MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Met de pijltjestoetsen op uw toetsenbord kunt u van links naar rechts en van boven naar onder scrollen:

    keys
  2. Als u met de muis naar de rand van de pagina gaat, verschijnt er een donkergrijze balk met een pijl: als u daarop klikt gaat u naar links, rechts, boven of beneden.
  3. Aan de rechterkant bevindt zich een zwarte balk. Daarin staan alle pagina�s van boven naar beneden. Met de muis kunt u de pagina van uw keuze aanklikken. U kunt daar ook scrollen met uw muiswiel of slepen met uw muis.
  4. Bovenaan in de rechter kolom staan een aantal knoppen. Hieronder ziet u welke functie deze hebben.

    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  5. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Door met uw vingers over het scherm te vegen (�swipen�).
    Dit kan zowel van links naar rechts als van boven naar onder en vice versa.
  2. Via het rode blokje rechtsboven krijgt u meer mogelijkheden.
    Tik op het blokje of sleep het met uw vinger naar beneden:
    - bovenin verschijnt een rode balk waarin u kunt bladeren door te �swipen�.
    - midden onder verschijnen een aantal knoppen die u aan kunt tikken:
    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  3. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 4
  • nummer 2
  • april 2016

Coververhaal

De barones en de dominee. Een verboden liefde in de 19de eeuw

Overijsselaars van toen

H.J. van Nijnatten-Doffegnies, beroemd schrijfster uit Diepenveen

Geschiedenis van alle dag

Hannekemaaiers en kiepkeerls. Mannen langs de deur

Naar de plek van ...

Arie Slob: 'Hier ligt alles niet zo onder een vergrootglas.'

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Van de redactie
  • jaargang 4
  • nummer 2
  • april 2016

Historisch besef in deze roerige tijden

Waar zijn ze nog, de vrouwen die zich met huid en haar overgeven aan een ‘man van God’. Johan Maasbach (met zijn diepe stem en Amerikaans accent) was zo één. Ook Lou de Palingboer kreeg het voor elkaar om een groep vrouwen om zich heen te verzamelen. Lou zou God zijn… maar hij is wel dood. Verder kennen we nog die verschrikkelijke groepszelfmoord van Jim Jones in 1978 in Midden-Amerika, waar 900 sekteleden het leven lieten.

De Zwolse historicus Wim Coster kwam ds. Johannes Gerrit van Rijn, gehuwd en vader van drie, op het spoor. Rond 1860 kwam hij naar Zwolle, waar hij zijn oog liet vallen op de bevallige Jeannette Pruimers geboren barones van Dedem. Zij had juist haar echtgenoot op jonge leeftijd verloren en werd getroost door de dominee. Ergens aan het ziekbed moeten zij elkaar hebben gevonden en ze vielen als een blok voor elkaar. Beider brandende verlangens werd vertaald in het negentiende-eeuwse zoetsappige codeschrift, gemengd met mystieke geloofsopvattingen. Je wordt bijna misselijk van zoveel zoetigheid. Maar zij kregen er niet genoeg van, wat wordt bewezen door de zwangerschap die in 1863 plaatsvond en resulteerde in de geboorte van een zoon, die snel werd afgestaan. Wim Coster wist hem op te sporen, althans nazaten. De zoektocht naar de waarheid en nog levende nazaten voerde Coster over twee continenten en vele landen (van Zuid-Frankrijk, tot Geneve, Zuid-Engeland en de Verenigde Staten).  

Twee artikelen van geheel andere aard, passen wonderwel in het huidig tijdsgewricht, met allerlei vluchtelingen die hun heil zoeken in Nederland. De eerste groep wordt gevormd door de economische migranten, die hun leven wilden verbeteren, voor hen of voor hun kinderen. Een voorbeeld zijn de hannekemaaiers uit Westfalen die hier in de slappe tijd een zakcentje bij probeerden te verdienen. Een groot aantal bleef hier hangen of trok, zoals Clemens en August Brenninkmeijer verder naar Friesland. Hun voornamen plakten ze aan elkaar en maakten er als C&A een kledinggigant van.

Dramatisch is het verhaal van echte vluchtelingen, die vanuit Nazi-Duitsland hun heil zochten in het veilige (dacht men) Nederland. Voordat men op transport moest, had men nog net de bedrijfsgoederen ondergebracht bij buren en familie. Ook de familie Samuel was er van overtuigd meubels, boekhouding enzovoorts ongeschonden bij de bevrijding aan te treffen. Niets was minder waar, ze werden met de nek aangekeken. Drie generaties later deed dit nog steeds vreselijk pijn.

Dit zijn slechts twee thema’s uit het nieuwe MijnStadMijnDorp. Lees het aandachtig en vergroot uw historisch besef; het kan in deze roerige tijden van pas komen. Menno van der Laan

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Menno van der Laan en Doreen Flierman (HCO), Marcel Mentink (Rijnbrink), Dinand Webbink (OBD) en Martin van der Linde (IJA)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Roland de Jong (HCO), Lamberthe de Jong (HV Diepenveen), Girbe Buist, Ruud Olde Dubbelink en Martin Looman (Palthehuis Oldenzaal), Lotte Eilers, Daniëlle Samuel, Wim Coster

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

De barones en de dominee. Een verboden liefde in de 19de eeuw

Als de jonge Jeannette Pruimers, geboren barones van Dedem, moeder van een dochtertje, weduwe wordt, vindt ze troost bij dominee Johannes Gerrit van Rijn, getrouwd en vader van drie, later vier kinderen. Hij bezoekt haar veelvuldig, ook ’s avonds laat. Dat leidt tot opspraak in de stad – en zelfs in het hele land, zeker als in de zomer van 1863 het bericht de ronde doet dat de weduwe in Zuid-Frankrijk een tweede kind heeft gekregen, nu van de dominee.

De barones en de dominee, die alles ontkennen, krijgen het zwaar te verduren. Ook in de pers. Theologen, juristen en journalisten slijpen hun pen. De schrijver Multatuli neemt het in een open brief op voor de weduwe. Uiteindelijk komt het tot een dramatische rechtszaak. De barones en de dominee ontvluchten Zwolle en het land.

De Potgietersingel in Zwolle omstreeks 1920. In het midden het woonhuis van de barones. (beeldbank HCO)

Reconstructie

De Zwolse historicus Wim Coster volgde hun sporen en stuitte op een familietragedie. Via brieven, testamenten, procesdossiers en krantenberichten reconstrueerde hij deze geschiedenis en kwam hij nog levende nazaten op het spoor. Zijn verhaal speelt zich af in Zwolle en omgeving, Engeland, Frankrijk, Zwitserland en Amerika, en laat zien hoe oordeel en vooroordeel, recht en onrecht verschillende levens in de negentiende eeuw een beslissende wending gaven.

In de rechtszaak spelen in beslag genomen brieven van de dominee, Johannes Gerrit van Rijn, predikant van de Hervormde Gemeente, aan de barones uiteindelijk een voorname, zo niet beslissende rol. Johanna Theodora, ‘Jeannette’, Pruimers, geboren barones Van Dedem, verbleef van begin oktober 1862 tot eind april 1863 in het Zuid-Franse Hyères toen de dominee haar een reeks brieven schreef in een geheimschrift van cijfers en letters.

Het interieur van de Grote Kerk in Zwolle in 1880 met oude kaarsenkroon en oude, genummerde stoelindeling in het schip. (beeldbank HCO)

Adviezen en affecties

Johannes ging door met zijn werk en met het schrijven van zijn minnebrieven; vol adviezen ook, van liturgische, medische en praktische aard. ‘Toen ik gisteravond naar beneden ging, nadat ik jou geschreven had,’ schreef hij op 18 oktober, ‘dacht ik, hoe kunnen wij onze innige affectie versterken? En toen viel mij in, dat wij op dezelfde tijd onze portretten maar eens innig, innig teder moesten kussen en dan maar moesten denken dat we het werkelijk deden. En zie: daar lees ik in jouw brief dat jij dat ’s morgens en ’s avonds óók doet! Laten we nu afspreken om het ’s morgens als we wakker worden te doen, om 7 uur en dan opnieuw, nadat we om 10, 18 en 23 uur hebben gebeden. Insluimeren met het portret naast ons. Vind je dat goed?'

'Over de dokter kan ik je moeilijk adviseren. Die dokter uit het hotel zal de andere patiënten wellicht voorrang geven en met hem zal dokter Loncq wellicht in correspondentie staan, dus dat is minder goed. Aan de andere kant is het ook beter niet iemand te hebben die een al te kleine praktijk heeft, want dan valt het zo gemakkelijk op waar hij komt en dan kan men zo gemakkelijk nagaan waar het kind vandaan komt. Let dus maar op een aanwijzing van de Heer, maar let vooral ook op of de dokter die je kiest wel een accoucheur is. Zul je daar vooral aan denken? Wat je meid betreft, ik zou haar ook ’s nachts houden, want als dan de ure der benauwdheid eens komt en je om een dokter moet laten vragen, wie zal dat dan doen als je geen meid hebt? Zij (de meid) hoeft ook niets te merken. Je houdt haar uit je kamer. Ik zou de dokter vragen wat hem het best lijkt, altijd met het idee dat het vervroegd kan worden. Ik zou maar beginnen met hem duidelijk te maken wat je positie is en dat alles ervan afhangt dat het geheim blijft; dus of hij daar eens over wil nadenken. Ook voor je gouvernante moet het verborgen blijven. Ik zou hem vragen er de dominee over te informeren, zonder je naam te noemen, met het aanbod van een certificaat en met de vraag of hij het kind dadelijk voor zijn rekening kan nemen.’

Huis Den Berg in Dalfsen omstreeks 1870. (beeldbank HCO)

Bidden

Hij zocht de oplossingen voor de gevreesde problemen niet alleen bij zichzelf. ‘Ik heb zojuist echt heel goed voor je kunnen bidden, alles, alles aan de Heer kunnen zeggen en vragen voor jou. Nu, onder zoveel bekommernissen en weldra in de ure der benauwdheid,’ stelde hij haar op 22 oktober gerust. Een paar dagen later kwam hij met een dringend advies, toen het opnieuw ging over de plaatselijke dokter. ‘Nooit moet je er in toestemmen dat er iets gedaan wordt om het sterven te bevorderen. Ik zou hem zeggen dat je dit een grote zonde vindt en dat je het daarom nooit wilt hebben. Maar dat je bidt, dat de Heer eventueel zo genadig is het te laten sterven, omdat je dan voor jouw gevoel het kind zo veel gelukkiger zou weten. Ik zou de Heer ernstig bidden, want, mijn lieve liefste, de duivel gaat nu vooral rond als een briesende leeuw, die probeert je te verslinden en ik zou mij, in de kracht van de Heer, voornemen om, als hij ook maar dreigt om het openbaar te maken, met waardigheid tegen hem op te komen.'

Berouw

'Ik zou de dokter vol berouw je afkeer van de zonde laten weten en hem doen voelen hoe diep het je grieft dat hij zo tegen je doet. Dat je voelt diep gevallen te zijn, maar dat je walgt van de vrijheden die hij zich permitteert, dat je hem smeekt om, alsof je zijn dochter was, medelijden te hebben met jou in je diep beklagenswaardige toestand. Ook dat je hem bidt om, vanwege jouw eer en de eer van je familie en je Nenny alles verborgen te houden, alsof het de eer van zijn dochter gold, dat je hem verzekeren kunt, dat deze diepe val je voorgoed genezen heeft van die zonde en dat je hoopt in Gods kracht nooit meer aan de minste zweem van die zonde toe te geven, al is de innerlijke affectie die je voelt ook onverbrekelijk.’

Dit artikel was een voorpublicatie van: Wim Coster. Uitgeverij Balans Amsterdam. Omvang: 300 pp, met illustraties. Prijs 18,95 euro.

Door Wim Coster
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Zonder handel, maar met behoud van waardigheid

Op zondag 24 april 2016 verschijnt het boek ‘Allemaal SAMen’, geschreven door Danielle Samuel.

‘Allemaal SAMen’ vertelt over het Joodse gezin Samuel, dat gehavend en verscheurd is door verdriet. De oma in het verhaal is de jongste dochter – na de oorlog geboren - die  opgroeide in een getraumatiseerd gezin, vrijwel zonder familie. Zij vertelt aan haar kleinzoon Sam dit verhaal, geïnspireerd door het verleden, maar vooral door de toekomst, dankbaar voor het feit dat zij wél oma mag zijn. Dit nieuwe leven heelt langzaam maar zeker de geslagen wond. ‘Allemaal SAMen’ laat zien hoe de tweede generatie omgaat met de trauma’s van de holocaust. Onderstaand een voorpublicatie van een fragment uit het boek.

Voor de onderduik moest mijn vader alles in het werk stellen om behalve de emotionele schade ook de economische schade zo veel mogelijk te beperken. Hij stond er alleen voor, een jonge man, in de bloei van zijn leven, bezig met de opbouw van zijn bestaan. Hij deed wat in zijn vermogen lag om te redden wat er te redden viel, terwijl de wereld om hem heen grimmiger werd. Hij zocht steun bij buren en collega-winkeliers. In goed vertrouwen bracht hij de inboedel bij hen onder, in de veronderstelling dat zij zouden blijven wie zij waren, zijn buren immers, zijn goede collega's, lid, net als hij, van de winkeliersvereniging.

Begraven

Winkelvoorraden, meubels, huisraad, kleding, noem maar op. Ik vraag me af hoe hij dat heeft gedaan, hoe kon hij het opbrengen? Pakte hij alles in dozen en hielp mama hem met de kopjes en de borden? Wikkelde ze alles in krantenpapier, voorzichtig, één voor één en schreef ze op elke doos wat erin zat en naar welke kamer het moest? Net als bij een verhuizing? Er waren ook religieuze spullen, zoals de gebedenboeken, de menora, zijn talles, keppeltjes, de kiddoesjbeker en andere Joodse heilige voorwerpen. Al deze zaken werden begraven, echt letterlijk begraven, onder de perenboom in een kist, een grote houten kist, alsof het een begrafenis betrof. Volgens de Joodse traditie wordt er bij een begrafenis Kaddisj gezegd, het gebed voor de rouwenden. Dit gebed beschrijft de grootheid en goedheid van onze G'd:

‘Moge zijn grote naam verheven en geheiligd worden…’ ‘Hij die vrede maakt in zijn hoge sferen, zal ook vrede maken voor ons en voor heel het volk Israël en voor alle mensen.’

Als er een uitgelezen moment, een ultiem moment zou zijn geweest waarop Kaddisj gezegd diende te worden, dan was het daar, onder die boom, bij die intens verdrietige vertoning. Maar al had papa het willen doen, het zou onmogelijk geweest zijn. Er waren geen Joodse mannen meer en Kaddisj kan alleen gezegd worden als er minje is. Zonder zijn keppeltje en zijn talles kon hij niets beginnen. Evenmin lukte het zonder zijn gebedenboek, zijn sidoer, dat hij altijd eerbiedig kuste als hij zijn gebeden gezegd had en heel voorzichtig weglegde, want G’d verhoede dat het op de grond zou vallen. Alles wat hun Joodse identiteit zou kunnen verraden moest verdwijnen, ook zij zelf.

David Samuel (links) op bezoek bij H. Broens (rechts), een van zijn klanten. Foto uit 1936.

Achterafkamertje

David en Betje werden Piet en Geertje. Ik kan me er geen voorstelling van maken, nee. Ik kan de bijbehorende emoties wel invoelen, maar het blijft een slap aftreksel van wat er zich werkelijk afgespeeld moet hebben. De onmacht, de pijn, de angst, de wanhoop. Mijn vader en moeder, toen minstens dertig jaar jonger dan ik nu. Hun toekomstige woonruimte zou zich beperken tot een achterafkamertje, waar alleen plaats was voor het hoogstnoodzakelijke. Bij ieder stuk dat hij inpakte, verloor mijn vader een stukje van zichzelf, zijn eigenwaarde, zijn aanzien, zijn verworvenheden als lid van de gegoede middenstand. Zijn hele wezen liep deuk na deuk op. Hij putte de kracht uit de overtuiging, dat hij deed wat het beste voor hen was. Hij had geen keus, het was overmacht en hij vocht op zijn manier. Door zijn gezin in veiligheid te brengen, gaf hij niet toe aan de boze opzet van de vijand. Door zijn spullen in veiligheid te brengen, dacht hij als dit allemaal voorbij zou zijn, hun leven weer op te kunnen pakken.

Zonder handel

Na de oorlog beweerde een aantal winkeliers glashard nooit iets van hem te hebben ontvangen. Dit zijn woorden, zwart op wit, maar als ik de bijbehorende beelden oproep wordt het lastig. Papa. David. Hij staat daar, voor de deur. Belt aan of nee, hij loopt achterom, zoals we dat gewend waren in het gemoedelijke Twente. Misschien zat men net 'aan de koffie'. Strakke gezichten draaien zich naar hem om. Hij vraagt met zijn ogen, maar ze keren zich af en laten hem staan alsof hij er niet is, niet meer bestaat, wellicht hadden ze daar op gerekend. ‘Die Samuel, daar hoor je toch nooit meer iets van’. David weet genoeg. Hij ziet hun ronde ruggen koppig naar hem toe gekeerd. Ze zijn niet thuis, niet voor hem. Zijn trots gebiedt hem te zwijgen en met rechte rug, hij wel, draait hij zich om en gaat weer, zonder zijn handel, maar met behoud van zijn waardigheid.

Op 5 november 2015 werden in Nijverdal Stolpersteine gelegd voor de elf vermoorde leden van de familie Samuel en voor Wofl Levie. (Foto: Emile Willems)

Ik weet nog dat er winkels waren waar we absoluut niets mochten kopen. Mama vertelde ons dat zij ‘fout’ waren geweest in de oorlog. Ik kende uiteraard de betekenis van de begrippen goed en fout, maar ik kon niet vermoeden wat zij ermee bedoelde. Dat besef kwam veel later. Het sijpelde mijn bewustzijn binnen als het smeltwater in een grot, langzaam maar zeker, venijnig, druppel voor druppel, totdat zich een ondergronds meer had gevormd. Mijn tranen waren de afwatering die het meer uiteindelijk wisten te reduceren tot een klein onbeduidend plasje, de rest deed de liefde. Jouw liefde.

‘Allemaal SAMen’ is te bestellen bij Uutgeverieje ’n Boaken.

Foto bovenaan pagina: Het Joodse kerkhof in Hellendoorn met rechts op de achtergrond het monument voor de in 1942-1943 vermoorde leden van de familie Samuels uit Nijverdal. Foto: Willem Wijnen. 

 

Door Danielle Samuel
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Naar de plek van...

Arie Slob: 'Hier ligt alles niet zo onder een vergrootglas.'

‘Ik ben van Zwollenaar Windesheimer geworden’, glimlacht Arie Slob als we in zijn kersverse woonplaats afspreken. ‘Ruim twintig jaar woonden we in Zwolle-Zuid, maar nog niet zo lang geleden hebben mijn vrouw en ik ons huis middenin de woonwijk verruild voor een rustiger optrekje buiten de stad.’ De verhuizing is in lijn met de andere grote wending die onlangs in Slobs leven plaatsvond. Afgelopen november maakte hij zijn vertrek uit de Haagse politiek bekend, om per 1 januari directeur te worden van het Historisch Centrum Overijssel en de IJsselacademie.

Slob groeide op in Capelle aan den IJssel en ging naar school in Rotterdam. Zijn vader had twee winkels in dier- en tuinbenodigdheden. ‘Af en toe ga ik er nog langs om te zien hoe het pand erbij staat’, vertelt Slob. ‘Mijn vader is jong overleden en de winkels zijn door iemand anders overgenomen.’ Al tijdens zijn studie geschiedenis ging Slob aan het werk als leraar geschiedenis en maatschappijleer. Eerst in Amersfoort en een jaar later op het Greijdanus College in Zwolle. ‘Daar heb ik elf jaar gewerkt’, vertelt Slob. ‘We zijn toen ook in Zwolle gaan wonen.’

Eerste contact

Naast zijn baan als leraar werkte Slob één dag in de week als freelance journalist. Hij schreef onder meer voor de Zwolse Courant en de Peperbus. Voor die laatste krant maakte hij iedere week een portret van een bijzondere Zwollenaar. ‘In die tijd heb ik allerlei facetten van de stad leren kennen’, vertelt Slob. ‘Eén van de mensen die ik sprak was Paul Harmens, die een ontzettend grote verzameling over Zwolle in de Tweede Wereldoorlog had. Het toenmalige stadsarchief had bijna niets over dit onderwerp in haar collectie. We hebben toen samen met Jaap Hagendoorn en oud-verzetsman Age Brouwer de Stichting Collectie Zwolle 1940-1945 opgericht. Paul beheerde de collectie. In feite was dat mijn eerste contact met het HCO.’

Politiek

Als journalist schreef Slob regelmatig over de raadsvergaderingen in Zwolle. Het bleek de opmaat naar een lange loopbaan in de politiek. Van gemeenteraadslid kwam hij terecht in de Tweede Kamer en in 2007 volgde hij André Rouvoet op als fractievoorzitter van de ChristenUnie. ‘Het was een bijzondere tijd, waarin ik een enorme ontwikkeling heb doorgemaakt’, zegt Slob. ‘Ik was altijd een rustige jongen, maar heb wel geleerd dat je soms naar voren moet stappen om je te laten horen.’ Slob was als onderhandelaar nauw betrokken bij de formatie van het kabinet met het CDA, PvdA en de ChristenUnie. Later speelde hij een sleutelrol bij de totstandkoming van het Lenteakkoord. Een positie in het centrum van de macht die hij vroeger nooit voor mogelijk had geacht. ‘Ik kom uit een familie die helemaal niet gewend was aan zulke functies’, blikt Slob terug. ‘Dat ik ging studeren was al heel wat. Mijn moeder kan eigenlijk nog steeds niet geloven dat ik in de Tweede Kamer heb gezeten.’

Getijdenboek in de vertaling van Geert Grote. (Museum Catharijneconvent Utrecht)

Moderne Devotie

De eerste maanden als directeur van het HCO en de IJsselacademie zijn Slob goed bevallen. ‘De omgeving is minder hectisch dan in Den Haag’, zegt Slob, ‘maar toch ligt er veel werk. Ik zie het als een uitdaging om het verhaal van de steden en Overijssel te vertellen.’ Een onderwerp dat hem daarbij nauw aan het hart ligt is de Moderne Devotie. ‘Tijdens mijn studie geschiedenis had ik daar al belangstelling voor. Ik ging naar het Catharijneconvent in Utrecht om er speciale colleges over te volgen.’ Op zijn vaste hardlooproute en iedere dag als hij vanuit huis naar zijn werk gaat, komt Slob langs het kerkje in Windesheim, de bakermat van de Moderne Devotie. ‘Zo’n klein plekje in Overijssel van waaruit een spirituele vernieuwingsbeweging ontstaat die in heel Noordwest Europa invloed heeft. Dat vind ik fascinerend’, zegt Slob. ‘Als HCO/IJsselacademie treden we nu op als kwartiermaker om de Moderne Devotie onder andere op de internationale UNESCO-lijst voor immaterieel erfgoed te krijgen.’ De beweging is volgens Slob nog steeds actueel: ‘Er zitten allerlei elementen in waaraan mensen ook nu nog appelleren. Tegendraads, eenvoudig, soberheid, dat zie je nog steeds terug.’

De politiek heeft Slob nog geen moment gemist. We spreken elkaar op de dag van de aanslagen in Brussel. ‘Het is hier ook druk en afwisselend, maar alles ligt niet zo onder het vergrootglas. In Den Haag had ik vandaag de hele dag voor de camera’s gestaan.’

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

Hannekemaaiers en kiepkeerls. Mannen langs de deur

Drie eeuwen lang, vanaf het begin van de Gouden Eeuw – de zeventiende - tot begin twintigste eeuw staken duizenden seizoenarbeiders, handwerkslieden en kooplui vooral vanuit Westfalen onze grens over. Duitsland was door oorlogen, verwoesting en overbevolking sterk verarmd. Daarom trokken vele Duitsers met zeis over de schouder of met hun mars op de rug naar ‘das steinreiche Holland’ om er wat geld te verdienen.

Hannekemaaiers en kiepkerels waren simpele aanduidingen voor die interessante, bonte stoet grasmaaiers, turfstekers, tichelwerkers, schepelingen, wevers, kwakzalvers, kooplieden, textielhandelaren en gelukzoekers van allerlei aard, die hun geluk in onze streken beproefden. De term hannekemaaier is afkomstig van de naam Johannes (Hannes) en is ontleend aan Sint- Johannesdag (24 juni), de dag waarop seizoenarbeiders traditioneel in dienst traden. De eerste hannekemaaiers kwamen hierheen om gras te maaien. Toen bekend werd dat Nederlanders geïnteresseerd waren in Duitse koopwaar (vooral linnen), namen sommige Nederlandtrekkers deze waren mee om een zakcentje te verdienen. Ze vervoerden de stoffen in een rieten mand (Nedersaksisch: ‘kiep’). In het noordoosten van ons land werden deze handelaren ‘kiepkeerls’ ‘veelinks‘ (westfalingers) genoemd.

De boer met landheer bij een stel hannekemaaiers. 

Zij kwamen vooral over de Hessenwegen, oude handelsroutes die vanuit Zuid-Duitsland naar Hamburg liepen. Er waren verschillende aftakkingen naar het westen, waarvan de meeste naar Utrecht liepen. De naam Hessenweg is ontleend aan het graafschap Hessen in Duitsland. De Hessenweg in Noordoost-Overijssel en de Twentseweg waren een onderdeel van deze internationale handelsroute. Enkele marskramers bleven voorgoed in Nederland zoals de broers Clemens en August Brenninkmeijer, die de confectieketen C&A oprichtten en de familie Sinkel, die met de Winkel van Sinkel begon.

Andere Nederlandtrekkers

De meeste Duitse Nederlandtrekkers waren afkomstig uit de landbouw, maar daarnaast waren er velen die een handwerk uitoefenden en bijvoorbeeld als schoenmaker, kleermaker, stukadoor of timmerman hun diensten kwamen aanbieden. Meestal hadden zij in hun woonplaats een bedrijfje en maakten van de slappe periode gebruik om elders wat te verdienen. De timmerlieden kwamen veelal uit Bremen. De wevers waren afkomstig uit Lippe en Bentheim. Vele trekkende Duitse handwerkslieden bouwden hier een goede reputatie op. Slagers, bakkers en stukadoors in ons land kwamen vaak uit Westfalen. In het bijzonder de roggebroodbakkers waren bekend: ‘Het lekkerste roggebrood dat je eet, is gekneed met moffenzweet ‘

Lippers op weg naar Nederland.

Een aparte verschijning onder de hier verblijvende vreemdelingen waren de zogenaamde blaaspoepen. Tot het begin van de twintigste eeuw kwamen deze muzikanten met hun blaasinstrumenten de grens over naar ons land. Ze trokken van dorp tot dorp, speelden op de straten en haalden geld op langs de huizen. Naar schatting 140.000 uit het huidige Duitsland afkomstige hannekemaaiers hebben zich tussen 1815 en 1850 blijvend in Nederland gevestigd. Het valt op hoeveel achternamen in ons land verband houden met dorpen en steden in de aangrenzende provincies zoals Anhalt, Batenburg, Benthem, van Ditmarsch, Van Dulmen, Dussel, Van Essen, Van Lingen en verder het alfabet langs.

*Titelfoto: Een kiepkeerl komt in 1899 in Den Ham aan de deur. (collectie Henk Boudewijns)

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De Twentsche Electrische Tramweg Maatschappij Enschede

Kort voor de vorige eeuwwisseling, zo rond 1890, werden de tramwegen met gejuich begroet. Overal in Nederland rezen de trammaatschappijen als paddenstoelen de grond uit. Enkele decennia later zag het publiek de tram vooral als een noodzakelijk kwaad. De tramrails lagen naast of in de straten, waardoor de tram de verdere ontwikkeling van het wegverkeer in de weg stonden. Voor de Tweede Wereldoorlog waren de meeste tramwegen weer verdwenen en hadden de vervoersmaatschappijen gekozen voor de autobus, die veel flexibeler inzetbaar was.

De Twentsche Electrische Tramwegmaatschappij (TET) werd op 2 februari 1904 opgericht te Enschede en was bedoeld om heel Twente van een onderlinge tramverbinding te voorzien. De grote trekker was de toenmalige burgemeester van Enschede, E.J. Bergsma (ook voorzitter van de ANWB), die de gemeentebesturen van Enschede en Lonneker om de tafel kreeg om dit avontuur aan te gaan.

Burgemeester E.J. Bergsma 1862 – 1948.

Na een moeizame voorbereiding (stroomlevering, concessies, e.d.) reed de eerste tram op 4 juli 1908 van Enschede naar Glanerbrug (destijds gemeente Lonneker). Ook burgemeester Hahn van Gronau had willen deelnemen, maar juridisch bleek dat geen haalbare kaart. Men mocht slechts tot aan de grens bouwen. Het traject was gekozen vanwege de honderden textielarbeiders die in de grensplaatsen Gronau en Epe werkten, maar in Enschede woonachtig waren. Niet alleen op werkdagen, ook op zon- en feestdagen was het een komen en gaan van mensen vanuit Duitsland die hun inkopen deden in Enschede. Zoveel is er dus niet veranderd in honderd jaar.

Poserend trampersoneel, circa 1908. (foto Henk Brusse)

Over de middenberm

Het jaar 1908 werd met een voordelig saldo afgesloten en de toekomst zag er rooskleurig uit. Het eindpunt van de stadsdienst aan de Marthalaan, die een tienminutendienst kende, werd verplaatst naar de uitspanning Het Lindenhof. Bovendien kwamen er nieuwe wagens waarmee in het volgende jaar zo’n 567.000 passagiers vervoerd zouden worden. Het bestuur van de TET wilde uitbreiden richting Hengelo en Borne, maar het plan verdween in de prullenmand omdat men het niet eens kon worden over de verdeling van de kosten.

Gedurende de oorlogsjaren 1914-1915 schommelde het aantal passagiers tussen de 550.000 en 650.000 per jaar. De grenzen werden gesloten en de Twentenaar kon niet meer in Duitsland werken. De laatste twee oorlogsjaren trok het aantal passagiers weer aan tot 1.1 miljoen reizigers, omdat de werknemers uit Glanerbrug die eerst in Duitsland werkten nu in Enschede aan de slag konden. Na de oorlog trok de economie aan; veel Duitsers werden naar Enschede gelokt, want daar was werk. Het ging goed, er werd geld verdiend. De nieuw aan te leggen singel in Enschede kreeg zelfs gescheiden rijbanen, zodat de tram over de middenberm zou kunnen rijden. Het is er alleen niet meer van gekomen.

Tram bij station Enschede, 1915. (bron: Spaarnestad)

Eind 1922 begon een particulier bedrijf met het autobusvervoer: een geduchte concurrent. Nog geen jaar later begon ook de TET met de inzet van autobussen om deze concurrentie het hoofd te kunnen bieden. Op 15 april 1923 deed de eerste stadsbus tussen Pathmos en de Langestraat haar intrede. De bedrijfsresultaten van dat jaar waren slecht, want eigenlijk vochten twee verschillende vervoersmiddelen om de voorrang: de tram en de autobus.

Datzelfde jaar werden er concessies aangevraagd voor de buslijnen Glanerbrug – Gronau, Enschede – Hengelo – Borne – Almelo en Enschede – Oldenzaal. Maar het bleef aanmodderen, want mede door de grote textielstaking tussen oktober 1923 en juni 1924 zag ook de TET haar passagiersaantal dalen. In 1929 werden de concessies richting Hengelo, Almelo en Oldenzaal voor veel geld van de concurrent overgenomen. Ondertussen was de grote crisis van de jaren dertig uitgebroken: grote werkloosheid en malaise, de gezinsinkomens daalden tot ver onder het normale peil; de kans op heropleving van de TET leek erg klein. Daar kwam bij dat er een nieuwe weg werd aangelegd tussen Enschede en Glanerbrug waardoor de tramrails verplaatst moeten worden, en daar had de TET simpelweg geen geld voor.

Gemeenten sprongen bij

Eerst in 1933 werd er flink gesneden in de kosten. Het trambedrijf werd opgeheven. De laatste rit werd gereden op 28 februari. Uiteindelijk is het dus maar bij die ene lijn met een lengte van 7,4 kilometer tussen Enschede en Glanerbrug gebleven. De gemeenten sprongen bij met een renteloos voorschot van 135.000 gulden. Het aandelenkapitaal werd van 300.000 gulden teruggebracht tot 30.000 gulden. Personeel werd op wachtgeld gezet en bussen werden omgebouwd van benzinemotoren naar dieselmotoren. Verder werd er een nieuw standaardtarief voor korte ritten ingesteld van vijf cent. Vooral dat laatste had tot gevolg dat het vervoer met grote schreden toenam.

De TET verzorgde haar materieel tot in de puntjes en de inwoners van Twente waren blij met hun comfortabele busvervoer dat zowel op het platteland als in de stad reed. De resultaten waren er naar: in 1937 was er voor het eerst weer een exploitatieoverschot. Het jaar daarop was men zelfs weer in staat om de lening af te lossen. Ook de jaren daarna bleef het overschot stijgen. De eerste oorlogsjaren bleven de bussen nog rijden, maar door gebrek aan brandstof en vanwege confiscatie door de bezetter was er nauwelijks busverkeer mogelijk.

Autobus voor B-wegen (Kromhout trambus type T.B.-5), circa 1935.

In de jaarrekening over 1955 staat dat er zestien ’intercommunale’ diensten werden onderhouden naast stadsdiensten in Enschede, Hengelo en Almelo. De TET vervoerde meer dan één miljoen passagiers. Om de service hoog te houden had de maatschappij 224 mannen en 37 vrouwen in dienst.

Met deze bussen werden de stadsdiensten in Enschede na de oorlog heropend.

Slechts 45 uur werken

In de jaarverslagen van de begin jaren zestig kwam ook steeds vaker de problematiek van de ‘krappe arbeidsmarkt’ aan de orde. Die krapte nam alleen maar toe, toen men besloot een 45-urige werkweek in te voeren. 1968 was een onrustig jaar. Men was niet tevreden over het loon. Bij collega-vervoerders braken wilde stakingen uit. De cao-onderhandelingen maakten dat het personeel een loonsverhoging kreeg van maar liefst vijftien procent. Het jaar erop ging het rijdend personeel van de TET over op de vijfdaagse werkweek. 

Uitbreiding

De TET wilde uitbreiden en begon in 1965 voortvarend met de overname van de lijnen van de Vriezenveense firma Winkel. Het jaar daarop werd de Nijverdalse busonderneming WATO onderdeel van de TET. Na een aantal rustige jaren werden nog meer busdiensten overgenomen: de lijn Oldenzaal Nordhorn (1976), de stadsdienst in Hengelo (1977) en van de TAD werd de lijn Enschede-Losser-Gronau in 1984 overgenomen.

‘Een der nieuwe 12 m bussen in de mooie omgeving van Ommen’ aldus het bijschrift in het jaarverslag van 1965.

Na de jaren tachtig vonden er steeds meer fusies plaats in het openbaar vervoer. Ook de TET ontkwam er niet aan. Via de ’Vereniging van Exploitatie Samenwerking Ov bedrijven’ en de ’NV aandelenbezit Streekvervoer’ fuseerden in 1997 de TET en haar Gelderse evenknie GVM tot Oostnet. Die maatschappij heeft het slechts twee jaar volgehouden en ging in 1999 met nog een aantal anderen over in Connexxion.

TET bus in de jaren negentig. (foto: Arthur A)

Door Marcel Mentink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

'Het boek als kunstwerk'

In de Schatkamer van Deventer Boekenstad aan Het Klooster is de komende maanden aandacht voor het uiterlijk van het nieuwe boek. Uit de rijke verzameling van de Athenaeumbibliotheek is een bijzondere expositie samengesteld die de ontwikkeling van het boek laat zien vanaf circa 1900 tot het begin van de eenentwintigste eeuw. Aan het einde van de negentiende eeuw is er steeds meer aandacht voor het boek als kunstvorm. Vooraanstaande kunstenaars richten zich op de versiering van boekbanden. Veel boeken hebben prachtige Jugendstilontwerpen, de vernieuwende kunststijl van rond de eeuwwisseling. Daarnaast wordt de typografie steeds belangrijker. In Het boek als kunstwerk van zijn veel voorbeelden te zien van boeken waarbij het uiterlijk centraal staat. Van de uitbundig vormgegeven boekbanden van Jan Toorop en de typografische meesterwerken van S.H. de Roos tot de kunstzinnige producten van drukkers, zoals de Apeldoornse kunstenares Doortje de Vries. Te zien van 11 april tot 1 juli 2016.

Openingstijden

Toegang gratis

Door de redactie

Diezerpoorters - Zo van de straat op de gevoelige plaat

Geïnspireerd door de website ’Humans of New York’ heeft fotografe Cobie Uiterwijk, zelf bewoner van de Diezerpoort, een groot aantal Diezerpoorters gefotografeerd en hen één persoonlijke vraag gesteld. Ruim een jaar lang is zij op pad gegaan voor wijkkrant 'Diezerpoorter'. Het totaalbeeld is een prachtige weergave van de diversiteit en bewoners, maar ook bezoekers aan de Diezerpoort.

Voor het Historisch Centrum Overijssel, in het hart van de Diezerpoort, aanleiding om in samenwerking met de Gemeente Zwolle en Travers Welzijn, een foto-expositie te maken van deze prachtige zwart-wit foto’s. De foto-expositie is gratis te bezichtigen van 15 maart t/m 1 juli 2016 in het Historisch Centrum Overijssel, aan de Van Wevelinkhovenstraat te Zwolle.

Door de redactie

Archeologische topvondsten uit het Land van Vollenhove

Vanaf 2 april tot en met 6 november 2016 is de tentoonstelling 'Bodemschatten uit de Kop: archeologische topvondsten uit het land van Vollenhove' te bezoeken in Cultuur Historisch Centrum Land van Vollenhove. Op 9 april 2016 wordt de tentoonstelling officieel geopend.

Rode draad

De zorg om het dagelijks leven staat centraal in de expositie. De medewerkers van het CHC hebben er veel tijd in gestoken om dit in de tentoonstelling ook tot uitdrukking te laten komen. Een boerderij uit de Bronstijd is met oog voor authentieke details nagebouwd. Van het kasteel Toutenburg, ooit het zomerverblijf van stadhouder Georg Schenck van Toutenburg, zijn in de tentoonstelling vele bouwfragmenten te zien. Het Stedelijk Museum in Zwolle heeft voor deze bijzondere tentoonstelling zelfs het oudst bekende schilderij van het kasteel in bruikleen gegeven.

Reis door de tijd

De tentoonstelling neemt de bezoeker mee op een reis door de tijd aan de hand van bijzondere archeologische vondsten uit de directe omgeving. Tot de vroegste voorwerpen behoren de resten van mammoeten uit de laatste ijstijd. De meest recente vondsten dateren uit de late Middeleeuwen en zijn een jaar geleden gevonden bij de Voorpoort in Vollenhove. Het CHC ontving verder veel bruiklenen uit een aantal archeologische depots en particuliere collecties die zelden of nooit zijn geëxposeerd. De tentoonstelling 'Bodemschatten uit de Kop: archeologische topvondsten uit het land van Vollenhove', is te zien van 2 april tot 6 november 2016 in het CHC Land van Vollenhove, Bisschopsstraat 36. Open van woensdag t/m zondag 13.00 uur – 17.00 uur.

Door de redactie

Stadsmuseum Almelo: tentoonstelling over Jules Hedeman

Van 11 juni tot en met 10 september 2016 vindt er in het Stadsmuseum Almelo een tentoonstelling plaats over Jules Hedeman. Een onbekende wereldberoemde Almeloër. Er zal geprobeerd worden het levensverhaal van Jules Hedeman in kaart te brengen. De Eerste Wereldoorlog staat centraal. De expositie zal niet alleen gaan over de figuur Jules Hedeman maar ook over de invloed die deze oorlog had in Nederland/Almelo. Naast fotomateriaal en krantenknipsels zijn er verschillende voorwerpen te zien. Militaire zaken zowel als die uit het leven van de burgers van die tijd. En hoe ging het toe op de nieuwsredacties van de wereldberoemde kranten in die eerste decennia van de twintigste eeuw.

Openingstijden: dinsdag t/m zaterdag 13-17 uur

Door de redactie

Schilderachtig Hasselt

In het oude Stadhuis in Hasselt exposeert Hasselter Ben van der Vegte van zaterdag 9 april t/m zaterdag 11 juni 2016 een aantal van zijn schilderwerken. Er zijn dan o.a. veel nieuwe schilderijen van het schilderachtige Hasselt te bewonderen.

Als amateurschilder heeft hij zo in de loop der jaren al vele doorkijkjes en stadsgezichten van Hasselt geschilderd. Cultuurhistorisch gezien is Hasselt immers een prachtig pareltje aan het Zwarte Water en zeker de moeite waard om vast te leggen met verf en inkt. Een feest van herkenning voor de Hasselters zelf en voor de buitenstaander een prachtige kijk op het mooie historische Hasselt. Als lid van de Hasselter Expressie Klub (HEK) komt Ben wekelijks met een aantal vrijetijdsschilders bij elkaar om hun schildershobby kleur en lijn te geven. Maar Ben schildert meer dan Hasselt alleen. Naast stadsgezichten schildert hij ook onderwerpen uit de natuur, o.a. bloemen, landschappen en zeegezichten, schepen, en ook stillevens. Allemaal geliefde onderwerpen, in de diverse technieken getekend of geschilderd. Soms realistisch, soms ook heel vrij en los geschilderd of zelfs abstract. Als amateurschilder werkt hij veel met acrylverf, maar hij maakt ook vele aquarellen. Daarnaast werkt hij met krijt en/of inkt. En de laatste tijd schildert hij ook weer met olieverf en daarbij heeft hij zich toegelegd op het zogenaamde 'Fijnschilderen'. Een aantal van zijn recente olieverf-schilderijtjes wordt dan ook eveneens tijdens deze expositie tentoongesteld. Schilderen is voor Ben een prachtige creatieve tijdsinvulling en een bron van inspiratie om steeds weer iets nieuws te creëren. Hij is dan ook vaak op zijn zolder-atelier te vinden waar vele schilderwerken tot stand komen. En dan is het mooi wanneer ook anderen deze schilderijen kunnen zien en ervan mogen 'genieten'. Vanaf zaterdag 9 april is iedere belangstellende van harte welkom op deze expositie rond het schilderachtige Hasselt….. en meer!

Oude Stadhuis, Markt 1, 8061 GG Hasselt Maandag t/m zaterdag geopend van 11-17 uur

Door de redactie

Oorsprong van een middeleeuws psalter achterhaald

Het antwoord op de vraag ‘waar is dit middeleeuws handschrift gemaakt’ is niet altijd gemakkelijk te geven. Het was in die tijd geen algemene praktijk om de maker en eigenaar in een boek te noteren, laat staan de plaats waar het tot stand kwam. Onderzoekers zullen daarom vaak andere aanwijzingen moeten vinden. De stijl waarin het boek versierd is, vormt zo’n aanwijzing. Worden er in de kalender regionale heiligen vereerd? Of is de tekst in een bepaald dialect geschreven? Vaak hanteert men slechts een algemene term om het handschrift aan een bepaalde regio toe te schrijven, zoals de IJsselregio of Oost-Nederland. Toch komt het voor dat een handschrift na onderzoek vrij specifiek aan een locatie toegeschreven kan worden. Dit was het geval bij een psalter in de collectie van de Athenaeumbibliotheek in Deventer.

Een psalter is een boek met de 150 psalmen en bevat vaak aanvullende religieuze teksten, zoals gebeden, een heiligenkalender en een litanie (gebeden die een heilige aanroepen en waarin een vraag gesteld wordt, zoals: ‘ontferm u over ons’). Psalters waren populaire boeken, gebruikt door geestelijken, maar ook door rijke leken voor privé-gebed. Dit psalter uit omstreeks 1500 kwam in 2008 in de collectie van de Athenaeumbibliotheek, maar had daarvoor een lange weg afgelegd.

De tot zover bekende provenance, de oorsprong en bezittersgeschiedenis, van het boek bestaat uit een paar namen. Op het voorste en achterste dekblad is twee keer een naam geschreven: ‘Suster Celie Henricks’ en ‘Suster Cecilie Henricks’. Op het voorste dekblad is eveneens een ex-libris, een eigendomskenmerk, van Six van Hillegom te vinden en één van Bob Luza. Dit duidt aan dat het boek een paar keer van eigenaar verwisseld is. Het boek kwam uiteindelijk tevoorschijn op een veiling van Bubb Kuyper in 2008. De beschrijving in de catalogus gaf aan dat het om een Latijns psalter zou gaan, dat rond 1500 gemaakt is in Oost-Brabant of Nederrijn.

Het psalter opent met koning David in de hoofdletter B. (Deventer, Athenaeumbibliotheek, ca. 1500).

SARIJS-HANDSCHRIFTEN

Deskundigen echter, brachten de stijl van de decoratie van het psalter in verband met de beroemde Sarijs-handschriften. Dit is een groep manuscripten uit Zwolle die eenzelfde kenmerk hebben. De heilige Marijs is in de kalender verkeerd gespeld, namelijk als Sarijs. Door het kopiëren van de teksten en kalenders is deze fout doorgevoerd in vele handschriften. Deze handschriften kunnen vervolgens, ook aan de hand van stijl, toegeschreven worden aan de makers van de Sarijs-handschriften. Door het verband met deze handschriften uit Zwolle, heeft het psalter een link met het IJsselgebied. De Athenaeumbibliotheek Deventer verzamelt handschriften uit deze regio en breidde de collectie uit met het psalter.

DE CONNECTIE MET (DE OMGEVING VAN) ZWOLLE

Na bestudering van de stijl van de decoratie kan de conclusie getrokken worden dat het boek inderdaad lijkt op andere Sarijs-handschriften. De decoratie heeft een symmetrische, ordelijke opstelling met krullende acanthusranken en vele bloem- en fruitmotieven. Ook de beginletter met koning David is in een vergelijkbare vorm terug te vinden. Er zijn echter ook kanttekeningen te plaatsten bij het vermoeden dat het hier om een Sarijs-handschrift gaat. De kenmerkende kopieerfout van ‘Sarijs’ in plaats van ‘Marijs’ is in dit boek niet terug te vinden. Ook andere elementen, zoals de stijl van het penwerk (decoratie met inkt) verderop in het handschrift, komen niet geheel overeen met de Sarijs-handschriften.

We kunnen er dus niet zondermeer van uitgaan dat het handschrift in Zwolle is gemaakt. Toch is de stijl van de decoratie wel een aanwijzing dat het boek uit de omgeving van de Hanzestad komt. Het ligt dus voor de hand om naar kloosters of religieuze instellingen in de buurt te kijken. De vermelding ‘Suster Cecilie Henricks’ vormt een belangrijke aanwijzing. Een handig hulpmiddel voor de plaatsbepaling van het handschrift is de heiligenkalender voorin het psalter. In zo’n kalender komen heiligen voor die overal vereerd worden, zoals Maria en Jezus. Soms worden er ook regionale heiligen genoemd. Een bekend voorbeeld is Sint Jeroen die vereerd wordt in Hoorn. In de kalender van ons psalter wordt een heilige opgevoerd die maar weinig voorkomt en hier ook nog eens in het rood is geschreven. Dit laatste is een teken dat het om een belangrijke heilige gaat: de heilige Birgitta, stichter van de birgittinessen. Ook in de litanie staat zij op een prominente plek en bovendien zijn er aan Birgitta gebeden gewijd.

MARIËNKAMP

De birgittinessen hadden meerdere kloosters in de Noordelijke Nederlanden: onder andere in Rosmalen, bij Den Bosch, maar ook in Kampen, het klooster Mariënkamp. Kampen ligt hemelsbreed twaalf kilometer van Zwolle. Zou zuster Cecilie Henricks dan in dit klooster hebben gewoond? Normaal gesproken is dat lastig te achterhalen, maar gelukkig bevindt zich in het Kamper stadsarchief een lijst met zusters die in 1581 in het plaatselijke birgittinessenklooster aanwezig waren. De vierde naam op die lijst is Cecilia Henricks! Omdat het handschrift waarschijnlijk rond 1500 is vervaardigd, weten we dus niet precies waar het boek de eerste jaren doorbracht. We weten echter wel dat het in het bezit is geweest van Cecilie en dat het gewijd is aan de heilige Birgitta. Zonder twijfel was het psalter dus voor het Kamper klooster bedoeld.

VERLOREN GEWAAND BOEK

In het boek over het klooster in Kampen van Ulla Sander Olsen schrijft hij over boeken die in het bezit zouden zijn geweest van de zusters in Mariënkamp. Eén van deze boeken kwam terecht in de collectie van D.C. van Voorst in Amsterdam. Deze boeken werden na zijn dood in 1860 geveild. In de veilingcatalogus wordt een boek uit Rosmalen genoemd met de naam van zuster Celie (Cecilie) Henricks er in geschreven. Olsen trekt hieruit de conclusie dat het boek vanuit Mariënwater naar Mariënkamp is gebracht. Sinds de veiling is het boek buiten beeld geraakt. Niemand wist waar het was. Olsen kon daarom alleen de beschrijving van het boek bestuderen en niet het boek zelf. Nu is het psalter dus ‘opgedoken’ in Deventer. De precieze oorsprong van het psalter is nog niet bekend, maar duidelijk is wel dat het uiteindelijk bedoeld was voor het Birgittinessenklooster in Kampen.

Door Lotte Eilers
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselaars van Toen

H.J. van Nijnatten-Doffegnies, beroemd schrijfster uit Diepenveen

De schrijfster H.J. (Riek) van Nijnatten-Doffegnies (1898-1990) schreef meer dan twintig boeren- en burgerromans, die een enorm succes bleken bij het vrouwelijk publiek. Ze verkocht ruim een miljoen boeken en in de openbare bibliotheken bleek haar werk als ‘Moeder Geerte’ en ‘Het geheime dorp’ altijd uitgeleend. Veel is vertaald in het Noors, Zweeds, Deens en Fins. Ze kwam uit Diepenveen, maar wie was deze populaire schrijfster eigenlijk?

Henrica Judith Doffegnies werd op 16 februari geboren op de havezate Oud Rande in de gemeente Diepenveen. Haar vader Jan Willem Doffegnies was burgemeester en moeder Petronella J.M. van Marle de dochter van een gefortuneerde oud-burgemeester van Deventer. Riek had drie oudere broers, Felix, Hein en Dof. Het gezin behoorde tot de Deventer en plattelandselite. In 1900 werd er verhuisd naar het nieuwe luxueuze huis 't Clooster, aan de Sallandsweg in het dorp. Riek had diverse huisdieren en genoot van het buitenleven (ze had een fiets, kanode in de Wetering en ging ook naar de kermis, maar vader wilde wel dat ze afstand hield). Na de lagere school ging ze naar de meisjes-hbs in Deventer. Zo leerde ze - ook via het huispersoneel - het dorps- en stadsleven kennen en het Sallandse dialect, wat later goed van pas kwam.

Huize 't Clooster van burgemeester Doffegnies aan de Sallandseweg in Diepenveen, rond 1913. (Archief Historische Vereniging Dorp Diepenveen e.o.)

Op de meisjes-hbs zat ze in de klas bij Meta Kluwer, dochter van de uitgever, en bij haar achternichtje Madelon Lulofs. Deze zou later in Nederlands-Indië met broer Hein trouwen (en van hem scheiden) en werd bekend als de schrijfster Madelon Szkékely-Lulofs. Riek schreef graag opstellen (met veel taalfouten) en haar ouders waren onder de indruk, maar de directeur van de school vond haar een 'prulschrijfster' en dat frustreerde haar enorm. Nog voordat ze eindexamen kon doen, verhuisden haar ouders naar Den Haag. Vanwege de Eerste Wereldoorlog kon ze niet naar een internaat in Zwitserland, maar in 1919 maakte ze wel een reis naar Nederlands-Indië. Terug in Den Haag leerde ze via haar hobby paardrijden luitenant Gerard J.M.C. van Nijnatten (1898-1970) kennen, een befaamd springruiter. Na hun huwelijk werd Gerard gestationeerd bij diverse militaire kazernes, waardoor er veel werd verhuisd. Het paar kreeg twee dochters, Coby en Tuut.

Trouwfoto van Riek Doffegnies en Gerard van Nijnatten, 1921. (Familiearchief)

Niet over het leger

Het inkomen van een officier was in die tijd niet hoog en daarom kreeg Riek een toelage van haar vader. Maar na het begin van de crisis in 1929 stopte dat en Gerard zocht een beter betaalde functie in het leger en Riek begon met schrijven als bijverdienste. Het manuscript van haar eerste boek ‘Een stip op de kaart’ is zoekgeraakt, maar het lukte haar om het tweede boek ‘Grond’ over een Sallandse boer die niet naar de stad wil verhuizen, te publiceren als feuilleton in het Sallands Weekblad van Kluwer. Zij kreeg er vijftig gulden voor, gedeeltelijk in boeken. Zij koos onder andere ‘Oud-Achterhoeks Boerenleven het hele jaar rond’ (1927) van Hendrik Willem Heuvel en gebruikte uitdrukkingen uit dit boek in haar eerste romans ‘Huis van licht en schaduw’ en het vervolg ‘Moeder Geerte’, beide uit 1939. Overigens is ‘Huis van licht en schaduw’ in 1939 door de criticus F. Bordewijk besproken in het literaire tijdschrift De Gids . Hij vindt eigenlijk dat vrouwen niet kunnen schrijven en adviseert haar om te stoppen, maar looft desondanks de natuurobservaties in het boek.

In veel romans gebruikt ze thema's uit haar omgeving (behalve het leger). Zo speelt ‘Claartje, vaders dochter’ (1959) in een burgerlijk stadsmilieu en is de locatie herkenbaar als de stad Deventer. Voor de kleinkinderen schreef ze het sprookjesboek ‘Duco's gevleugelde dromen’ (1957) met illustraties van Anton Pieck. Min of meer op de werkelijkheid berust ‘Het geheime dorp’ (1947) over het onderduikdorp in de bossen van Vierhouten. Ook ‘Tolhuis Het Zwarte Paard’ (1941) en ‘’t Hemeltje’ (1953) gaan over de oorlog, voor haar gezin een moeilijke periode. Echtgenoot Gerard verbleef drie jaar in krijgsgevangenschap in Polen en Riek bood ondanks haar kleine huis in Nunspeet, huisvesting aan onderduikers en een Engelse piloot. Daar kreeg ze het Verzetsherdenkingskruis voor.

Gegoede families en boeren

De meeste romans, die goed geschreven zijn en vaak een spannende plot hebben, spelen in de negentiende eeuw op landgoederen, in een stadsmilieu of op boerderijen. Ze beschrijft uitgebreid interieur, kleding en omgangsvormen. De personages komen meestal uit gegoede families of zijn vrijgevochten boeren. Vanwege het eerste boek ‘Grond’ dat in een boerenmilieu speelt, kreeg zij het predikaat streekromanschrijfster, maar daar is ze het zelf niet mee eens, omdat maar enkele boeken echt over het boerenleven gaan. Uit de verhalen van haar dochters, haar lezingen en interviews blijkt haar liefde voor paardrijden, reizen, tuinieren en lezen. Als persoon blijkt Riek van Nijnatten-Doffegnies een vrijgevochten vrouw, die graag haar eigen gang ging en zich niet gehinderd voelde door het burgerlijke milieu waarin ze opgroeide, net als de meeste hoofdpersonen in haar boek. De laatste jaren van haar leven woonde ze in Doorn, waar zij op 30 april 1990 overleed.

Door Lamberthe de Jong
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Respect

Een roeister vindt in het Twentekanaal het hoofd van een man. Nico ter Mors herkent in hem zijn jeugdvriend André Hammink ooit de derde doelman van FC Twente, maar daarna spoorloos verdwenen. Tot vorige week. Nico raakt betrokken in een duistere voetbalthriller waarin corruptie, mensenhandel en spoken uit het verleden opduiken. Hoofdinspecteur Frida Brandriet wordt intussen belaagd door een stalker en The Passion door een aanval van drones. En wat gebeurde er werkelijk in het fusiejaar 1965?

Auteur: Claus Brockhaus

Uitgever: Kanaal Twente

ISBN 978 90 8099 838 4 | 269 pag. | € 17,90

Door Claus Brockhaus

Van landarbeidersbelang tot mecenaat

Auteur Klaas Oosterkamp heeft in opdracht van de Stichting Regiofonds ‘Dooze en Dorp’ de geschiedenis in boekvorm vastgelegd van de 97 jaar geleden opgerichte vereniging ‘Het Belang van den Landarbeider te Ambt Hardenberg’. De vereniging was in 1937 bijzonder actief in de omgeving van Kloosterhaar met het realiseren van het `grote project’. Dit project bestond uit het ontginnen van de Dooze (omg. Crullsweg), circa 108 Ha. en het Amerikaslag (omgeving tachtig Bunderweg), circa 56 Ha. De vrijkomende gronden zouden verkaveld worden in percelen van 2 Ha. waarop een nieuwe landarbeiderswoning zou worden gebouwd. Dit grote werklozenproject bracht ook met zich mee dat er in Kloosterhaar twee werkkampen werden gebouwd. Werkloze mannen uit Amsterdam, Dordrecht en Schiedam werden hierin gehuisvest. De oorlog gooide echter roet in het eten. Na de oorlog keek men met heel andere ogen naar het project. Percelen van 2 Ha. bleken veel te klein om in eigen onderhoud te kunnen voorzien met als gevolg dat veel eerder geplande woningen nooit gebouwd zijn. De al uitgevoerde grondverbetering t.b.v. deze huisplaatsen zijn tot op heden nog altijd als stille getuigen zichtbaar in het landschap. De oorspronkelijk naam en de vorm van de stichting: ‘Het Belang van den Landarbeider te Ambt Hardenberg’ werd later verschillende keren veranderd. ‘Dooze’ (gebied Crullsweg) en ‘Dorp’ (woningen Akkerweg Sibculo), het belangrijkste werkgebied, kwam en zit ook nog in de huidige benaming ‘Stichting Regiofonds Dooze en Dorp’.

Auteur: Klaas Oosterkamp

Uitgever: OLBO 

ISBN 978 94 90134 05 1 | 171 pag. | € 24,95

Door Klaas Oosterkamp

Een eenvoudige spraakkunst van het Twents

In deze grammatica zijn taalregels van het Twents van nu samengebracht. De schrijvers Hans Hetterschijt (neerlandicus), Theo Kamphuis (neerlandicus) en Henk Swennenhuis (germanist) hebben een aantal regels opgespoord die een Twentenaar bewust, maar meestal onbewust hanteert als hij Twents spreekt. Met als doel de taalregels van het Twents van onze tijd vast te leggen. De samenstellers hopen mensen die geïnteresseerd zijn in het lezen, schrijven en spreken van Twents enig houvast te geven.

Auteur: Hans Hetterschijt e.a.

Uitgever: eigen beheer

ISBN | 127 pag. | € 18,75

Door Hans Hetterschijt e.a.

Varend verleden: 150 jaar scheepvaart en scheepsbouw in Avereest

De geschiedenis van de Dedemsvaart, de 14 scheepswerven en de aldaar gebouwde schepen afgewisseld met verhalen en anekdotes. Veel feiten uit de scheepsbouwgeschiedenis van Dedemsvaart worden voor het eerst gepresenteerd. De auteurs hebben meer dan tien jaar gegevens over de honderden in Dedemsvaart gebouwde schepen verzameld met de werkgroep Scheepvaart. Daarnaast is er veel bronnenonderzoek verricht naar de werven waar deze schepen gebouwd zijn. Het boek bevat veel foto’s en een kaart van Avereest/Dedemsvaart met de locaties van alle werven geprojecteerd op de huidige situatie.

Auteur: Hans Berkenbos & Dick Haasjes

Uitgever: Historische Vereniging Avereest

ISBN | 182 pag. | € 13,50

Door Hans Berkenbos & Dick Haasjes

Verdwenen merken 1975 – 2015

Een boek over verdwenen Nederlandse merken, waarin ook typisch Twentse merken nadrukkelijk naar voren komen. Het gaat om de merken Love Jeans (Oldenzaal), Caraco ijs (Hellendoorn), De Grote Een (Hengelo), TET (Enschede), Sanders supermarkten, Arke Reizen, Gelink Adviesgroep (Enschede), Hengelo bier, Jansen & Tilanus (Vriezenveen).

Auteur: Richard Otto & Robbert van Loon

Uitgever: Tens Media Hilversum

ISBN 9789082367614 | 254 pag. | € 29,95

Door Richard Otto & Robbert van Loon

Oetzicht: Twentse dichtbundel

De gedichten zijn ingedeeld in vier categorieën: de natuur en de verbinding met de mens; het ouder worden en de daarmee gepaard gaande verandering en het krimpende vooruitzicht van de oudere; het loslaten van wat je dierbaar is; een nuchtere blik op en een glimlach van het alledaagse.

Auteur: Gerard Droste (Klei Gerrit)

Uïtgever: Uitgeverij Van de Berg Almere

ISBN 9789055124534 | 56 pag. | € 9,95

Door Gerard Droste

De Latijnse school in Oldenzaal, 1770-1891

Het Oldenzaalse kapittel, het kerkelijk bestuur van de stad, kent een lange geschiedenis. Het werd opgericht in 954 door bisschop Balderik en diende als steunpunt voor het bisdom van Utrecht. De leden van het kapittel heetten kanunniken. Bij het Oldenzaalse kapittel hoorde ook een school waar leerlingen onder andere les kregen in muziek en zang. Na de hervormingen, onder meer door de Tachtigjarige Oorlog, brengt de Franse overheersing en de daarop volgende industrialisatie nieuwe veranderingen met zich mee.

De drost van Twente en de Ridderschap van Overijssel benoemde in 1769 Franciscus Adrianus van Achter als rector van de Latijnse School te Oldenzaal. Van Achter verliet hiervoor Weesp en verbleef vier jaar in Oldenzaal. In 1774 werd hij weer als rector in Weesp aangesteld. Van Achter was een gewezen priester en Augustijner monnik. Hij kwam uit Gent en was daar reeds leraar in de redeneerkunde en welsprekendheid geweest. Na zijn geloofsovergang vond Van Achter een werkkring in het onderwijs en werd in 1755 rector van de Latijnse School te Weesp. Zijn oratie te Weesp is gepubliceerd in Latijn en Nederlands met als titel: ‘Inwijdings Redevoering over de dankbaarheid’. Toen hij in 1769 werd aangesteld als rector te Oldenzaal schreef hij ook een dankbrief aan de magistraat van Oldenzaal en aanvaardde de functie met een redevoering. Deze redevoering besloeg maar liefst 59 pagina’s en was opgedragen aan de leden van de Ridderschap, de curatoren en de magistraat van Oldenzaal. Hij sluit af met een gedicht, waarin hij Sigismund graaf van Heiden Hompesch, drost van Twente, bezingt ‘… comes, quem tota patrem diligit Tubantia’ (de graaf van wie heel Twente houdt als van een vader).

Na 1651 werd in een zaal in de Plechelmusbasiliek de Latijnse School ondergebracht. De steendruk van J. de Lange toont de situatie in 1840.

Nadat rector Van Achter in 1774 weer naar Weesp vertrok, werd Ds. Schultz, predikant uit Veldhuyzen, een van de meest vermaarde rectoren van de Latijnse School. Onder zijn rectoraat begaven zich een menigte leerlingen uit Friesland, Drente en Groningen naar Oldenzaal. In deze periode bereikte de school een grote bloei. Deze rector bleef tot aan zijn dood in 1796 aan de school verbonden. Leerlingen uit die periode waren onder andere Evert Jan Thomassen a Theussink, later beroemd hoogleraar geneeskunde (pathologie, forensische medicijnen en historische geneeskunde) in Groningen. Een andere leerling was Jan Huidekoper uit Friesland. Hij werd later koopman te Amsterdam en later commissaris van de Nederlandse Handelsmaatschappij.

Dagboek van Wennemar Henricus Droghoorn, de 1ste Juni 1772

Er is een dagboek bewaard gebleven van een leerling van de Latijnse School in Oldenzaal. Deze heeft een dagboek bij gehouden in 1772 en een van de vier deeltjes op zakformaat is bewaard gebleven. Deze leerling, Wennemar Henricus Droghoorn, kwam uit Ootmarsum. De verwachting was dat zijn vader hem naar de Latijnse School van Ootmarsum sturen, maar dit is niet het geval geweest. Wennemar werd leerling aan de Latijnse School te Oldenzaal. Naast het wel en wee in huize Droghoorn in Ootmarsum vertelde de jongen ook het een en ander over de school in Oldenzaal. In het bewaard gebleven deel van het dag boek stonden alleen aantekeningen over het laatste schooljaar van Wennemar. Zoals van een leerling verwacht werd, waren zijn aantekeningen in het Latijn. Twee jaar later als student aan de universiteit van Utrecht ging Wennemar echter over van het Latijn op de Franse taal.

Droghoorn kreeg in 1772 les van rector Van Achter. De conrector was op dat moment J.G. Toe Reppel en de praeceptoren waren D.W. Verroten en H.C. Bening. Wennemar was in de kost bij de rector. Na zijn vakantie die hij bij zijn ouders in Ootmarsum doorbracht, ging hij met boer Kienhuis uit Tilligte op de wagen terug naar Oldenzaal. Rector van Achter had meer leerlingen in de kost, genoemd worden Reinard Hendrik Vos van Steenwijk tot den Oldenhof, uit Vollenhove. Andere namen die Wennemar noemde zijn Willem van Wulfften, Hendrik Menger en Johannes Potken.

Nundinae vulgo & Bacchanalia

Wennemar vervolgde met de mededelingenover zijn schoolwerk gemaakt wordt en de examenthema’s. De dag van de overgangsexamens vond plaats op 9 juli. Na het eten was er ‘solemnis praemonium distributo’, de plechtige uitreiking van de prijsboeken en op 10 juli is de jongen weer thuis. Pas op 21 september ging hij weer naar Oldenzaal voor het laatste jaar aan de school. Minstens elke week werden de ouders van Wennemar op de hoogte gehouden van de vorderingen van hun zoon. Op donderdag 5 november meldde Wennemar de koude kermis te Ootmarsum, de zogenaamde ‘nundinae vulga’. Hij was een serieuze student en stond soms al om vier uur ’s ochtends op om te studeren. Dit beloonde zijn vader door hem een halve anker wijn te sturen. Hij bracht op 14 november ook een vette gans mee voor de rector. Ook carnaval werd genoemd. Daags na 22 februari, de Petridag, waarop de verkiezing van de raadsleden en de burgermeester plaats vond, is het Vastenavond. Wennemar noemde het in Latijn ‘hodie sunt Bacchanalia’ (vandaag zijn er feesten). Na de paasvakantie wordt op 1 mei naar traditie door de leerlingen van de school ter ere van de rector en praeceptoren een meiboom opgericht en werden zij door de burgermeester getrakteerd. Wennemar heeft het in zijn dagboek niet over zijn eindexamen dat hij moet afleggen, maar hij vertrekt in september naar Utrecht om rechten te studeren aan de universiteit. Hij zou advocaat te Ootmarsum worde en secretaris van het agentschap van justitie onder koning Lodewijk Napoleon.

Revolutie

In het dagboek van Wennemar Droghoorn zijn al aanwijzingen te vinden van de op handen zijnde veranderingen in de Twente. Droghoorn kreeg op school niet alleen Latijn, maar ook Franse les. Ook het feit dat hij ophield met schrijven in het Latijn en doorging in het schrijven in het Frans, zegt iets over deze veranderingen. In het laatste kwart van de achttiende eeuw kwam er verzet tegen de starheid van de Latijnse School. De school paste niet meer bij de veranderde samenleving, iets wat ook Petrus Camper, arts en hoogleraar, in 1763 aangaf. Het vakkenpakket was te eenzijdig geworden en te weinig gericht op de eisen van de samenleving in die tijd. De didactische aanpak was verouderd, vooral omdat de leerlingen niet naar niveau van bekwaamheid bij elkaar werden gezet en elkaar zodoende weinig stimuleerden.

In 1797 wordt in Oldenzaal weer een katholieke rector benoemd, H. Bouma uit Yperen. In 1803 werd de geestelijke J. van Veen uit Borne aangesteld als tweede praeceptor. Uiteraard kwam hier verzet tegen van de heren Potken en Meyling, de protestantse praeceptor en conrector van de school. Inmiddels was door de Revolutie en de Napoleontische bezetting van ons land de Ridderschap en Steden van Overijssel afgeschaft. Overijssel was nu een departement van de Bataafse Republiek geworden. Het bestuur van het departement schreef dan ook aan de heren Potken en Meyling dat de religie van de rector en de tweede praeceptor geen schade aan de school kon toebrengen. De school lag bovendien in een stad waarin het merendeel katholiek was. Meyling en Potken hielden voet bij stuk met als gevolg dat zij in 1801 werden geschorst. In 1809 werd door koning Lodewijk Napoleon een staatscommissie ingesteld voor de hervorming van het voortgezet onderwijs. Het elitaire, exclusieve en geleerde karkater van de Latijnse School werd hier op de hak genomen. Gepropageerd werd een enkele school met een breed vakkenpakket en met opname van Franse elementen. In Oldenzaal zien we hiervan iets terug want in 1803 werd dhr. J. Helderman, Frans kostschoolhouder te Oldenzaal, door het departement benoemd tot Frans schoolmeester aan de Latijnse School. In 1796 was al besloten dat in plaats van een praeceptor een Franse Schoolmeester aangenomen moest worden.

Voormalig gymnasium op de Plechelmuskerk, opgericht anno 1662.

De negentiende eeuw

In 1813 vertrekken echter de Fransen en een paar jaar later werd Nederland een koninkrijk onder Willem I. Dit had ook gevolgen voor het onderwijs. De hervorming van het onderwijs onder Willem I in 1815 bestond slechts uit toevoeging van enkele ‘moderne vakken’ als bijvakken. Niet alleen de klassieke talen moesten onderwezen worden, maar ook de ‘zeden en gebruiken der ouden’. Het beginsel van de klassieke vorming werd steeds meer apart gezien van het zogenaamde Franse onderwijs, dat meer praktisch gericht was en uitgebreider was dan het klassieke onderwijs. De Latijnse School bleef een voorbereidingschool voor de universiteit. In 1816 werd J. Weelink als praeceptor aangesteld in Oldenzaal en met een korte onderbreking van 1818 tot 1821 als conrector te Zwolle, werd hij in dat jaar rector van de Latijnse School. Hij zou rector blijven tot 1851. Zoals elders in Nederland begon de ietwat elitaire Latijnse School zich langzaam los te koppelen van het vakgerichte onderwijs in de moderne talen. In deze periode deed de school pogingen om naast Latijn ook de vakken geografie, Frans, Duits en Engels te geven. In 1821 gaf J.H. Berhns, lector in wiskunde, Frans, Engels en Duits aan de avondschool te Oldenzaal lessen die ook door de leerlingen van de Latijnse School werden gevolgd. In 1828 ontvingen de leerlingen M.Werndly en J.H. Costers getuigschriften voor het nieuwe onderwijs, in wiskunde, geschiedenis, aardrijks-en fabelkunde. In 1830 noemt de Overijsselsche Courant rector Weeling rector van het gymnasium te Oldenzaal. Leerlingen uit deze periode die getuigschriften ontvingen waren onder andere A.A.W. van Wulfften Palthe, J.H. Bloemen, H. Beernink, J.F.A. Kistemaker (de latere bisschop van Curacao) en G.W. Daens.

In 1833 deed dhr. H. Wijnbeek, onderwijsinspecteur, een verslag van de Latijnse School te Oldenzaal. Hij zei: ‘Het lager onderwijs is hier in slechten staat. Vandaar dat het verstand der kweekelingen bij hunne komst op de Latijnse School weinig ontwikkeld is. Ik vond er een getal van 14 [leerlingen], meerendeels bestemd voor de R.C. geestelijken stand. De bekwame conrector Hamming, …, had echter met die zoo slecht voorbereide leerlingen wonderen verrigt ten aanzien van het Grieks en Latijn. Jammer dat de overgang tot de school van de rector Weeling hun geen voordeel aanbrengt. Deze man is te log voor ijverbevorderende arbeid. In geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde tusschen rector en conrector verdeeld waren de vorderingen zeer matig.’

In 1835 schrijft de Overijsselsche Courant over de getuigschriften en promoties aan de Latijnse School te Oldenzaal. Rond deze tijd zat ook Charles Theodorus Stork op de school net als zijn broers Cornelis Hendrik en Willem Cornelis. Cornelis Hendrik liet zich in 1838 inschrijven bij het Atheneum te Deventer. Ook Karel Palthe was in 1835 een leerling van de school en toen 15 jaar oud. J.H.F. Kirch uit Oldenzaal zat als nieuweling in de laagste klas van de school. Hij was later een van de oprichter van de Oldenzaalsche Weverij Maatschappij.

Charles Theodorus Stork (1822-1895).

In 1841 kwam opnieuw een onderwijsinspecteur naar Oldenzaal en zijn oordeel was evenals in 1833 niet goed. Hij vond het niveau te laag en de vorderingen van de leerlingen te gering. Zij waren middelmatig in Grieks en Latijn. Dat wees hij toe aan de afkomst van de leerlingen. Hij zei ‘..dat zij meerendeels boerenkinderen zijn, gebrekkig voorbereid voor het onderwijs der Latijnse School, hoewel zij bestemd zijn voor de R.C. geestelijke stand.’ Hij was van mening dat met het aanstellen van een katholieke rector, het aantal leerlingen wel zou toenemen.

Het Gymnasium

In 1842 wordt de Latijnse School van Oldenzaal omgedoopt tot een gymnasium. Nogmaals kwam er een onderwijsinspecteur op bezoek en wederom klaagde hij over het geringe aantal leerlingen. Maar in 1852 worden in de Overijsselsche Courant het aantal leerlingen van de Overijsselse gymnasia genoemd. Hieruit bleek dat Deventer, Kampen en Oldenzaal het grootste aantal leerlingen hadden, respectievelijk 41, 27 en 35. Mogelijk om die reden wordt in 1855 het gymnasium in Oldenzaal verplaatst van de Plechelmuskerk naar lokalen in het stadhuis. In 1857 diende zich een beroemde leerling aan. De dertienjarige Johan Aloysius Marie Schaepman zou later priester worden en KVP-politicus. Het aantal leerlingen werd echter minder en minder en in 1890 werd het gymnasium opgeheven. De laatste diploma’s werden in 1891 uitgereikt aan de leerlingen L. Koek, H. van Harten en A. Muller. Het schoolgebouw van de Latijnse School bij de Plechelmuskerk werd tijdens de restauratie in 1891 afgebroken.

Dit was het derde en laatste deel van een drieluik over de Latijnse School in Oldenzaal. De twee eerdere delen zijn gepubliceerd in MSMD Online Magazine van oktober 2015 en januari 2016.

*Bijschrift titelfoto: Twee studenten aan een gymnasium in 1882. (Eduard von Gebhart, foto Kunsthalle Hamburg)

Door Ruud Olde Dubbelink en Martin Looman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

Melkventmisère

Beelden van een melkventer in Bathmen in 1962 die met paard en wagen beladen met melkbussen door de straten rijdt, gevolgd door beelden van dezelfde melkventer met een busje met een melktapinstallatie.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Gemeentearchief Hellendoorn

Straatventers

Vishandelaar Hessel Nentjes, afkomstig van Urk, had een viswinkel aan de Grotestraat in Hellendoorn. In de omgeving ventte hij met een gemotoriseerde bakfiets. Hij leefde van 1882 tot 1960.

Door de redactie
Volgende pagina
. . . . . . . . . . .