MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Met de pijltjestoetsen op uw toetsenbord kunt u van links naar rechts en van boven naar onder scrollen:

    keys
  2. Als u met de muis naar de rand van de pagina gaat, verschijnt er een donkergrijze balk met een pijl: als u daarop klikt gaat u naar links, rechts, boven of beneden.
  3. Aan de rechterkant bevindt zich een zwarte balk. Daarin staan alle pagina�s van boven naar beneden. Met de muis kunt u de pagina van uw keuze aanklikken. U kunt daar ook scrollen met uw muiswiel of slepen met uw muis.
  4. Bovenaan in de rechter kolom staan een aantal knoppen. Hieronder ziet u welke functie deze hebben.

    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  5. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Door met uw vingers over het scherm te vegen (�swipen�).
    Dit kan zowel van links naar rechts als van boven naar onder en vice versa.
  2. Via het rode blokje rechtsboven krijgt u meer mogelijkheden.
    Tik op het blokje of sleep het met uw vinger naar beneden:
    - bovenin verschijnt een rode balk waarin u kunt bladeren door te �swipen�.
    - midden onder verschijnen een aantal knoppen die u aan kunt tikken:
    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  3. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 4
  • nummer 3
  • juli 2016

Coververhaal

Het plan Van Embden: beeld- bepalend voor naoorlogs Zwolle

Geschiedenis van alle dag

Bermtoerisme in Overijssel

Geworteld in Overijssel

De Overijsselse roots van Onno en Isa Hoes

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Overijsselaars van toen

Kea Bouman uit Almelo wint grandslamtoernooi

Van de redactie
  • jaargang 4
  • nummer 3
  • juli 2016

Meer dan genoeg vakantieliteratuur!

Het is hartje zomer, ook al zou je dat tot voor kort aan het weer niet merken. Toch is nummer drie van MijnStadMijnDorp Online Magazine een zomers nummer geworden met opvallende artikelen.

Vroeger, in de tijd dat een ritje met een auto nog iets bijzonders was en benzine geen drol kostte, stapte men met mooi weer met z'n allen in de auto om ergens in de berm in het gras te gaan liggen. Bermtoerisme heette dat en het werd pas verboden in 1965. En dan ook nog alleen op de Rijkswegen. Girbe Buist brengt die nostalgische tijd in zijn rubriek ‘Geschiedenis van alledag’ weer tot leven.

Tijdens uw uitstapje zat ene prof. dr. S.J. van Embden op zijn vrije zaterdag nog steeds op kantoor te werken. Hij boog zich over het door hem getekende structuurplan van Zwolle. In 1966 moest het klaar zijn. Hij kreeg vooral problemen met zijn plannen voor de Zwolse binnenstad. Heel historie minnend Zwolle liep te hoop, de Vrienden van de Stadskern voorop. Vijftig jaar [!] geleden begonnen de discussies en nu heeft men het er nog over. Want één ding is duidelijk, het was niet alleen zwart/wit, Van Embden had zonder meer kwaliteiten. Dit artikel is geschreven door dr. Frank Inklaar, de Zwolse Amerikakenner - hij is gepromoveerd op de Marshall hulp – en kent het tijdperk van de City-gedachte door en door. Het stuk geeft een reëel beeld van die periode. ‘Met de kennis van nu’ is het misschien ook wel tijd om Van Embden te rehabiliteren. In zijn tijd stond hij bekend als een goed stedenbouwkundige, hij leidde een groot kantoor en ontwierp een groot oeuvre. Hij overleed op 94-jarige leeftijd.

Net als in Zwolle, wist men ook in Twente niet alle sloopplannen succesvol te weerstaan. Ooit stonden in dit land van kabbelende beekjes, watervalletjes en een energierekening van nul, meer dan honderd watermolens. In de loop der jaren vielen er 117 onder de slopershamer of werden opgeslokt door het landschap. Hoe kwam dat? Waarom heeft niemand zich hiertegen verweerd? Marcel Mentink van Rijnbrink geeft een overzicht van de belangrijste verdwenen watermolens in Twente. De molenaars konden niet de financiële middelen vinden om het verval te stoppen. Watermolens verloren vaak het pleit. Watertorens hadden juist een maatschappelijk nut en bleven staan. Historicus Ewout van der Horst van de IJsselacademie sprak de beheerder van de watertoren in Hengelo, die dit najaar een nieuwe bestemming krijgt.

En, dan zo eens vind je een schat in de archieven. Esmee Hagendijk vond een echt cartularium en necrologium die tussen 1456 en 1517 bijna ononderbroken zijn bijgehouden. Ze behoorden aan het St.-Agnietenklooster te Diepenveen. In het necrologium stonden de sterfdata van alle nonnen. Belangrijker was het carticularium waarin elke koopakte, elke kadasteropmeting in het kader van perceelgrenzen en recht van overpad in kopie werd opgeschreven en bewaard. Hierin is voor de historisch onderzoeker veel informatie te vinden.

In de rubriek ‘Geworteld in Overijssel’ worden bekende mensen geportretteert die meer of minder verwacht uit Overijssel blijken te komen. Een soort historische variant van de entertainment-rubriek Privé in een landelijk ochtendblad. Deze keer zijn Onno en Isa Hoes aan de beurt. Zij succesvol actrice en boekenschrijfster; hij politicus en voormalig burgemeester van Maastricht. Voor beiden geldt een leven in de schijnwerpers, een Joodse achtergrond en een Overijsselse stamboom. De ouders van Onno en Isa Hoes waren Anton Hoes en Emma de Winter. Omdat hun moeder Joods was, waren de kinderen dat ook. Isa en Onno stammen af van Oldenzaalse textielfabrikanten, de firma Kan. De rest van het verhaal moet u zelf maar lezen…

Kortom meer dan genoeg vakantieliteratuur!

Menno van der Laan, hoofdredacteur

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Menno van der Laan (HCO), Doreen Flierman, Marcel Mentink (Rijnbrink), Dinand Webbink (Athenaeumbibliotheek Deventer) en Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Roland de Jong (HCO), Girbe Buist, Frank Inklaar, Ewout van der Horst (IJsselacademie), Esmee Hagendijk (Athenaeumbibliotheek Deventer) en Tonny Peters

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

Het plan Van Embden: beeld- bepalend voor naoorlogs Zwolle

‘Sloop overdekt winkelcentrum Zwolle is bespreekbaar.’ Een kop in ‘De Stentor’ van 14 maart 2016 naar aanleiding van overleg van de wethouder met eigenaren van de Weeshuispassage over de leegstand in het overdekte winkelcentrum. Al eerder klonk regelmatig de afschuw over de foeilelijke betonnen winkelgevels, meestal gepaard aan een nostalgisch verlangen naar de oude St.-Michaëlskerk en het pittoreske Eiland. Aan wie hebben we deze plek van vermeende modernistische wansmaak te danken? De boeman is architect en stedenbouwkundige prof. ir. S.J. (Sam) van Embden, die indertijd onvoorwaardelijk werd gesteund door burgemeester Roelen.

Hij is weinig bekend bij Zwollenaren, maar misschien wel het meest beeldbepalend voor het naoorlogse Zwolle. Als opvolger van Dudok kreeg het bureau Van Embden in 1953 van de gemeente Zwolle de opdracht om een uitbreidingsplan in hoofdlijnen te maken. In 1955 werd het plan rechtsgeldig. En waar Dudok’s plannen sneuvelden, zijn die van Van Embden grotendeels uitgevoerd.

Een plattegrond van Zwolle in de jaren dertig, toen nog niet alles moest sneuvelen voor de vooruitgang. (collectie HCO)

De onbekende Van Embden

Aan Sam van Embden (1904-2000) is slechts één boek gewijd. Toch is hij belangrijk geweest voor de naoorlogse opbouw van Nederland. Niet alleen heeft zijn bureau getekend voor de Zwolse uitbreidingsplannen, maar ook in steden als Enschede, Delft en Wageningen fungeerde hij als stedenbouwkundig adviseur. Daarnaast was hij betrokken bij de ontwikkeling van de IJsselmeerpolders en Lelystad. Een hoofdrol speelde hij bij de bouw van de Technische universiteiten in Eindhoven en Enschede. Bij de ontwikkeling van naoorlogs Nederland was er een sterke tweedeling tussen traditionalisten en modernen. De ene stedenbouwkundige stroming wilde tradities uit het verleden behouden.

Burgemeester J.A.F. Roelen geeft midden jaren zestig in de Grote Zaal van de Buitensociëteit uitleg over het Structuurplan van prof.dr. S.J. van Embden. (collectie HCO)

Niet volgens Van Embden

Bureau Van Embden verwierp het idee van zijn voorganger Dudok om de uitbreiding van Zwolle aan de zuidzijde te realiseren, aan de achterzijde van het station, met havenontwikkelingen aan de IJssel. Hij projecteerde industriële activiteit aan de noordwestelijke zijde van de stad bij het nieuwe Zwolle-IJsselkanaal, het huidige industrieterrein Voorst. Daar werden drie min of meer zelfstandige woonwijken gezien. Om te voorkomen dat die zich als een soort satellietstad achter de rijksweg zouden ontwikkelen, pleitte hij voor verhoging van de rijksweg ten behoeve van ontsluitingswegen naar het centrum. Van de drie wijken zijn er twee gerealiseerd: Holtenbroek en de Aa-landen. De opzet van Holtenbroek is van het bureau Van Embden. Ondanks de recente grootschalige herbouw, is die opzet uit 1956 nog grotendeels intact.

Prof. dr. S.J. van Embden werd een gezaghebbende stedenbouwkundige en kon in zijn sterfjaar 2000 terugzien op een omvangrijk oeuvre.

Binnenstadsplan

Het meest omstreden was ongetwijfeld Van Embden’s binnenstadsplan uit 1960, dat in werking trad in 1966. Net als het ontwerp voor Holtenbroek was dit plan een kind van de tijd. Een tijd waarin vooruitgang ‘cityvorming’ betekende. Oude stadskernen moesten ‘city-functies’ bieden als warenhuizen, kantoren, bioscopen en theaters. En die moesten bereikbaar zijn voor toenemend autoverkeer. Tegelijkertijd waren er veel verkrotte buurten en grote woningnood. Als oplossing kozen stedenbouwkundigen in veel Nederlandse steden voor sloop ten behoeve van grootschalige nieuwbouw en forse doorbraken voor het autoverkeer. Van Embden was binnen deze context zeker niet extreem. Anders dan zijn collega Van Eesteren, die verkondigde dat alle historische binnensteden gesloopt mochten worden, pleitte Van Embden voor respect voor het oude.

Bureau Van Embden stelde in 1961 twaalf aan de praktijk ontleende richtlijnen op voor omgang met oude binnensteden. Er diende rekening te worden gehouden met de kwaliteiten van de oude stad en het oude stadsplan. Waardevolle gebouwen moesten zoveel mogelijk worden ontzien. Alleen moest die stad wel levend blijven, een moderne centrumfunctie kunnen hebben en bereikbaar zijn. Daarom waren ingrepen onvermijdelijk, het liefst te concentreren in sanerings- en krottenzones. Je kon beter een klein aantal radicale ingrepen doen dan veel kleine saneringen die het totaalbeeld zouden verstoren. In Zwolle moest het autoverkeer de binnenstad in komen via een vierbaans weg aan de noordoostelijke zijde van het centrum, van Stenen Pijp langs de Broerenkerk naar het Rode Torenplein.

Nieuwe bruggen

Voor een goede bereikbaarheid waren nieuwe bruggen nodig. Een grote verkeersring buiten de stadsgracht werd gecomplementeerd door de Wilhelminasingel erbij te betrekken. Binnen de stadsgracht kon een kleinere rondweg het verkeer leiden. De oude wallen en bastions moesten in oude staat worden teruggebracht: een plantsoengordel zonder bebouwing. Grotere kantoren en showrooms lagen zo dicht mogelijk langs de verkeersbanen en de nieuwe winkels zo dicht mogelijk bij het oude winkelgebied, parallel aan de Diezerstraat. Ook aan nieuwe woningen in de binnenstad werd gedacht. Parkeervoorzieningen kwamen zoveel mogelijk buiten de binnenstad. Voetgangersbruggen over de nieuwe verkeersbaan maakten bezoek aan de binnenstad mogelijk.

Onbedoeld verzet door de vrienden

Wat heeft dit binnenstadsplan opgeleverd? Allereerst een onbedoeld verzet tegen de grootschalige aanpassing van het centrum van Zwolle via de Vrienden van de Stadskern. Zij hebben met name grote delen van het verkeersplan kunnen tegenhouden. De Van Roijensingel werd geen grote verkeersroute en de Potgietersingel en Wilhelminasingel bleven bestaan. Andere onderdelen van het plan werden door de tijd ingehaald. Het geloof in het autoverkeer als levensbrengende factor voor de binnenstad vloeide in de loop van de jaren zestig weg en daarmee de behoefte aan een verkeersbaan langs de Broerenkerk. Slechts een aantal brede bruggen, die niet passen bij de smallere aanvoerwegen, herinnert hier nog aan.

De plannen van Van Embden waren nationaal nieuws toen burgemeester Drijber (de opvolger van Roelen) en wethouder Venstra in oktober 1971 naar Nieuwspoort togen om de plannen aan een breder publiek te tonen. (collectie HCO)

Maar de sloop van het Eiland, van de St.-Michaëlskerk, van vrijwel alles tussen de Diezerpoorterbrug en het Rode Torenplein is wel uitgevoerd. Deze radicale ingreep hielp Zwolle wel af van verkrotte woningen en bedrijfspanden, maar ook van heel wat panden van waarde. Wat hiervoor in de plaats kwam heeft niet ieders enthousiasme kunnen wekken. De woningbouw in het Aldo van Eyckplan kreeg vrij algemene waardering. Maar het duurde tot begin van deze eeuw voordat het gesloopte Eiland eindelijk weer behoorlijk werd bebouwd naar ontwerp van de Italiaanse architect Natalini. De grootste steen des aanstoot was het overdekte winkelcentrum dat midden jaren zeventig verrees. Misschien is de huidige leegstand reden om dit deel van Van Embden’s erfenis op te ruimen.

Door Frank Inklaar
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Watertorenchef Strengers: ‘Bij warm weer kneep je hem wel eens’

Aan de rand van het centrum van Hengelo tekent zich een fiere watertoren tegen de hemel af. Het rijksmonumentale pand, gebouwd in 1897, is al jaren in onbruik en wacht op een nieuwe bestemming. In het omliggende gebied van 3,5 hectare werd voorheen water gewonnen en zijn nu onder meer een school, fietssnelweg en stadspark gepland. Het complex was vroeger verboden terrein. Omwonenden vonden het maar een geheimzinnig gebeuren. Voor beheerder Martin Strengers en zijn gezin was het een ware oase. ‘Vroeger was het hier één en al natuur’, zegt de 80-jarige watertorenchef. ‘In de vroege ochtend ging ik wel eens op een waterput zitten luisteren naar de vogels.’

Martin Strengers (Eibergen 1935) woont met zijn vrouw Stien in de voormalige dienstwoning naast de watertoren. Als chef-machinist was hij 25 jaar verantwoordelijk voor de levering van kraanwater aan de bevolking van Hengelo. ‘Bij warm zomerweer kneep je hem wel eens’, vertelt Strengers. ‘Bij elke graad warmer moest ik 600 à 700 kuub water meer in de voorraadkelder hebben dan de dag ervoor. Als er een watertekort dreigde draaide ik in het verdeelhuis de afvoer wat dichter, zodat de waterdruk verminderde. Dan kwam er maar een wat minder dikke straal uit de kraan. Gelukkig hebben we nooit drooggestaan.’

De watertoren in Hengelo met links het pompstation en rechts het ketelhuis, 2016. (foto Albert Bartelds)

Chef-machinist

Strengers' jongensdroom was om machinist te worden op een stoomlocomotief. Een betrekking bij de Nederlandse Spoorwegen als onderhoudsmonteur bood hem een handige opstap. Maar toen maakten de stoomlocomotieven plaats voor dieseltreinen. Hulpmachinist bij het provinciale waterbedrijf Noord Holland leek hem een goed alternatief. Zo belandde Strengers in het drinkwaterbedrijf. Via het waterbedrijf Amersfoort kwam hij in 1969 met zijn gezin als chef-machinist bij het waterbedrijf in Hengelo terecht, dichterbij zijn geboortestreek.

‘Ik trof hier een oude bende aan’, herinnert Stengers zich. ‘In Amersfoort hadden we een modern bedrijf met bijvoorbeeld een controlepaneel. Hier moest ik overal naar toelopen om ter plekke de meters af te lezen.’ De elektriciteitsvoorziening liet ook te wensen over: ‘Bij een stroomstoring moesten we handmatig overschakelen op een oude dieselmotor. In zo’n situatie moest je je kop er goed bijhouden, want na een kwartier was de toren leeg.’ Strengers voelde zich bijzonder verantwoordelijk voor de gang van zaken op het waterbedrijf. Hoewel hij een tweede en derde machinist had, was de chef dag en nacht bij het bedrijf betrokken. ‘Ik durfde in die begintijd nauwelijks naar de stad om een boodschap te doen’, zegt hij. ‘Later is het bedrijf gemoderniseerd en hadden we een pieper op zak. Toen ging ik wat vaker van huis.’

De watertoren van Hengelo naar ontwerp van Jan Schotel uit 1897 met links het pompgebouw. Foto uit 1923.

Gezond drinkwater

Strengers heeft zich altijd geïnteresseerd voor de geschiedenis van het waterbedrijf. Hij weet dat een tyfusepidemie die aan tientallen inwoners van Hengelo het leven kostte, de aanleiding voor het ontstaan was. Niet de gemeente, maar de lokale industriëlen namen het voortouw: ‘Zij wilden gezond drinkwater voor hun personeel. Toen het bedrijf rendabel bleek, nam de gemeente het in 1904 over.’ De bedrijfsgebouwen zijn ontworpen door architect Schotel uit Rotterdam. De gemetselde watertoren heeft een drukreservoir van 300 kuub. Strengers: ‘Bijzonder aan het Hengelose waterbedrijf was dat hier alles bij elkaar op een terrein zat: het waterwingebied, het zuiveringsgebouw, het pompstation, de toren, het verdeelgebouw en het elektriciteitshuisje. Dat zie je niet vaak.’

‘Ik heb nog eens een oude stoker in een rusthuis opgezocht die hier in de beginjaren had gewerkt’, vervolgt Strengers. ‘Hij vertelde dat hij alle dagen talloze kruiwagens vol kolen naar het ketelhuis moest brengen.’ Het kolenhok staat er zowaar nog. Strengers heeft er zijn auto in staan. ‘Hengelo had toen genoeg aan één volle watertoren. Rond het middaguur stopten ze de machines. Dan ging de machinist een borreltje halen in een café aan de Enschedesestraat.’ In 1921 stapte men van de stoommachines over op elektrische aansluiting.

Strengers gebruikt een Deutsz-dieselmotor voor de aandrijving van de pompen, 1973.

Tijdens de bevrijding raakte de watertoren ernstig beschadigd door granaatvuur. De bevrijders zouden een scheefgezakte vlaggenmast voor luchtafweergeschut hebben aangezien. ‘Het waterreservoir is toen doorzeefd, waardoor de stad enkele dagen zonder water zat’, weet Strengers. Provisorisch herstel van de oorlogsschade leidde ertoe dat er later regelmatig stenen van de opbouw vielen. In 1959 kwam er een nieuwe kop op de toren. ‘Het mooie van de toren is er wel een beetje afgegaan’, meent Strengers. ‘Je kunt het verschil in stijl en metselwerk goed zien.’

Herstelwerkzaamheden aan de watertoren na de beschadiging tijdens de bevrijding van Hengelo, 1945.

Maandag wasdag

Inmiddels maakt Strengers zelf deel uit van de geschiedenis van het waterbedrijf. ‘We waren hier zo vrij als een vogeltje’, zegt hij. ‘We moesten onze eigen boontjes zien te doppen. Als er iets kapot ging repareerden we dat zelf.’ Het waterverbruik nam in de loop van de jaren steeds verder toe. ‘Vroeger was maandag wasdag’, stelt de voormalig chef-machinist. ‘Dan hadden we een enorme piek in het verbruik.’ In Hengelo mengden ze aanzienlijke hoeveelheden water van de Watermaatschappij Overijssel bij. Dat zachte water van de Noetselerberg en Herikerberg neutraliseerde het harde Hengelose water .

Intussen hield Strengers ook een oogje in het zeil als terreinbeheerder. Het hele complex was met hekken afgesloten. Dat prikkelde de nieuwsgierigheid van de jeugd. ‘Ik heb verschillende kwajongens in de kladden gegrepen’, aldus Strengers. Ook honden vormden een probleem, omdat hondenpoep de bronnen kon verontreinigen. De buurtbewoners hadden geen idee wat zich allemaal op het terrein afspeelde: ‘Ik heb hier heel wat schoolklassen rondgeleid. Kinderen dachten vaak dat die hele toren vol water zat. Dan legde ik uit dat de watertoren diende als drukvat voor het leidingwater.’ Voor de grap stelde Strengers eens verdekt een limonadevat op met aftappunt, zodat het leek alsof er limonade uit de toren kwam.

Strengers (links) en collega verrichten onderhoudswerk aan één van de putten in het waterwingebied, ca. 1975.

Buiten bedrijf

Het Hengelose gas- en waterbedrijf ging in 1988 over in handen van de IJsselmij. Door verbeterde pompen kon het waterbedrijf het drinkwater rechtstreeks vanuit de voorraadkelders over de stad verdelen. Het water uit de toren diende op het laatst alleen nog als spoelwater voor het eigen zuiveringssysteem. Strengers ging in 1994 met prepensioen. Het bedrijf in Hengelo is in 2004 geheel buiten werking gesteld. ‘Dat vond ik wel jammer. Er is sindsdien weinig aan onderhoud gedaan. Het pompgebouw stond jaren vol water. Dat ging mij echt aan het hart.’ Eigenaar Vitens heeft het terrein en de gebouwen in Hengelo verkocht aan projectontwikkelaar Ter Steege Vastgoed uit Rijssen. Het waterwingebied heeft inmiddels een nieuwe bestemming gekregen, de gebouwen wachten nog op een nieuwe invulling.

Martin Strengers controleert de waterdruk in het pompstation, ca. 1990.

Strengers en zijn vrouw wonen nog altijd in de dienstwoning. Hun vijf kinderen en twaalf kleinkinderen zijn er kind aan huis. In 2011 moest het echtpaar hun woning tijdelijk verlaten, omdat de watertoren volgens een onderzoek dreigde om te vallen. ‘Grote onzin’, meent Strengers, ‘de toren stond in mijn tijd ook al uit het lood. Bovendien had ik er nog eens 300 kuub water in zitten!’ De voormalige chef-machinist blikt weemoedig op zijn werkzame jaren terug: ‘De jongeren lijken tegenwoordig minder passie voor hun vak te hebben. Het zijn allemaal specialisten. Iets maken kunnen ze amper meer. Ze zitten de hele dag achter de computer. Wij deden alles zelf. Nu kunnen ze vanuit Zwolle met een druk op de knop alle pompstations in de regio bedienen.’

Door Ewout van der Horst
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Het Agnietenklooster in Diepenveen en zijn rijke bezit

Erg mooi is het niet, ‘Het Necrologium en Cartularium van het convent der reguliere kanunnikessen te Diepenveen’. Het handschrift bestaat uit 744 smoezelige papieren kwartobladen met een versleten perkamenten omslag en een eenvoudige koperen sluiting. Het lijkt in de verste verte niet op een van de rijkelijk versierde getijdenboeken die we uit deze periode en streek kennen, maar toch is dit handschrift van onschatbare waarde.

Het handschrift is geschreven tussen circa 1456 en 1517 in het vrouwenklooster van Diepenveen en bevat een schat aan informatie voor historici en genealogen. Vermeldingen over de ligging van erven en landerijen, de namen van allerlei ambtsmannen, gerichtslieden en andere wereldlijke personen zijn van groot belang voor iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Diepenveen en wijde omstreken.

In de tweede helft van de veertiende eeuw ontstond in de IJsselstreek de beweging van de Moderne Devotie. Deze beweging had als doel de hervorming van de kerk en de verdieping van het geloofsleven. De Deventenaar Geert Grote (1340-1384) was de grondlegger. De moderne devoten leefden in broeder- en zusterhuizen waar zij volgens hun eigen leefregels leefden, veelal zonder kloostergeloften af te leggen. Hun ‘gemene’, d.w.z. gemeenschappelijke, leven werd gekenmerkt door vroomheid en soberheid. In 1374 stichtte Geert Grote in Deventer het Meester Geertshuis, wat het moederhuis werd van de zusters van het gemene leven.

De kloosterkapel werd in 1720 gerestaureerd en als protestantse kerk in gebruik genomen. Anoniem, 1829.

Het rijke vrouwenklooster in Diepenveen

Door de grote toeloop van vrouwen naar de zusterhuizen in Deventer werd in 1400 onder leiding van Johannes Brinckerinck (1359-1419) ten noorden van de stad een vrouwenklooster gesticht. Het werd gebouwd op een plek die bekend stond als het ‘diepe veen’. Een stuk grond, liggend op de grens van de marken Rande en Tjoene, genaamd ‘De Plecht’, werd aangekocht. Het lag een uur lopen van het Meester Geertshuis. In het moerassige gebied lag een rivierduin waarop het klooster werd gebouwd. Het werd op 21 januari 1408 op de dag van de beschermheilige St. Agnes ingewijd en werd daarom het Agnietenklooster genoemd. Er woonden aanvankelijk twaalf zusters, voornamelijk afkomstig uit het Meester Geertshuis. Het klooster groeide snel en al in 1451 wordt melding gemaakt van ruim honderd in het klooster woonachtige zusters. Al snel krijgt 'Diepenveen' een voorbeeldfunctie. De zusters gaan naar maar liefst zeventien andere kloosters om het ideaal van de Moderne Devotie te verspreiden. Hierdoor krijgt het nonnenklooster ook buiten de IJsselstreek veel bekendheid.

Diepenveen was ook een rijk klooster. Dat blijkt bijvoorbeeld wanneer in 1578 in het kader van een geldlening aan het Spaans gezag het vermogen van het vrouwenklooster 7,5 keer zo hoog wordt geschat als dat van het mannenklooster in Windesheim. In en rondom Diepenveen bezat het klooster minstens 26 boerderijen en de overige landerijen lagen verspreid in verschillende delen van het land. Het inkomen werd op verschillende manieren vergaard. Intredende bewoners, veel jonkvrouwen en dochters van rijke patriciërs, stonden al hun bezittingen af, zowel geld als grond. Het klooster ontving giften van welgestelde lieden in ruil voor het bidden voor het zielenheil van de schenker of zijn naasten. Ook wist het klooster de rijkdom te vergroten door middel van (ruil)handel van landerijen. Landerijen en boerderijen konden worden verpacht en brachten zo geld en goederen binnen.

Detail uit het Cartularium.

Het bezit

Het handschrift bestaat uit een Necrologium en een Cartularium. In het Necrologium staan de sterfdata van de nonnen en priesters van het klooster. Het Cartularium bestaat uit kopieën van de oorspronkelijke schenkbrieven, koopakten en andere eigendomsbewijzen in de periode van 1401 tot 1517 die in het kloosterarchief aanwezig waren. Daardoor hebben we ondanks enkele ontbrekende gegevens een goed beeld van de bezittingen rond 1458.

Het meest lucratieve bezit in de Middeleeuwen was land en de kloosterzusters hadden dit goed begrepen. Het Cartularium laat zien dat het Agnietenklooster door ruiling en aan- en verkoop van landerijen er naar streefde om het verbrokkelde bezit samen te brengen tot een groter aaneengesloten geheel. Zo ruilde het klooster met het convent van Thabor bij Sneek een hofstede te Bolsward voor een stuk land bij Hasselt. Soms was dit streven er een van lange adem. Een goed voorbeeld hiervan is het erf Haedbertinck in het schoutambt Colmschate. In het Cartularium wordt dit erf driemaal genoemd, eerst in 1422 wanneer het klooster een aantal delen van het erf krijgt. In 1444 komt het klooster door ruil in bezit van een stuk land gelegen naast het erf Haedbertinck. Tot slot wordt het klooster in 1455 vrijgesteld van de zogenaamde ‘tynse’ (inkomsten uit gronden en andere onroerende goederen en bezittingen die vielen onder het tynsrecht) die de heer te Voorst en te Keppel over het erf bezat.

De kerk van Diepenveen in 1724 op een tekening door Abraham de Haen (1707-1747).

Recht van overpad

Het waren niet altijd succesverhalen. We komen ook geschillen tegen, echter we lezen alleen de zakelijke uitkomst en niet wat er precies is voorgevallen. De meeste koopakten zijn vrij kort en zakelijk, maar hier en daar moeten toch ook heel praktische zaken worden vastgelegd. Zoals recht van overpad voor het dorstige vee: ‘Vort so en sollen de van Dyepenveen de weterynge tusschen der bruggen ende den closter tegen Rander stege an de vestsijde niet to slaen, up dat der bure beeste mogen gaen drincken as se willen.’

Het Diepenveens Cartularium staat barstensvol met informatie over landerijen en erven in Oost-Nederland en delen van het huidige Duitsland. Het is voor historici een belangwekkende bron, mede door de respectabele ouderdom van de gegevens. Daarom wordt er momenteel door de auteur gewerkt aan een transcriptie van dit handschrift, wat alleen al door de omvang van het boekwerk een waar ‘monnikenwerk’ is.

*Titelfoto: Peter Paul Hattinga Verschure (www.pphv.eu)
Door Esmee Hagendijk
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

Bermtoerisme in Overijssel

Eind juni reisden duizenden motorliefhebbers af naar Assen voor de jaarlijkse TT. Op de laatste dag stond traditiegetrouw de berm vol mensen om de motorrijders op hun terugweg uit te zwaaien.

Vooral langs de A-28 bij Staphorst is het altijd druk. Voor deze toeschouwers is het einde van de TT een soort familie-uitje. Ze hopen getuige te zijn van stuntende motorrijders. Na de laatste races op tv wandelt men naar de snelweg, eventueel met klapstoel en krat bier. De concentratie toeschouwers is het grootst rond Assen en neemt af naarmate de motorrijder dichter bij huis komt. Ouderen blikken nostalgisch terug op de edities toen ze zelf nog tussen het motorvolk reden en toen de vluchtstrook nog toegankelijk was.

Instant toerisme

We hebben hier te maken met een instant vorm van toerisme. Bermtoerisme is het recreatief verblijven in de wegberm, zonder dat men er verder op uittrekt. De belangrijkste bezigheid is het kijken naar de langsrijdende auto’s. Het was een fenomeen dat begin jaren zestig in Nederland opkwam. Mensen parkeerden hun auto langs de weg en gingen dan gezellig met het hele gezin picknicken in de berm, zonder zich af te vragen of er even verderop niet een leuker, veiliger of gezonder plekje te vinden was.

Een echtpaar drinkt een kop koffie langs de weg. (foto: G.A. van der Chijs)

In de jaren zestig vond je ook langs de rijkswegen in Overijssel bermtoeristen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de bermen van de E-8 (de voorloper van de A-1), die van Amsterdam naar de Duitse grens liep. Ook de in 1963 geopende Toeristenweg over de Sallandse Heuvelrug was populair.

De Toeristenweg tussen Nijverdal en Holten. (Gemeente Hellendoorn)

Enkele jaren was bermtoerisme een opvallend tijdverdrijf in Nederland. Auto’s waren nieuw en mensen vergaapten zich aan al dat moois. Actualiteitenrubrieken besteedden herhaaldelijk aandacht aan dit nieuwe verschijnsel: mensen, die vlak langs de snelweg hun klapstoeltje neerzetten om daar gezellig de dag door te brengen. Beelden van verkeersdrukte, geparkeerde auto’s, picknickende families, slapende echtparen en grote hoeveelheden zwerfvuil in de berm werden getoond.

Bermtoerisme verbaasde velen; waarom zochten die mensen niet een rustiger picknickplekje in het bos? De bermtoeristen vonden er zelf niets raars aan. Ze vonden het juist gezellig al die drukte. Kijken naar het langsrazende verkeer gaf afleiding. De rust van het bos sprak ze helemaal niet aan.

Recreatie langs de weg tussen Blauwe Hand en Belt-Schutsloot. In de berm werden zelfs tenten opgezet. (collectie HCO)

Verbod

Met ingang van 1965 werd het parkeren in de berm naast rijkswegen verboden, omdat dit gevaarlijke situaties opleverde. Daarmee kwam er een abrupt einde aan deze typische Nederlandse vorm van recreatie. Langs secundaire wegen is het bermtoerisme nog tal van jaren doorgegaan. Om onderweg te picknicken zonder veel om te moeten rijden, kwamen er picknickplaatsen langs de snelweg aangelegd. Tegenwoordig vind je ’s zomers ook nog veel bermtoeristen langs de kanalen en grachten in de Kop van Overijssel. Met name de weg tussen Blauwe Hand en Belt-Schutsloot is in dit opzicht berucht. Deze bermtoeristen kijken echter niet naar de langsrazende auto’s, maar naar de langsvarende bootjes.

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Menthol

Amsterdam, 1925. Joseph Sylvester, bijgenaamd Menthol, komt na een jarenlange zwerftocht aan in de hoofdstad van Nederland. Gevlucht voor de uitzichtloze situatie in zijn geboorteland Saint Lucia en voor de rassenhaat en het geweld van de Ku Klux Klan in Amerika. Een vlucht naar de vrijheid. Hij verdient zijn brood op markten met zijn Babajaba tandpasta, dat hij aanprijst als 'het natuur geheim van het zwarte ras'. Daarmee trekt hij het hele land door. Complete steden en dorpen lopen uit. Menthol leert Nederland tandenpoetsen. Roosje Borchert is een vrijgevochten dame van stand en staat als mannequin bekend als het mooiste meisje van de stad. Als zij Joseph tegenkomt is het liefde op het eerste gezicht. Hij zwart, zij blank. Een schier onmogelijke combinatie in de jaren twintig van de vorige eeuw. Maar het paar trotseert alles en iedereen en trouwt. Zij gaan wonen in een provinciestad waar nog nooit eerder iemand een zwarte man heeft gezien. Twaalf jaar later breekt de oorlog uit. Opnieuw dreigt Joseph's vrijheid te worden aangetast. Het echtpaar besluit te scheiden, uit pure liefde voor elkaar. En dat is maar goed ook....

Auteur: Frank Krake

Uitgever: Achtbaan

ISBN 978 908 247 640 8 | 312 pag. | € 19,95

Door de redactie

De barones en de dominee

Zwolle, 1859. Als de jonge Jeannette Pruimers, geboren barones van Dedem, moeder van een dochtertje, weduwe wordt, vindt ze troost bij dominee Johannes Gerrit van Rijn, getrouwd en vader van drie, later vier kinderen. Hij bezoekt haar veelvuldig, ook ’s avonds laat. Dat leidt tot opspraak in de stad – en zelfs in het hele land, als in de zomer van 1863 het bericht de ronde begint te doen dat de weduwe in Zuid-Frankrijk een tweede kind heeft gekregen. De barones en de dominee, die alles ontkennen, krijgen het zwaar te verduren.

Wim Coster volgde hun sporen en stuitte op een familietragedie. Via brieven, testamenten, procesdossiers en krantenberichten reconstrueerde hij deze geschiedenis en kwam hij nog levende nazaten op het spoor. Zijn meeslepende verhaal, dat zich afspeelt in Zwolle, Salland, Zuid-Frankrijk, Zwitserland, Zuid-Engeland en Amerika, laat zien hoe oordeel en vooroordeel, recht en onrecht de verschillende levens een beslissende wending gaven.

Auteur: Wim Coster

Uitgever: Balans

ISBN 978 946 003 092 5 | 256 pag. | € 19,99

Door de redactie

Riet...en zo doen we 't

Het boek geeft een beeld van ruim 70 rietsnijders werkzaam in het gebied Kalenberg-Hoogeweg in de periode 2011-2015. Daarnaast wordt het ontstaan, de ontwikkeling en de huidige situatie van van het gebied rond Kalenberg/Hoogeweg (de Weerribben) beschreven. Er wordt ingezoomd op het ambacht van het rietsnijden en het proces van riet verwerken wordt geheel beschreven. Dit alles wordt ondersteunt met prachtige foto’s. Het voorwoord is van, de in Kalenberg woonachtige schrijfster, Marjan Berk.

Auteurs: Susan Ooostelaar/Aletta Jongschaap

Uitgever: Kalenberg

ISBN 978 908 238 030 9 | 290 pag. | € 49,50

Door de redactie

Veranderend Hellendoorn

In Veranderend Hellendoorn wordt teruggekeken op pakweg de laatste vijfenzeventig jaar van het dorp. De nadruk ligt op de vele ingrijpende veranderingen in de dorpssamenleving. De zes schrijvers hebben niet alleen gezamenlijk herinneringen opgehaald, maar met vele anderen over die vervlogen tijden gesproken. Al gegevens verzamelend heeft het zestal heel wat jaren zeer belangrijk werk verricht. Veel van wat tijdens die intensieve speurtochten boven water kwam, is nu door hen vastgelegd in deze schitterende uitgave, die ruim voorzien is van uniek fotomateriaal.

Auteurs: Bertha Kamphuis, Adrie Kloosterman, Truus Janse e.a.

Uitgever: Uutgeverieje ’n Boaken

ISBN 978 907 627 232 0 | 325 pag. | € 27,50

Door de redactie

De renner van het Bergkwartier

De zeventienjarige Deventer scholiere Door Wijnbergen is vermist. Het onderzoek roept bij rechercheur Ellen van Dorth herinneringen op aan Lizet, een vriendin die zeven jaar geleden op onverklaarbare wijze is verdwenen. Ellen besluit om nog één keer alle sporen te volgen die naar Lizet kunnen leiden. Marc Diepenbroek, geboren en getogen in het Deventer Bergkwartier, wordt gezien als de meest talentvolle wielrenner van Nederland. Hij is door zijn gehaaide Belgische ploegleider Guy Paffraet opgenomen in de selectie voor de Giro. Op papier wordt hij geacht om als knecht zijn kopman te steunen in het middelgebergte. Insiders weten echter beter: Marc Diepenbroek is een winnaar.

Auteur: Almar Otten

Uitgever: eigen beheer

ISBN 978 909 029 519 0 | 244 pag. | € 19,95

Door de redactie

Reinier Paping

Op vrijdag 18 januari 1963 won Reinier Paping (1931) de zwaarste elfstedentocht aller tijden. In de felle kou en op het erbarmelijk slechte ijs haalden alleen de allersterksten het felbegeerde Elfstedenkruis. Reinier Paping groeide door zijn overwinning uit tot de held van de Elfstedentocht. De naam Paping staat stevig gegrift in het collectieve geheugen van Nederland. Nog dagelijks ervaart Paping de impact van zijn Elfstedenoverwinning. Dit is de eerste biografie van Reinier Paping. Auteur Mark Hilberts gaat op zoek naar het fascinerende verhaal van de sportman Paping en ontrafelt de mystiek van zijn heldenstatus.

Auteur: Mark Hilberts

Uitgever: Bornmeer

ISBN 978 90 5615 371 7 | 174 pag. | € 15,00

Door de redactie
Overijsselaars van toen

Kea Bouman uit Almelo wint grandslamtoernooi

Bij tennis minnend Nederland gaat de aandacht de laatste maanden vooral uit naar Kiki Bertens. In mei dit jaar won ze het toernooi van Nürnberg, maar vooral haar prestaties op Roland Garros spraken tot de verbeelding. Zal het haar ooit lukken om een grandslamtoernooi te winnen? Tot nu slaagde slechts één Nederlandse tennisster daarin. In 1927 won de Almelose Kea Bouman het open Franse kampioenschap, dat toen nog niet op Roland Garros, maar op St. Cloud werd gespeeld.

Kea Bouman (1903-1998) leerde het tennissen van haar vader. Bouman deed zelf veel aan sport en was voorzitter van de voetbalvereniging Luctor et Emergo. Al snel was Kea’s vader niet sterk genoeg voor haar. Aan het Zwarte Laantje in Almelo werd een muurtje voor haar gebouwd waartegen ze haar ballen kon slaan. Kea wilde meer doen met haar talent en trok naar Den Haag. Ze trainde , onder leiding van coach Gerard Scheurleer op de baan van Leimonias, de enige topclub uit die tijd.

Tenniskampioenschappen Nederland-USA in Scheveningen, 1928. V.l.n.r. Madzy Rollin Couquerque, Helen Wills, Miss Anderson, Kea Bouman. (bron: Het geheugen van Nederland)

Base-line

In een interview in 1954 vertelde ze over deze periode: ‘Vooral aan Scheurleer heb ik veel te danken. Hij wist enorm veel van de tennissport en leerde me o.a. iets zeer belangrijks. De meeste spelers en speelsters bewegen zich op de baan evenwijdig aan de base-line. Zij kunnen dat doen omdat hun tegenstanders de bal steeds binnen hun bereik slaan. Scheurleer wees mij hier op en sindsdien probeerde ik de lengte van mijn slagen te variëren, kort, lang, kort, enzovoort. Mijn tegenspeelsters moesten dus steeds van voren naar achteren lopen, van het net naar de base-line en het spreekt vanzelf, dat dit veel meer moeilijkheden opleverde.’ Het gebrek aan tegenstand speelde haar parten.

Open Frans Kampioenschap

Door het gebrek aan goede vrouwelijke tegenstanders, speelde Kea Bouman in Nederland tegen herentennissers. Ook leerde ze veel in buitenlandse toernooien. Kea speelde in Frankrijk, Engeland en Duitsland en verbleef enkele maanden in Californië. In 1924 won de Almelose in Parijs met Henk Timmer de bronzen medaille in het gemengd dubbelspel tijdens de Olympische Spelen. Daarmee was zij de eerste Nederlandse vrouw die een olympische medaille won. In 1926 won ze in Duitsland haar eerste internationale kampioenschap In 1927 werd ze in Den Haag uitgebreid gehuldigd voor de grootste prestatie uit haar carrière: de Open Franse titel, die dat jaar voor het laatst op St. Cloud werd gespeeld. Twee jaar later op Roland Garros behaalde ze dezelfde titel, maar dan in het dubbelspel met de Spaanse Lily de Alvarez.

Kea Bouman en haar tennispartner Henk Timmer (midden).

Wimbledon

In 1927 stond Kea Bouman negende op de wereldranglijst en in 1928 was ze achtste. Ze deed zeven keer mee aan Wimbledon, waar ze op de grasbaan niet verder kwam dan de halve finales. Gravelbanen lagen haar beter. Tot haar spijt werd tennis in 1928 in Amsterdam geschrapt als Olympische sport. Er was onenigheid over de amateurstatus van de sport. Kea voelde zich in topvorm, maar kon helaas voor eigen publiek geen historie schrijven. Tot haar mooiste herinneringen behoorde de demonstratiepartij op Wimbledon waar ze voor de ogen van het Engelse koningspaar met de Engelse Kitty Godfree won van het beste dubbel van de wereld, Suzanne Lenglen (Frankrijk) en Elisabeth Ryan (VS).

Kea Bouman (links) feliciteert de Amerikaanse Helen Wills met haar overwinning in Scheveningen, 1929. (Bron: Het geheugen van Nederland)

Wedstrijdmentaliteit

Kea Bouman werd veertien keer Nederlands kampioen: vier keer in het enkelspel, vijf keer in het vrouwendubbel en vijf keer in het mixed dubbel. Bouman had een goede service, een uitstekende backhand en ze werd geroemd vanwege haar returns. Ook werd haar wedstrijdmentaliteit geprezen. Ze kon vanuit verloren positie sterk terugkomen. Toen ze in 1931 trouwde met de Zwitserse roeikampioen en ingenieur Alexander Tiedemann sloot ze haar tenniscarrière af en verhuisde ze naar Nederlands-Indië. Na eerst nog in Amerika te hebben gewoond keerde ze in 1942 terug naar Nederland (Borne), waarna ze zich in 1950 voorgoed vestigde in een fraaie villa in Delden. Minder bekend is dat Kea Bouman behalve tennisster ook nog hockey-international was en Nederlands golfkampioene.

Na haar overwinning in Parijs werd Bouman bedolven onder bloemen.

Kea bleef het tennis van een afstand volgen en was een fan van emotionele spelers als John McEnroe, maar ook van Andre Agassi. Op 17 november 1998 overleed zij in Delden op bijna 95-jarige leeftijd, vier dagen na het overlijden van de even oude mede-Olympische-medaillewinnaar Henk Timmer.

Door Tonny Peters
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Verdwenen watermolens in Overijssel

De oudste watermolens in Overijssel stammen uit de twaalfde eeuw. In een schenking van de bisschop van Utrecht aan het klooster te Weerselo wordt voor het eerst gesproken over: 'met molens, wateren en waterlopen'. Voor zover bekend zijn er in Overijssel door de jaren heen 117 watermolens verdwenen. De nu nog bestaande negen watermolens liggen allemaal in Twente.

Waarom verdwenen de watermolens? Ontginning in de negentiende eeuw legde veel natte gronden droog en ontnamen de molens hun water. Vervolgens verdwenen veel molens door de opkomst van stoommachines en elektrische motoren. Door brand en gebrekkig onderhoud vervielen de in onbruik geraakte molens. Waterschappen kochten ze op en braken ze af om zo de waterafvoer van de beken te versnellen.

Soorten watermolens 

De verdwenen watermolens laten zich in vier soorten onderscheiden: 1. Schipmolens: vier stuks in de IJssel bij Deventer (zie ook MSMD nr. 3 2015). 2. Bovenslagmolens: tien stuks rondom Ootmarsum en Hezingen. 3. Middenslagmolens:  één bij Ootmarsum. 4. Onderslagmolens:  102 stuks waarvan één bij Steenwijk, Hardenberg, Ommen, een dubbele watermolen bij Hellendoorn en enkele bij Deventer. De rest lag in Twente.

De Vermolen in Geesteren in 1924.

Waarom waren de meeste watermolens in Twente? Het Twents volkslied geeft het antwoord: ‘daar doet ’t snelvlietend beekje het molenrad gaan’. Opvallend is dat de oliemolens aan de linkerkant van de stroom liggen en de korenmolens ter rechterzijde. De meeste beken in Twente lopen van oost naar west. De korenmolen had ’s ochtends al vroeg licht en men kon dus ook vroeg beginnen, in tegenstelling tot het olie slaan dat vaak ’s avonds en ’s nachts gebeurde. Een aantal van de molens die eind negentiende en begin twintigste eeuw verdwenen wordt hier besproken.

Springendal

Op de Springendaalse beek, die deels door Hezingen en deels door Oud-Ootmarsum stroomt, hebben drie watermolens gedraaid die voor het eerst genoemd worden in 1548. In 1723 werden de erven Meerbekke en Lippert gekocht door Baron van der Heiden van het Huis van Ootmarsum. Hij wilde verlost zijn van de plagerijen van de boeren die zijn papiermolen, tussen beide erven liggend, ‘van het nodige water soeken te frustreren’. De burgemeester van Ootmarsum, tevens papierfabrikant, Mr Bernard Cramer, kocht het landgoed Springendaal, inclusief beide erven en de molens in 1811.

De kadastrale atlas van 1832 toont deze molens, waarvan de bovenste molen de Koorn Watermolen wordt genoemd, gelegen aan de Meerbekke. Cramer heeft deze korenmolen laten ombouwen tot papiermolen en deze is tot 1884 in bedrijf gebleven tot Cramer de papierproductie in zijn geheel overhevelde naar zijn papierfabriek op de Veluwe. De Koorn Watermolen lag precies op de grens tussen Tubbergen (de molen) en Denekamp (de beek). Kort na 1884 is de molen afgebroken. Nu herinnert niets daar meer aan: de molenkolk is droog en de beek loopt zuidelijker.

De voormalige papiermolen aan de Uelserdijk te Nutter. Links de vroegere waterloop. (foto H. Hagens)

De middelste molen lag in Oud Ootmarsum aan de Uelserdijk. De locatie is nauwelijks meer te zien, alleen maar een verhoogde bedding. Ook deze molen stopte kort na 1884. De derde, benedenste molen, was de belangrijkste van de drie Cramer-molens. Het had een bovenslagrad van 3,2 el middellijn. In het oude gebouw werd na 1884 een wasserij gevestigd. Het pand brandde in 1963 af.

De voormalige papierfabriek op ’t Springendal. (foto uit G.J. ter Kuile: 'De Twentsche watermolens')

Hazelbekke

Iets ten noorden van de nog bestaande watermolen De Mast in Vasse aan de Vasserbeek lag tot 1961 de bovenslagwatermolen van de familie Hazelbekke. De laatste jaren heeft de molen vooral dienst gedaan als korenmolen. Daarvoor was het een boekweitmolen. G.J. ter Kuile omschrijft in zijn boekje ‘De Twentsche watermolens’ deze molen als volgt: ‘Mooi en nedrig vlijt zich de oude houten kast op hooge stelten daar in de diepte, wegduikend onder dichte bomen en weelderige varens. Zóó lieflijk klatert en spattert hier het molenrad, dat geen bezoeker hier niet stille blijft en luistert.’

De Hazelbekke te Vasse. (foto uit G.J. ter Kuile: 'De Twentsche watermolens')

Geesterense molens

Geesteren kende ook twee molens, een koren- (Nordemeule) en een oliemolen (Vermolen). De Nordemeule lag meer stroomopwaarts en is gebouwd rond 1268. Deze onderslagmolen was eigendom van de bisschop van Utrecht en werd in 1338 bewoond door Johanne thor Naerremolen. Via de monniken van Sibculo kwam de molen rond 1570 in bezit van Hopman Boeymer, die tevens drost was van IJsselmuiden, en zijn erfgenamen uit Brabant. Het waren slechte rentmeesters, want de molen raakt in verval en financieel was het een rommeltje. Regelmatig stonden geldeisers voor de deur.

Korenmolen de Nordemeule te Geesteren. (foto: Monumentenzorg Zeist)

In 1721 werd de molen verkocht aan de Heren van Almelo. De molen was toen een dwang- of banmolen. Dat wil zeggen dat boerenpachters hun graan verplicht moesten laten malen bij de molen van de landsheer, die daar goed aan verdiende. In 1767 werd de molen voor 14.000 gulden doorverkocht aan J. Dikkers uit Vriezenveen. In 1820 werd hij uiteindelijk publiekelijk verkocht. In 1870 bemaalden twee generaties Masselink de molen tot het waterschap in 1932 de resten afkocht en de molen werd afgebroken. Slechts een kleine waterval herinnert nog aan de plaats van de molen.

De Nordemeule te Geesteren. (foto uit G.J. ter Kuile: 'De Twentsche watermolens')

De Vermolen stamt uit 1323 en lag een kilometer ten westen van de Nordemeule. Ook deze molen was eigendom van Hopman Boeymer. Net als de andere molen raakte ook deze in verval. Toen de molen in andere handen overging en opgeknapt werd, ontstonden er problemen rond de watertoevoer. De oliemolen mocht alleen stuwen als ze olie sloeg, maar dan slechts zo hoog dat de korenmolen daar geen hinder van ondervond. De ruzies liepen zo hoog op dat in 1729 de eigenaar van de Nordemeule de stuw bij de oliemolen vernielde. De drost gelaste hem ‘dese begaene feitelyheyt ten eersten te repareren en vergoeden en sig in het vervolg van diergelijke te onthouden'.

De Vermolen te Geesteren. (foto uit G.J. ter Kuile: 'De Twentsche watermolens')

Toen in de negentiende eeuw de meeste oliemolens waren verdwenen, trok de Vermolen met raap- en knolzaad klanten uit de verre omtrek, tot Coevorden en Ommen aan toe. In 1922 hield de molen op met werken. Toen in 1929 de molen werd afgebroken was er al niet veel meer van over.

Markvelder watermolen

De onderslagmolen aan de Schipbeek bij Diepenheim wordt al in 1266 genoemd. In 1499 verpachtte de Abdis van het klooster ter Hunnepe (bij Deventer) 'den watermole en oliemole te Merckfelt aan Albert…'op voorwaarde dat hij de molen direct op eigen kosten zou herstellen en onderhouden. In 1575 ging de pacht over naar Johan en Geertken voor de duur van zes jaar. De pacht bedroeg 25 molder goede droge winterrogge, 10 molder boekweit voor de korenmolen en 8 daalder, 800 roefkoeken en 200 lijnkoeken voor de oliemolen. Eind zestiende eeuw liep het financieel allemaal niet zo goed. Ook hier liet de Tachtigjarige oorlog duidelijk haar sporen achter.

De Markvelderwater- molen. (Gemeentearchief Diepenheim)

In de negentiende eeuw rezen er soms hevige twisten tussen de markgenoten en de eigenaar van de molen rondom de waterrechten. De molenaar schutte het water ten behoeve van de molen, maar volgens oud recht mocht hij dat niet tussen St. Geertruidsdag (17 maart) en St. Lambertsdag (17 september).Twee veldwachters hebben tot twee maal toe op last van de boeren de schutten verwijderd. Maar meestal ging het er vreedzamer aan toe. Dan werden de boeren die de schutten ophaalden op 17 maart door de molenaar onthaald op bier (of iets met nog meer procenten). Als ze uiteindelijk vergaten de schutten mee te nemen, dan was hun recht verspeeld. De ‘verbeteringswerken’ aan de Buurserbeek in het begin van de twintigste eeuw betekende het eind van de Markveldse molen. In 1911 is ze afgebroken.

Door Marcel Mentink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geworteld in Overijssel

De Overijsselse roots van Onno en Isa Hoes

Wie kent hem niet: Onno Hoes. Ex-burgemeester van Maastricht, ex van theaterproducent Albert Verlinde. Prominent VVD-lid. En wie kent zijn jongere zus Isa niet: toneel-, film- en televisieactrice, weduwe van acteur Antonie Kamerling; auteur van het boek 'Toen ik je zag'. Weinigen zullen weten dat hun roots stevig verankerd zijn in Twente.

Het verhaal van Onno en Isa Hoes begint in Oldenzaal als we lezen: 'Op 22 april 1761 heeft de magistraat van Oldenzaal de Jode Henoch Levi, met desselfs toekomende ehevrouw Gana Philip toegelaten in deze stad te wonen en zijn neringhe te doen als burger op conditiën als aan andere Joden, gepermitteert en geaccordeert, ten welken einde deselve den Eed daartoe staande heeft gepresteerd en het veraccordeerde betaald.' Volgens L.A. Stroink (Stad en Land van Twente) namen de nakomelingen van deze Levi rond 1812, bij de invoering van de burgerlijke stand, de naam Kan aan. Waar de Kans vandaan kwamen is niet bekend, maar aangenomen mag worden dat hun familie via Münsterland naar Twente is gekomen. Oldenzaal kende in die periode de meeste joodse families (20) in Twente en was daarom door Lodewijk Napoleon tot ringgemeente uitgeroepen. Daarmee was het de belangrijkste stad voor de Joden in Twente.

Waarom Oldenzaal? Joden woonden bij voorkeur in de stad en niet op het platteland. Waarschijnlijk had dat te maken met de angst voor geïsoleerd leven. In noodsituaties moest men op de geloofsgenoten kunnen terugvallen. Woonde men in de stad, dan ook het liefst in het centrum. Als handelaar zat je dan dicht bij je afnemers, maar het pand kon dan, wilde men snel vertrekken, ook makkelijk weer verkocht worden. Joden waren in die tijd tweederangsburgers en mochten in die tijd geen openbaar ambt uitoefenen en zich niet aansluiten bij een gilde. Daarom waren ze vaak handelaar, marskramer, slager (koosjer), financier, lompenboer of lommerd, beroepen die niet aan een gilde gebonden waren. Pas bij besluit van 2 september 1796 werden joden gelijk gesteld aan alle andere burgers en mochten ze zich aansluiten bij een gilde. Velen bleven echter hun oude beroep trouw.

Portretfoto van Wolf Kan op zijn zeventigste verjaardag.

Bet-betovergrootvader

Het echtpaar Levi kreeg vijf kinderen onder wie omstreeks 1767 een zoon genaamd Juda Enoch Kan die vóór 1800 trouwde met Ester Jacob Blitz, geboren in Amsterdam rond 1769 als dochter van Jacob en Hanna Blitz. Samen kregen ze vijf kinderen: Ruben (1800); Jacob (1803); Enoch (1805); Simon (1808) en Moses (1810). Juda Enoch was slager van beroep. Hij overleed op 23 februari 1845 te Oldenzaal.

Betovergrootvader

Moses Kan, geboren te Oldenzaal op 6 oktober 1810, werd koopman en trouwde op 13 mei 1841 met de twintigjarige Hanna Habermann. Zij was geboren in Buttenheim (bij Bamberg) in het voormalige koninkrijk Beieren. Ze is naar Nederland verhuisd, omdat ook in Beieren de intolerantie tegen Joden erg groot was. Haar vader was reeds overleden, haar moeder ging niet mee naar Nederland, maar bleef achter in Beieren. Het huwelijk, gesloten te Oldenzaal, werd gezegend met vijf zoons onder wie Wolf. Moses overleed op 31 oktober 1885 te Enschede. Als weduwnaar overleefde hij zijn vrouw Hanna met 22 jaar. Zij stierf op 1 oktober 1863 in Oldenzaal.

Overgrootvader

Wolf Kan (7 januari 1849) en zijn broer Jonas (1846) richtten in Oldenzaal in 1884 de N.V. Textielfabriek W. Kan op. Later werden twee andere broers Daniël (1851) en Herman (1861) opgenomen in het bedrijf. Het bedrijf was oorspronkelijk gevestigd aan de Grootestraat (later Parallelstraat 52) en fabriceerde witte en gekleurde katoenen weefsels. Zijn oudere broer Jonas (de Gatjör), een deftige verschijning (klein, donker pak en horlogeketting) woonde aan de Deurningerstraat en ronselde sterke boerenjongens voor de fabriek. Vanaf veertien jaar hoefden ze niet meer naar school en als ze in de fabriek gingen werken, zo benadrukte hij, brachten ze voor de ouders geld in het laadje. Het bedrijf groeide gestaag, met op het hoogtepunt vestigingen in Oldenzaal, Haaksbergen en Neede.

De fabriek van de firma Kan aan de Parallelstraat in Oldenzaal met rokende schoorsteen, ca. 1900.

Dat het zakelijk goed ging, blijkt wel uit het feit dat in 1918 de grootste belastingbetaler in Oldenzaal de firma Gelderman was, respectievelijk gevolgd door de textielbedrijven van firma Kan, firma Zwartz, firma Muller en de firma Molkenboer. Begin jaren dertig braken er stakingen uit onder het personeel. De familie Kan reageerde streng: de 21 stakende werknemers werden per direct ontslagen. Maar toen de crisisjaren op hun einde liepen bereikten de vakbonden overeenstemming met de directie over loonsverhogingen van tien tot vijftien procent! Wolfs zoon Max en de zoon van Daniël, Willy, namen na verloop van tijd de directietaken over. Willy en zijn gezin werden in de oorlog gedeporteerd en keerden, zoals zovelen, niet terug. Max overleefde de oorlog wel, maar kwam kort na de bevrijding om bij een auto-ongeluk.

Wolf Kan trouwde op 21 juli 1897 met de uit Hackney, Londen afkomstige Emma Leon (ook wel Lewin gespeld), de dertig jaar oude dochter van Henry Leon en Augusta Louis. Het echtpaar kreeg drie kinderen onder wie de jongste dochter Johanna.

Directieleden van de firma Kan, 1929. Geheel links Wolf Kan. 

Grootmoeder

Johanna Kan zag op 21 augustus 1902 het levenslicht in Oldenzaal. Ze trouwde in Enschede op 11 februari 1924 met de uit Lith afkomstige Israël de Winter, geboren 8 maart 1897. Hij was de zoon van Elkan Israël de Winter en Henriette de Wit. Israël was textielgrossier van beroep en overleed op 28 mei 1960 in Vught. Johanna werkte als manufactureninkoopster en overleed op 18 februari 1972 in Leiden.

Moeder

Een dochter uit het huwelijk tussen Israël de Winter en Johanna Kan was Emma de Winter. Ze kwam op 14 mei 1927 in Den Bosch ter wereld. Als jong joods meisje dook ze onder in Amsterdam, Den Bosch, De Bilt, Drachten, Eindhoven en Zaandam. Ze ging destijds onder de schuilnaam Cornelia (Corry) Petronella Hendriks. Ze maakte de bevrijding mee in Amsterdam. Na de oorlog werkte ze als kleuterleidster. Later was ze acht jaar lid van de gemeenteraad in Den Bosch.

Emma de Winter (tweede van rechts) in ’t Poortje in Den Bosch, 1940. (collectie Joods Historisch Museum)

Op 11 november 1952 trad ze in het huwelijk met de zakenman Antonius Franciscus Maria Wilhelmina Hoes. Geboren te St. Michielsgestel op 9 maart 1924, zoon van Marcelis J.J. Hoes en Lucia A.M. Hurkens. Hij overleed op 26 november 2013. Emma overleed te Den Bosch op 23 maart 2010. Het stel kreeg vier kinderen: Harold (1953), Karen (1956), Onno (1961) en Isa (1967).

Isa Hoes in de jaren negentig.

Onno en Isa Hoes

Onno Hoes was vanaf de jaren zeventig actief binnen de liberale jongerenorganisatie JOVD en later de VVD. Van 1986 tot 1992 was hij voorzitter van de VVD in Den Bosch en tot 2010 lid van gedeputeerde Staten in Noord Brabant. In 2010 werd hij voorgedragen als burgemeester van Maastricht. Daar was hij onder andere verantwoordelijk voor de zogeheten ‘wietpas’. Na incidenten met betrekking tot zijn persoonlijke levenswijze gaf hij zijn burgemeesterschap in 2014 op.

Isa Hoes trouwde in Venetië met acteur Antonie Kamerling. Ze kregen een zoon en een dochter. Haar echtgenoot maakte in 2010 een eind aan zijn leven. Over haar leven met haar man en zijn depressies schreef ze een boek: ‘Toen ik je zag’. Ze stond in het theater met haar show 'De gelukkige huisvrouw' (2009). Vorig jaar speelde ze in de film 'De ontsnapping'.

Bijlage: De stamboom_van_de familie_Hoes_-_Kan.pdf

Door Marcel Mentink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Eerste Nederlandse Rijwielfabriek in Deventer Waaggebouw

In de tentoonstelling ‘Persoonlijke verhalen over de Deventer Collectie’ kan de bezoeker in de vijfhonderd jaar oude Deventer Waag kennis maken met het fraaie Deventer zilver, de stedelijke bronsgieters en met de beroemde zeventiende-eeuwse meester Gerard ter Borch. Maar ook met de pioniers van de Deventer industrie, zoals ondernemer en rijtuigenmaker Henricus Burgers (1843-1903). Burgers was gebiologeerd door de eerste vélocipède zoals Michaux die had gepresenteerd in 1862. Stel je voor: de berijder kon daarop zittend trappen en hoefde zich niet meer op de grond af te zetten! Burgers maakte al in 1869 zijn eigen doordraaiers. De fabriek was de eerste in zijn soort in Nederland en koos dan ook in 1896 voor de logische naam: Eerste Nederlandse Rijwielfabriek. Uiteindelijk zou ‘Burgers’ bijna een eeuw bestaan. Geen andere fabriek ter wereld had alle fietsmodellen geproduceerd, van de houten doordraaiers tot de damesfiets uit 1961.

Klik hier voor meer informatie en openingstijden.

Door de redactie

Zwolle in de jaren '70 en '80

De tentoonstelling Zwolle in de jaren ’70 en ’80 is vanaf nu te zien in het Stedelijk Museum Zwolle. Speciaal voor de tentoonstelling over de jaren ’70 en ’80 is het museum voorzien van een heuse zitkuil, een tienerslaapkamer en een eetkamer. Uiteraard alles met het typische jaren ‘70 behang en de bekende kleurencombinatie bruin-oranje-paars. Ook de museumwinkel en het café hebben een - in de tijd passende, make-over gekregen. Waan u in vervlogen tijden en beleef de jaren ’70 en ’80 opnieuw! Bezoek de tentoonstelling met veel historische foto’s en film, muziek, kleding, platenhoezen, Zwolse bands, Herman Brood, muziekapparatuur en de eerste thuiscomputer.

In de tentoonstelling is tevens aandacht voor de opkomst van wijken in die tijd, gebouwen die gesloopt werden (waaronder het in Zwolle zeer bekende gouverneurshuis), en gebouwen die toen werden opgebouwd maar inmiddels weer verdwenen zijn. Tijdens de expositie det het museum graag een beroep op u als bezoeker. Het museum nodigt u van harte uit om uw eigen foto en/of filmmateriaal uit de jaren ’70 en ‘80 te delen via social media. Ook is er in de tentoonstellingsruimte een wand geplaatst, waarop u uw eigen foto kunt plakken.

Klik hier voor meer informatie over de openingstijden.

Door de redactie

Archeologische topvondsten uit het Land van Vollenhove

Vanaf 2 april tot en met 6 november 2016 is de tentoonstelling 'Bodemschatten uit de Kop: archeologische topvondsten uit het Land van Vollenhove' te bezoeken in Cultuur Historisch Centrum Land van Vollenhove. Op 9 april 2016 wordt de tentoonstelling officieel geopend.

Rode draad

De zorg om het dagelijks leven staat centraal in de expositie. De medewerkers van het CHC hebben er veel tijd in gestoken om dit in de tentoonstelling ook tot uitdrukking te laten komen. Een boerderij uit de Bronstijd is met oog voor authentieke details nagebouwd. Van het kasteel Toutenburg, ooit het zomerverblijf van stadhouder Georg Schenck van Toutenburg, zijn in de tentoonstelling vele bouwfragmenten te zien. Het Stedelijk Museum in Zwolle heeft voor deze bijzondere tentoonstelling zelfs het oudst bekende schilderij van het kasteel in bruikleen gegeven.

Reis door de tijd

De tentoonstelling neemt de bezoeker mee op een reis door de tijd aan de hand van bijzondere archeologische vondsten uit de directe omgeving. Tot de vroegste voorwerpen behoren de resten van mammoeten uit de laatste ijstijd. De meest recente vondsten dateren uit de late Middeleeuwen en zijn een jaar geleden gevonden bij de Voorpoort in Vollenhove. Het CHC ontving verder veel bruiklenen uit een aantal archeologische depots en particuliere collecties die zelden of nooit zijn geëxposeerd. De tentoonstelling 'Bodemschatten uit de Kop: archeologische topvondsten uit het land van Vollenhove', is te zien van 2 april tot 6 november 2016 in het CHC Land van Vollenhove, Bisschopsstraat 36. Open van woensdag t/m zondag 13.00 uur – 17.00 uur.

Door de redactie

Theaterproductie: De barones en de dominee

Met gepaste trots kondigt Stichting SUUS haar nieuwe theaterproductie aan. Het stuk, geschreven door Wim Coster en Frans Leenderts met liedteksten van Janpieter Boudens op muziek van Martien Hovestad, is gebaseerd op het gelijknamige boek van Wim Coster, gepubliceerd in april van dit jaar bij Uitgeverij Balans. 

Het verhaal van de “verboden liefde” tussen Jeanette Pruimers, geboren barones van Dedem, en de predikant Johannes Gerrit van Rijn, speelde zich af in Zwolle in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het heeft niet alleen in de regio, maar in het hele land voor veel ophef gezorgd, ook in de pers, en geleid tot een serie vrij onverkwikkelijke kerkelijke en civiele rechtszaken. Vooraanstaande figuren (waaronder de schrijver Multatuli) hebben zich publiekelijk uitgelaten over de zaak en iedereen had wel een al dan niet gefundeerde mening.

Jeanette, barones van Dedem op den Berg uit Dalfsen, trouwt met Daniël, zoon van de Zwolse wijnhandelaar Pruimers. Het echtpaar woonde aan de Potgietersingel in Zwolle. Daniël overlijdt na drie jaar aan tering. Zij hebben dan een dochter Daniëlla. Johannes Gerrit van Rijn, dominee van de Grote Kerk, (getrouwd, vier kinderen), is een goede bekende van Jeanette en Daniël. Hij verleent geestelijke steun aan Daniël in zijn laatste levensfase, en blijft ook daarna de weduwe regelmatig bezoeken. Dit leidt tot geroddel, zeker als de dominee Jeanette bezoekt in Zandvoort en in het plaatsje Huyères in Zuid-Frankrijk, waar de weduwe gaat kuren. In dat plaatsje Huyères wordt een kind geboren dat direct na de geboorte wordt afgestaan aan een pleeggezin. Het kind wordt ingeschreven onder de naam Hendrik van Denem. De dominee en de barones ontkennen nadrukkelijk dat het hun kind is: hun relatie was en is een louter geestelijke. Voor officier van justitie én lid van de kerkenraad Hendrik Machielsen is een en ander voldoende reden om zowel civiele als kerkelijke rechtszaken te starten. Hij buit daarbij zijn dubbelrol heel nadrukkelijk uit.

Klik hier voor meer informatie.

Door de redactie

150 jaar protestants-christelijk onderwijs in museum Erve Hofman

In museum Erve Hofman is een tentoonstelling gewijd aan de geschiedenis van anderhalve eeuw protestants-christelijk onderwijs in de gemeente Hellendoorn. Het begon allemaal in 1866, toen de eerste christelijke lagere school op maandag 8 januari haar deuren opende. De huidige supermarkt Jumbo aan de Grotestraat in Nijverdal is gebouwd op de fundamenten van die school. Op de zolder van Erve Hofman is van alles te zien over de geschiedenis van basisscholen in de hele gemeente. Er is een film uit het begin van de jaren vijftig, er zijn griffels, een leesplankje (Aap Noot Mies), leitjes met een echt leilatje (oude lineaal) en schoolboekjes. En natuurlijk veel foto’s. Kinderen kunnen zelf in de schoolbanken plaats nemen en met een griffel op een leitje schrijven. Ook is er een reconstructie van een schoolklasje uit de jaren dertig. Kortom, er is veel te zien. Leuk om met de kinderen of een schoolklas te bezoeken.

Museum Erve Hofman

Hofmanstraat 2

7447 AS Hellendoorn

Erve Hofman is geopend van dinsdag tot zaterdag van 13.30 – 17.00 uur. Toegang € 4,--, kinderen tot 12 jaar gratis.

Door de redactie

De mysteries van de Hunenborg

Verborgen in de bossen bij Volthe ligt de Hunenborg. Deze burcht is al eeuwen het onderwerp van speculaties, onderzoek, opgravingen en een bron van sagen en legendes. De geheimzinnige burcht, waarvan nu nog maar weinig te zien is, was niet altijd zo verstopt in het groen.

In de Overijsselse Almanak voor Oudheid en Letteren uit 1835 wordt de volgende beschrijving van de Hunenborg gegeven: ‘De Hunenborg is een bijna ronde heuvel in de boerschap Volte, in eene moerassige streek, die den bijzonderen naam van het Volter-broek draag, gelegen is. De afstand van den Hunenborg, van Ootmarssum is ongeveer een half uur gaans in de rigting van het Zuidoosten; en even zoo ver ligt dezelve Noord-westwaarts van de havezate Everlo. Uit de verte gezien, gelijkt deze heuvel eenigermate op de grafheuvels der Kimbrop Germanen; doch wanneer men in deszelfs onmiddellijke nabijheid gekomen is, heeft hij in den eersten opslag het aanzien van een verwoest militair fort. Eene gracht van ongeveer 18 a 20 schreden breed omgeeft denzelven, een heeft aan hare buitenzijde eenen omvang van ongeveer 400 schreden. Deze gracht droogt slechts bij sterke zomerhitte uit, en maakt ook alsdan den opgang op den heuvel zelven mogelijk.’

Het terrein van de Hunenborg. (foto: Peter van der Wielen)

Arpad de Hongaarse prins

Het onderzoek naar de oorsprong van de burcht begon al in de negentiende eeuw. De almanak bericht over de inlichtingen die de plaatselijke bevolking heeft gegeven tijdens dit onderzoek. Deze varieerden van een verblijfplaats van de Hunnen (een boerenknecht geeft aan dat hij een van deze Hunnen heeft ontmoet) tot het huis van een heidense keizer. Ook werd de mededeling gedaan dat er een zilveren straat van de Hunenborg naar Ootmarsum liep. Deze zilveren straat zou over de zandrug hebben gelegen van de Hunenborg naar Ootmarsum. Het gerucht dat er een (ondergrondse) gouden weg van de Hunenborg naar De Lutte heeft gelegen, was nog onwaarschijnlijker. De Hunenborg sprak duidelijk tot de verbeelding. Ook schrijver Jacob van Lennep (1802-1868) was hier niet ongevoelig voor en zette het romantische verhaal van Arpad, Prins der Madscharen en Barta op schrift. Deze Arpad zou de bewoner van de burcht zijn geweest. Van Lennep plaatste het ontstaan van de burcht in de tiende eeuw.

Plattegrond van de Hunenborg uit 1848. (bron: Overijsselsche Almanak)

De titel ‘Prins der Madscharen’ verwijst naar de Magyaren (Hongaren) die in de Middeleeuwen ook wel de Hunnen genoemd werden. Vaak wordt bij de naam de Hunenborg als eerste gedacht aan deze Hunnen. Logischer is echter een taalkundige uitleg te zoeken. Het woord ‘hune’, ook wel ‘huin’ en ‘huyne’ betekent reus en heeft als oorsprong de Oudgermaanse wortel ‘heuh’ of ‘hah’ dat ‘hoog’betekent. Dit is waarschijnlijk ook de betekenis van het woord ‘hune’ in hunebedden. Omdat de Hunenborg teruggaat tot de twaalfde eeuw is het mogelijk en waarschijnlijk dat de naam die het huis kreeg, werd gegeven in de taal die toen in deze regio het meest gangbaar was, namelijk het Saksisch. Uitgaand van bovenstaande zou Hunenborg dus simpelweg ‘hoge burcht’ of ‘reuzenburcht’ kunnen hebben betekend. Onderzoek heeft uitgewezen dat de Hunenborg inderdaad een hoge toren van tufsteen had. Dat het woord ‘hune’ later vaak werd verward met de Hunnen is waarschijnlijk de oorsprong geweest voor de legende van Arpad, Prins der Madscharen.

Archeologisch onderzoek

Aan het begin van de twintigste eeuw stak de nieuwsgierigheid naar de burcht opnieuw de kop op. In 1910 werd de Hunenborg aangekocht door het bestuur van de net opgerichte Oudheidkamer Twente. Op verzoek van de Oudheidkamer deed de Leidse archeoloog Jan Hendrik Holwerda in 1916 uitgebreid onderzoek naar de Hunenborg. Zijn bevindingen over de burcht werden in 1917 uitgegeven. Holwerda meende een verband te zien tussen de Hunenborg bij Volthe, de Hunenschans aan het Uddelermeer en de Pepynsburcht bij Osnabrück. Holwerda trof bij zijn opgravingen zware funderingen aan die zouden kunnen duiden op een toren. Ook vond hij Pingsdorfer scherven. Pingsdorfer aardewerk werd vervaardigd van de negende tot de dertiende eeuw in onder andere het Rijnland. Roodgekleurd Pingsdorfer aardewerk duidde meestal op de Karolingische tijd. Hierdoor nam Holwerda aan dat de Hunenborg een Saksische verdedigingsburcht was geweest uit de negende eeuw die als verblijfplaats had gediend voor een Karolingische graaf.

Plattegrond van de Hunenborg naar aanleiding van de opgravingen in 1916.

In 1994 werd nogmaals archeologisch onderzoek gedaan. Hierbij werd een houten dammetje aangetroffen. Uit onderzoek naar het hout op basis van jaarringen bleek deze dam uit de twaalfde eeuw te stammen. Deze datering houden de meeste geschiedkundigen op dit moment dan ook aan. Maar het mysterie van de Hunenborg blijft bestaan en nog steeds zijn veel vragen niet beantwoord. Dit is de reden dat in 2016, honderd jaar na de opgravingen gedaan door Holwerda, opnieuw uitgebreid onderzoek zal worden gedaan.

Een bronzen applique die waarschijnlijk is gevonden bij de opgraving van Holwerda in 1916. (Archeologisch Depot Overijssel)

Nieuw onderzoek

Landschap Overijssel, sinds 1968 beheerder van de Hunenborg, zal samen met promovendi van het Kenniscentrum Landschap van de Universiteit Groningen (opnieuw) onderzoek gaan doen naar de datering van de burcht, hoe deze eruit heeft gezien en waarom hij juist op deze plaats stond. Een antwoord op de laatste vraag zou kunnen zijn dat een burcht omringd door moeras een natuurlijke bescherming geniet. De hoge toren zou voldoende uitzicht hebben geboden op eventuele aanvallen daar het bosrijke Twente een vrij recent fenomeen is. In de Middeleeuwen boden de lege woeste gronden een veel uitgestrekter beeld. Onderzoek zal misschien uitwijzen hoe de situatie geweest is. Ook wil Landschap Overijssel de burcht beter zichtbaar maken zodat het unieke verhaal beter verteld kan worden. Afgelopen winter is er met een grondradar al gekeken of er nog resten onder de grond verborgen zaten. Daarna hebben er nieuwe opgravingen plaatsgevonden.

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

Waterpolowedstrijden in 1957-1958

Waterpolowedstrijden bij zwemvereniging de AA te Almelo in 1957-1958. Met commentaar van J. Nijhoff. (collectie HCO)

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Oald Heldern De Noaberschop

De winkel van Tromp

Aan de Dorpsstraat in Hellendoorn stond tot 1970 het winkeltje van Tromp. Het was een echte winkel van Sinkel, je kon er van alles krijgen. In het eerste kwart van de twintigste eeuw kon je er zelfs verzekeringen afsluiten, zo blijkt uit het grote reclamebord links. Voor de winkel staan Willem Tromp met vrouw en dochter Harda. Waarom Tromps Willem zo vervaarlijk met zijn jachtgeweer poseert, is niet bekend. Misschien wil hij duidelijk maken dat hij als zoon van een veldwachter voor de duvel niet bang is?

Door de redactie
Volgende pagina
. . . . . . . . . . .