MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Met de pijltjestoetsen op uw toetsenbord kunt u van links naar rechts en van boven naar onder scrollen:

    keys
  2. Als u met de muis naar de rand van de pagina gaat, verschijnt er een donkergrijze balk met een pijl: als u daarop klikt gaat u naar links, rechts, boven of beneden.
  3. Aan de rechterkant bevindt zich een zwarte balk. Daarin staan alle pagina�s van boven naar beneden. Met de muis kunt u de pagina van uw keuze aanklikken. U kunt daar ook scrollen met uw muiswiel of slepen met uw muis.
  4. Bovenaan in de rechter kolom staan een aantal knoppen. Hieronder ziet u welke functie deze hebben.

    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  5. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Door met uw vingers over het scherm te vegen (�swipen�).
    Dit kan zowel van links naar rechts als van boven naar onder en vice versa.
  2. Via het rode blokje rechtsboven krijgt u meer mogelijkheden.
    Tik op het blokje of sleep het met uw vinger naar beneden:
    - bovenin verschijnt een rode balk waarin u kunt bladeren door te �swipen�.
    - midden onder verschijnen een aantal knoppen die u aan kunt tikken:
    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  3. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 2
  • nummer 4
  • oktober 2014

Coververhaal

Textielbeat in het Enschede van de sixties

Naar de plek van ...

Daniel Rowland, violist, artistiek leider en concertmeester

Overijsselaars van toen

Etty Hillesum: haar liefdesleven en ondergang

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Geschiedenis van alle dag

Een kinderwagen als een Cadillac kocht je bij Ooievaar in Zwolle

Van de redactie
  • jaargang 2
  • nummer 4
  • oktober 2014

Is de slogan ‘Make love, not war’ weer actueel?

Zelden is een thema van de Maand van de Geschiedenis zo actueel geweest als dit jaar. ‘Vriend & Vijand’ is de algemene noemer waaronder alle activiteiten plaatsvinden. Opnieuw moeten wij bepalen wie onze vrienden zijn en wie onze vijanden. Het lijkt alsof de stelling dat wij niets van ons verleden leren – Rusland aan de grenzen van Europa, Obama roept als een moderne Urbanus II op tot een gezamenlijke kruistocht tegen moslimfundamentalisten – waar is.

De vorige periode vol spanning was die van de Koude Oorlog, die zijn hoogtepunt vond in de Cubacrisis in 1963 en later Vietnam. De jeugd pikte het niet meer en keerde zich massaal af van wat hun ouders allemaal bekokstoofden. De jongeren wilden niet in dienst en vonden Johnson maar een ‘moordenaar’. Hun handelen was ingegeven door de oproep ‘Make love, not war’. En aan dit ‘make love’ is nu net een groot gedeelte van het nieuwe nummer van MijnStadijnDorp online gewijd. In die roerige jaren zestig was Enschede ‘beatstad’. Alleen Den Haag had meer beatbands. The Buffoons mengden hun zoetgevooisde stemmen in close harmony en bezongen de liefde. Een decennium later was Oldenzaal het mekka voor de discogangers. Van heinde en ver (Duitsland) trokken jongeren naar het uitgaansimperium van Rolf Borghuis, om hun vrienden te ontmoeten en vooral niet te denken aan de vijandigheden in de wereld.

Ook niet vermoede rubrieken gaan over de liefde. De rubriek Geschiedenis van Alledag gaat over het resultaat van de liefde: de kinderwagen. Daniel Rowland, concertmeester en violist, wordt lyrisch als hij het heeft over het tiende Stiftfestival. Dit is zijn plek, hier is hij groot geworden. Zelfs het dramatische leven van Etty Hillesum is bepaald door haar levenslange zoektocht naar de echte liefde. Wat niet veel mensen weten, is dat deze icoon en martelares er ook een vurig liefdesleven op na hield. Ze had de ene liefde na de anderen en viel vooral op oudere mannen.

Het nieuwe nummer staat stampvol met dit soort leuke artikelen; die vijand komt wel weer in het volgende nummer. 

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Menno van der Laan (HCO), Inge Zomer (HCO), Tonny Peters (Rijnbrink Groep), Dinand Webbink (SAB), Doreen Flierman en Martin van der Linde (IJsselacademie).

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Geert Bekkering, Ben Siemerink, Dinie Hekman, Fred Damhuis (Historische Vereniging Hardenberg), Annelien Keen (SAB), Anne van der Meer (SAB), Girbe Buist, Niels Bakker (Gemeente-archief Hengelo), Tineke Stein-Wilkeshuis, Roland de Jong (HCO).

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

Textielbeat in het Enschede van de sixties

In de zestiger jaren bruiste het in de Enschedese club- en buurthuizen van de beatbandjes. Het waren er bijna net zoveel als in Den Haag. Wie een gitaar kon vasthouden wilde er bij horen. Er was een enorme uitwisseling van muzikanten tussen de bandjes. Veel van die bandjes leefden niet lang. The First Move en The Honest Man kregen platencontracten. The Buffoons en Teach-In sprongen er internationaal uit, maar vele andere bands wakkerden in Duitsland de jongerencultuur aan. En de spirit leeft voort. Regelmatig worden er in Enschede muziekreünies gehouden, waar duizenden liefhebbers weer genieten van de sfeer van toen. In januari 2015 is de volgende.

Wederopbouw

De wederopbouw was grotendeels achter de rug. Enerzijds emigreerden gezinnen naar Amerika, Canada en Australië, anderzijds dienden zich de eerste gastarbeiders uit Italië en Spanje aan. De NVSH werd opgericht en de anticonceptiepil werd massaal gebruikt. Jongeren kregen steeds meer vrijheid en bestedingsruimte; ze maakten hun eigen keuzes in haardracht, vervoer (brommers), kleding en muziek. Voor hun feesten hingen ze visnetten aan het plafond, stopten lampen in wijnflessen zonder bodem en lieten druipkaarsen branden. Ze dansten de twist in de vele club- en buurthuizen waar dansavonden werden georganiseerd. Een groot aantal beatbandjes speelde de populaire muziek na van Radio Luxemburg, de muziek van een hele naoorlogse geboortegolf.

Fancy Fair
Foto: Herman Mulstege

Creativiteit en passie

Beatgroepen, vaak wijkgebonden, schoten als paddenstoelen uit de grond. Enschede had minstens vijftig bands, alleen Den Haag had er meer. Jongeren wilden de muziek die ze op de radio hoorden ook zelf spelen. Een paar muziekinstrumenten, een zanger of zangeres, en je had al snel een band. Met veel passie en creativiteit werd er gerepeteerd. Soms ging een weekloon kranten bezorgen als dubbeltjes in de jukebox, om alle partijen van een song goed uit te kunnen schrijven. Met oude radio’s werden versterkers in elkaar geknutseld. Er werd geoefend op slaapkamers, maar ook in fabrieksgebouwen en varkensschuren.

The Rabbits
Foto: Herman Mulstege

Don Bosco

Sinds de vrije zaterdag in december 1960 was ingesteld, waren er ieder weekend twee uitgaansavonden. En in veel voetbalkantines ontstond zo een leuke jongerensoos. Bij de voetbalclub Tubanters ontstond de Club Beattown. Het RK-jeugdwerk Don Bosco deed veel aan jongerenwerk, eerst in de parochiehuizen, later in jeugdclubhuizen als De Brug, De Kateeker, De Bijenkorf, De Sloep, De Kajuit en De Roef. Een biertje was daar betaalbaar en toen er subsidie van de gemeente kwam, waren ook andersgezinden welkom. Kapelaan Dirks van De Roef deed veel voor de bands, net als kapelaan Jacobs van De Bijenkorf.
Het was vooral de passie van de jongeren, die een grote rol speelde. Voor een optreden moest apparatuur gehuurd worden, soms ook een busje. Van de vergoeding voor een optreden bleef niet veel over, het was maar goed dat er meestal ook wat vrije consumpties gegeven werden. En natuurlijk was de aandacht van meisjes erg belangrijk voor de muzikanten!

Ronal Four

“Dat geblèr van yeah-yeah-yeah en geram op die drum en gitaren van de Beatles, en dan hoe ze eruit zien met dat haar, het lijken wel lui uit de Krim”. Dat vonden de ouders van Addy Scheele, keurige winkeliers, van beatmuziek. Maar Addy had pianoles en speelde daarnaast ook wat gitaar in een gospelband.
Stiekem ging hij in 1966 bij de beatband Ronal Four meespelen. Ze hadden succes, waardoor Addy alsmaar meer moeite moest doen om incognito te blijven. Hij ging zogenaamd huiswerk maken bij een vriend, maar had zijn speciale kleding in zijn schooltas. Zijn pogingen slaagden zelfs om ‘onschuldig’ een heel weekend in Duitsland met de band te kunnen optreden. Ronal Four zong net als veel Enschedese popbands in close harmony. Het maken van die arrangementen had Addy geleerd van zijn pianolerares. Het bleek voor de operette waarbij zijn ouders optraden, eigenlijk hetzelfde te werken als bij de beatmuziek. Dat maakte uiteindelijk dat zijn deelname aan de beatband werd geaccepteerd. Maar rond 1970 was het ook met deze band gedaan.

The Buffoons

Buffoons en Teach-In

De close harmony van The Ivy Leage, The Beach Boys en The Tremoloes bleek voor veel Enschedese beatbands het grote voorbeeld. De Buffoons liepen daarin voorop. Als The White Rockets wonnen ze in 1960 al de hoofdprijs voor hun optreden op de tentoonstelling 3xA in het Volkspark in Enschede. Vanaf 1966 braken ze landelijk en internationaal als Buffoons door. Ze speelden zelfs voor John Lennon en Yoko Onno bij hun bed-in in Amsterdam. Hun vijfstemmige zang was geheel op het gehoor, niet één bandlid kon noten lezen, maar ze zongen werk van de Beach Boys live beter dan die groep zelf kon.
Voor Teach-In was het winnen van het Eurovisiesongfestival in 1975 natuurlijk het absolute hoogtepunt, maar ook deze groep is gewoon onder vrienden op de ULO ontstaan in 1966. Toen Hilda Felix werd gevraagd als zangeres was ze Indiaantje aan het spelen in de tuin. Ze was een geweldige zangeres, maar werd later vervangen door Getty Kaspers. Voor deze beatgroep viel pas in 1980 het doek, ze hebben het van alle Enschedese beatgroepen het langste volgehouden. Daarna gingen spelers door als coverband van top-40 muziek.

St John
Foto: Herman Mulstege

Einde van de beatcultuur

Al rond 1970 waren de meeste beatgroepen gestopt. Veel van de bandleden haalden hun middelbare schooldiploma aan het einde van de jaren zestig, waaierden uit en verloren elkaar uit het oog. Jongens moesten in militaire dienst en hun haar moest dan kort. Velen hadden een baan en werden serieus verliefd. De discomuziek en de discotheken kwamen op. Langzaam maar zeker verdwenen de kleine podia. Dat betekende de nekslag voor een groot aantal beatbandjes. Toen je in 1972 op de brommer ook nog een helm op moest (!) verdween de beatcultuur vrijwel geheel. Een flink aantal van deze bands kon nog een aardige bijverdienste opbouwen met spelen op bruiloften en partijen, maar de beatcultuur was vrijwel verdwenen.

Textielbeat Festival in 2005

De SHSEL heeft bij gelegenheid van het laatste Textielbeat-festival een speciale Sliepsteen uitgegeven, waarin de bruisende Enschedese sixties met veel foto’s worden besproken. Het nummer is te koop voor € 4,- (+ € 2,64 porto). Kijk op SHSEL.nl.

Op initiatief van de Oudheidkamer Twente zijn een aantal vrijwilligers in het najaar 2013 begonnen aan de opbouw van een Poparchief Twente. Een jaar later is er al informatie beschikbaar over 71 bands en 611 bandleden. De website is interactief en bevat veel foto’s.


Hoofdfoto boven artikel: Source.
Foto: Herman Mulstege

Door Geert Bekkering
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Opkomst en neergang van het ‘discostedke’ Oldenzaal

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was Oldenzaal het Mekka voor discogangers in Twente. In die jaren werd het ‘stedke van plezeer’ weekend na weekend overspoeld door jeugdig uitgaanspubliek, afkomstig uit naburige steden, het Twentse platteland en zelfs uit Duitsland. Samen met de Oldenzaalse jeugd leverde dat niet zelden lange rijen op voor de diverse deuren.

Op een gegeven moment telde Oldenzaal een achttal discotheken, van groot tot piepklein, elk met een eigen sfeer en publiek. De bloeiperiode van Oldenzaal als ‘discotown’ besloeg zo’n 30 jaar; ruwweg van 1968 tot 1998. In die dertig jaar groeide Hengeloër Paul Borghuis uit tot de onbetwiste godfather. Niet alleen stond hij aan de wieg van de allereerste echte discotheek in Oldenzaal – de Trio Club – uiteindelijk luidde hij tegen wil en dank ook het einde van het disco-tijdperk in, toen zijn mega-discotheek de Jumbo Dancing roemloos ten onder ging.

De jeugdige Jan van Gils haalt groepen als Earth & Fire met zangeres Jerney Kaagman naar zijn Popcentrum ‘Fantasio’ in het St. Josephgebouw

Paul Borghuis was begin twintig toen hij in 1965 de kans kreeg om samen met Tonny Snijders en Jan Versteeg de populaire jongerenclub Rootie Tootie in het voormalige VIOS-gebouw in de Beekstraat in Hengelo over te nemen. VIOS (Vereeniging Is Ons Streven) was oorspronkelijk het verenigingsgebouw van de Vrijzinnig Hervormde Gemeente. Borghuis, die bouwkunde studeerde aan de HTS, had toen al een paar jaar aan de deur gestaan van de club, waar de ervaren horecaman Theo Elschot regelmatig populaire bands uit binnen- en buitenland live een podium bood. Hoewel de Rootie Tootie-club inmiddels een klinkende naam was onder de liefhebbers van de opkomende beatmuziek in Hengelo en omgeving, besloot het trio toch dat de club na de doorstart een nieuwe naam moest krijgen: Trio Club.

André Loohuis had de perfecte ‘looks’ voor de trendy Corner Club aan de Ganzenmarkt

Oldenzaal

De nieuwe club was van meet af aan een doorslaand succes. Al na enkele jaren moest Paul Borghuis, die de discotheek inmiddels samen runde met Tonny Snijders, omzien naar een nieuwe locatie om de succesformule van de Trio Club verder uit te kunnen rollen. Begin 1968 kwam hem ter ore dat het voormalige hotel De Gouden Leeuw in Oldenzaal te koop stond. Borghuis zag wel brood in het monumentale witte pand. Oldenzaal kende op dat moment enkel nog traditionele dancings als Roord, Kothman en De Kei. De beginnende horecaondernemer – zelf niet veel ouder dan zijn doelgroep - schatte in dat de jeugd van Oldenzaal en uit de omgeving toe was aan een uitgaansgelegenheid, die wat beter aansloot bij de geest én de muziek van de tijd.

André Platvoet in karakteristieke pose achter de draaitafel van de Corner Club

In eerste instantie liep de club voor geen meter. Door de oudere Oldenzalers werd ‘die snotneus’ uit Hengelo, die ‘hun’ vertrouwde pleisterplaats volledig op de kop had gezet, met argwaan bejegend. De jeugd wist ook niet zo goed wat ze er mee aan moest. Dat veranderde toen er in 1968 in het kader van de VVV Feestweek een grote feesttent in het centrum van Oldenzaal werd neergezet. Daarin traden in die tijd populaire popgroepen op als The Buffoons en Cuby and the Blizzards, maar ook de Heikrekels. Borghuis liet onder de honderden jongeren in de tent gratis vrijkaartjes uitdelen voor zijn voor discotheek. Vanaf dat moment hoefde Paul Borghuis niet langer ‘omzet nihil’ in zijn kasboek te noteren.

Advertentie van de Corner Club

‘Schifting’

Aangezien jongeren van divers pluimage – van ‘kakkers’ tot langharige alternatievelingen - in steeds grotere getale hun weg wisten te vinden naar de discotheek aan de Grootestraat, zag Borghuis zich al snel genoodzaakt om een ‘schifting’ aan te brengen in de bezoekersstroom. Hij koos voor de ‘kakkers’ als doelgroep voor zijn discotheek, hetgeen automatisch betekende, dat het wat alternatievere publiek met lang haar als uiterlijk kenmerk aan de deur werd geweerd. Achteraf bezweert Paul Borghuis dat aan dit deurbeleid beslist geen morele overwegingen ten grondslag lagen. ‘Met discriminatie had het helemaal niets te maken. Ik moest gewoon een keuze maken, want beide groepen toelaten zou leiden tot trammelant, vanwege de verschillen in cultuur en muzikale smaak. Persoonlijk had ik niks tegen lang haar. Ik had zelf nota bene redelijk lang haar in die tijd. Ik had ook niks tegen die alternatievelingen, want die waren over het algemeen heel vreedzaam.’ Vreedzaam of niet, de langharigen die niet werden toegelaten in de Trio Club, legden zich niet zonder slag of stoot neer bij het deurbeleid van Borghuis. Paul Borghuis: ‘We hebben wel eens een sit down actie voor de deur gehad. Hadden we zo’n 100 man voor de deur zitten, die ons beschuldigden van discriminatie. De politie moest er aan te pas komen en ons eigen publiek moest via een achteringang naar binnen worden geleid.’

Duivels dilemma

Begin jaren tachtig werkte Paul Borghuis - tegen heug en meug - mee aan een kentering in het uitgaansleven in Oldenzaal en ver daarbuiten. Jan Wigger (‘Jan van de Kei’) en twee compagnons hadden hun megalomane Twents Uitgaans Centrum (TUC) De Kei, dat was ondergebracht in het monumentale voormalige kantoorpand van textielfabriek Gelderman, binnen een half jaar roemloos ten onder zien gaan. Het faillissement stelde Paul Borghuis, maar ook andere horecaondernemers in Oldenzaal en omgeving, voor een duivels dilemma. Als hij de failliete boedel over zou nemen, zou hij een concurrent van zichzelf worden, maar ook van zijn collega’s. Tegelijkertijd besefte hij dat hij de boot zou missen, wanneer een concurrent er in zou stappen. Paul Borghuis besloot uiteindelijk, na lang dubben en intensief overleg met vertrouwelingen, toch het failliete TUC De Kei over te nemen. Met gemengde gevoelens.

Met het razend populaire tv-duo Harry Vermeegen en Henk Spaan heeft ’t Siepelke een publiekstrekker van formaat in huis

Daverende doorstart

Als Jumbo Dancing maakte Paul Borghuis in 1983 met TUC De Kei, op een vloeroppervlak van in totaal maar liefst 3.000 m2, een daverende doorstart. Op de zondag mikte de mega-discotheek met - naast dj’s – bands als BZN en de PPM Showband op een publiek tussen de 25 en 50 jaar, voornamelijk afkomstig van het platteland. De zaterdag werd afgestemd op een wat jonger, hipper publiek, afkomstig uit Oldenzaal, maar ook uit omliggende grotere steden als Enschede, Hengelo en Almelo. De Jumbo Dancing groeide uit tot een nationaal en ook internationaal concertpodium. 


Legendarische optredens van bands en artiesten als Metallica, Level 42, Mothers Finest, KC & The Sunshine Band, Divine, Shakatak, Mezzoforte, Imagination, Doe Maar, Nits, Goede Doel, Viola Wills, Jocelyn Brown, Vandenberg, Toontje Lager (met oud-Oldenzaler Bert Hermelink) , Piet Veerman (weer verenigd met zijn Cats), Rebroff en live tv-uitzendingen als Nederland Muziekland van Veronica zetten de Jumbo en daarmee ook Oldenzaal op de kaart. Maar, zoals Paul Borghuis al had voorzien, de aanzuigende werking van de mega-discotheek had ook een keerzijde. De overige discotheken en andere horecazaken in en buiten Oldenzaal – ook zijn eigen Trio Club - werden langzamerhand ‘leeg gezogen’.

Platenbakken van Benno Veldscholten anno 2013. Als DJ Alligator draaide hij zo’n tien jaar in ’t Siepelke

Politiek

Paul Borghuis wijst met een beschuldigende vinger richting politiek als het gaat om de neergang van Oldenzaal als ‘discotown’. De voortdurende bemoeienis van de politiek met de sluitingstijden hebben er naar zijn vaste overtuiging toe bijgedragen dat Oldenzaal de leidende positie in het Twentse uitgaansleven is kwijtgeraakt. Berustend, in zijn boerderij aan de voet van de Tankenberg: ‘Als de gemeente de vrije sluitingstijden had gehandhaafd, was het niet zo snel ingezakt. De Jumbo Dancing heeft het uiteindelijk ook afgelegd tegen onder meer de grote discotheken in Duitsland, omdat wij op een gegeven moment de zaak om vier uur ’s nachts helemaal leeg moesten hebben. Dat betekende in de praktijk dat er zo’n 3.000 man in één keer op straat stond. Net over de grens waren de discotheken op zaterdag tot zeven uur open. Logisch, dat de jeugd daar naar toe trok.’

Ursula Ankoné zette eind jaren zeventig de toon in Club 27 met haar eigenzinnige muziekkeus

Levensduur

Borghuis is overigens reëel genoeg om toe te geven dat ook andere factoren een rol hebben gespeeld bij het einde van de Jumbo Dancing en de Trio Club en dat hij daar zelf ook een aandeel in heeft gehad. Ook Borghuis kon zich niet onttrekken aan de onverbiddelijke horecawet, dat elk concept een bepaalde levensduur heeft. ‘Gemiddeld gaat een bepaald concept of thema voor een horecazaak zo’n vijf jaar mee. Dan geldt ook nog: hoe meer thema’s, hoe korter de cyclus.’ Borghuis spreekt uit ervaring. Zo probeerde hij met 4East, een extravagante oostelijke variant op de It in Amsterdam, vergeefs het tij te keren, toen het begin jaren negentig met de Jumbo Dancing bergafwaarts ging. Nadat het discotijdperk in Oldenzaal definitief voorbij was, heeft Paul Borghuis nog wel geprobeerd een groot uitgaanscentrum van de grond te krijgen. Hij kocht de Heemaf-kantine in Hengelo, maar zijn grootse plannen voor een uitgaanscentrum met een capaciteit van 7.000 man werden nooit werkelijkheid. Er stonden, zoals dat zo mooi heet, wetten in de weg en praktische bezwaren. Achteraf concludeert Paul Borghuis dat er inmiddels geen markt meer is voor grootschalige horecabedrijven.

Ton Ensink (helemaal links) aan het werk voor de Radio Ziekenomroep Oldenzaal. Laurens Spit zit naast hem

Dit artikel kwam tot stand op basis van het boek ‘Een verdraaid mooie tijd, opkomst en neergang van Oldenzaal discostad’, dat in 2013 verscheen bij uitgeverij Heinink Media. Het boek is geschreven door Ben Siemerink en Harry Jutten en kan online besteld worden bij Boekwinkel Heinink.

Door Ben Siemerink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Naar de plek van...

Daniel Rowland, violist, artistiek leider en concertmeester

Je voelt de stilte, de verwachting, alle ogen zijn gericht op de violist. Als een liefkozing legt Daniel Rowland zijn viool onder zijn kin. Een explosie van klanken volgt, vreugde en verdriet wisselen elkaar af. Drama, poëzie, intense ontroering, ze bereiken ons, zijn publiek. De plek van Daniel: Het Stift in Weerselo. Hier groeide hij op als kind, speelde hij onder de vleugel van zijn vader. David Rowland, geboren in Exeter (Engeland), woonde vanaf 1975 met zijn gezin in Nederland.

Wat later, buiten in de zon, kan ik hem even spreken. Daniel is druk, hij is de artistieke leider van het tiende Stiftfestival. Nog met zijn hoofd en hart bij het concert, zit hij tegenover me. ‘Wie ben jij?’, vraag ik hem. ‘Ik ben muziek’, is zijn antwoord. ‘Natuurlijk geniet ik ook van andere dingen in mijn leven, maar muziek is mijn liefde, mijn passie.’

Waarom is Het Stift zijn plek? ‘Hier voel je de rust, de intimiteit, de mooiheid. Als ik hier musiceer voel ik de verbondenheid met mijn publiek, daar geniet ik intens van’, zegt Daniel. ‘Ook de prachtige omgeving rondom Het Stift inspireert mij.’

De Stiftskerk

Tijdens zijn vioolspel zie je zijn gezichtsuitdrukking iedere keer veranderen. Hemelse en duivelse passie buitelen over en door elkaar heen. Wat hij het liefst speelt? ‘Allebei’, zegt Daniel, ‘Het een kan niet zonder het ander, zonder vreugde bestaat het verdriet niet, zonder licht is er geen donker. Ik zoek naar het rebelse, het avontuurlijke in de muziek en tegelijkertijd naar het poëtische en romantische.’

Dit tiende jaar is bijzonder voor hem. David Rowland, Daniels geliefde vader en voorbeeld, is zeven jaar geleden gestorven en tijdens een concert in deze Stiftweek werd zijn leven gevierd. Zijn vader is begraven op de kleine, intieme begraafplaats van Het Stift.

Hoe belangrijk is liefde voor Daniel? Naast zijn grote liefde voor muziek vindt hij de liefde van zijn vrienden heel belangrijk. Hij leidt een druk bestaan en dan is het thuiskomen bij vrienden van grote waarde.

Ik zie zijn ogen afdwalen, hij moet weer repeteren voor het volgende concert. Duizend excuses. Ik kijk hem na, mocht even genieten van zijn liefde en passie voor muziek.

Daniels plek:

 

Daniel Rowland op Stiftfestival 2009

Door DINIE HEKMAN
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Oktober is de Maand van de Geschiedenis

Oktober 2014 is de Maand van de Geschiedenis. Dit jaar met het actuele thema Vriend & Vijand. Ruim 550 musea, archieven, bibliotheken en overige culturele instellingen organiseren boeiende activiteiten voor jong en oud door heel Nederland rondom het thema Vriend & Vijand.

Vriend & Vijand doorkruist alle culturen en is van alle tijden, ook van nu. De invulling verandert alleen keer op keer, omdat wij als mens veranderen en zo ook onze ideeën en opvattingen. Het zegt iets over ‘wij’ en ‘zij’, hoe wij naar de ander kijken, hoe wij onszelf definiëren en welke plek wij als mens innemen in deze wereld. Misschien hebben we altijd een vijand nodig om vrienden te maken...of zou het ook anders kunnen?

Kijk voor het aanbod activiteiten in Overijssel op de website van Maand van de Geschiedenis.

Door de redactie

Heeft het HCO de Website van het Jaar?

De website van het Historisch Centrum Overijssel (HCO) is genomineerd voor de verkiezing Website van het Jaar 2014. Er zijn in totaal zo'n 280 websites geselecteerd, verdeeld over 23 categorieën.

Het HCO gaat de strijd aan met andere sites in de categorie Overheid. In elke categorie zijn 2 prijzen te winnen: de Beste en de Populairste Website van het Jaar. De website met de hoogste score wordt Beste Website van het Jaar. De award voor Populairste Website gaat naar de website met de meeste stemmen.

Stem mee

Van 29 september tot en met 7 november kan het Nederlandse publiek een stem uitbrengen.
Kan het HCO op u rekenen?

Door Inge Zomer

Op zoek naar het ‘oergeloof’ in Overijssel

Een ontroerend beeld. Hemelvaartsdag. De grijzende dominee danst op blote voeten in het bedauwde gras, in zijn armen een hoogzwangere jonge vrouw. Dauwtrappen, het treden van de dauw.

Over de betekenis van het dauwtrappen komen we helaas niets te weten. Hoe het is ontstaan, wat de betekenis ervan was, of en hoe het is ingebed in het christendom en wat het ons nu nog zegt. En dat is wel een beetje de tekortkoming van de overigens schitterende film Zunnewende, het eerste deel van het drieluik Oerijsel van regisseur Geertjan Lassche.

In Oerijssel gaat EO-presentatrice Margje Fikse op zoek naar de laatste restanten ‘volksgeloof’ in Overijssel. Ze stuit op paasvuurbouwers en dauwtrappers, en vindt zelfs een zonaanbidder die zich op de langste dag baadt in de eerste zonnestralen. Dat dat een oud Overijssels volksgebruik is, was mij ontgaan, maar het is vermakelijk om te zien hoe Margje en Wim Toorneman uit ‘ Splo’ als een soort oermensen in de hei van de Sallandse Heuvelrug liggen. Ze vraagt de paasvuurbouwer hoe hij denkt over het geloof van de Saksen die meerdere goden aanbaden. Wim kijkt wat verbaasd en antwoordt: ‘Ja … moeilijk … heel moeilijk.’ Hij weet geen raad met Margjes vraag, maar het is een genot om naar te kijken.

In Zunnewende wordt veel aangestipt, er worden allerlei oude gebruiken benoemd en prachtig in beeld gebracht. Het fenomeen levensboom in bovenlichten boven de voordeur komt voorbij, evenals een door tegenstanders gevelde wonderboom bij Staphorst. Van veel gebruiken is de voorchristelijke oorsprong duidelijk en bekend. De enige die daar overigens zinnige uitspraken over doet, is predikant en theoloog Henk Vreekamp, maar hij komt te weinig aan het woord.

Zunnewende gaat volgens de makers over het licht. In het tweede deel van de ‘docuserie’ Oerijssel ‘wordt het weer donker, slaat het onheil toe en eindigen we in het magische joelfeest’ (verwachte release eind 2014).
Zunnewende kreeg als motto een citaat van Harry Mulisch mee: ‘Het beste is, het raadsel te vergroten.’ Dat is goed gelukt.

Door Dinand Webbink

Stuk van het Jaar: de inzending van SAB

De Deventenaar A.J. Duymaer van Twist (1809-1887) had een bijzondere politieke carrière. In 1850 werd hij voorzitter van de Tweede Kamer. Een jaar later ruilde hij die prestigieuze functie al weer in voor die van gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië, wat hem tot een van de machtigste mannen van het koninkrijk maakte. Hij werd onsterfelijk gemaakt door Multatuli die hem een dubieuze rol toebedeelde in de Max Havelaar. Een gouverneur-generaal wordt overladen met geschenken. Zo kreeg Duymaer van Twist een prachtige handgeschreven kroniek over de Java-oorlog. In 1825 raakte Nederland verwikkeld in deze binnenlandse strijd. Prins Diponegoro, een ware Messias-figuur met een conservatief, islamitisch programma (toen ook al!), ontketende een opstand tegen het Nederlandse gezag. De geschiedenis van deze bloedige strijd is vastgelegd in een handschrift dat nu deel uitmaakt van de collectie van Stadsarchief en Athenenaeumbibliotheek (SAB). SAB heeft het van een prachtige band voorziene manuscript voorgedragen als Stuk van het Jaar. Deze verkiezing geeft een beeld van de interessante, vreemde, mooie, spannende en bijzondere archiefstukken die zich in de Nederlandse archieven bevinden.

De figuur rechts stelt de rechtvaardige koning Yudhistira voor. Links staat de ontvlambare Bima, herkenbaar aan zijn enorme uitstekende duimnagel.

Breng uw stem uit!

U kunt de hele maand oktober stemmen op dit archiefstuk.

Door de redactie

Vereniging voor het voetlicht: Historische Vereniging Hardenberg

Bij de fusie van de gemeenten Avereest, Gramsbergen en Hardenberg in 2001 is de Historische Vereniging Hardenberg e.o. ontstaan uit een samengaan van de Stichting Oudheidkamer (opgericht in 1956) en de Historische Vereniging Hardenberg e.o. (opgericht in 1984). De nieuwe vereniging heeft als vestigingsplaats het voormalige gemeenthuis van de vroegere Stad Hardenberg, Voorstraat 34, in Hardenberg. Het hier gevestigde museum draagt dan ook de naam ’t Stadhuus.

De vereniging heeft als doelstelling het bevorderen van de studie en het verbreiden van de kennis van de geschiedenis van Hardenberg en omgeving; het beschermen van het esthetisch en historisch-ruimtelijk karakter van Hardenberg en omgeving in het algemeen en van cultuurmonumenten in het bijzonder en het functioneren als ontmoetingspunt voor allen die zich bij die geschiedenis betrokken voelen.

De Historische Vereniging Hardenberg e.o. werkt samen met historische verenigingen en stichtingen in Dedemsvaart, Slagharen, Gramsbergen en Sibculo in het Platform van Historische Verenigingen in de gemeente Hardenberg. Dit platform is na het samengaan van de drie gemeenten opgericht met als doel een gezamenlijk aanspreekpunt te zijn voor het gemeentebestuur en het uitwisselen van kennis en ervaring. Activiteiten zoals de jaarlijkse Open Monumentendag worden samen georganiseerd en ook de in 2013 verschenen Canon van de Gemeente Hardenberg is het resultaat van een samenwerking tussen de vijf organisaties.

Kledingexpositie

De Historische Vereniging Hardenberg e.o. maakt deel uit van de Heemnaobers, een samenwerkingsverband van ruim twintig historische verenigingen in het Nederlands-Duitse grensgebied: de Grafschaft Bentheim, zuidoost Drenthe, noordoost Overijssel en noordoost Twente. Elke twee jaar wordt een reizende expositie samengesteld die een tijdlang bij een deelnemende vereniging wordt tentoongesteld. In 2013-2014 is dat een fototentoonstelling over het werken aan weerszijden van de grens in de voorbije eeuwen.

De Historische Vereniging Hardenberg e.o. heeft ruim 1750 leden en wordt gerund met ongeveer 120 vrijwilligers die actief zijn in een tiental werkgroepen. De vereniging geeft vier keer per jaar het blad ‘Rondom den Herdenbergh’ uit.

Door Fred Hamhuis

De zeefdrukkerij van Het Burgerweeshuis te Deventer

Dead Moon
‘Primitief gedrum dat wel wat weg had van een kudde paarden, een gitaargeluid dat veelal als een cirkelzaag klonk, overgoten met de zielkervende stem van bandleider Fred Cole’ (Deventer Dagblad, 24 juni 1994).

Zo werd het optreden van de band Dead Moon omschreven in een recensie in het Deventer Dagblad, een dag na het optreden van de band in Het Burgerweeshuis. Het was niet alleen het laatste optreden van het culturele seizoen van 1994, maar ook het laatste optreden voor de grote verbouwing van het pand aan de Bagijnenstraat 9. Pas op 29 februari 1996, ruim anderhalf jaar later, werd het ‘Cultureel Jongerencentrum Het Burgerweeshuis’ heropend na een gigantische facelift die 1,2 miljoen gulden had gekost.
Met die verbouwing was de eigen zeefdrukkerij van Het Burgerweeshuis verdwenen. In die zeefdrukkerij waren vanaf 1984 de affiches, flyers en maandladders ontworpen en gedrukt voor alle concerten en activiteiten die plaatsvonden in Het Burgerweeshuis.

De affiches uit de zeefdrukkerij

In 1984, na een eerste verbouwing van het toenmalige kraakpand, werd boven in Het Burgerweeshuis ruimte gemaakt voor een zeefdrukkerij. Het was een initiatief van coördinator Johan Kuiper. Al snel kwamen de broers Dick en Bert Dijkman er bij. Bert vertelt: ‘Concertposters maken was in het begin allemaal handwerk, alles uittekenen, met een speciaal kwastje en speciaal zeefdrukspul. Dat kun je je nou niet meer voorstellen in de tijd van computers. Zeefdruk was een typisch jaren tachtig ding, net als stencilen. We kwamen uit de punkscene, alles “doe het zelf”, dus als we concerten organiseerden gingen we ook daarvoor zelf de posters maken.’

Het zeefdrukteam werd een fanatiek en creatief team van circa acht personen, met daarnaast een actieve verspreidingsgroep. Het waren allemaal muziekliefhebbers van in de twintig, de meesten waren Deventenaren. Het team kreeg van tevoren een lijst van de programmeur met daarin alle aankomende concerten. Voor elk concert werd een groepje mensen gevraagd of aangewezen die de poster gingen maken. Met het maken van een affiche was je namelijk met zijn drieën een dag druk, mits de avond ervoor alle spullen al waren klaargezet.
Er werden per concert circa tweehonderd posters gemaakt die overal in de regio werden opgehangen. Ze werden vaak van de muur gehaald omdat mensen ze zo mooi vonden! Het team maakte gemiddeld twee posters per week.
Het enige sjabloon dat gebruikt werd, was het logo van het Burgerweeshuis. ‘De rest van de belettering werd met de hand uitgesneden, het was veel werk om dat netjes te doen’, aldus Ruud Verkerk, die in 1987 als vrijwilliger bij de zeefdruk kwam werken om praktijkervaring op te doen naast zijn studie aan de kunstacademie. De zeefdrukmaterialen werden in de winkel van Joop Stoop in het Bergkwartier gekocht, bussen vol inkt gingen erdoorheen. Heel nauw namen ze de milieueisen in die tijd niet, alles ging door de gootsteen en Bert vertelt dat hij regelmatig misselijk op de fiets naar huis zat vanwege alle chemicaliën...

Techniek

Zeefdruk is een druktechniek die vooral gebruikt wordt voor het drukken op dragers die niet vlak zijn en het drukken van grote formaten, zoals affiches. Met de juiste drukinkt zijn eigenlijk alle materialen met deze techniek te bedrukken: glas, textiel, blik, kunststof, papier, enz. Een bekend voorbeeld van een beeldend kunstenaar die de zeefdruktechniek voor zijn werk gebruikte, is Andy Warhol. Hij maakte opvallende portretten van bekende persoonlijkheden, zoals Marilyn Monroe en koningin Beatrix.

Zeefdrukinkt is goed dekkend; daarom kan er ook gedrukt worden op donkere beelddragers en kunnen kleuren goed over elkaar heen gedrukt worden. In de zeefdrukkerij van Het Burgerweeshuis werden per affiche meerdere drukgangen gemaakt, eerst de steunkleuren en daarna zwart. Verder werd er geëxperimenteerd met kleuren mengen op de zeef zelf, zodat ze mooi in elkaar overliepen. Ze experimenteerden ook met het papierformaat. Een tijd lang werden er twee affiches op één vel gedrukt, dat scheelde tijd maar dan konden er alleen lange, smalle affiches gedrukt worden.

Bewaard tot in de eeuwigheid

Er waren zo’n vijf ontwerpers actief. Vaak waren het studenten aan de kunstacademie of anderszins creatieve personen die de vrije hand kregen in het ontwerpen. De enigen die consequent hun affiches ‘signeerden’ waren de broers Dijkman: hun affiches waren te herkennen aan de tekst ‘© Dykemen Prod’. Voor de rest blijft het gissen. De hele collectie affiches van Het Burgerweeshuis uit de periode 1984-1994 is te bekijken op de website Deventer in Beeld.  

Dit artikel is een verkorte versie van ‘De zeefdrukkerij van Het Burgerweeshuis’ dat in 2011 verscheen in het Deventer Jaarboek.

Door Annelien Keen
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

De Reest: beelden van een beek

Voor dit boek legden drie fotografen de Reest in heel veel verschillende beelden vast. Henkjan Kievit fotografeerde de natuur vier seizoenen lang. Harry Cock legde het landschap van het Reestdal vast in een serie foto's. Sake Elzinga bracht het culturele erfgoed van het Reestdal in beelden tot leven: de keuterijen, de herenboerderijen en de havezaten langs de beek. Prachtig fotoboek, maar ook met achtergrondinformatie over de geologie, de geschiedenis en de ecologie van dit uiterst zeldzame landschap dat bijna overal verdwenen is.

Fotografie: Harry Cock, Sake Elzinga en Henkjan Kievit 
Teksten: Bertus Boivin
Uitgever: Stichting het Drentse Landschap

ISBN 9789080344709 | 228 pag. | € 24,95

Door de redactie

Zwolle 40-45

Wat het betekent om in oorlogsomstandigheden te leven is voor veel mensen moeilijk voor te stellen.
Die omstandigheden verschillen bovendien sterk van plaats tot plaats. Dit boek maakt met veel foto’s zichtbaar wat er in Zwolle tijdens de Tweede Wereldoorlog gebeurde. De korte teksten gaan vooral over het leven van alledag en geven veel achtergrondinformatie. De Zwollenaren keken vol ongeloof naar de Duitse militairen die op de eerste dag van de bezetting door de stad reden. Het optimisme dat het allemaal wel zou meevallen sloeg om in woede en frustratie toen de bezetter zich dwingend met alle aspecten van het bestaan bemoeide. Weerstand tegen de maatregelen van de bezetter, de deportatie van joden en de tewerkstelling van mannen leidde tot onderduiken, verzet en illegaliteit. 

Auteurs: Herman Aarts en Paul Harmens
Uitgever: WBOOKS en Historisch Centrum Overijssel 

ISBN 978 94 625 8036 7 | 112 pag. | € 24,95

Door de redactie

De familie Bokhorst: verrassend veelzijdig

Op de gevel van Papenstraat 39 in Deventer staat nog steeds in sierlijke letters boven de deur de naam van een bekend Deventer schildersbedrijf. Hier begon stamvader Hendrik Gerrit Bokhorst een bedrijf dat later door hem, zijn beide zonen en door kleinzoon Gerrit zou uitgroeien tot een bijzondere kunstenaarsdynastie. Uit het Bokhorst-atelier kwamen schitterende glas-in-lood ramen, monumentale tegeltableaus, sierlijke gevel- en interieurdecoraties, reclamemateriaal, boekillustraties en oorkonden. Beschilderde keramische producten werden op zowel klassieke, jugendstil als art deco wijze vervaardigd. Bijzonder fraai uitgegeven boek, voorzien van vele illustraties.

Auteur: Roel H. Smit-Muller
Uitgever: Waanders

ISBN 9789491196829 | 144 pag. | € 25,-

Door de redactie

Historie en spiritualiteit langs de IJssel

Eind 2012 nam Clemens Hogenstijn na een lange carrière afscheid van de gemeente Deventer. Ter gelegenheid hiervan werd hem onlangs een vriendenboek aangeboden. Dit boek bevat een boeiende verzameling historische beschouwingen. Albert Mensema en Arnold Gevers gaan uitvoerig in op het stadsrecht van Zwolle uit 1230, terwijl Henk Nalis een bijzondere zestiende-eeuwse kaart van Overijssel onder de loep neemt. Dat er in Deventer ook verpauperde buurten waren en een uitzichtloze armoede heerste, beschrijft Vincent Sleebe. Dinand Webbink doet verslag van zijn vondst van een verloren gewaand manuscript over de kloostergoederen van Diepenveen en Henk van Baalen vertelt over de Deventer ‘roots’ van de internationaal bekende hoogleraar in de psychiatrie Jan Hendrik van den Berg.

Redactie: Marion Karsch en Dinand Webbink
Uitgever: Stadsarchief en Athenaeumbiliotheek

ISBN 978-90-80989696 | 136 pag. | € 12,50

Door de redactie

Opgravingen in vroege Overijsselse NH kerken

Het depot voor archeologische bodemvondsten in Overijssel bevat veel materiaal uit de tijd dat er nog geen wettelijke verplichting tot uitwerking en publicatie was. Dit boekje is het eerste uit een serie die de vondsten alsnog beschrijft. Het gaat over opgravingen die hebben plaatsgevonden in de periode 1954-1981 in kerken in Dalfsen, Ommen, Raalte, Hasselt, Vollenhove en Steenwijk. Het boekje is gemaakt voor een groter publiek, het onderwerp is in een breder kader gezet en het is in vergelijking tot soortgelijke uitgaven goed leesbaar.

Auteur: Michael Klomp
Uitgever: SPA-uitgevers i.s.m. Provincie Overijssel

ISBN 9789089321145 | 86 pag. | € 9,95

Door de redactie

Ontwaakt verleden: de opkomst en ondergang van de Oosterenk

‘Ontwaakt verleden’ is een kroniek over de verdwenen boeren- en tuindersgemeenschap die zich tot het jaar 1963 bevond op de ‘Oosterenk’ in Zwolle.Zoals zoveel agrarische gemeenschappen, viel ook de eeuwenoude Oosterenk volledig ten prooi aan de na-oorlogse stadsuitbreidingen.In dit boek komen historische fenomenen aan bod zoals onder andere Het ‘Paardenkerkhof, De ‘Batterij’, het ‘Galgenveld’ en het ‘Koerhuis’ bij de Kuijerhuislaan. Zelfs de begrenzingen van de Oosterenk - De Nieuwe Vecht, de Wipstrikkerallee, De Kuijerhuislaan en De Westerveldse Aa - blijken ieder voor zich een oud verhaal met zich mee te dragen. Maar hier klinkt vooral een ‘eresaluut’ aan al die geslachten die generaties lang deze bloeiende gemeenschap hebben bevolkt.

Auteur: Anne Bouwman
Uitgever: Boekenbent

ISBN 9789462035454 | 154 pag. | € 20,-

Door de redactie

De Boreel: van kazerne tot inspiratiebron

De Boreel(kazerne) is een begrip in Deventer. Henk van Baalen schetst de geschiedenis van de in 1847 gebouwde kazerne. Een deel van het boek is gewijd aan de militaire geschiedenis van Deventer met aandacht voor het soldatenleven. Met veel foto’s wordt de nieuwe bestemming van de kazerne en de omgeving geïllustreerd.

Auteur: Henk van Baalen
Uitgever: Corps 9 Publishers

ISBN 9789079701308 | 108 pag. | € 17,50

Door de redactie

Van de straat: de mannen van de Zwolse reinigingsdienst

Geschiedenis van de Zwolse reinigingsdienst, opgericht in 1869 en de op één na oudste van ons land. Zwolle is altijd al een voorloper geweest en is dat tot op de dag van vandaag gebleven. Als eerste stad zette Zwolle automobielen in en de huidige ROVA ontwierp moderne afvalscheidingsprogramma’s. Geen wonder dat er een boek gewijd is aan dit onderwerp waar nog maar weinig over geschreven is. Het is veel meer dan een bedrijfsgeschiedenis, het gaat vooral over de mannen die ‘het vuile werk’ opknapten met betrokkenheid en trots. Zij wisselden tot aan de jaren zestig de ‘tonnetjes’ en maakten in 1963 ook de wegen begaanbaar. De uitgave van dit boek overstijgt het lokale belang omdat Zwolle model staat voor vele andere steden.

Auteur: Herman Aarts
Uitgever: ROVA, Historisch Centrum Overijssel, Waanders Uitgevers

ISBN 9789462620018 | 160 pag. | € 22,50

Door de redactie
Overijsselaars van toen

Etty Hillesum: haar liefdesleven en ondergang

‘Vooruit dan maar! Dit wordt een pijnlijk haast onoverkomelijk moment voor mij: het geremde gemoed prijsgeven aan een onnozel stuk lijntjespapier.’ Hiermee begon Etty Hillesum op 9 maart 1941 haar beroemde dagboek dat ze zou bijhouden tot haar deportatie naar kamp Westerbork. De dagboeken en brieven die zij heeft nagelaten, vormen voor velen een bron van inspiratie.

Esther ‘Etty’ Hillesum werd op 15 januari 1914 in Middelburg geboren en groeide vanaf haar elfde op in Deventer. Zij was het oudste kind van Louis Hillesum en Riva Hillesum-Bernstein. Etty had ook twee jongere broers, Jaap en haar oogappeltje Mischa. De kinderen Hillesum groeiden niet bepaald op in een doorsnee Nederlandse familie. Aandacht voor intellectuele en culturele zaken stond in het gezin op de voorgrond. Vader Louis was leraar klassieke talen en later rector aan het Stedelijk Gymnasium, waar Etty en haar broers ook naar toe gingen. Moeder Riva was lerares in de Russische taal. Zij was in 1907 vanuit Rusland weggevlucht voor aanvallen op Joden door de burgerbevolking. Zij was excentriek en chaotisch, en dominant ten aanzien van haar kinderen en haar man, die in de boeken wegvluchtte.

Amsterdam

In 1932 verhuisde Etty naar Amsterdam, waar zij rechten ging studeren. Ze verkeerde er in linkse antifascistische studentenkringen en leidde een typisch bohemien bestaan. Etty was van jongs af aan seksueel heel actief en ze vertoonde al vroeg een zekere hang naar oudere mannen. In deze jaren had Etty een korte affaire met de veertigjarige getrouwde schrijver Klaas Smelik, aan wie ze later haar dagboeken zou overhandigen. In 1937 verhuisde Etty naar de Gabriel Metsustraat: weduwnaar Han Wegerif verhuurde kamers aan studenten en Etty kreeg in ruil voor hulp in het huishouden kost en inwoning. Al snel hadden Etty en de bijna zestigjarige ‘Papa Han’ een amoureuze verhouding. Ze raakte in december 1941 zelfs van hem in verwachting, maar ze wilde haar kind de ellende van de oorlog – en de gekte van haar familie – besparen en onderging een abortus. Ondertussen was Etty Slavische talen erbij gaan studeren. Ze gaf Russische lessen om in haar levensonderhoud te voorzien. Ze wist nog wel in 1939 haar studie rechten af te ronden, maar ze nam die studie niet echt serieus.

Erfelijk belast met gekte

Terwijl haar romance met Han Wegerif voortkabbelde, leerde Etty in februari 1941 haar grote liefde Julius Spier kennen. Hij was 54 jaar, gescheiden met twee kinderen en hij had een verloofde in Londen. De Duitse voormalig bankier was in 1940 naar Nederland gevlucht en hield nu praktijk als handlezer en psychotherapeut. Etty besloot bij hem in therapie te gaan. Etty’s broers waren al meerdere malen opgenomen in de Joodse psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bosch, en ook Etty had psychische problemen. Ze werd geplaagd door depressieve periodes en soms was ze tegen het hysterische aan. Bovendien had ze chronisch last van hoofdpijn, flauwtes, blaasontstekingen, maag- en darmkwalen en galstenen. Op aanraden van Spier hield Etty een dagboek bij en geregeld bezocht Etty zijn praktijk voor gesprekken en om naakt te ‘worstelen’. De charismatische Spier was echter niet alleen haar therapeut, maar ook haar minnaar. Grote delen van Etty’s dagboek – overigens in een zeer moeilijk leesbaar handschrift – gaan over haar liefdesgevoelens voor Spier. Hun relatie werd echter abrupt verstoord: op 15 september 1942 overleed Julius Spier aan longkanker.

Julius Spier, ca. 1930.
Foto: Joods Historisch Museum

Jodenvervolging

In juli 1942 accepteerde Etty een baantje bij de Joodse Raad, volgens Etty een verwerpelijk apparaat. Ze werd al snel geplaatst bij de afdeling ‘Sociale Verzorging Doortrekkenden’ in Westerbork. Als medewerkster van de Joodse Raad had ze de mogelijkheid om zo nu en dan verlof op te nemen en naar Amsterdam te gaan. In de winter van ’42-’43 verbleef ze langere tijd in Amsterdam om te herstellen van een ziekte. Hoewel haar veel kansen werd geboden, weigerde ze onder te duiken en op 6 juni 1943 was haar terugkeer naar Westerbork definitief. Op 21 juli arriveerden ook haar ouders en Mischa in kamp Westerbork. Etty zorgde zo goed en zo kwaad als het ging voor haar familie. Na problemen tussen de kampcommandant Rauter en het gezin werd zij op 7 september op transport gesteld. Etty zat in een andere wagon dan haar ouders en Mischa, omdat zij hun leed niet kon aanzien. Op 30 november 1943 werd Etty in Auschwitz-Birkenau in de gaskamers vermoord. De dagboeken die Etty tussen maart 1941 en oktober 1942 had bijgehouden, werden in 1981 voor het eerst gepubliceerd.

Kamp Westerbork
Foto: Herinnerings-centrum Kamp Westerbork 

Meer lezen

Wilt u meer weten over de familie Hillesum, lees dan Jan Willem Regenhardt, "Mischa’s spel. En de ondergang van de familie Hillesum" (Amsterdam 2012).

Door ANNE VAN DER MEER
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

Een kinderwagen als een Cadillac kocht je bij Ooievaar in Zwolle

Pas in de zestiende eeuw komen in Duitsland wagentjes voor die een beetje leken op onze kinderwagens. Het waren rieten manden op wielen of houten wagentjes met paarden ervoor. In de zeventiende eeuw liet de hogere klasse steeds vaker karretjes voor kinderen maken.

In de jaren zestig gingen kinderwagens er steeds stijlvoller uitzien. Het leken wel Cadillacs. Dit prachtexemplaar komt uit Het Kinderwagen-museum in Nieuwolda.

In Engeland waren de kinderwagens afgeleid van zogenoemde ‘hoppickers carts’, de karretjes waarmee hopplukkers de hop van het land haalden. Om kinderen mee te nemen naar het veld werd een verkleinde versie van dat karretje gemaakt, driewielig en met een trekstok. Hier begint de geschiedenis van de kinderwagen. Die wagen had houten wielen, geen vering en van comfort was geen sprake. Vanaf het jaar 1900 kregen de kinderwagens meer comfort, maar de wielen waren nog steeds van hout.

In 1900 leek de kinderwagen nog veel op een kar
Foto: collectie HCO 

Sinds de jaren dertig zag je in het straatbeeld steeds meer kinderwagens met rubberbanden. Kinderwagens werden in de loop der tijd steeds groter, luxer en mooier vormgegeven. Ze werden uitgevoerd in diverse nieuwe kleuren. Er kwam steeds meer keuze in het aanbod van kinderwagens. Vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw gingen ontwerpers steeds meer aandacht besteden aan het ergonomisch design. Met kinderwagens kon je je onderscheiden van de rest. Ze gingen lijken op auto’s uit die tijd, compleet met stroomlijn.

Genieten van de zon in een kinderwagen bij Warmoesstraat 60 in Zwolle. De foto werd omstreeks 1945 gemaakt.
Foto: collectie HCO

In Overijssel zijn nooit kinderwagens gemaakt; de dichtstbijzijnde kinderwagenfabriek was de firma Van Werven uit Meppel. Een goede kinderwagen kon je vroeger in Zwolle krijgen bij Ooievaar aan de Nieuwe Markt, maar helaas is dit bedrijf aan de gevolgen van de crisis bezweken.

Op een frisse voorjaarsdag lekker naar buiten in Westenholte, Zwolle
Foto: collectie HCO 

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

The Buffoons - It's The End

Het jaar 1968 is een topjaar voor de band: It's the end komt tot nummer 4 in de hitlijsten. Ook de singles Sister Theresa's East River Orphanage, Lovely Loretta en Goodbye my love halen de Top 40.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Gemeentearchief Hengelo

Hengelo: een stad van wederopbouw

Hengelo is een typische wederopbouwstad. Na de bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog moest de (binnen)stad opnieuw worden opgebouwd en Hengelo was landelijk gezien de eerste gemeente die daar werk van maakte. Op de foto zien we bouwvakkers aan het werk op het huidige marktplein, met op de achtergrond de Lambertusbasiliek.

Meer lezen, zien of ontdekken? Neem dan contact op met Gemeenterachief Hengelo.

Door Niels Bakker
Volgende pagina

Joseph’s winkel. Deventer stadsmusicus stierf in armoede

Begin 1732 verliet Joseph Wilhelm Ernst Böhler zijn dorp Hilperhausen in Hessen, waar hij omstreeks 1710 geboren was en ging op weg naar Deventer, in de hoop daar werk te vinden als organist. Hij vond een woning in de Grote Overstraat, en op 10 maart kreeg hij zijn vaste aanstelling als organist en klokkenist aan de Lebuinuskerk in de stad. Zijn jaarsalaris werd vastgesteld op vierhonderd en vijftig Carolusguldens, hij verwierf gratis het grootburgerrecht en werd vrijgesteld van wachtlopen. Net als zijn voorgangers had Joseph tot taak voor en na de kerkdienst het orgel te bespelen, op gezette tijden orgel en carillon te laten horen, en het stadsklavecimbel en het orgel te onderhouden.

Vanaf omstreeks 1600 was in de noordelijke Nederlanden het calvinisme de officieel erkende godsdienst en sindsdien werden de organisten bij hun medewerking aan de kerkdienst sterk aan banden gelegd: zij mochten alleen voor en na de preek het orgel laten horen, omdat het anders de gelovigen te veel zou afleiden. Verder mocht er alleen op vaste tijden orgel gespeeld worden. Ook buiten de kerk stonden ze onder streng toezicht. Dansmuziek spelen in kroegen binnen en buiten de stad was niet toegestaan, en wie met lange haren rondliep werd naar de kapper gestuurd. Overtredingen werden aan de kerkenraad voorgelegd, waarna ontzegging van het avondmaal kon volgen, korting op het salaris, en uiteindelijk zelfs ontslag. Misschien maakten al die beperkingen het werk voor musici zo onaantrekkelijk dat het voor de stad een probleem werd capabele organisten te interesseren. Men probeerde daar aan tegemoet te komen door gratis het grootburgerschap en vrijstelling van wachtlopen te verlenen. Veel organisten deden daarom moeite met bijbaantjes hun magere salaris wat aan te vullen.

Boedelinventaris

Een jaar na zijn aanstelling trouwde Joseph Böhler (ook wel Beeler of Peeler genoemd) met Sophia Eleonora Wendten uit Bremen. Ze gingen in de Engestraat wonen en openden daar een winkel. Maar na de geboorte van hun zoon Nicolaas Wilhelm kwam Sophia te overlijden. Toen Joseph In 1737 plannen maakte om te hertrouwen met Hillegonda Catharina van Fisscher, een rijke, mogelijk adellijke dame, werd hem bij gelegenheid van de ondertrouw gevraagd om ‘tot bewijs van zijn kind (uit zijn eerste huwelijk) voor diens moederlijke goed’ een boedelinventaris over te leggen. Het werd een uitvoerig document, dat bewaard wordt in de kluizen van Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek in Deventer, en een inkijkje geeft in het interieur van een 18e-eeuwse woning. En het laat zien waaruit de neveninkomsten van Joseph bestonden.
Het huis van Joseph en Hillegonda was vrij ruim, en er hoorde een werkplaats bij. Op de begane grond was eerst de voorkamer te vinden. Daar woonde men meestal, en kookte er. Er stond kostbaar meubilair: een ‘horologie met daar onder een klocken handspeel’ (een staand uurwerk met klokkenspel), er waren een paar mooie spiegels, koperen kannen, fijne spoelkommen, dito kookpotten’. Er stond ook een ‘Clavecordium’, een toetsinstrument waarbij de snaren door metalen plaatjes tot trillen werden gebracht. Waarschijnlijk was het bedoeld voor privégebruik.
Dan kwam de ‘binnenkamer’, een tussenkamer waar zich veel porselein bevond, een tiktakbord (te vergelijken met backgammon), roemers, glazen.
In de ‘agterkamer’ sliep men, er stond een bed met witte deken. ‘12 Landkaarten, Schilderijen,en 7 Gipsen Beeltjes’ die deel uitmaakten van de winkelvoorraad, waren er ook ondergebracht, evenals een ‘Varfkistjen’. Daarna volgde de ‘agterkueken’, een soort bijkeuken, waar veel keukenbenodigdheden stonden, dikwijls van koper, en waar ook het huisdier, de ‘Exter en sijn kouwe’ (kooi) zich ophield.

Draeijkamer

Tenslotte was er de ‘Draeijkamer’, de werkplaats, en die laat zien dat Joseph meer bijverdiensten had. Er stond zijn ‘draeij en schaafbank’ met zijn gereedschap. Er was een ‘kastjen met gedraaijt goed’ (bewerkte onderdelen), een doos met ‘formties’ (mallen en voorbeelden). Joseph was pas aan een paar nieuwe ‘speelwerken’ begonnen, en aan twee nieuwe harpen. Een speelbas was al klaar, terwijl drie ‘fiolen, een harp en 2 dwars fluyten’ nog op een koper wachtten. Tenslotte bevatte het vertrek ‘musijck en andere boeken’.

Aan de drank

Door zijn tweede huwelijk raakte Joseph financieel in goeden doen, en in 1741 verhuisde hij met zijn gezin naar een duurdere woning aan de Zandpoort. Of hij toen zijn handel aan de kant deed is niet bekend. In elk geval liep het niet goed af met hem: hij raakte aan de drank en boze tongen beweerden dat hij binnen drie jaar alle bezittingen van zijn tweede vrouw ter waarde van 50.000 gulden had verbrast met het uitoefenen van alchemie en het drinken van brandewijn. En, zo gaat de criticus verder, hij had zich niet ontzien om Franse chansons te componeren met begeleiding van een bas, en die te laten uitgeven bij de firma Olofsen in Amsterdam. Jammer genoeg zijn die composities niet bewaard gebleven.
Het is duidelijk dat Joseph een veelzijdig kunstenaar was, die niet alleen orgel speelde maar ook kon tekenen, schilderen, boetseren en componeren, en die allerlei muziekinstrumenten bouwde. Met de verkoop van zijn kleurrijke winkelvoorraad heeft hij jarenlang het magere loontje dat hij als organist verdiende, kunnen aanvullen. In 1771 stierf hij ‘in armoede’ en werd als ‘organist en klokkenist aan de Grooten Toorn’ opgevolgd door zijn zoon Johan Christoffer.

Door Tineke Stein-Wilkeshuis
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Het Stift Weerselo: van strenge monniken tot losbandige freules

Het Stift bij Weerselo kent een lange geschiedenis. In de twaalfde eeuw werd er een klooster gesticht door de Betuwse kruisridder Hugo van Buren, een voorvader van onze huidige koning, met een religieus-idealistische inslag. Hugo was op zoek geweest naar een plek om zich terug te trekken met zijn gezellen. Zijn neef Hugo van Goor schonk hem de kerk bij Weerselo. In 1152 werd de kapel tot Benedictijner klooster gewijd.

In dat jaar woonde Hugo van Buren zelf al in Duitsland, drukdoende met de bouw van het klooster in Wietmarschen, nabij Nordhorn. Maar het klooster van Weerselo leed niet onder zijn afwezigheid. In de eeuwen die volgden leefden er zowel paters als zusters. Maar het waren onrustige tijden en het klooster had veel te lijden onder de roofzuchtige ridders die door de streek trokken. De paters namen de wijk naar Utrecht. De zusters bleven achter en al snel werden vrouwen van adel toegelaten wat het klooster ook de nodige inkomsten bracht. De strenge idealen van Hugo van Buren om in armoede een leven van boete en gebed te leiden, waren nu bijna geheel verdwenen. De regels werden steeds meer losgelaten. Zelfs paus Innocentius VIII (p. 1484-1492) bemoeide zich ermee na klachten over de ‘losbandigheid’ van de freules. Dit was ook de paus die in 1482 het startsein gaf voor de heksenvervolgingen. Maar zijn woorden hadden geen effect. Vanaf ca. 1500 transformeerde het Benedictijner klooster naar een vrij, adellijk stift. Het woord ‘stift’ betekent geestelijke stichting, meestal in de zin van een klooster. Niet alle kloosters zijn echter een stift. Het woord ‘stift’ is onlosmakelijk verbonden met een klooster voor ongehuwde dames.

Bij de Juffers van Het Stift werd opvoeding en onderwijs gegeven. In tegenstelling tot andere kloosters, legden de Juffers van Het Stift slechts een gelofte van kuisheid af. Zij hoefden niet in armoede te leven en leverden ook hun bewegingsvrijheid niet in. Dit betekende dat ze niet altijd op Het Stift hoefden te blijven. Ze konden op reis gaan en weer terugkeren en ook konden ze uittreden om te trouwen. Doordat er nu bijna alleen maar vrouwen leefden uit welgestelde en adellijke families, had Het Stift in Weerselo aanzienlijke inkomsten. Na de Reformatie was men niet verplicht protestant te worden maar wilde men na 1647 intreden dan moest men wel de ‘ware gereformeerde religie’ aanhangen. Daarnaast werd de bepaling dat men van ridderlijke geboorte moest zijn, aangescherpt: zij die wilden intreden, moesten in het bezit zijn van zestien adellijke kwartieren.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat men vele bekende namen tegen komt op de lijsten van Stiftsjuffers die bewaard zijn gebleven zoals bijvoorbeeld Van Heeckeren, Bentinck, Ripperda en Raesfeld. Eén van de eerste namen op de lijsten die bewaard zijn gebleven is die van Margaretha van Heeckeren genaamd van Rechteren. Zij was de dochter van Sweder van Heeckeren genaamd van Rechteren, drost van Coevorden en Drenthe en raad van de Bisschop van Utrecht. Kortom een man van aanzien. Zijn dochter Margaretha werd in 1410 tot abdis benoemd. Haar jongere zuster Aleid is op dat moment ingetreden in het Stift Ter Hunnepe nabij Deventer.

Het Stift op kaart gezet door J.H. Hottinger, ca. 1785. Foto uit Canon van Weerselo

In 1523 sloeg het noodlot toe. Een verwoestende brand, één van de Juffers was wat nonchalant met haar haardvuur, verwoestte een groot gedeelte van de kloostergebouwen. Dit was niet alleen een ramp voor de Juffers van Het Stift zelf maar ook voor vele bewoners van de regio. Zowel boeren als burgers hadden hun bezittingen en rijkdommen in bewaring gegeven bij de Juffers. Ook zij waren alles kwijt. De kloostergebouwen die waren verwoest, werden niet meer opnieuw opgebouwd. De Stiftskerk met zijn vijftiende-eeuwse gewelven bleef echter bewaard. In de glas-in-lood ramen zijn de wapens van de adellijke Overijsselse families te zien die eeuwenlang een band hadden met Het Stift.

Het glas-in-lood in de Stiftskerk
Foto: Henk Dikker Hupkes

Het aantal Juffers dat op Het Stift in Weerselo woonde varieerde. Zo leefden er tussen 1624-1640 bijvoorbeeld 22 Juffers en in 1794 nog 13. De lijsten met Stiftsjuffers eindigt met de naam van Emerentia Philippa Cornelia van Haersholte tot Staverden. Zij werd benoemd tot abdis in 1789. Elf jaar later, in 1800, huwde zij Johan Frederik Benjamin baron van der Capellen, te Huize Windesheim in Zwolle. Johan Frederik was kamerheer-honorair van zowel koning Willem I, II en III.

De Franse Revolutie bemoeilijkte het leven in Het Stift. De bezittingen namen af, huizen werden afgebroken en langzaam werd het steeds stiller op Het Stift. Uiteindelijk leefden er nog maar drie Juffers echt op Het Stift. Hen werd toegezegd dat zij tot hun dood op Het Stift mochten blijven. Het Stift werd daarna een buurtschap. Al in 1932 begon men met de restauratie maar pas sinds 1973 is Het Stift beschermd dorpsgezicht. De kerk van Het Stift die zelfs onder koning Lodewijk Napoleon protestants mocht blijven, daar hij toch te klein was voor de grote katholieke gemeenschap in Weerselo, dient nu ook andere doelen. Al vijftig jaar, sinds 1964, worden hier de Stiftsconcerten georganiseerd. Voor het programma 2014-2015 zie stiftsconcerten.nl.

Vanaf 2004 kent het ook het Stift Festival, initiatief van violist en voormalig bewoner Daniel Rowland. Naast concerten en recitals worden er ook masterclasses gegeven. Meer informatie is te vinden op stiftfestival.com.

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
. . . . . . . . . . .