MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Met de pijltjestoetsen op uw toetsenbord kunt u van links naar rechts en van boven naar onder scrollen:

    keys
  2. Als u met de muis naar de rand van de pagina gaat, verschijnt er een donkergrijze balk met een pijl: als u daarop klikt gaat u naar links, rechts, boven of beneden.
  3. Aan de rechterkant bevindt zich een zwarte balk. Daarin staan alle pagina�s van boven naar beneden. Met de muis kunt u de pagina van uw keuze aanklikken. U kunt daar ook scrollen met uw muiswiel of slepen met uw muis.
  4. Bovenaan in de rechter kolom staan een aantal knoppen. Hieronder ziet u welke functie deze hebben.

    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  5. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Door met uw vingers over het scherm te vegen (�swipen�).
    Dit kan zowel van links naar rechts als van boven naar onder en vice versa.
  2. Via het rode blokje rechtsboven krijgt u meer mogelijkheden.
    Tik op het blokje of sleep het met uw vinger naar beneden:
    - bovenin verschijnt een rode balk waarin u kunt bladeren door te �swipen�.
    - midden onder verschijnen een aantal knoppen die u aan kunt tikken:
    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  3. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 5
  • nummer 2
  • april 2017

Coververhaal

Een weerwolf en de Reformatie in Twente

Overijsselse topstukken

Moeder Gods van de Passie in het Ikonenmuseum Kampen

Geschiedenis van alle dag

De Twentse klopjes als geestelijke dochters van de pastoor

Coververhaal

Het Mirakel van Hellendoorn. ‘Paepsche stoutigheden’ in Salland

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Van de redactie
  • jaargang 5
  • nummer 2
  • april 2017

Themanummer over de Reformatie in Overijssel

Het is dit jaar 500 jaar geleden dat kerkhervormer Maarten Luther volgens de overlevering zijn 95 stellingen aan de slotkapel van Wittenberg nagelde. Het was het begin van de Reformatie die leidde tot een lange godsdienststrijd tussen rooms-katholieken en protestanten. De Reformatie veranderde de loop van de Europese geschiedenis ingrijpend. In dit jubileumjaar hebben we als redactie van het MijnStadMijnDorp Online Magazine gemeend een speciaal themanummer over de Reformatie te moeten maken. De kerkscheuring heeft namelijk grote gevolgen gehad in Overijssel.

Over de scheiding tussen katholiek en protestant in Overijssel schreef Paul Abels een interessant artikel. De Tachtigjarige Oorlog, met in zijn kielzog de Reformatie, blijkt de belangrijkste oorzaak van deze nu nog aanwezige verschillen. Wim van Dalfsen vertelt over de dramatische aanhouding van duizenden wederdopers op het Zwartewater bij Genemuiden. Hun beloofde stad Munster zouden ze nooit bereiken. In Overijssel heeft maar op een paar plekken een Beeldenstorm plaatsgevonden. Eén daarvan is Vollenhove. Mirjam van Velzen-Barendsen geeft en levendig beeld aan de hand van de memoires van de Zwolse aartspriester Arnoldus Waeijer. De Reformatie leidde in Hellendoorn tot een scherpe pamflettenstrijd. Evelyn Ligtenberg vertelt ons meer over het Mirakel van Hellendoorn. Jan Dirk Wassenaar heeft zich verdiept in de cultuur van het Overijsselse kerklied. Het blijkt dat de nationale synode in 1581 voor onze provincie een speciale uitzondering heeft gemaakt. 

In het slotartikel verhaalt Jos Mooijweer niet over de Reformatie, maar over de Hanze als historisch fenomeen en hedendaagse publiekslieveling. Van 15 t/m 18 juni is Kampen het toneel van de 37e internationale Hanzedagen. Voor de Vereniging voor Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG) reden om een speciaal symposium over de Hanze te organiseren. Nieuw onderzoek leverde verassende inzichten op. 

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Menno van der Laan (HCO), Doreen Flierman, Marcel Mentink (Rijnbrink), Martin van der Linde (IJsselacademie), Dinand Webbink (Athenaeumbibliotheek Deventer)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Mirjam van Velzen-Barendsen, Girbe Buist, Jos Mooijweer (HCO), Paul H.A.M. Abels, Evelyn Ligtenberg, Wim van Dalfsen, Jan Dirk Wassenaar

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

Een weerwolf en de Reformatie in Twente

Hoe dichter bij Oldenzaal, hoe Roomser het wordt. Er zijn verschillende redenen waarom Noord-Oost Twente de grootste rooms-katholieke streek van boven de grote rivieren is (gebleven). Wie het oeuvre van Herman Finkers kent, zou bijna geloven dat het aan de volksaard van de Tukkers ligt. Maar deze gedachte wordt gelogenstraft door de religieuze kleur van plaatsen in het westelijk deel van dit gewest.

In dorpen als Rijssen, Markelo en Enter domineert namelijk het zwart van de gereformeerden. Bepalend voor dit verschil was dan ook niet de volksaard, maar het verloop van de strijd tegen de Spanjaarden in de zeventiende eeuw. En de nabijheid van het bisdom Munster, dat uitwijkmogelijkheden te over bood aan bewoners uit de grensstreek die het oude geloof trouw wilden blijven.

Reformatie

Terwijl de Reformatie in provincies als Holland en Zeeland al vanaf 1572 met steun van de overheid werd doorgevoerd, bleven grote delen van Oost-Nederland zeker nog een kwart eeuw onder Spaans – dus katholiek – gezag. Pas met de verovering van Oldenzaal in 1597 kon hier een voorzichtig begin gemaakt worden met de opbouw van een calvinistisch-gereformeerde kerk. De eerste dominees, die vanuit Deventer naar Twente werden gestuurd om bezit te nemen van de kerkgebouwen, werden niet bepaald met open armen ontvangen. De verdreven pastoors en kapelaans deden hun uiterste best zielzorg te blijven verlenen en deden dit – geholpen door de lokale adel en andere prominenten – op havezates en in schuurkerken. Velen van hen kwamen uit de streek, waren van kinds af bekend en spraken de taal.

De uitgezonden dominees stonden voor een moeilijke taak. Zij wisten zich gesteund en betaald door de overheid, maar ze hadden moeite mensen naar de kerk te krijgen. De nieuwe leer was streng en stelde hoge eisen aan het kerklidmaatschap. Lidmaten moesten openlijk geloofsbelijdenis doen en zich onderwerpen aan streng toezicht van de kerkenraad op hun levenswandel. Bovendien spraken de dominees niet de taal van de streek, want zij kwamen zonder uitzondering van elders. De eerste lichting had dan ook grote moeite te aarden.

Gedenksteen aan Pibo in de kerk van Oldenboorn bij Heerenveen.

Weerwolf

De meest markante dominee die werd uitgezonden naar deze streken droeg de merkwaardige naam Pibo Ovittius van Abbema. Deze Fries werd de eerste predikant van Enschede en Losser. Hij was niet bepaald het prototype van de rechtzinnige calvinist. Integendeel. Aanvankelijk was hij een soort apotheekhoudende huisarts in Oldeboorn. Nadat hij wegens polygamie was verbannen uit Friesland begon hij aan een lange zwerftocht door de Nederlanden en aangrenzende gebieden, waarbij hij erin slaagde dan weer eens als pestdokter, dan weer als katholiek pastoor en uiteindelijk als gereformeerd dominee aan de slag te komen. Hij was een evenwichtskunstenaar tussen Rome en Reformatie, die zich moeiteloos aanpaste aan wat de goegemeente wilde horen. Dat ontdekte ook Maria van Nassau, de zus van Willem van Oranje, die wars was van scherpslijperij. Zij stelde hem tot twee keer toe aan als predikant in haar Graafschap Bergh. Dat de bevolking hem daar niettemin met achterdocht bekeek, lag aan zijn paramedische handelingen. Die leverden hem de verdenking op dat hij een tovenaar, een kwakzalver en zelfs een weerwolf zou zijn.

Handtekening van Pibo Ovittius van Abbema.

Deze Pibo Ovittius – zijn domineesnaam ontleende hij aan de Romeinse dichter Ovidius, ook een banneling – werd op 16 januari 1598 naar Enschede gestuurd om zijn gaven vanaf de kansel aan de kersverse gemeente te laten horen. Drie weken later meldden de burgemeesters van dit ‘stedeke’, dat zij zeer tevreden met hem waren. Dat deden zij in een brief waarin onversneden Twents doorklinkt: zijn preken waren “uns wolgefellich” en ook dat “sinne persoenn [ons] wol ansteet”. Gelet op zijn voorgeschiedenis mag ervan uitgegaan worden dat de tevredenheid over hem ook alles te maken had met zijn bereidheid om de kerkverandering geleidelijk en niet abrupt door te voeren. Toch zou hij nog geen jaar in functie blijven. Oprukkende Spaanse troepen noopten alle uitgezonden dominees Twente in het najaar van 1598 een veilig heenkomen te zoeken. Ovittius zocht zijn heil daarna in Utrecht.

Moeizame Reformatie in Twente

Pogingen om Twente te winnen voor de Reformatie strandden voor langere tijd, toen Spinola in 1605 de stad Oldenzaal, en daarmee het grootste deel van Twente, voor de Spanjaarden heroverde. Gedurende het hele Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bleef dit gebied Spaans. Van daaruit werd een sterke rooms-katholieke organisatie opgebouwd, onder leiding van apostolisch-vicaris Rovenius, die de Twentse katholieken weerbaar maakten tegen geloofsafval. Zelfs nadat de stad in 1626 op de Spanjaarden heroverd werd, was de streek nog niet veilig voor dominees.

Philippus Rovenius, apostolisch-vicaris.

De Spanjaarden (vanuit het nabij geleden Rheine) en de Staatsen begonnen vervolgens een ‘retorsiestrijd’, waarbij over en weer priesters en dominees gevangengenomen werden. Aan die strijd kwam in 1628 een eind met een niet-aanvalsverdrag, het Interim van Roosendaal, dat standhield tot de Staatsen sterk genoeg waren om het eenzijdig op te zeggen. Pas toen was voor de gereformeerden de weg echt vrij om Twente te reformeren. Veel te laat om nog met succes een kerkverandering te forceren. Oldenzaal en omgeving bleef daarom rooms-katholiek in al zijn vezels, terwijl het calvinisme in de dichter bij Deventer gelegen plaatsen wel aansloeg.

Door Paul H.A.M. Abels
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Christus op de koude steen. Een bijzonder beeld in Vollenhove

Een ruim driehonderd jaar oud manuscript bevat de herinneringen van de Zwolse aartspriester Arnoldus Waeijer (1606-1692). Hij beschrijft onder andere de periode van de reformatie; door hem de periode van de beroerten genoemd. Hoewel hij de reformatie niet zelf meemaakte, beschrijft hij de perioden voor en na de beroerten in verschillende hoofdstukken, waarbij hij in totaal achttien steden, dorpen en buurtschappen de revue laat passeren. Hij heeft een vlotte pen; zijn verhaal beperkt zich niet tot droge feiten en data. Hierdoor biedt zijn manuscript ons een levendig beeld van de gebeurtenissen. Eén van de markantste passages over de reformatie, vinden we in het hoofdstuk over Vollenhove.

Kerkplundering en beeldstormerij

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog hadden Vollenhove en haar omgeving te maken gehad met gewelddadigheden van beide strijdende partijen; niet alleen Don Alva maakt de omgeving onveilig; ook de Staatse troepen maken zich schuldig aan plunderingen en gewelddadigheden. Waeijer begint zijn verhaal over Vollenhove met het feit dat de stad in het jaar 1578 door de Staatsen op de Spanjaarden werd veroverd. Wat volgde was een kerkplundering, waarbij een specifieke vernieling in de Sint Nicolaaskerk door Waeijer tot in detail wordt beschreven:

‘Een scheepstimmerman, met bijname Marc, die eenen houten beelt, representerende Christum, gegeesselt, ende gecroont, op een steen sittende, met een riet in de hant, (daer de catholycken na ouder gewoonte hare devotie plegen voor te hebben) heeft afgeworpen, ende begost te klieven. Maer soo het beelt naer sijn welgevallen niet scheuren en wilde, heeft hij grouwelijck daerop gelastert, ende geseyt: “Ick sal hem een bijl in sijn aers drijven, en sien of hij niet en sal barsten.”(…)’

Gebroken beelden gevonden op de leidekkerszolder boven de consistorie van de Grote Kerk in Vollenhove tijdens de restauratie in 1970. (HCO, Zwolle)

Waeijer is ervan overtuigd dat dergelijk gedrag door God niet ongestraft zal blijven. Met enig leedvermaak weet hij dan ook te vermelden dat Marc, op het moment dat hij verwacht zijn loon te krijgen, vreselijke pijn aan zijn ‘fondament’ krijgt, zodat hij niet naar het toilet kan. Zijn metgezel, ene Jan Kniphuijs uit Oost-Friesland, komt er ook niet best vanaf: hij krijgt buikloop en is ‘gantsch uytgeloopen’. Beide mannen overlijden uiteindelijk; Marc tot op het einde God vervloekende en Jan ‘met ellendige sneden ende smarten’.

Censuur in 1917

Het taalgebruik van Waeijer in deze passage is opvallend. Zijn ruim 750 pagina’s tellend manuscript is zelden zo expliciet en eigenlijk verwachten we het ook niet van deze vrome katholiek. Voor G.A. Meijer, die het handschrift van Waeijer in 1917 voor het eerst uitgaf, was het taalgebruik zelfs zodanig schokkend, dat hij meende dat hij de lezer de ‘de stuitende ruwheid van dit feit, zooals het handschrift dit verhaalt’ moest besparen. Hij liet woorden als ‘aars’ en ‘fondament’ weg en presenteerde zijn lezer een gekuiste uitgave. Echt schokkend zullen wij het taalgebruik tegenwoordig niet meer vinden. De moderne mens is wel wat gewend!

Bladzijde uit het manuscript van Waeijer, waarin hij over Vollenhove vertelt.

Maar voegt een nieuwe, ongecensureerde versie van de tekst wel wat toe? Feitelijk gezien niet. Meijer liet bepaalde woorden weg omdat hij het taalgebruik wat te grof vond. De gebeurtenis zelf, de beeldschenderij, verandert hierdoor niet, zo lijkt het. Maar uit de passage, zoals Waeijer die verhaalt, blijkt woede en frustratie. En dat aan beide zijden: de scheepstimmerman moet en zal dat beeld vernielen, koste wat het kost. Waeijer kan zijn afkeer van deze gebeurtenis niet verbergen, en gebruikt niet mis te verstane bewoordingen om de straf van God te beschrijven. Het is een intense periode uit de geschiedenis; de gewelddadigheden van de oorlog, spanningen tussen katholieken en gereformeerden. Mensen wáren boos en gefrustreerd. De woordkeus van Waeijer is juist daarom van groot belang.

Niet uit eerste hand

Maar Waeijer was zelf katholiek en daarmee een slachtoffer van de reformatie. Dat hij de gebeurtenissen in de Sint Nicolaaskerk niet ten gunste van de gereformeerden laat uitvallen, lijkt logisch. De vraag is natuurlijk in hoeverre hij met dat doel de gebeurtenissen wat heeft “aangedikt”. Daarnaast was Waeijer er zelf niet bij. Hij heeft het verhaal vernomen van een ander, wellicht van zijn voorganger, Volcquerus Herckinge, die er op zijn beurt waarschijnlijk óók niet bij geweest is en het weer gehoord heeft van… etcetera, etcetera. Op het waarheidsgehalte is dus zeker wel wat af te dingen! Bovendien is de overeenkomst van misdaad en straf opvallend. Dit gegeven komt vaker voor. Daar waar je een beeld vernield, word je zelf later gestraft.

Portret van Arnoldus Waeijer. (Stedelijk Museum Zwolle)

Dit betekent niet dat we Waeijers woorden over Vollenhove terzijde moeten schuiven als fictie. Los van het feit dat de tekst ons wat zegt over de sentimenten in de zeventiende eeuw, hebben zijn woorden nog veel meer waarde. Waeijer vertelt ons dát er een beeldenstorm heeft plaatsgevonden in de Sint Nicolaaskerk, zegt ons wanneer en geeft ons twee namen van mensen die hieraan hebben deelgenomen. Het beeld dat Marc de scheepstimmerman zo gewelddadig vernield, beschrijft hij bovendien vrij nauwkeurig: ‘eenen houten beelt, representerende Christum, gegeesselt, ende gecroont, op een steen sittende, met een riet in de hant’. Hieruit blijkt dat de Sint Nicolaaskerk in de zestiende eeuw in bezit is geweest van een specifiek devotiebeeld, bekend als Christus op de koude steen.

Grote en koude pynen

Het beeld is een representatie van Christus, zittend op een steen. Hij rust na de kruisdraging, getooid met de doornenkroon, wachtend op zijn executie. Deze scène komt niet voor in de Bijbel, maar vindt zijn oorsprong in middeleeuwse passietraktaten. In deze traktaten wordt de -in de Bijbel vrij summier weergegeven- lijdensweg van Christus aangevuld met details. Onder invloed van Bernardus van Clairvaux (ca. 1090-1153) wordt de passie tot een van de voornaamste elementen van Christus’ menselijkheid en zijn liefde. De Fransciscanen en Dominicanen droegen deze “theologie van het kruis” verder uit. Ludolf van Sachsen uit de veertiende eeuw nam de passages op in zijn Vita Christi: ‘Oh lieve heere hoe jammerlijck sadt gy opten kouden steen, bevender van grote koude ende pynen.’ Aan deze tekst zou de naam “Christus op de koude steen” afgeleid zijn.

Christus op de koude steen in de Sint Pieterskerk te Turnhout, gepolychromeerde steen, ca. 1500. (foto: Ad Meskens)

In de Noord-Duitse schilderkunst vinden we in de eerste helft van de vijftiende eeuw al dergelijke representaties terug. Naast het rusten van Christus, worden dan ook andere momenten afgebeeld, zoals bijvoorbeeld de ontkleding en de voorbereiding op de kruisiging. Het moment dat Christus op de steen zit, wordt vaak geplaatst ná de ontkleding. Toch zijn er maar heel weinig beelden en schilderijen van dit moment, waarbij Christus ook daadwerkelijk geheel naakt is. Dit komt niet alleen voor uit kuisheid, maar ook uit het feit dat dit moment vaak in verband wordt gebracht met Christus’ ontmoeting met zijn moeder. Maria zou de naaktheid van haar zoon met haar hoofddoek hebben bedekt.

Vollenhove in de Stedenatlas van Blaeu uit ca. 1649.

Tegenwoordig zijn er relatief weinig beeltenissen van dit moment bewaard gebleven. Waeijers beschrijving van de gebeurtenissen in de Sint Nicolaaskerk tonen ons waarom: juist dit soort devotionele beelden werden door de gereformeerden verworpen. Dankzij Waeijers aandacht voor detail, weten we echter dat de Sint Nicolaaskerk in de zestiende eeuw zeer waarschijnlijk over een dergelijk beeld beschikte. Daarnaast schetst hij een wel heel levendig beeld, van hoe het verloren is gegaan!

Door Mirjam van Velzen-Barendsen
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Het Mirakel van Hellendoorn. ‘Paepsche stoutigheden’ in Salland

Ruim 350 jaar geleden verscheen een pamflet met de welluidende titel ‘Een wondere en waerachtige geschiedenisse in Sallandt binnen Helderen int jaer 1643’. Het Mirakellied vertelt over de rampen die de protestantse koster en dominee van Hellendoorn overkomen als zij heiligenbeelden uit de kerk verwijderen en verminken.

In onze huidige tijd is het individualisme aan het doorslaan en krijgt het steeds meer de nare trekjes van egoïsme. Dat individualisme vindt natuurlijk ergens zijn oorsprong. In de middeleeuwen werd het persoonlijk leven georganiseerd door onder meer de kloosters, de (katholieke) kerk en gildes. Het collectivisme vierde hoogtij. Toen Luther in 1517 zijn stellingen aan de deur van de kerk van Wittenberg vastnagelde, kon die daad worden gezien als een stukje individualisering van de samenleving. Luthers individualisme werd niet op prijs gesteld. In 1521 werd hij geëxcommuniceerd. Zijn actie wordt echter gezien als het symbolisch begin van het protestantisme. In onze huidige tijd wijzen met name de christelijke politieke partijen op het hanteren van normen en waarden in de samenleving. Een stukje terug richting collectivisme en weg van het ikke, ikke, ikke.

Op het Sallandse platteland bleef een echte Beeldenstorm uit. Gravure Frans Hogenberg, 1566.

Daar dacht men in de zestiende en zeventiende eeuw in de Nederlanden nog niet op die manier over na. Het protestantisme moest heel erg zijn best doen om zijn bestaansrecht te rechtvaardigen. In de zestiende eeuw werden de protestanten vervolgd. Amper een halve eeuw later waren de rollen volledig omgedraaid. Het protestantisme werd vanaf het eind van de zestiende eeuw de staatsgodsdienst. Een golf aan kerkzuiveringen, beter bekend als de Beeldenstorm, ging daarmee gepaard. Pastoors en paters bekeerden zich her en der tot het protestantisme, in andere gevallen bleven ze hun oude geloof trouw. De beeldenstorm ging grotendeels aan Overijssel voorbij, al kregen de grotere steden Zwolle en Deventer er wel mee te maken. Op het platteland van Salland maakte de adel de dienst uit en volgden de dorpen en buurschappen de religie die deze plaatselijke grootgrondbezitters aanhingen. Daar bleef het rustig.

Salland

De streek ten noorden van Deventer, tussen Diepenveen, Olst, Wijhe en Raalte, is grotendeels katholiek gebleven, omdat de adel daar katholiek bleef. Voor Twente wordt de oorzaak van het katholiek blijven van het oostelijk gedeelte van deze regio toegeschreven aan het feit dat de Spanjaarden deze gebieden lang in bezit wisten te houden. Oldenzaal kwam pas in 1626 in handen van de Staten. De omwenteling van katholiek naar protestant was daarmee aan dit gebied voorbij gegaan. En zo ging het eigenlijk ook in het genoemde gedeelte van Salland. Katholieke zielzorgers probeerden het platteland zoveel mogelijk te bedienen en mensen voor het katholieke geloof te behouden. Deze rol werd met verve vervuld door de paters jezuïeten. De adel in het voornoemde Sallandse gebied bleef voor een overgroot deel het oude katholieke geloof toegedaan. Ze boden de paters jezuïeten de gelegenheid om vanuit hun havezates henzelf en het platteland te bedienen.

Toren van het Huis (Oud) Rande in het voorjaar van 2008. (foto Evelyn Ligtenberg)

‘Paepsche stoutigheden‘

Ondertussen probeerden de protestanten via de wereldlijke overheid alles uit te bannen wat maar met het oude geloof te maken had. Grafkruisen waren uit den boze en lijkpredikaties mochten niet meer uitgevoerd worden. Kerken moesten schoongeveegd worden en ontdaan van altaren, heiligenbeelden en muurschilderingen. Sober moest het zijn. Gods woord moest centraal staan en niet de rituelen en tradities eromheen. In de notulen van de Overijsselse classes vinden we het geweeklaag over alle ‘paepsche stoutigheden’ terug. Ondertussen zat de bevolking niet op de soberheid van het nieuwe geloof te wachten en hield men vast aan de oude tradities. Bovendien was de denkwereld van de bevolking beslist nog middeleeuws te noemen. Het bijgeloof en geloof in wonderen en mirakelen maakten een onlosmakelijk deel uit van het dagelijks leven. En daar wisten de paters jezuïeten wel weg mee. Zij maakten als geen ander gebruik van mirakelen en wonderen, waaruit lering getrokken kon worden en die de bevolking aanspoorde het oude, vertrouwde katholieke geloof te blijven volgen.

Met de Hervorming werd het altaar uit de Hellendoornse kerk verwijderd. De altaarsteen is later teruggevonden. (foto Evelyn Ligtenberg)

Hellendoorn

Het westelijk deel van Salland bleef voornamelijk katholiek, zo ook het oostelijk gedeelte van Twente. Deze twee gebieden werden gescheiden door het Reggedal met aan de ene zijde de Sallandse Heuvelrug en aan de andere zijde een moeilijk toegankelijk moerasgebied. Stadjes en dorpen in het Reggedal werden voornamelijk protestants, maar er was overal wel degelijk ook sprake van katholieke bevolkingsgroepen. Het is niet moeilijk om zich in te denken dat daar waar twee grotere groepen tegenover elkaar staan op een gegeven moment de vlam in de pan slaat. Vermoedelijk gebeurde er iets dergelijks in Hellendoorn. Het dorp Hellendoorn kende een aantal katholiek gebleven families. De tot het schoutambt Hellendoorn behorende buurschap Haarle was vrijwel volledig katholiek gebleven. Niet vreemd, want het katholiek gebleven Raalte was in die tijd beter bereikbaar dan het aan de andere kant van de Sallandse Heuvelrug gelegen moederdorp. Hellendoornse katholieke families zullen in Haarle op zoek zijn gegaan naar een schuilkerk om de mis bij te wonen.

Pamflet van het Mirakel van Hellendoorn. (Stedelijk Museum Zwolle)

Het Mirakellied

Het lijkt erop dat over het niet in Hellendoorn ter kerke gaan van een aantal katholieke families onenigheid is ontstaan tussen de Hellendoornse dominee Halfwassenius en een van de paters jezuïeten die vanaf de havezate Rande het Sallandse platteland bedienden. De woordenstrijd culmineerde in een interessant pamflet dat bewaard is gebleven onder de titel ‘Een wondere en waerachtige geschiedenisse in Sallant binnen Helderen int jaer 1643’. Het pamflet staat tegenwoordig beter bekend onder de naam ‘Mirakel van Hellendoorn’. Het is geschreven in dichtvorm en de dichter maakt handig gebruik van de vorm van een mirakelverhaal om de Hellendoornse koster en dominee in een kwaad daglicht te zetten.

Het lied vertelt over de koster die heiligenbeelden op de zolder in de kerk vond en deze naar de dominee bracht. Deze maande hem de beelden te verbranden. De koster bleek echter niet vrij te zijn van denkbeelden van het oude geloof en zette het beeld van de heilige Antonius in zijn varkenshok. Antonius was immers de beschermer van de varkens. Dat had hij beter niet kunnen doen, want de dag erop lag het varken dood in zijn hok. De koster werd kwaad en onder aanmoediging van zijn hoogzwangere vrouw sloeg hij het beeld de armen, neus, oren en lippen af, de ogen stak hij uit. Door alle consternatie kwam zijn echtgenote vervroegd in de kraam terecht en baarde een kind dat er net zo mismaakt uitzag als het beeld. Dominee Halfwassenius was niet in staat het kind te dopen en kreeg ter plekke een beroerte. Moraal van het verhaal: ga niet lichtzinnig met heiligenbeelden om.

Antonius Abt met het varken uit het Getijdenboek van Catharina van Kleef.

Tot slot

Wat er werkelijk is voorgevallen in Hellendoorn rond 1643 is niet duidelijk. Mogelijk heeft Halfwassenius geklaagd over gezinnen die elders naar katholieke diensten gingen in plaats van naar zijn kerk te gaan. Het is mogelijk dat hij een van de paters jezuïeten rechtstreeks daarover aangesproken heeft. Het mirakelgedicht kan dan gezien worden als een bijzondere manier om de dominee van repliek te dienen.

Pas begin negentiende eeuw konden de katholieke gezinnen in Hellendoorn een klompenpakhuisje in het dorpscentrum ombouwen tot kerkruimte. Saillant detail is dat op een van de avonden de koster langs kwam met een paar heiligenbeelden die nog op de zolder van de oude dorpskerk bleken te liggen. Wellicht zat er dus toch een kern van waarheid in het mirakellied. Een aantal heiligenbeelden waren in ieder geval nog aanwezig. Misschien hadden de kerkelijke autoriteiten van Hellendoorn bij de omwenteling van katholiek naar protestant ervoor gezorgd dat de beelden netjes opgeruimd werden voor het geval het tij binnen afzienbare tijd weer keren zou. Het mirakellied wordt voor het eerst sinds eeuwen weer gezongen. Het Hellendoornse dialectkoor ‘Andach’ heeft het op haar repertoire staan. Tegenwoordig staan in het koor katholiek en protestant gebroederlijk naast elkaar. De pater jezuïet die het mirakellied schreef, zou er ongetwijfeld een ferme knipoog voor over hebben.

*Bron: E. Ligtenberg, ‘De wraak van Antonius; het pamflet van het Mirakel van Hellendoorn in historisch perspectief’. Nijverdal, 2011. Deze uitgebreide en fraai geïllustreerde studie is voor slecht € 4,50 verkrijgbaar bij Uutgeverieje ’n Boaken, e-mail: uutgeverieje.boaken@gmail.com

Door Evelyn Ligtenberg
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Dramatische aanhouding van wederdopers bij Genemuiden

Eind maart 1534 was Genemuiden, gelegen bij de monding van het Zwartewater in de Zuiderzee, tafereel van overheidsoptreden tegen ketters. Niet tegen ketterij in Genemuiden, maar tegen wederdopers (ook anabaptisten of herdopers geheten) op weg naar de Westfaalse stad Munster. Deze bisschopsstad was in de jaren 1530-1535 brandpunt van godsdienststrijd, die uitliep op de opkomst en neergang van een kortstondig dopers Godsrijk op aarde, met Munster als het Nieuwe Jeruzalem.

Munster (1530 tot 1534)

In de bisschopsstad Munster bond de vurige Bernd Rothmann rond het begin van de jaren 1530 als Lutherse prediker de strijd aan tegen de misstanden in de Rooms-Katholieke Kerk. Zijn verwerping van de hostie (stukje brood of stoet) als lichaam van Christus leverde hem de bijnaam Stutenbernd op. De impopulaire bisschop Erich von Gubenhagen stelde hem in 1531 onder censuur. In 1532 keerden Rothmann’s kansen met het aantreden van een stadsbestuur dat in meerderheid bestond uit kooplieden. Samen met de gilden in de stad waren zij afkerig van de feodale en inhalige roomse clerus. Op besluit van het stadsbestuur werd Munster op 15 juli 1532 een Lutherse stad met Rothmann als stadsreformator.

De overgang van Munster naar de Lutherse reformatie maakte de stad tot een toevluchtsoord voor predikers afkomstig uit onder meer de Nederlanden en het hertogdom Kleef-Gulik. Deze verbannen predikers schreven in 1533, samen met Rothmann, het boekje “Bekentnisse van beijden sacramenten, doepe en nachtmaele, der predicanten tho Munster”. Met dit boekje keerden zij zich tegen de kinderdoop en gaven ze een louter symbolische betekenis aan het avondmaal. Hiermee weken de predikers af van de Lutherse reformatie, waarvoor het stadsbestuur in 1532 gekozen had.

Op 6 november 1533 besloot het stadsbestuur dat alle predikers, op de vertrouwde en populaire landsman Stutenbernd na, Munster moesten verlaten. Eén van hen was Hendrik Rol, een voormalige karmelieter monnik uit Haarlem, die in november en december tussen wederdopers in Friesland en Holland verkeerde. Daarbij nam hij de gelegenheid te baat om de opvattingen van de Munsterse predikers in woord en geschrift te verspreiden. Zo is bekend dat het Munsterse boekje in die tijd circuleerde in Amsterdam. De verbanning van de predikers duurde maar kort; op 1 januari 1534 besteeg Hendrik Rol weer een Munsterse kansel.

Steden met een doperse geschiedenis. (uit: L. Panhuysen, De beloofde stad. Opkomst en ondergang van het koninkrijk der wederdopers, 2000)

Wederdopers in de Nederlanden

Grondlegger van het doperdom in de Nederlanden was Melchior Hoffman. In 1530 herdoopte hij in de Oostfriese stad Emden een aantal personen die uit de Nederlanden kwamen. Het waren deze dopelingen die Hoffman’s ideeën in de Nederlanden verspreid hebben. Onder hen de Hoornse tripmaker Jan Volckertsz, die door Hoffman werd aangesteld tot herdoper. Na zijn verbanning uit Emden reisde Jan Volckertsz naar het tolerante Amsterdam, waar tegen het einde van 1531 wel vijftig tot zestig personen zouden herdoopt zijn. Hiermee was het doperse gedachtegoed in de Nederlanden geïntroduceerd.

Dopers buiten Amsterdam stonden bloot aan vervolging door een grootinquisiteur, aangesteld door keizer Karel V. Het voltrekken van de straf liet de inquisitie over aan het Hof van Holland in Den Haag. Hofmanns toekomstvisioen van een aanstaand dopers rijk op aarde sloeg aan bij twee kleurrijke wederdopers in de Nederland: Jan Matthijsz (bakker uit Haarlem) en Jan Beukelsz uit Leiden. De laatste was een bijzondere man: opgeleid als kleersnijder, als handelsman werkzaam geweest in buitenlandse steden, herbergier en rederijker (toneelspeler) in Leiden. Zonder deze twee mannen was er geen dopers koninkrijk geweest in Munster.

Jan van Leiden, koning van de wederdopers te Munster. Gravure van Heinrich Aldegrever, 1536.

Munster (begin 1534)

Vanaf begin januari 1534 raakten de gebeurtenissen in Munster in een stroomversnelling. Jan Matthijsz zond twee afgezanten die op 5 januari een aantal Munsterse predikers herdoopten. Op 13 januari arriveerden Jan van Leiden en Gerrit Boekbinder, die onverwijld Hendrik Rol opzochten. Op 30 januari werd Jan Matthijsz naar Munster ontboden, waar hij omstreeks midden februari moet zijn aangekomen. Het optreden van Jan van Leiden en Gerrit Boekbinder had veel succes: honderden inwoners lieten zich herdopen. Met de herdoop deden ook de eindtijdverwachtingen van Melchior Hoffman hun intrede. De herdoopten zonderden zich als groep af en riepen de andere burgers op zich bij hen aan te sluiten om de goddelijke straf te ontgaan.

Door bovengenoemde gebeurtenissen ontstond in februari 1534 een gewelddadige strijd te tussen de bisschop van Munster (Franz von Waldeck), de Luthersen en de herdopers. Door toedoen van de gilden, die sympathiek stonden tegenover de herdopers en niet gediend waren van een contra-reformatorische coup van de zijde van de bisschop, kwam er op 11 februari een vergelijk tot stand tussen de partijen.

De dopers interpreteerden deze gebeurtenis als een ingrijpen van God. Dit versterkte hun eindtijdverwachting, dat de wraak Gods nabij was en dat alleen de heiligen behouden zouden worden. Ook kwam een einde aan de passieve houding van de wederdopers. Zij bewapenden zich en hier, in Munster, werd het Nieuwe Jeruzalem gesticht, een gemeenschap van ware christenen, van broeders en zusters. Alle ware christenen dienden de gelovigendoop ontvangen te hebben; wie weigerde moest op 27 februari de stad verlaten. Wederdopers van buiten werden uitgenodigd naar Munster te trekken, een oproep waaraan velen uit de Nederlanden en Westfalen gehoor gaven.

Stadsgezicht van Munster in 1570 van Braun en Hogenberg.

Wederdopers uit de Nederlanden op reis naar Munster

Vele duizenden dopers uit de Nederlanden gingen in maart 1534 op weg naar Munster, daarbij gehoor gevend aan de oproep van Jan Beukelsz in Munster om te vluchten en zo de toorn Gods te ontgaan. De oproep vond zijn weg naar Amsterdam, Rotterdam en Delft, tot aan de kleinste dorpjes in Zeeland, Friesland, Sticht, Oversticht en Groningen toe. De dopers moesten wapens, geld en proviand meenemen. Verder hadden zij niets nodig, want in de stad “is goets genoegh voer den heilighen”. Overal maakten ambachtslieden, handwerksgezellen, knechten, vrouwen en kinderen zich klaar voor de reis, te voet, te paard of per schip. Eerst moesten ze zich verzamelen bij het Bergklooster, gelegen op de Agnietenberg bij Zwolle, om daar de Heilige Geest te ontvangen. Schriftelijke instructies die dopers meekregen waren kort en bondig:

“Lieve bruders! Ghy sult trecken op een halve myle nae Hasselt, by Berch Cloester, daer moet ghy syn voir die middaghe, nyet vroeger nog nyet laeter: offt die wolff mocht u verslinden. Dyt moyt syn den 24sten dach van Maert, soe moet ghy daer syn voir die none zyeth. Dat daer nyemant achter en blyve, die hem selve sueche, offt die wraick sall hem onversiens avercomme”.

Een vloot van 27 schepen kon vertrekken uit Monnickendam. Een zestal hiervan kwam op 22 maart bij Genemuiden aan. Maar hier begon hun ongeluk. De drosten van Vollenhove en Genemuiden (Borchert van Westerholt en Otto van Rechteren) hielden de schepen aan, maakten ze roer- en zeilloos, en stelden een onderzoek in naar de opvarenden. Ze stelden de stad Kampen in kennis van het voorval, waarop vier leden uit het stadsbestuur (Geert Loesse, Tijmen van den Venne, Claes Croeser en Jan van de Vecht) op 24 maart in Genemuiden kwamen om met de drosten te overleggen wat hen te doen stond. De dag daarop werden vanaf Ens (het zuidelijk deel van het Zuiderzeese eiland Schokland) nog 21 schepen met herdopers opgebracht naar Genemuiden.

Gevangenneming van de wederdopers bij Genemuiden. (Gemeente Zwartewaterland)

Op de aangehouden schepen bevonden zich 2500 tot 3000 mensen: mannen. vrouwen en kinderen uit allerlei steden en plaatsen in Holland en Zeeland. In de schepen werden zo’n 1000 tot 1500 spiesen gevonden, veel handvuurwapen, slagzwaarden, houw- en stootwapens, vier vaandels met kruisen erop en vier trommen. Al het wapentuig werd in beslag genomen.

De schepelingen werden in voorlopige hechtenis gesteld. Het stadsbestuur van Kampen rapporteerde de feiten aan het Hof van Holland met het verzoek om de zaak onverwijld in behandeling te nemen. Stadhouder Georg Schenck van Stoutenburg kwam naar Genemuiden en velde het vonnis: alle onnozelen (vrouwen en kinderen) liet hij ongemoeid. Van de mannen liet hij de leiders onthoofden. Hun hoofden werden op staken gestoken, hun lijven op een rad tentoongesteld. Het geld dat de wederdopers bij zich hadden werd hun ontnomen. De vrijgelaten mannen, vrouwen en kinderen liet hij gaan op de schepen waarmee ze gekomen waren. Door de dramatische aanhouding zouden deze wederdopers Munster nooit bereiken.

Val van het doperse Munster

In het doperse Munster steeg Jan Beukelz van Leiden zo sterk in aanzien dat hij daar in het begin van september 1534 tot koning van Sion gekroond werd. Lang duurde zijn koningschap niet. Bisschop Franz von Waldeck bracht een huurlingenleger op de been, dat de stad op 25 juni 1535 moorddadig innam. Jan van Leiden, Berend Knipperdolling (zijn stadhouder en scherprechter) en Bernd Krechting (een raadgever) werden ter dood veroordeeld. Op 23 januari 1536 werden ze op het Domplein op gruwelijke wijze door een beul geëxecuteerd. Hun lijken werden niet begraven, maar in drie ijzeren kooien geplaatst die jarenlang aan de toren van de Munsterse Lambertuskerk hebben gehangen.

Door Wim van Dalfsen
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Alleen Datheen…? Gezangen voor Overijssel en daarbuiten

Als het om de geschiedenis van het kerklied gaat, is Overijssel een bijzondere provincie. Dan denk ik onder meer aan het kerstlied ‘Een Kindelyn zoo lovelyk’ en aan het paaslied ‘Christus is opgestanden’.

‘Een Kindelyn zoo lovelyk’, waarvan de tekst en de melodie uit de Middeleeuwen stammen, is sinds mensenheugenis vooral in rooms-katholiek Oldenzaal bekend. Maar ook in reformatorische kring is dit lied, waarover Maarten Luther zich in 1524 waarderend uitgelaten heeft, wel gezongen. Dat is in ieder geval in Deventer gedaan. Ik trof het lied ook aan in een bestseller van de zeventiende-eeuwse Friese predikant Adam Westerman. Hij laat weten dat ‘Een Kindelyn zoo lovelyk’ bedoeld is om ‘op Kersdagh’ te zingen, en wel ‘verheught ende verblijt’:

Christus is opgestanden

Net als ‘Een Kindelyn zoo lovelyk’ stamt ‘Christus is opgestanden’ uit de Middeleeuwen en is het lied in reformatorische kring gezongen. Tobias van Domselaer schrijft in zijn uit 1665 daterende ‘Beschrijvinge van Amsterdam’ in een passage over diverse overblijfselen van de rooms-katholieke praktijk op Urk: ‘Op Paesschen warense gewoon alhier in de Kerk te singen: Christus is op gestanden, al van de Moordenaars handen.’ De auteur voegt er aan toe: ‘Endelijk heeft ‘et den Heere der Heirscharen, na zijn groote en onverdiende genade, belieft, door het preeken des Woords Gods den Inwoonderen van dit Eyland de verborgentheden des Evangeliums bekent te maken, en hun oogen in een klaarder licht en meerder kennisse van de waare Godsdienst te openen.’ En in 1838 laat H.W. Haselhoff weten, dat ‘Christus is opgestanden’ nog na 1750 in de kerk van Beetsterzwaag aangeheven werd. Overigens: het lied staat ook in de protestantse bundels Liedboek voor de kerken (1973) en Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk (2013).

‘Christus is opgestanden’, dat trouwens ook in het boekje van Westerman te vinden is, had en heeft nog steeds alles te maken met de paastraditie in Ootmarsum. Het zingen van dit lied kunt u hier bekijken.

De ‘poaskearls’ voor het stadhuis van Ootmarsum. Zij zingen onder andere ‘Christus is opgestanden’.

Alleen Datheen!

Dat ‘Een Kindelyn zoo lovelyk’ en ‘Christus is opgestanden’ in reformatorische kring gezongen werd, mag opmerkelijk genoemd worden. De formele lijn voor de erediensten in de Gereformeerde Kerk in de Nederlanden, die in het laatste kwart van de zestiende eeuw uit de calvinistische Reformatie was ontstaan, luidde – kort samengevat: ‘Alleen Datheen!’

Met ‘Datheen’ wordt de psalmberijming van Petrus Datheen bedoeld. Al in 1566 werden zijn pennenvruchten gezongen, en wel bij een drukbezochte hagenpreek in Gent. Tot 1773, toen een nieuwe psalmberijming werd ingevoerd, was ‘Datheen’ de officiële liedbundel in de Gereformeerde Kerk. Vandaag de dag zijn er nog zo’n dertig kerkelijke gemeenten die er uit zingen. Die gemeenten bevinden zich aan de uiterste rechterkant van het reformatorische spectrum, voornamelijk in Zeeland. Was zingen uit ‘Datheen’ de formele lijn voor de erediensten in de Gereformeerde Kerk in de Nederlanden, de praktijk was nog wel eens anders. Vooral dr. Jan R. Luth heeft zich vele jaren met dat onderwerp beziggehouden. In 2015 heeft hij op basis van vijf liedbundeltjes (uit Wesel, 1554; Delft, 1566; Emden, 1574; Zwolle, 1648; Groningen, 1663) gesteld dat het repertoire van lutherse gezangen die onder gereformeerden circuleerden, in totaal 29 liederen telt. Uit het overzicht van Luth blijkt dat de inhoud van de boekjes wel aanzienlijk verschilt.

Behalve naar uitgaven waarin Lutherliederen worden aangeboden, is Luth door de jaren heen ook altijd op zoek geweest naar signalen in acta [notulen] en andere bronnen over het gebruik van deze liederen onder gereformeerden. Een heel vroeg signaal, in een voorschrift uit 1601 van een classicale vergadering in Overijssel, is evenwel aan zijn aandacht ontsnapt. Onlangs heeft Jaco van der Knijff daar op gewezen, en daar is het mij in dit artikel verder om te doen.

Petrus Datheen (1531-1588).

Voor de boeren in Overijssel

Van der Knijff herinnert in zijn artikel aan de vraag vanuit Overijssel op de nationale synode in 1581 in Middelburg of er niet een uitzondering op de regel ‘Alleen Datheen!’ gemaakt kon worden voor de boeren in de provincie: ze waren gewend aan ‘loffsangen uth den osterschen’. De uitkomst van het classicale beraad was dat er toestemming werd verleend om een aantal van de gemakkelijkste psalmen van David te drukken met daarbij ‘enige oostersche vutgelesen gesangen’. De bedoeling was ‘de huissluiden’ op die manier zo ver te krijgen dat ze de nieuwe leer zouden omarmen en afstand zouden nemen van het lutheranisme. Onbekend is of zo’n uitgave er ooit gekomen is.

Volgens Van der Knijff behoeft de genoemde situatie geen verbazing te wekken. In het laatste decennium van de zestiende eeuw zijn uiteenlopende geluiden over de kerkzang bekend. Van der Knijff: ‘Aan de ene kant is de provinciale synode die in 1597 in Hasselt vergadert bijvoorbeeld niet van plan de berijming van Datheen te vervangen, iets wat de synode van Gelderland wel wil. Ook worden in Overijssel de officiële psalmen in deze periode daadwerkelijk gezongen, zoals blijkt uit de situatie in de gemeente van Deventer; in doordeweekse diensten moet men daar de psalmen zelfs ‘ordentlick na malcander singhen’, dus op volgorde. Tegelijk weten we vanuit diezelfde gemeente van Deventer dat er met Kerst en tijdens andere feestdagen ruimte is om, ‘na olde gewoonte’, sommige lofzangen ‘accordeerende met Gods Woord’ te zingen. Als voorbeeld worden twee kerstliederen genoemd, namelijk ‘Ein kindelein so lob ich’ en ‘Gelovet bistu Jesu Christ’.’ Beide gezangen stammen uit de lutherse traditie.

Davids Psalmen in de vertaling van Petrus Datheen en I. de Brune.

Over Deventer gesproken: die stad ging in 1591 over tot de Reformatie. Maar op het platteland ging het hervormingsproces minder snel. Van der Knijff vertelt dat de classis Deventer die in oktober 1601 in Oldenzaal bijeen was, een aantal artikelen opstelde over hoe er met de rooms-katholieke geestelijkheid moest worden omgegaan. Vervolgens verschenen de Twentse pastoors voor de classicale vergadering – bestaande uit predikanten, ouderlingen en de drost van Twente –, terwijl een maand later de geestelijken uit Salland volgden. Pastoors die enerzijds niet bij het pausdom wilden blijven, maar anderzijds zich ‘in ’t stuck der religie’ nog een tijdlang wilden bedenken, kregen veertien richtlijnen mee voor hoe ze zich in de tussentijd dienden te gedragen. De vijfde was een bepaling voor het zingen in de kerk: ‘Voer die predicatie ende daernae sullen sij ietwes in Duytschs singhen, als het Vader Onse, ’t Gelove, Tien Geboden ende den Lofzanck van den Heylighen Geest, ende wat men doer behulp van anderen uth den psalmboecke singhen mochte.’

Van der Knijff maakt enkele opmerkingen bij de bepaling. Dat er ‘ietwes in Duytschs’ gezongen moest worden, veronderstelt mogelijk een situatie waarbij er grotendeels in het Latijn gezongen werd. Vervolgens vindt Van der Knijff het opmerkelijk dat niet allereerst de psalmen van Datheen genoemd worden, maar drie gezangen bij de hoofdthema’s van de catechismus: gebed, geloof en gebod. Het lijdt naar zijn mening geen twijfel dat hiermee het Gebed des Heren, de berijmde geloofsbelijdenis en de berijmde Tien Geboden uit Datheens psalmboek zijn bedoeld. Van der Knijff: ‘Een van de manieren om de gemeente vertrouwd te maken met de kernstukken van het geloof in de eigen taal is om hun die als gezang op de lippen te leggen. Ook vanuit andere plaatsen weten we dat – bijvoorbeeld in de middagdienst, als er uit de Heidelbergse Catechismus wordt gepreekt – juist deze gezangen standaard gezongen worden. De catechismusliederen zijn ook eenvoudiger aan te leren dan de psalmen, is de gedachte.’

Luthers lied ‘Nun bitten wir den heyligen Geist’ in het ‘Geystliche gesangk Buchleyn’ (Wittenberg 1524) van Johann Walter.

Het meest opmerkelijke in de handreiking voor de pastoors vindt Van der Knijff dat in één adem met de drie bekende lofzangen uit Datheens kerkboek ook de ‘Lofzanck van den Heylighen Geest’ wordt genoemd. Dat lied is niet te vinden in de gebruikelijke edities van Datheens psalmen. Het is de vraag welk gezang hiermee bedoeld kan zijn en hoe de twijfelende pastoors daarover beschikt kunnen hebben. Van der Knijff acht het aannemelijk dat de classis Deventer in 1601 op ‘Nun bitten wir den Heiligen Geist’ doelt, waarvoor hij verschillende aanwijzingen opsomt. Het oorspronkelijke lied van Luther (aangeduid als ‘Der Lobgesangk’), waarbij de reformator overigens teruggreep op een middeleeuwse leis, verscheen voor het eerst in het Geystliche gesangk Buchleyn, dat Johann Walter in 1524 in Wittenberg uitgaf.

De conclusie van Van der Knijff, die ook nog uitvoerig op het liturgische gebruik van het lied ingaat, luidt: ‘Naar alle waarschijnlijkheid is het lutherse pinksterlied ‘Nun bitten wir’ rond 1600 een bekend gezang geweest onder gereformeerden, iets wat we tot nog toe uit andere bronnen niet wisten. Het gezang blijkt te behoren tot het kernrepertoire van lutherliederen die in die periode in allerlei collecties onder gereformeerden bekend zijn.’ Het is wel duidelijk: Van der Knijff heeft de kennis van de geschiedenis van het kerklied in Overijssel verrijkt!

Door Jan Dirk Wassenaar
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Geldermannen en vrouwen

Een halve eeuw geleden beheerste het textielbedrijf H.P.Gelderman & Zonen (HPG) het leven in Oldenzaal en wijde omgeving. Van maandag tot en met zaterdag deelden talloze gezinnen hun dagen in op basis van het geluid van de stoomfluit. En op zondag bepaalden de klokken van de katholieke kerken het leven. Op zeker moment lag aan de Enschedesestraat/Spoorstraat een bedrijfsterrein van rond de 20 hectare waar begin jaren vijftig meer dan 2.000 mannen en vrouwen uit Oldenzaal en omgeving naar `het fabriek’ gingen.

Net als elders in Twente zette de teloorgang in de textiel halverwege de jaren zestig in. Na verschillende reorganisaties en een fusie in 1970 met Koninklijke Nijverdal-Ten Cate sloot de Werkmaatschappij Gelderman in 1981 de poort. Hoe kijken mensen terug op die textielsamenleving? Hoe sociaal was de directie tegenover de vele Geldermannen en vrouwen? Welke tastbare sporen, verhalen en historie heeft HPG ons nagelaten? Dit boek - rijkelijk voorzien van nog niet eerder gepubliceerde illustraties en gegevens - geeft daar op toegankelijke zowel als wetenschappelijk verantwoorde wijze een antwoord op.

Auteur: Dick Schlüter
Uitgever: Uitgeverij Heinink

ISBN 978 94 9164 026 1 | 227 pag. | € 29,95

Door Dick Schlüter

Van Blokzijl naar Sobibor

Aan de Kerkstraat woonden Soes Manus, zijn vrouw Roosje en hun kinderen Mozes, Mietje en David. Aan de Zuiderstraat woonden de ouders van Soes Manus, vader Mozes, moeder Naatje en hun inwonende dochter Rika. ‘Ik wilde de acht Joden uit Blokzijl weer een ‘gezicht’ geven met de verhalen van mensen die ze gekend hebben. Ik wilde er geen treurig boekje van maken. Het is eigenlijk een familiealbum wat ze zelf nooit hebben kunnen maken.’‘ En de afloop had je natuurlijk nooit willen schrijven. Ik heb een brief van Soes Manus gelezen die uit een werkkamp bij Staphorst zijn overbuurvrouw Glastra schreef over het harde werken en dat hij ‘straks’ ook wel naar de Noordoostpolder kon voor ontginningswerk.’ Uiteindelijk werd het gezin van Soes Manus, die ook nog voor de Joodse Raad in Steenwijk gewerkt had, via Westerbork naar Auschwitz gestuurd. Opmerkelijk is dat de trein bij Cosel, 60 kilometer voor Auschwitz stopte. Daar werden de mannen van de vrouwen gescheiden. Soes Manus en zijn zoon Mozes werden daar te werk gesteld.

De Cozeltransporten zijn een vergeten geschiedenis, maar volgend jaar wordt daar een gedenksteen onthuld.’ De ouders van Soes Manus en Rika overleefden kamp Sobibor niet. Met archiefonderzoek maakte Schoemakers het verhaal van de Joden uit Blokzijl compleet. Na hun deportatie streepte de ambtenaar van de gemeente Blokzijl hun namen in het bevolkingsregister met een potlood door. Ze woonden immers niet meer in Blokzijl. Onder de doorgestreepte namen kwamen later de namen te staan van nieuwe bewoners aan de Kerkstraat 218 en de Zuiderstraat nummer 322. Het leven ging door.

Auteur: Annemarie Schoemaker
Uitgever: Uitgeverij Toetssteen

ISBN 978 90 8238 406 2 | 68 pag. | € 9,95

Door Van Blokzijl naar Sobibor

Hofjes in Zwolle. 700 jaar huisvesting voor ouderen

Zwolle heeft in het verleden veel meer hofjes of armenhuizen gehad dan algemeen bekend is. De oudste particuliere woonvoorziening voor behoeftige ouderen, het St. Laurensgasthuis in de Sassenstraat, dateert uit 1444. Andere voorbeelden zijn de Vilsterenhuizen, het Oude Manhuis, de Van Doetinchemhuizen, de Roelinkshuizen, de Emmanuelshuizen, het Haersoltehuis, het Vrouwenhuis, de Swiersenshuizen, de Herinkshuizen en de Pruimersstichting. De vaak vergeten historie van al deze instellingen én hun bewoners wordt in dit vlot geschreven en fraai geïllustreerd boek weer voor het voetlicht gehaald. Zo wordt ook duidelijk welke grote veranderingen de huisvesting van bejaarden in de afgelopen 700 jaar heeft doorgemaakt.

Auteur: Jan ten Hove/Saskia Zwiers
Uitgever: Stichting Het Vrouwenhuis, Zwolle

ISBN 978 90 9029 974 7 | 144 pag. | € 20

Door Jan ten Hove en Saskia Zwiers

Mien mòe zèè aait…

Mien òe zèè aait… staat vol met anekdotes, zegswijzen en gedichten over het Daarle van vroeger. Het is een ode aan het vroegere dorpsleven, vol humor, boerenwijsheden en zelfspot. Mien òe zèè aait… is bovendien van groot belang voorde streektaal. Zorgvuldig zijn door de auteur honderden zegswijzen en meer dan duizend woorden opgetekend en verklaard.

Auteur: Wielent Harms
Uitgever: Uutgeverieje ’n Boaken

ISBN 978 90 7627 234 4 | 95 pag. | € 12,50

Door Wielent Harms

Het 3-MARKEN boek

Het boek 3-Marken De Lutte – Berghuizen – Beuningen is een transcriptie vanuit de historische markeboeken die zich in het provinciaal archief van het HCO bevinden. Met deze transcriptie is het mogelijk de eeuwenoude marke-geschiedenis in het hedendaags begrijpelijk Nederlands te lezen. Het boek vertelt veel over het leven in de marke, over de juridische regelgeving, de persoonlijke verzoeken, vergaderingen en de besluitvorming door de eeuwen heen. Een uniek en volumineus boek over het leefgebied binnen 3 aangrenzende marken van hun bewoners en een landelijk N.O. Twente, bekeken en uitvoerig beschreven vanuit een historisch perspectief.

Auteur: Henk Koop & Harm Smeenge (red.)
Uitgever: Historische vereniging ‘De Dree Marken’

ISBN 978 90 8259 610 6 | 228 pag. | € 39

Door Henk Koop en Harm Smeenge

Niemand zo aardig als hij

Ton Ouwehand is een enorme liefhebber van het werk van Harry Bannink, de man die de muziek bij duizenden liedjes van grootheden als Annie M.G. Schmidt, Michel van der Plas, Eli Asser en Willem Wilmink componeerde. Die meer dan vijfhonderd keer als pianist het podium deelde met Wim Sonneveld. De auteur zoekt naar de muzikale sporen die de componist in Enschede en Twente heeft achtergelaten. Tal van muzikanten en kleinkunstenaars uit stad en ommelanden passeren de revue. In april verschijnt een tweede deel, waarin de auteur zijn blik richt op de landelijke betekenis van Harry Bannink.

Auteur: Ton Ouwehand
Uitgever: AFdH Enschede

ISBN 978 90 7260 391 3 | 127 pag. | € 15

Door Ton Ouwehand
Overijsselse Topstukken

Moeder Gods van de Passie in het Ikonenmuseum Kampen

Sinds 2005 bevindt zich in de historische binnenstad van Kampen het Ikonenmuseum Kampen. Het is gevestigd in een voormalig Franciscaner klooster. Het museum, dat in West-Europa uniek is, richt zich uitsluitend op iconen. Hierdoor is het mogelijk om diep in te gaan op de geschiedenis van deze bijzondere objecten, de betekenis en stijl, op een manier die voor iedereen toegankelijk is. 

De vaste collectie van het museum bestaat uit circa 200 iconen, reisiconen en kruizen uit de vijftiende tot negentiende eeuw uit Rusland, Griekenland, Bulgarije, Roemenië en Ethiopië die voornamelijk uit de collectie van de Alexander Stichting komen. Deze stichting is opgericht om een particuliere collectie te beheren en te presenteren. Verder hebben zij als doel om kennis en documentatie over de Russische-Orthodoxe kunst te verwerven en te verspreiden. Regelmatige worden er tijdelijke exposities georganiseerd waarmee met de vaste collectie weer op wordt ingehaakt waardoor het mogelijk is om de hele collectie te tonen.

Het Ikonenmuseum aan de Buiten Nieuwstraat in Kampen.

Iconen zijn onlosmakelijk verbonden met de oosters-orthodoxe kerken en zijn dan ook voornamelijk ontstaan in landen waar de oosters-orthodoxie de heersende godsdienst is zoals bijvoorbeeld Griekenland en Rusland. Een icoon is over het algemeen een afbeelding van Christus, Maria of een heilige. Ook worden soms hoogfeesten weergegeven. Het schilderen van een icoon wordt binnen de orthodoxe kerk als een religieuze handeling beschouwd. Iconen worden over het algemeen dan ook niet gesigneerd daar men van mening is dat God de hand van de schilder stuurde. In dat kader wordt de icoon dan ook beschouwd als een beeld van goddelijk licht.

Moeder Gods van de Passie

De ikoon Moeder Gods van de Passie is zowel in de Russisch-orthodoxe als in de Rooms-katholieke kerk een bekende afbeelding. Kenmerkend is dat het Christuskind op de linkerarm van de Moeder Gods zit en toevlucht zoekt bij zijn moeder. Het Kind houdt met beide handen de rechterhand van de Moeder Gods vast en kijkt achter zich naar een van de twee engelen, die naast het hoofd van zijn moeder zijn afgebeeld. De engelen tonen gewoonlijk de passiewerktuigen: kruis, lans en hysopstengel, maar deze zijn op de hier getoonde ikoon na restauratie niet meer aangebracht. Kenmerkend voor de afbeelding is ook losse schoentje of sandaaltje, dat vlak onder de rechtervoet van het Kind wordt afgebeeld. Dit motief van de ontblote hiel -de Achillespees- wordt meestal geïnterpreteerd als verwijzing naar verraad van Judas, maar kan ook worden opgevat als een verwijzing naar Genesis 3, 15: “Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.”

Moeder Gods van de Passie.

De oorspronkelijke ikoon van de Moeder Gods van de Passie is ontstaan op Kreta onder invloed van de Italiaanse Madonnaschilderingen. Aan Andrea Ricco di Candia wordt de ikoon toegeschreven, die in Rome een speciale verering genoot. Deze ikoon is in de negentiende eeuw, nadat zij verschillende branden had doorstaan, door de toenmalige paus Pius IV in 1867 tot palladium van de Rooms-Katholieke kerk uitgeroepen. Zij hangt in de Sant’Alfonso in Rome. Het feest van de Moeder Gods van de Passie wordt op 30 april en 13 augustus gevierd.

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

De Twentse klopjes als geestelijke dochters van de pastoor

Een klopje, begijntje of kwezel was een ongehuwde katholieke vrouw, die ten overstaan van een priester een kuisheidsgelofte aflegde en daarbij meestal, niet door gelofte gebonden, gehoorzaamheid betrachtte aan een overste, ook wel biechtvader genoemd, die hen begeleidde in hun religieuze en dagelijkse leven.

Het kloppenleven ontstond na 1581 toen er in de gereformeerde Nederlanden en de Generaliteitslanden een algeheel verbod op kloosterorden werd ingevoerd. Dit verbod betekende voor katholieke vrouwen dat het niet meer mogelijk was om een religieus (klooster)leven te leiden. De oorsprong van het kloppenleven kan dan ook worden gezocht in dit kloosterverbod en was een echt Nederlands fenomeen. Toen het gedurende de negentiende eeuw weer mogelijk werd om kloosters te stichten, stierf het kloppenleven langzaam uit. Er zijn diverse verklaringen voor de herkomst van de naam. Eén van de verklaringen is dat de klopjes langs de deuren van gelovigen gingen en hen met klopsignalen uitnodigden tot het bijwonen van de mis.

Een klopje, geschilderd door Salomon de Bray uit Dordrecht. 

Kloppenleven

Hoewel het kloppenleven religieus geïnspireerd kon zijn, waren er ook andere elementen die bijdroegen aan de keuze voor een maagdelijk bestaan. De vrouwen leefden en werkten niet zoals nonnen in een vroegere kloostergemeenschap, maar stonden midden in de maatschappij. Zij woonden in kleine groepen bijeen, zelfstandig of thuis bij hun familie. Dit zorgde ervoor dat de kloppen carrière konden maken in de samenleving. Veel vrouwen werkten in het onderwijs, voor de kerk, in de ziekenzorg, als turfsteekster of als huishoudster. Voor arme maagden bood het kloppenleven bovendien de nodige zekerheid. Zij ontvingen steun van zowel kerk als medekloppen. Tenslotte waren de maagden ook gevrijwaard van de gevaren van het kraambed.

De gereformeerde predikanten probeerden het de klopjes zo lastig mogelijk te maken, onder meer door aan te dringen op sluiting van hun schooltjes. Desondanks hadden priesters vaak de steun van enkele tientallen klopjes in hun parochie. In Zwillbrock herinnert de naam van het plaatselijk hotel Kloppendiek aan de weg, die Nederlandse klopjes uit Groenlo in de zeventiende eeuw gebruikten om naar de kerk net over de Duitse grens te gaan, omdat openbare uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst in de Achterhoek niet was toegestaan.

"Kloppenkamer" op het erf Jonkman in Deurningen. De Bentheimer steen boven de toegangsdeur draagt de tekst "Soli Dei Gloria" (alleen aan God de eer) Anno 1684. Het houtwerk van de "kloppenkamer" is gebruikt om een woonhuis in Haaksbergen te vergroten. (foto Herman Hagens)

Klopjeshuizen

Ook in Goor kende men klopjes. In de schuilkerkentijd waren ze van onschatbare waarde. Zij gaven in het geheim godsdienstonderricht aan kinderen, gaven door waar en wanneer er een mis werd opgedragen en ondersteunden de rondtrekkende priesters in hun werk. Twente heeft nog enkele klopjeshuizen bewaard, de onderkomens van de katholieke vrouwen. Ze droegen veel bij aan de gezondheid en welzijn van de Twente bevolking. Als klopjes gingen deze geestelijke dochters door het leven, maar het Twentse volk noemde hen net zo vaak "bidjannöakes".

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De Hanze: historisch fenomeen en publiekslieveling

Eén, of misschien wel hét toverwoord van historische Overijsselse en Gelderse steden om toeristen te trekken en glans te geven aan hun verleden is Hanze. Met het stempel van dit middeleeuwse handelsverbond verschaffen zij zichzelf immers authentiek en onbesmet cachet, waar andere steden alleen maar jaloers op kunnen zijn? Trots speelt hierbij zeker ook een rol: de Hanze bezorgde de IJsselsteden een eigen Gouden Eeuw, ruim twee eeuwen voordat de Hollandse steden aan hun bloeitijd begonnen. Maar de historische werkelijkheid blijkt, zoals vaak, bij nader beschouwing niet zo simpel en gelikt als de glossy’s en apps ons willen doen geloven.

Internationale Hanzedagen te Kampen

Dit jaar, van 15 tot en met 18 juni, worden voor de 37ste keer, en ditmaal in Kampen, de Internationale Hanzedagen gehouden. Het is de hedendaagse variant van de zogenoemde dagvaarten (vergaderingen) die indertijd in Lübeck werden gehouden met vertegenwoordigers van de Hanzesteden. De moderne Hanzebijeenkomsten zijn een initiatief van de stad Zwolle uit 1980. Het idee om de Hanzesteden weer bij elkaar te roepen maakte deel uit van Zwolle’s viering van zijn 750 jarig bestaan als stad. Inmiddels hebben 187 steden uit zestien landen zich bij deze moderne Hanze aangesloten. Het is uitgegroeid tot een grandioos jaarlijks spektakel dat honderdduizenden bezoekers trekt. Kampen bereidt hun dit jaar een gastvrij onthaal voor met een rijk en gevarieerd programma. Er is in het brede aanbod van vermaak en bezinning eigenlijk maar één historisch programmaonderdeel: het Hanzesymposium, dat zich speciaal richt op de inspiratiebron van het hele gebeuren.

Tekening van een kogge in het Digestum Vetus, een register uit de 15de eeuw waarin de Kamper magistraat zijn besluiten liet neerschrijven door de secretaris. De laatste maakte er ook tekeningen bij. (collectie Stadsarchief Kampen)

Symposium en jaarbundel van de VORG

Al voordat de Hanzedagen in Kampen losbarsten wordt op vrijdagmiddag 19 mei in de Stadsgehoorzaal Kampen het Hanzesymposium gehouden. De Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, kortweg de VORG, is de organisator ervan. Doordat de Internationale Hanzedagen in Kampen worden gehouden zal er extra belangstelling voor zijn. Maar er is meer reden om zo’n symposium nu te houden. De afgelopen jaren is er veel onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de Hanze en dat heeft onze kennis over het reilen en zeilen van dit handelsverband zo verhelderd, dat we ons beeld van de Hanze moeten bijstellen. Vooral het Hanzestudiecentrum in Groningen heeft zich op dit punt verdienstelijk gemaakt.

Op verzoek van de VORG hebben vijf auteurs elk een artikel geschreven dat de nieuwe inzichten goed verwoord. De artikelen verschijnen in de historische jaarbundel die de VORG voor haar leden uitgeeft. Tijdens het symposium zal het eerste exemplaar van deze bijzondere themabundel door de voorzitter van de VORG, Geert Jansen, worden uitgereikt aan de burgemeester van Kampen, Bort Koelewijn. Drie auteurs zullen tijdens het symposium hun bevindingen van recent onderzoek met ons op aansprekende manier met ons delen.

Koggevaart op de IJssel voor Kampen. Vensterplaat ‘De Hanze in Overijssel’ bij het lesprogramma Canon van Overijssel in de klas. (Ivan&Ilia/IJsselacademie)

Rol en positie van de ‘Zuiderzeesteden’

In historische verhandelingen over Deventer, Kampen, Zwolle en Hasselt, vooral in de populaire publicaties, neemt de Hanze een prominente plaats in. De lezer krijgt de boodschap of ten minste het vermoeden dat het deze handelsorganisatie is geweest die de steden welvaart heeft gebracht. Hun bloei in de late 14de en 15de eeuw lijkt ermee verklaard.

Het gekke is, dat wie de archieven uit die tijd van deze steden doorneemt, bedroevend weinig stukken over de Hanze tegenkomt. Vergaderingen in Lübeck worden sporadisch bijgewoond, het lidmaatschap van de Hanze is soms kwestieus en de steden (door de Hanze aangeduid als Zuiderzeesteden) liggen herhaaldelijk overhoop met de Wendische (Noord-Duitse) steden binnen de handelsorganisatie. Vanuit de Hanzeorganisatie kregen ze voor de voeten geworpen dat ze altijd dwars lagen. Hoe zit dat nu, waarom waren ze tegendraads als ze zoveel profijt trokken van dit verbond? Dat deze steden in de 14de-15de eeuw tot grote bloei kwamen is onmiskenbaar, maar welke rol heeft de Hanze daarin gespeeld en welke rol speelden deze steden binnen de Hanzeorganisatie?

Te lang is de aandacht gericht geweest op de organisatie van het handelsverbond met buitensporige belangstelling voor lidmaatschap en vergaderingen in Lübeck. Dat heeft een goed begrip van hoe het handelsverbond in de praktijk werkte nogal in de weg gezeten. We realiseren ons nu dat handel toentertijd vooral gedreven werd op basis van familiebanden en persoonlijke contacten. Daarbij ging men met het Hanzelidmaatschap heel pragmatisch om, waarbij het eigen, stedelijk belang steeds vóór een gezamenlijk Hanzebelang ging.

Beslissend in de positie die de Zuiderzeesteden innamen was hun ligging tussen twee handelsblokken in: dat van de aloude Hanze en dat van het opkomende Holland. Het ene blok met een gesloten handelstraditie van regulering en privileges, het andere uitgaande van open markten en vrijhandel. Zolang de twee handelstradities werkzaam waren konden de Zuiderzeesteden, schipperend tussen beide, maximaal van hun ligging profiteren. Het bezorgde hun de Gouden Eeuw totdat de balans definitief oversloeg naar de Hollandse kant.

Oostwal met het mondingsgebied van de IJssel en het Zwartewater, afgebeeld op een manuscriptkaart uit ca. 1558. (collectie HCO)

Koggewrak uit de IJssel

Een gelukkig toeval kun je het noemen dat zes jaar voordat de Internationale Hanzedagen naar Kampen zouden komen, juist daar in de IJssel, een wrak van een koggeschip uit 1420 (vastgesteld na dendrochronologisch onderzoek) werd ontdekt. Het is het 30ste kogge-achtig schip dat sinds 1944 in Noordwest-Europa is gevonden en onderzocht, en één van de meest complete ooit aangetroffen. De spectaculaire vondst haalde het landelijk journaal op de dag (16 februari 2016) dat het wrak, beschermd en bijeengehouden door een korset van staal, met groot materieel uit de IJssel werd gelicht. Het 20 m lange en 8 m brede scheepswrak is voor onderzoek en conservering overgebracht naar Batavialand in Lelystad voor conservering.

Scheepsarcheoloog Wouter Waldus is nauw betrokken bij dit onderzoek en zal tijdens het symposium de eerste bevindingen daarvan naar voren brengen. Het uiteindelijke rapport wordt in de tweede helft van 2017 verwacht. Samen met collega Karel Vlierman schreef Waldus een artikel over koggewrakken in de bundel. Op dit moment wordt door de gemeente Kampen de haalbaarheid van de oprichting van een Hanzemuseum/-informatiecentrum onderzocht, waarin de IJsselkogge een plaats kan krijgen. Dit zou een instituut moeten worden om al het in Nederland aanwezige (historische) materiaal van en over de Hanze te exposeren en te ontsluiten voor een breed internationaal publiek.

De IJsselkogge komt op 10 februari 2016 na bijna 600 jaar boven water. (foto Archeologisch Diensten Centrum Amersfoort)

Imago van de Hanze

Het is verbazingwekkend om te zien hoe groot de aantrekkingskracht van de Hanze is op het grote publiek. Ook politiek en bedrijfsleven spiegelen zich graag aan het onverwoestbaar positieve imago van het oude handelsverbond. Het zijn de internationale samenwerking en handelsgeest die zij zo graag met de IJsselsteden verbinden. En kijk eens om je heen: in de IJsselregio lopen we letterlijk op veel plaatsen tegen de Hanze aan in vernoemingen als Hanzelijn, Hanzewijk en Hanzeschool. Uit de almaar groeiende deelname, zowel van leden als van gasten, aan de Internationale Hanzedagen spreekt de onweerstaanbaarheid van het Hanze-imago. Dat deze dagen weinig raakvlak vertonen met de Hanze van weleer doet er blijkbaar niet toe. Het gaat vooral om de historische sensatie die men wil oproepen door het aanbieden van allerlei vormen van ‘beleving’. Frank Inklaar zet in de jaarbundel de toe-eigening van karakteristieken en levering van producten die met de Hanze worden verbonden helder uiteen in een artikel en houdt er een voordracht over in de Zwolse Broerenkerk op vrijdagavond 9 juni (aanmelding via Waanders in de Broeren).

Informatiebord van het Hanzestedenpad, een wandelroute van 122 km tussen Doesburg en Kampen. (foto Henk-Jan van der Klis)

De internationale Hanzedagen mogen zich dan grotendeels hebben losgezongen van hun oorsprong, maar wie maalt daarom? Trouwens, de Hanzemanie is op zichzelf al een interessant historisch verschijnsel. Juist om die reden past daar geen wetenschappelijke neusoptrekkerij bij.

Aanmelding en informatie

Nieuwsgierig geworden? Het symposium vindt plaats op vrijdag 19 mei 2017 vanaf 13.15 uur in de Stadsgehoorzaal Kampen en duurt tot ongeveer 16.00 uur met aansluitend een hapje en drankje. Kaarten kosten €12,50 per stuk (incl. borrel). Op vertoon van het toegangsbewijs kan de jaarbundel met korting worden aangeschaft. U kunt u aanmelden voor het symposium door hier te klikken.
Informatie organisatie: Pietrik Scheffer | VORG | pescheffer@live.com
Informatie inhoud: Jos Mooijweer | HCO | j.mooijweer@historischcentrumoverijssel.nl

Door Jos Mooijweer
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Kruidengeneeskunde van Hippocrates tot Linnaeus

Aan de hand van middeleeuwse handschriften en oude gedrukte boeken uit de collectie van de Athenaeumbibliotheek in Deventer zie je de ontwikkeling van planten in de geneeskunst. Deze ontwikkeling begint in de vijfde eeuw voor Christus bij Hippocrates, de grondlegger van de westerse geneeskunde. In de late middeleeuwen bereiken zijn denkbeelden via Arabische geleerden West-Europa. Tot omstreeks 1500 is er vooral belangstelling voor de toepassing van planten in de moestuin, als voedsel en in de geneeskunde. De scheidslijn tussen magie en kruidenkunde is flinterdun. Liefdesdranken en potentieverhogende middelen zijn populair. Er wordt vaak verband gelegd tussen kruidenvrouwen en hekserij. Met Leonhart Fuchs als pionier verschuift de focus naar plantkunde als wetenschap. Maar pas tweehonderd jaar later legde Linnaeus de basis voor de moderne indeling in de plantkunde.

Gratis toegang.
Open van ma t/m vr van 9.00 – 17.00 uur
Download de app met daarin een omschrijving van een tiental topstukken via www.sab-app.nl.

Door de redactie

Erfgoedshow Vooruitboeren toert door Overijssel

Een tiental boerenerven in Overijssel vormt de komende maanden het decor van een programma over de modernisering van de landbouw sinds de jaren vijftig. Stichting IJsselacademie trekt de provincie door met verhalen, films, foto’s en livemuziek in streektaal gebaseerd op het boek Vooruitboeren. Overijssel 1950-2000.

Op basis van het boek en de website www.vooruitboeren.nl is er nu een multimediaal programma, vol weemoed, trots en verbazing over hoeveel er in een mensenleven kan veranderen. De Overijsselse band Muppetstuff schreef een handvol liedjes op basis van de interviews, die ze tijdens de erfgoedshow live laten horen. De shows worden georganiseerd in samenwerking met boerderijeigenaren, historische verenigingen, boerderijstichtingen en LTO-afdelingen. De toegang is gratis.

Toerschema

Vrijdag 21 april - 19.30 uur - Collendoornerdijk 4, Hardenberg
Zondag 23 april - 10.00-16.00 uur - Molenweg 24, Haarle
Vrijdag 19 mei - 19.30 uur - Vlaminckhorstweg 38, Heino
Zaterdag 3 juni - 20.00 uur - Zwolle Unlimited
Vrijdag 16 juni - 19.30 uur - Bergkampen 41, Sint Jansklooster
Vrijdag 23 juni - 20.00 uur - Zunnewende Festival, Hellendoorn
Zondag 25 juni - 10.00-17.00 uur - Oldtimerdag Saasveld
Donderdag 29 juni - 19.30 uur - Burg. Van Wijngaardenstraat 50, IJhorst
Donderdag 6 juli - 19.30 uur - Worsinksweg 3, Markelo
Vrijdag 8 september - 19.30 uur - Lossersedijk 16, De Lutte
Vrijdag 22 september - 19.30 uur - Scherpenzeelseweg 9, Wijhe
Zaterdag 30 september - 14.00 uur - Schievenweg 1, Ambt-Delden

Door de redactie

Dag van het Kasteel - 5 juni 2017

Voor de tiende keer wordt dit jaar door NKS Kenniscentrum voor Kasteel en Buitenplaats de Dag van het Kasteel georganiseerd en wel op maandag 5 juni, Tweede Pinksterdag. De NKS wil met deze dag laten zien dat het behoud van dit cultureel erfgoed van belang is voor iedereen. Het thema van deze dag zal zijn ‘Rondom kasteel en buitenplaats’. Want hoe interessant en indrukwekkend de vaak historische monumentale huizen zelf ook zijn, dat wat hen omringt is zeker net zo interessant. Hierbij gaat het niet alleen om authentieke bijgebouwen of voorburchten maar ook om de vaak historische tuinen die huizen omringen. Ook oude waterputten, bijzondere tuinornamenten, bomen en zelfs opgravingen zijn op deze landgoederen te vinden. Dit alles staat dit jaar in de spotlight en ook in Twente en Overijssel doen de nodige buitenhuizen mee. Kijk op de website voor deelnemers en activiteiten. www.dagvanhetkasteel.nl

Door de redactie

Expositie “Welkom Schokkers” in CHC Land van Vollenhove

Het CHC Land van Vollenhove aan de Bisschopstraat 36 in Vollenhove opende zaterdag 8 april weer haar deuren. Tijdens de winterperiode is het kabinet bevolking opnieuw ingericht evenals de wisseltentoonstelling “Welkom Schokkers”. Deze wisselexpositie is te zien van 8 april 2017 tot en met 5 november 2017 en gaat over bewoners van Schokland die hun eiland moesten verlaten en naar Vollenhove zijn getrokken.

De naam van de expositie “Welkom Schokkers”, verwijst naar de maanden mei en juni van het jaar 1859, toen ruim zeshonderd Schokkers het eiland Schokland moesten verlaten omdat het te duur werd om het eiland tegen de zee te beschermen. Zo’n honderddertig kwamen er in Vollenhove terecht. De tentoonstelling toont vooral schilderijen en prenten, originele kleding, en daarnaast een aantal originele voorwerpen, meer dan honderd jaar doorgegeven binnen de Schokker families.

Openingstijden

Woensdag t/m zondag 13.00 uur tot 17.00 uur. Eerste Paasdag gesloten, Tweede Paasdag geopend.
Entree 3 euro pp., kinderen 8 t/m 12 jr. 2 euro pp. en donateurs vrije toegang. www.chcvollenhove.nl

Door de redactie

Moeders mooiste: bonte parade van streekdrachten en burgermode

Deze zomer wordt er in het regionale streekdrachtenmuseum Erve Hofman in Hellendoorn een bijzondere tentoonstelling gehouden van streekdrachten en burgerkleding. Onder de titel Moeders mooiste is er een bonte parade te zien van kleding, gedragen door kinderen en hun ouders uit de periode 1850-1950. In feite gaat het om een dubbeltentoonstelling, want in een aparte ruimte zijn tal van prachtige poppen te zien. Het gaat dan veelal om poppen die gemaakt zijn om naar te kijken vanwege hun kunstzinnig karakter. De tentoonstelling Moeders mooiste is een feest van herkenning en een bezoek van (groot)ouders met hun kinderen meer dan waard.

Museum Erve Hofman
Hofmanstraat 2
7447 AS Hellendoorn

Openingstijden 2 mei t/m 4 november
Dinsdag – zaterdag 13.30 – 17.00 uur
Zondag en maandag gesloten

Entree: € 4,-.
Kinderen tot 12 jaar gratis.
Voor groepen prijzen op afspraak.
Tel.: 0548 655538
E-mail: info@oaldheldern.nl

Door de redactie

Wolvecamp & De Weerd: Geestdrift voor de schilderkunst

Het Rijksmuseum Twenthe komt de laatste jaren regelmatig in het nieuws met grootse tentoonstellingen; Turner, Gainsborough, De Lairesse en op dit moment de Italiaanse Renaissance. Al dit kunsthistorisch geweld betekent echter niet dat zij niet ook aandacht schenken aan kunstenaars die van eigen Twentse bodem komen.

Op 21 mei opent de tentoonstelling over twee Hengelose kunstenaars: Theo Wolvecamp en Eef de Weerd. Centraal in de tentoonstelling staat de vriendschap tussen deze twee mannen die als buurjongens en vrienden opgroeien en beiden de grote wens hadden schilder te worden. Voordat zij hun plannen echter ten uitvoer konden brengen, gooide de Tweede Wereldoorlog roet in het eten. Vooral bij Eef de Weerd liet deze periode levenslange sporen na. Zo goed en zo kwaad als het kan, pakten zij hun leven weer op. Na een gezamenlijke start aan de kunstacademie in Arnhem volgden zij ieder hun eigen weg. Theo begon aan zijn CoBrA-avontuur in Amsterdam en Eef vertrok naar Nederlands-Indië. Al snel kruisten weer hun wegen. Aan de hand van ruim veertig schilderijen vertelt Rijksmuseum Twenthe het verhaal van deze twee schilders in wiens leven de geestdrift voor de schilderkunst de allergrootste plaats innam.

Voor meer informatie zie www.rijksmuseumtwenthe.nl

Door de redactie
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

Seys-Inquart spreekt bij Stork, 1943

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verspreid het verzet foto's van de Koninklijke familie en pamfletten die opriepen tot een staking in mei 1943. Deze staking ontstond bij Stork in Hengelo.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Athenaeumbibliotheek Deventer

Jihad in Deventer

In het vriendenboekje van Arnold Rouse staat een verwijzing naar een gebeurtenis die in Deventer eind zestiende eeuw voor de nodige opschudding zorgde. Een fanatieke katholiek had zich voorgenomen om een hervormde predikant, om het even welke, naar de andere wereld te helpen. Op 21 januari 1599 overviel hij dominee Franciscus Schurckmans na diens preek van achteren met mes, dat hij van te voren ‘up eene treppe geslepen und gewettet’ had. Het wapen ging dwars door de nek, zodat de punt uit de hals van de ongelukkige stak. Enkele dagen na deze aanslag overleed Schurckmans aan zijn verwondingen. De dader stierf de marteldood.

Door Dinand Webbink
Volgende pagina
. . . . . . . . . . .