar wordt ook het verhaal achter de meest bijzondere vondsten verteld.

Museum De Waag
Brink 56, 7411 BV in Deventer
17 maart t/m 29 september 2019

Door de redactie

Twents Songfestival

Iedereen die in het Nedersaksisch een tekst maakt, die op eigen of bestaande muziek zet en dit nummer zelf zingt of laat zingen, kan meedoen met het Twents songfestival. Een deskundige jury bestaande uit Hans Barkel - musicus en docent, Toon Lansink - musicus en entertainer, zal onder leiding van Monique Sleiderink, bekend van RTVOost, de inzendingen beoordelen. Tijdens een voorronde op 14 of 16 mei kan de creatie gepresenteerd worden aan de jury. De genomineerden kunnen hun muzikale wonderwerk brengen tijdens het Twents Songfestival op zondag 30 juni en de song van de winnaar wordt bijzonder geplugd via verschillende kanalen en wordt op CD geproduceerd.

Kom d’r bie en schrief met, zing met en doot met, want wie bint wies met Nedersaksisch.  twentssongfestival.nl/inschrijving-songfestival.

Locatie: Openluchtmuseum
Commanderieplein 2
7631 EA Ootmarsum

Door de redactie

Groene Parels in Overijssel: tuinhistorisch archiefonderzoek

Overijssel onderscheidt zich van de rest van Nederland als het gaat om de waardevolle collectie van parken en tuinen, die hier in een periode van 1780 tot 1830 bij buitenplaatsen en landgoederen werd aangelegd. Ze werden aangelegd in de romantische landschapsstijl met slingerende paden, vijverpartijen, glooiingen en bijzondere bouwwerken. Dit bijzondere groene erfgoed heeft een grote stempel gedrukt op de verschijningsvorm van het Overijsselse landschap.

Vele tuinarchitecten en eigenaren van buitenplaatsen en landgoederen hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld. Tuinhistorisch onderzoek helpt om meer inzicht te krijgen in de ruimtelijke ontwikkelingen en de mensen die hierbij betrokken waren. Daarbij is archiefonderzoek van groot belang: gedetailleerde informatie kan verkregen worden uit brieven, kasboeken, dagboeken en notariële akten. Wanneer dit gecombineerd wordt met beeldmateriaal en oude kaarten of tekeningen uit kaartendepots, kan dit resulteren in nieuwe inzichten en conclusies.

Op donderdagavond 16 mei wordt in het Historisch Centrum Overijssel een speciale lezingenavond georganiseerd over verschillende aspecten van tuinhistorisch onderzoek in de archieven. Aan de hand van bijzondere voorbeelden van verschillende bronnen is er aandacht voor de aanpak, methoden en de valkuilen van onderzoek en de interpretatie van verschillende soorten bronnen.

Programma

19.00 uur - Inloop
19.15 uur - Ontvangst en welkom
19.20 uur - Archiefonderzoek in Historisch Centrum Overijssel door Jos Mooijweer, onderzoeksleider
19.45 uur - Groene Parels in Overijssel: tuinhistorisch onderzoek in de archieven door Willemieke Ottens, landschapshistorica
20.15 uur - Pauze met koffie/thee
20.30 uur - Groene Parels in Overijssel: architectuur van de landschapsparken door Els van der Laan, landschapsarchitect
21.00 uur - Vragen en discussie
21.15 uur - Afsluiting met een drankje

Historisch Centrum Overijssel
Van Wevelinkhovenstraat, Zwolle
16 mei 2019, 19.00-21.30 uur
Klik hier om u aan te melden. 

Foto: Erwin Zijlstra

Door de redactie

Expositie: Hooi & Hooiers in de IJsseldelta

‘Goed Kampereilander hooi rook als vers brood’, glimlacht voormalig hooihandelaar Jan Bruins als hij vertelt over de vroegere hooibouw in de IJsseldelta. De zachte geur van het pas geoogste hooiland voert hem in gedachten terug naar vervlogen tijden.

Exportproduct

In de Veldschuur in Rouveen is voor het komende seizoen een tentoonstelling ingericht over 'Hooi & Hooiers in de IJsseldelta'. Onder invloed van de Zuiderzee, de Vecht en de IJssel ontstond in de IJsseldelta een bodemsamenstelling die garant stond voor prima hooi voor paarden. Het hooi groeide uit tot een belangrijk exportproduct. De tentoonstelling laat zien hoe de IJsseldelta als hooidelta ontstond en kon uitgroeien tot een belangrijk export gebied van hooi. Ook komt de betekenis van hooi, onder andere als benzine uit vervlogen tijden, aan de orde. De tentoonstelling is ingericht door de Werkgroep Hooidelta en de Veldschuur.

Van Oerbos tot Hooiland

Hoe de verbouw van hooi, de handel ervan en ook de ontwikkeling van natuur en landschap plaatsvonden staat in de studie Van Oerbos tot Hooiland. Ook de geschiedenis van de bewoners is hierin opgetekend. Het onderzoek is uitgevoerd door het Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen, Coster Pers en de IJsselacademie onder de supervisie van Theo Spek, hoogleraar Landschapsgeschiedenis. Het onderzoek is mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel, de Stichting NAMEZ uit Zwolle en de gemeente Zwartewaterland, en door alle betrokkenen die enthousiast aan het onderzoek hebben meegedaan.

Praktische info:

De Veldschuur, Wijkweg 2, Rouveen
April - oktober 2019
Open wo - za 10.00-17.00 uur
www.hooidelta.nl
www.veldschuur.net

Door de redactie

Historisch Café - Onruststokers in Overijssel

De grootste gebeurtenissen in de geschiedenis hangen samen met onruststokers. Onruststokers verzetten zich, bewust of onbewust, tegen de gevestigde orde. Op dinsdag 21 mei is er in het Historisch Centrum Overijssel een Historisch Café met als thema ‘Onruststokers’.

In samenwerking met geschiedenisstudenten van Hogeschool Windesheim is er een speciaal onderzoeksproject opgezet naar onruststokers in Overijssel. Op deze avond presenteert een van deze studenten de resultaten hiervan. Verder vertelt historicus Kim Bootsma over haar onderzoek, bekroond met de Johanna Naberprijs in 2018, naar de onrust die de toelating van vrouwen in de Nederlandse krijgsmacht veroorzaakte. Ook draagt dichter en muzikant Vincent Corjanus enkele toepasselijke gedichten van eigen hand voor en maakt singer-songwriter Milo Groenhuijzen met zijn muzikale bijdrage de avond compleet. Proef ter afsluiting het toepasselijke biertje van Berghoeve Brouwerij: Onruststokers!

Jonge Historicus van het Jaar

In iedere provincie organiseert Lise Koning, Jonge Historicus van het Jaar, samen met Stichting Jonge Historici en Jong KNHG, een Historisch Café bij een archiefinstelling. De cafés zijn een ode aan het archief als kloppend hart van de gehele historische gemeenschap. Hier ligt een goudmijn aan historisch materiaal opgeborgen dat ons helpt de geschiedenis te begrijpen. En het mooie is: iedereen kan het historisch materiaal bij het archief komen onderzoeken!

Het Historisch Café bestaat uit twee korte lezingen, een gesproken column en muziek. Het thema van de avond wordt bepaald aan de hand van een lokaal biertje. Iedereen met een interesse in de geschiedenis is van harte welkom! U kunt u aanmelden via www.historisch-cafe.nl.

Door de redactie
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

WO2-café in Overijssel

In het WO2-café vertellen Overijsselaars hun oorlogsverhalen aan de hand van objecten uit de Tweede Wereldoorlog. Deze compilatie is deel 1 van in totaal 3 uitzendingen op RTV Oost.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

De bevrijding van Tubbergen

In de nacht van woensdag 4 op donderdag 5 april 1945, de week na Pasen, leven de inwoners van Tubbergen tussen angst en hoop. Hoop op de voortgang van de Canadese bevrijders die in Almelo aan de Vriezebrug zijn opgehouden door de Duitsers. Angst om nog meer executies door de Duitsers, zoals ze die recentelijk nog hadden meegemaakt.

De volgende dag komt de bevrijding dan toch. Vanuit Zenderen komen Canadese soldaten van het Lake Superior Regiment aan bij het kanaal. De Binnenlandse Strijdkrachten (BS) helpen de Canadezen met het slaan van een brug en in de loop van de ochtend komen de bevrijders in Tubbergen aan. Omringd door een opgewonden menigte trekken de pantserwagens moeizaam verder.

Door Marcel Mentink
Volgende pagina
. . . . . . . . . . . . .