MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Met de pijltjestoetsen op uw toetsenbord kunt u van links naar rechts en van boven naar onder scrollen:

    keys
  2. Als u met de muis naar de rand van de pagina gaat, verschijnt er een donkergrijze balk met een pijl: als u daarop klikt gaat u naar links, rechts, boven of beneden.
  3. Aan de rechterkant bevindt zich een zwarte balk. Daarin staan alle pagina�s van boven naar beneden. Met de muis kunt u de pagina van uw keuze aanklikken. U kunt daar ook scrollen met uw muiswiel of slepen met uw muis.
  4. Bovenaan in de rechter kolom staan een aantal knoppen. Hieronder ziet u welke functie deze hebben.

    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  5. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Door met uw vingers over het scherm te vegen (�swipen�).
    Dit kan zowel van links naar rechts als van boven naar onder en vice versa.
  2. Via het rode blokje rechtsboven krijgt u meer mogelijkheden.
    Tik op het blokje of sleep het met uw vinger naar beneden:
    - bovenin verschijnt een rode balk waarin u kunt bladeren door te �swipen�.
    - midden onder verschijnen een aantal knoppen die u aan kunt tikken:
    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  3. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 5
  • nummer 3
  • juli 2017

Coververhaal

Grazige weiden in Zwollerkerspel

Overijsselaars van toen

Amoene van Haersolte, vergeten schrijfster uit Dalfsen

Overijsselse topstukken

De Nagelhoutcollectie in het Kulturhus Holten

Geworteld in Overijssel

De Overijsselse roots van Sacha de Boer

Geschiedenis van alle dag

Wonderbomen in Overijssel

Van de redactie
  • jaargang 5
  • nummer 3
  • juli 2017

Het vooruitgangsdenken heeft iets ambivalents in zich

Deze aflevering van MijnStadMijnDorp Historisch Tijdschrift Overijssel is in zekere zin te karakteriseren als een nummer over de vooruitgang. Sinds de negentiende eeuw is onze levensverwachting gegroeid, is de levensstandaard gestegen, waren er allerlei technische ontwikkelingen en zegevierde de democratie in steeds meer landen. Het is een optimistische kijk op de geschiedenis, maar tegelijkertijd heeft het vooruitgangsdenken iets ambivalents in zich. Het is de vraag of alle ‘vooruitgang’ ook daadwerkelijk een verbetering is geweest. Hebben we in ons vooruitgangsstreven niet ook zaken achter ons gelaten die we na verloop van tijd grondig zijn gaan missen? De rust en de gemoedelijkheid uit vervlogen tijden bijvoorbeeld waar we soms met weemoed aan terugdenken. In dit nummer komen beide kanten aan bod.

Wim Coster schreef een artikel over de ‘grazige weiden van Zwollerkerspel’ die baron Sloet tot Oldhuis in de negentiende eeuw aantrof in de sterk agrarische gemeente die Zwolle omsloot. Het platteland rondom Zwolle profiteerde in die tijd volop van de toenemende internationale vrijhandel. Tegelijkertijd was het leven op het platteland hard en werd het vee op gezette tijden geteisterd door epidemische veeziekten. Harrie Scholtmeijer vertelt u over de komst van het elektrische licht ter vervanging van de aloude petroleumlamp. Een echt symbool van de vooruitgang. Maar menig Overijsselaar moest behoorlijk aan deze nieuwigheid wennen, wat soms leidde tot komische situaties. Hennie Bouwhuis verhaalt over het Sallandse dorpje Haarle dat met een eigen treinstation probeerde mee te komen in de vaart der volkeren. Tegenwoordig is er niets meer van over.

Verder in dit nummer hebben we weer onze vaste rubrieken: Marcel Mentink zocht de Overijsselse roots van Sacha de Boer uit, Doreen Flierman beschreef de historische tuin van het Huis te Diepenheim én de bijzondere Nagelhoutcollectie in Holten, Eugène Westra haalt schrijfster Amoene van Haersolte uit Dalfsen uit de vergetelheid en Girbe Buist neemt u mee terug naar ons oerinstinct met een artikel over wonderbomen in Overijssel.

Een goede zomer gewenst!

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Menno van der Laan, Doreen Flierman, Anita Drost (HCO), Marcel Mentink (Rijnbrink), Dinand Webbink (Athenaeumbibliotheek Deventer) en Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Wim Coster, Harrie Scholtmeijer (IJsselacademie), Hennie Bouwhuis, Eugène Westra, Girbe Buist

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

Grazige weiden in Zwollerkerspel

De landbouw is één van de terugkerende thema’s in Wim Costers in mei 2017 verschenen 'Zwollerkerspel: een gordel van blauw en groen rondom de stad'. Baron Sloet tot Oldhuis beschreef in de negentiende eeuw de ‘grazige weiden’ rondom Zwolle. Het geeft een prachtig tijdsbeeld van de sterk agrarische gemeente die de stad omsloot.

‘De stad wordt rondom bijna helemaal omgeven door weilanden,’ noteerde de Zwolse baron Sloet tot Oldhuis, groot voortrekker op het gebied van de landbouw, in 1841. ‘Haar toegangswegen worden niet, zoals bij andere steden in ons vaderland, aan verschillende kanten door sierlijke buitenplaatsen opgevrolijkt. Maar toch ziet men tijdens het zomerseizoen in de omtrek overal uitmuntend vee grazen.’ Bij een telling in 1824 was gebleken dat er in Zwollerkerspel 7.804 runderen, 1.111 paarden en 218 schapen aanwezig waren. In Zwolle waren er 1.200 runderen, 392 paarden en 16 schapen. Volgens een opgave van het Veefonds waren er in 1841 in Zwollerkerspel 8.216 runderen, 964 paarden en 39 schapen en in Zwolle 1.356 runderen, 406 paarden en 24 schapen.

Een opname van enkele koeien en een grote boom bij het Haersterveer. (foto: Gerrit Jacobus Wispelweij, 1850-1916; beeldbank HCO)

Sommige buurschappen van Zwollerkerspel bestonden bijna helemaal uit bouwland, dat aldus nog steeds de baron, ‘met zorg wordt behandeld en de stad ruimschoots van een verscheidenheid aan groenten en vruchten voorziet. Ook hier valt de invloed op van een welvarende stad op de landbouw in de omgeving.’ Richting Drenthe en Twente was dat anders, daar was veel minder variatie aan producten te vinden, waren de akkers havelozer en was de boter minder van kwaliteit. ‘Op de dagelijkse groentemarkt in Zwolle bieden de landlieden niet alleen grove veldproducten aan, maar tevens fijne moeskruiden en ooft. Ook ziet men dikwijls ruikers bloemen in hun korven liggen.’

Kaart uit 1844 van de Vecht en het Zwartewater met de buurschappen Haerst, Genne en Langenholte. (collectie HCO)

Aan de oostzijde van de stad is het omliggend terrein hoger en zelfs enigermate heuvelachtig. Het bestaat uit losse zandgronden, die zeer geschikt zijn voor de houtcultuur en de rijkdom van de wilde planten die er in het wild groeien, wordt door kruidkundigen zeer geroemd. De heideplekken worden meer en meer bij de naastgelegen landgoederen getrokken en beplant.’

Mr. B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis (1807-1844), in 2007 geschilderd door Rana Berends.

Over de warmoezerij in de voorsteden van Zwolle en in de nabijgelegen buurschappen was Sloet tot Oldhuis al even enthousiast, want die behoorde tot de beste in het gewest. Er gingen zelfs schuiten met groenten naar steden in de buurt en naar Drenthe. Fijne bakgroenten, bloemkool en andere koolsoorten moesten echter uit het westen komen. De broeierij werd geheel verwaarloosd, maar dat weet hij aan kwelwater en overstromingen.

Sloet constateerde met genoegen dat er, vooral dankzij de rijke veestapel in de omtrek, in Zwolle een bloeiende handel in vee en boter was ontstaan. Ook werden er belangrijke beesten- en paardenmarkten gehouden. De runderrassen in deze streken konden volgens hem in kwaliteit wedijveren met die van de weligste andere streken in het land. Hij betreurde het, dat Overijssel geen eigen paardenras had. De boter uit Mastenbroek, die in grote hoeveelheden werd uitgevoerd, concurreerde op de markt in Londen met die uit Friesland.

Een boerin met haar kinderen op een boerderij in Zwollerkerspel. In 1941 kwamen er op het bedrijf nieuwe melkbussen. (collectie HCO)

Internationale ontwikkelingen speelden ook Zwollerkerspel in de kaart. De Engelse markt ging in 1846 open na de afschaffing van de Corn-Laws, een serie importheffingen. Pruissen bouwde een grote legermacht op en had voor zijn paarden veel hooi - de benzine voor deze pk’s - nodig. De Zwolse ijzergieterij en machinefabriek Wispelwey ontwikkelde een hydraulische hooipers om duizenden ponden hooi in vervoerbare toestand te kunnen brengen. Ook de prijs van de boter steeg zeer. Duitse kooplieden kochten alles op wat ze konden gebruiken. Paarden, hooi, vlees, aardappelen, wortels, knollen en duurzame levensmiddelen gingen tegen ongekende prijzen de grens over. Voor stedelingen was het van belang verbinding met het platteland te hebben, ‘kundig met boeren’ te zijn, om zo tegen redelijke prijzen aan levensmiddelen te kunnen komen. De Amerikaanse Burgeroorlog in de jaren 1860-1865 en de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 deden de prijzen verder stijgen.

Een kaart uit een onderzoek naar de 'welvaartsbronnen' van Zwolle uit 1938-1939 en de praktijk van land- en tuinbouw aan de Haersterbroekweg en de Hollewandsweg. (collectie HCO)

Het stelde nieuwe eisen aan de landbouw en ook daarom werden in de negentiende eeuw de meeste marken in Overijssel en andere delen van Oost-Nederland opgeheven. De gemeenschappelijke gronden werden dan verdeeld onder de erfgenamen of verkocht. Zo was de grond beter te exploiteren. Ook de marken in Zwollerkerspel en Zwolle verdwenen, de een na de ander. Als laatste Assendorp, maar dat had vooral te maken met de moeizame juridische afwikkeling. Zo werd een eeuwenoude bestuurlijke deken voor het platteland afgelegd. De meeste taken van de marken werden overgenomen door gemeenten en waterschappen, maar die waren aan de bestuurders in Zwollerkerspel wel toevertrouwd!

Ook kommer en kwel

Het was, anders dan het verslag van baron Sloet wellicht doet vermoeden, op het platteland niet louter voorspoed. Ziekten van ras en gewas zorgden met name tussen 1845 en 1850 voor ‘zwarte jaren’. Het vee werd op bijna gezette tijden geteisterd door epidemische ziekten, zoals een klein bericht uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant uit januari 1846 laat zien. ‘Op een stal in Mastenbroek stierf deze week een koe aan de gevreesde longziekte die nu ook Overijssel heeft getroffen. Het was één van de drie beesten van de weduwe Klaas Bosch aan de Bisschopswetering, die in november op de markt in Hoorn waren gekocht. Een andere koe werd ook ziek. Vrijwel de gehele veestapel was lusteloos en begon te hoesten. Twaalf eenjarige beesten in een andere stal waren tot heden toe geheel vrij.

Met spanning kijkt de boerenstand uit naar maatregelen die het Provinciaal Bestuur gaat nemen. Veearts Jennes uit Zwolle heeft reeds aangedrongen op uitroeiing van de stal van de weduwe, maar het Veefonds voelt daar weinig voor. De waarde van de beesten wordt geschat op 2.500 gulden en over zoveel geld beschikt het fonds niet.’

In Dieze bij Zwolle liggen enkele koeien rustig in het zonnetje, 1893. (collectie HCO)

Veel werd op het platteland ook geklaagd over bedelaars. In Zwollerkerspel des te meer, omdat zij daar elke morgen de stadspoorten werden uitgejaagd. Soms met een kleine oprotpremie om verder het platteland af te kunnen stropen. Er waren boeren die per dag wel honderd bedeelden langs kregen. ‘Ook in de nabijheid van Zwolle vindt men een huttenkolonie in de zandheuvels die in vorige eeuwen door de IJssel zijn aangespoeld, de zogenoemde Konijnenbelten,’ merkte de Genemuidense burgemeester Johannes Zeehuisen in 1850 op in een beschrijving van het Sallandse platteland. ‘Want de politiek van de boeren, die behoefte hadden aan dagloners, leidde tot het gedogen van nederzetting van armen. Hun welvaart nam echter toe en de meesten hadden zelfs een stenen woning, enig vee en een paar fruitbomen.’

Paardenkracht en mensenmacht. (collectie HCO)

Het loon dat de losse arbeiders ontvingen was gering, ook in vergelijking met andere plaatsen in het land. Zeven uren werken in de winter leverden volgens opgave van Zeehuisen slechts dertig cent op. In de zomer, als er gedorst moest worden, begonnen de werkers soms al om vier uur, om door te gaan tot ’s avonds acht uur toe. Ook dan ontvingen zij niet meer dan dertig cent, al kregen ze er voor hun inspanningen wel ‘de volle kost’ bij. Soms, als er veel werk was, betaalden de landheren iets meer. Allerlei vormen van huisvlijt, zoals het maken van klompen, het breien van sokken of het vlechten van korven en ook het vangen van een haas, een konijn of een eend moesten de schamele inkomsten aanvullen. Maar een vetpot werd het nooit.

*Zie voor baron Sloet het proefschrift van Wim Coster.

Door Wim Coster
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geworteld in Overijssel

De Overijsselse roots van Sacha de Boer

De meesten onder ons kennen Sacha de Boer nog goed uit de tijd dat ze nieuwslezeres was bij het NOS journaal. Daarna heeft ze haar oorspronkelijke beroep weer opgepakt: fotograaf. Begin april 2017 was er een aflevering van het televisieprogramma Verborgen Verleden waarin haar familiegeschiedenis uit de doeken werd gedaan. Daarin werd groots uitgepakt over haar Schotse familiebanden. Aan het stukje Overijsselse geschiedenis werd nauwelijks aandacht besteed.

De uitzending start met een fragment waarin Sacha beschrijft dat haar vader, C.R.N. de Boer, huisarts te Weesp, de zoon is uit het huwelijk van Cornelis Reyerus Nicolaas de Boer en Anna Hamilton of Silvertonhill. Anna (* 30-03-1906 – † 03-01-1991) is een peuter van bijna drie als haar moeder Elisabeth ter Spill op 28 jarige leeftijd in een ziekenhuis in Friesland aan eierstokkanker komt te overlijden (* 12-08-1880 – † 06-02-1909).

Familiebericht Elisabeth ter Spill. (Leeuwarder Courant, 9 februari 1909).

Elisabeth was de echtgenote van William Hamilton of Silvertonhill. Hij werd geboren in Avereest op 2 april 1877. Hij was predikant in onder andere Abbekerk (NH) in 1904 waar Anna geboren werd, Sijbrandaburen (Fr) in 1907 en Hoorn (NH) in 1913.

William Hamilton of Silvertonhill.

Op 3 augustus 1916 hertrouwde hij in Hoorn met de uit Groenlo afkomstige Bertrude Gerarda Graafland. William was een overtuigd geheelonthouder. In Sijbekarspel werd hij voorzitter van de vereniging voor drankbestrijding (de blauwe knoop). Zelfs bij begrafenissen prees hij de overledenen als ze geheelonthouder waren geweest. William overleed in Sijbekarspel (NH) op 7 december 1934 op 57-jarige leeftijd.

Overlijdensadvertentie dominee Willem Hamilton of Silverton. (Nieuwsblad van Friesland: Hepkema's Courant, 10 december 1934).

De vader van William, Willem genaamd, was geboren in Oldemarkt op 9 december 1830 en overleed te Avereest op 25 maart 1902.

Geboorteakte Willem Hamilton.

Hij was gehuwd met Weindina Vrouwkina Bramer en samen kregen ze tien kinderen. Weindina overleed in juli 1873. Ruim een jaar na haar overlijden trouwde hij in Amsterdam met Diderica Willemina Angenieta Hissink, de dochter van de eerste dominee van Dedemsvaart. Met haar had hij vier kinderen, waaronder de latere dominee William.

Diderica Willemina Agnieta Hissink.

Diderica zag op 21 maart 1842 te Avereest het levenslicht en zij heeft haar man ruimschoots overleefd. Zij overleed in Tietjerkstradeel op 16 september 1925. Willem was bij leven gemeenteontvanger in Dedemsvaart. Maar daarnaast was hij mede-eigenaar van een handels-en verveningsbedrijf “Hamilton & Visscher” met een turfschip onder eigen vlag. Ook was Willem medeoprichter van de Dedemsvaartse glasfabriek en was hij handelaar in wijnen en hammen. Hij bezat eveneens een van de voornaamste huizen op De Polle (bij de Sponturfwijk). Het Hamiltonsvonder over de vaart (een brede draaibare plank met aan één kant een leuning) lag destijds bij de woning van Willem en ontleende daaraan zelfs zijn naam. Hij had namelijk ook gronden aan de zuidkant van de vaart en kon die zo makkelijk bereiken.

Dorgelo's of Hamiltonwijk in Dedemsvaart.

De grootvader van de dominee, Theodoor Christiaan Wilhelm Hamilton of Silvertonhill (* 25-01-1804 te Haldern BRD, net over de grens bij Dinxperlo) woonde in Heino en was in 1829 Rijksontvanger der Directe belastingen met als standplaats Heino. Hij trouwde op 29 januari dat jaar te Deventer met Maria ter Gunne (23 jaar).

Trouwadvertentie van Theodoor en Maria. (Opregte Haarlemsche Courant, 5 februari 1829).

Maria was toen al acht maanden zwanger van hun zoon Johannes die op 25 of 26 februari 1829 werd geboren. Lang heeft hun huwelijksgeluk niet geduurd, want zij overleed reeds twee weken na de geboorte van hun zoon op 13 maart 1829.

Familiebericht Maria ter Gunne. (Opregte Haarlemsche Courant, 21 maart 1829).

Heel erg lang heeft het verdriet van Theodoor niet geduurd, want toen hij op 31 mei 1830 in Oldemarkt hertrouwde met Helena Dumon was zij reeds drie maanden zwanger. Zoon Willem werd geboren op 9 december van datzelfde jaar. Kort na het overlijden van Maria werd Theodoor van Heino overgeplaatst naar Oldemarkt. Ook hun zonen Karel Wilhelm (1833) en Herman Jan Willem werden in 1835 in Oldemarkt geboren.

Theodoor werd in 1839 overgeplaatst naar Wierden. Hij en zijn collega daar gingen stuivertje wisselen. Waarom deze wisseling van positie plaatsvond is niet bekend, maar al vijf weken later werd Theodoor alweer overgeplaatst naar Staphorst. In Staphorst werden ook nog twee kinderen geboren en slechts drie jaar later (oktober 1842) werd Theodoor overgeplaatst naar Hasselt. Daar werd hun zesde kind geboren. Zijn laatste standplaats kwam uiteindelijk in 1846 toen hij werd overgeplaatst naar Avereest.

Theodoor overleed op de betrekkelijk jonge leeftijd van 53 jaar op 14 februari 1857 te Avereest. Vrij plotseling, want hij wilde juist de bouw van zijn nieuwe huis met kantoor op 16 februari van dat jaar aanbesteden.

Aanbesteding van het woonhuis te Avereest. (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant : staats-, handels-, nieuws- en advertentieblad, 6 februari 1857).

De vader van Theodoor is de in Den Bosch op 23 september 1770 gedoopte Kapitein Johannes Hamilton of Silvertonhill. Hij trouwde op 30 augustus 1801 in Rees, Dld (waaronder Haldern valt), met de vier jaar jongere Alida Wilhelmina Richter. Dat de appel beroepsmatig niet ver van de boom was gevallen, blijkt wel uit het feit dat de vader van Theodoor destijds Commis en Visiteur der Belastingen was in Gramsbergen. Gramsbergen is eveneens de plek waar Johannes en zijn vrouw Alida zijn overleden, in respectievelijk 1836 en 1837.

*Klik hier om de uitzending van Verborgen Verleden over Sacha de Boer te bekijken.

Door Marcel Mentink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Streektaal in Overijssel: Het nije locht

Het elektrische licht, eenvoudig te bedienen met een schakelaar, wordt te Steenwijk het nije locht genoemd. Het kwam immers in de plaats van de bestaande verlichting op petroleum en in de beginjaren was de herinnering aan de petroleumlamp nog vers. 

Met petroleum moest altijd zuinig gedaan worden. Als er nog maar een beetje petroleum in de lamp zat, hing men de lamp scheef, om ook maar die laatste druppeltjes op te vangen. Nog altijd is 'de lamp hangt er scheef' een uitdrukking voor armoede, maar in heel wat huishoudens hing de lamp scheef: meer uit zuinigheid dan uit pure armoede. En de zuinigheid die men gewend was bij het petroleumlicht, verdween niet zomaar toen er elektrisch licht kwam.

Twee vrouwen doen verstelwerk in leemboerderij 'de Eikenhof' in Markelo. Boven de tafel hangt een petroleumlamp. (Beeldbank HCO).

Spilzucht

In Nijverdal vertelde men: 'Toen het licht pas kwam, waren de luu zunig. Ze deun dan het lich an en uut. Luu die nog gin lich hadden en det van een ofstand zaangen, waren bange doarveur, umdet ze dachen det zie dwaallichies zaangen.' En in Almelo: 'Een oude boer, waar een jong stel was ingetrouwd, ging naar bed als het donker werd. De jongelui hadden de lamp aan en de oom lag in de bedstee zich hoorbaar op te vreten over de verspilling: "och, och, och, koffie drinken en laampe braanden, och, och".'

In onze, gemakkelijke (de mensen van toen zouden zeggen: spilzieke) tijd vergeten we wel eens dat vroeger alleen het licht werd aangestoken, als dat beslist noodzakelijk was. Het licht werd bij ons in Dalfsen aangedaan, wanneer het te donker werd om te lezen. Een mooi verhaaltje hierover: 'Wie zaten vrogger an toafel. Geertie, onze dienstbode veur dag en nacht, zat het dichste bie het lichtknöppie. Mien va leazen uut de biebel het verhaal van Job, woar God met satan an de proat was. Det gunk zo: "En de Here zeide tot de satan, toe Geertje wij mie eamen het licht andoen." Hij is mar op-ehoalen met leazen.'

Ab Dorman met zijn venterswagen met petroleum in Hardenberg. (HV Hardenberg).

Angst voor elektriciteit

De mensen maakten de overgang van petroleum naar elektrisch minder radicaal dan deze in feite was - ze zaten nog volop in die oude wereld. In Saasveld zou iemand naar het snoer van de lamp hebben gekeken, en gezegd hebben: 'kan der wa öllie deur den dunnen droad?' Er was natuurlijk ook angst voor het onbekende. In Ambt-Delden liet een boer zijn buurvrouw 's avonds maar het licht uitdoen, want zelf aan het licht komen, nee dat durfde hij niet. Maar ook de dapperen die zelf wel hun licht aan- en uitschakelden koesterden een stevig wantrouwen tegen het lichtknopje: dat zat veel te dicht op de elektriciteitsleiding. Een flink lang touw, aan een trekschakelaar, dan wilde men het nog wel proberen. Maar als de gloeilamp het begaf, moest in Hengevelde de vakman eraan te pas komen, want in de eerste tijd durfde de boer er niet zelf aan te komen.

Bovengrondse elektriciteitsmast aan de Bergleidingweg in Hellendoorn, 1974. (GA Hellendoorn).

Je kunt doodgaan aan stroom

Alle angst voor het nije locht was ook niet helemaal ongegrond. Er ging weleens iets mis. Geen wonder dat het met al die gevaren en angsten de nodige overredingskracht kostte om de mensen aan het elektrisch licht te krijgen. Smid Braakhuis organiseerde te Hengevelde in een café een voorlichtingsbijeenkomst van de Hengelose elektriciteitscentrale. De boeren waren zeer argwanend. 'Man wil geld uut 'n tuk kloppen!’ Je kunt doodgaan aan stroom!' Soms ging het ook helemaal niet door. In de buurschap Zeesse (bij Ommen) konden vijf huishoudens, als ze dat wilden, stroom-aansluiting krijgen. Niemand kreeg de aansluiting, omdat slechts één huishouding (drie broers en een zuster) het niet wilde. De reden: 'oonze va hef het ok nooit ehad’. Vaders wil was wet, ook na zijn dood, zo voegde men in Ommen eraan toe.

Drie mannen zitten bij elkaar voor hen een kacheltje, een petroleumlamp en koffiekoppen, 1922. (Geheugen van Nederland).

's Nachts geen stroom

Er zijn nóg twee zaken die in het begin totaal anders waren dan nu: er was niet continu stroom, en elke plaats had zijn eigen elektriciteitscentrale. Dat eerste, het ontbreken van stroom gedurende de nachtelijke uren, hing samen met het tweede. De plaatselijke centrale werd maar door één machinist bediend, en als hij naar bed ging, was er geen stroom. Problematisch was dat niet, want zijn slaapuren vielen samen met die van de meeste van zijn dorpsgenoten: tussen tien en zes. En voor wie de tijd vergeten was, wilde hij nog wel even een waarschuwing laten uitgaan. Vlak voordat de stroom helemaal van het net afging, een paar minuten voor tien, onderbrak hij de stroomtoevoer een paar keer heel kort. Bij de mensen thuis ging het licht dan een paar seconden uit, en iedereen wist dan: straks is het helemaal donker. In Haaksbergen heette de machinist Jan Bouwhuis, en de plaatselijk uitdrukking om tien uur, als het licht aan-en-uit ging, luidde: 'Bouwhuis knipoogt oe toe'. Tijd om naar bed te gaan, of om toch nog even de petroleumlamp aan te steken.

Elektriciteitscentrale en Watertoren in Delden, 1910. (Historisch Centrum Hof van Twente).

Het was een mirakel, dat nieuwe licht. 'Wij uit Giethoorn herinneren ons, dat onze ouders, toen het elektrisch licht op het punt stond te verschijnen, ons ver- telden, dat er straks alleen nog maar een knopje omgedraaid moest worden om licht te krijgen.' Misschien verklaart dat ook het volgende. 'Er kwam iemand van het elektriciteitsbedrijf bij een boer die pas elektrisch licht had. De man zee: "ik ben van het licht". Zo, zee de boer, ben ie de nieuwe dominee.' Opgetekend te Sibculo.

*Opgetekend op basis ingevulde antwoorden voor het Woordenboek van Overijsselse Dialecten

Door Harrie Scholtmeijer
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Verhalen van voorbij

Bij veel mensen leven belangrijke gebeurtenissen en plaatsen voort via herinneringen en overleveringen, maar dat alles vervaagt. Dit zogeheten collectieve geheugen wil men hier een duwtje in de rug geven met het jubileumboek Verhalen van voorbij. Geprobeerd is alle kernen van de gemeente te betrekken bij het samenstellen van de lijst van onderwerpen. Het gaat hier bijvoorbeeld om de eeuwenoude dodenweg Haarle – Hellendoorn, een vrij onbekend gedicht van Johanna van Buren, de kleuterschool in het gebouw waar nu een Chinees restaurant is gevestigd, etc. Willem Wijnen maakte bij elk onderwerp een foto van de huidige situatie. Zo blijft de historie een altijd voortgaande beweging.

Uitgever: Uutgeverieje ’n Boaken

ISBN 978 90 7627 235 1 | 144 pag. | € 14,50

Door de redactie

Moordenaressen in Kampen

Misdaden, waaronder moord en doodslag zijn al zo oud als de wereld. In deze afleveringen worden moorden en doodslagen vermeld die door 17 vrouwen zijn gepleegd. Bij een enkele vrouw konden deze feiten niet worden bewezen of bleef het bij een poging tot moord. Dit alles speelde zich af in de stad Kampen en wel in de jaren 1492-1974. Op welke plek in Kampen werd het misdrijf gepleegd en hoe vond de berechting plaats?

Auteur: Iet Erdtsieck
Uitgever: Uitgeverij Black Rock

ISBN | 76 pag. | €

Door de redactie

Vliegbasis Twenthe vervlogen tijden

In het lijvige boek ‘Vliegbasis Twenthe’ wordt aan de hand van meer dan 1.300 foto’s, officiële documenten en krantenartikelen, de vlieggeschiedenis vertelt van één van de belangrijkste militaire vliegvelden van Nederland. Welke rol speelde vliegveld Twenthe na de Tweede Wereldoorlog en met name tijdens de periode van de Koude Oorlog. Welke squadrons vlogen er, welke vliegtuigtypes kon je daar aantreffen, welke andere NAVO luchtmachten kwamen er op bezoek en welke oefeningen werden vanaf Twenthe uitgevoerd?

Het boek onthult deze geschiedenis van na de Tweede Wereldoorlog tot aan 2007, toen de militaire vliegactiviteiten op de vliegbasis werden beëindigd. Het boek bevat nog niet eerder getoond uniek beeldmateriaal uit vele privé-collecties.

Auteurs: Dick Lohuis en Gijs Dragt
Uitgever: Uitgeverij Geromy bv, Maarssen

ISBN 978 90 8189 369 5 | 541 pag. | € 54,90

Door de redactie

Zwollerkerspel

Per 1 augustus 1967 werd Zwollekerspel opgeheven. Het grootste gedeelte van deze gemeente ging naar Zwolle, de rest naar Hasselt, Genemuiden, IJsselmuiden en Heino. Eeuwenlang waren de stad en het kerspel met elkaar verbonden. Zwolle groeide en had ruimte nodig. Zwollekerspel verzette zich, maar annexatie bleek onvermijdelijk.

Dit boek vertelt de lange en boeiende geschiedenis van meer dan dertig dorpen, buurtschappen en gehuchten en hun relatie met de stad. Zo passen bijvoorbeeld Berkum, Frankhuis, Haerst, Harculo, Ittersum en de polder Mastenbroek de revue, maar ook Oldeneel, Schelle, Spoolde, Westenholte, Windesheim en Wijthmen.

Auteur: Wim Coster
Uitgever: Waanders Zwolle

ISBN 978 94 6262 082 7 | 212 pag. | € 19,95

Door de redactie

Oud Steenwijk en omstreken

Tussen 1916 en 1966 heeft Johan Memelink veel bijzondere stukjes Steenwijk op de gevoelige plaat vastgelegd. Veel van zijn foto’s zijn verschenen op ansichtkaarten, in boeken en andere publicaties. Anno 2017 weten echter weinigen nog dat hij de fotograaf is van de vele bekende beelden van oud Steenwijk. Dit boek laat een selectie zien van zijn mooiste, bekende én onbekende foto’s van de vestingstad en haar omgeving.

Auteur: Johan Brandsma
UItgever: Hist. Vereniging Steenwijk en Omstreken

ISBN 978 90 8189 369 5 | 288 pag. | € 24,95

Door de redactie

Zwolle jaren later

Fotograaf Joop van Putten heeft zo’n 80 oude foto’s en ansichtkaarten verzameld en deze zo exact mogelijk opnieuw gefotografeerd. Niet alleen heeft hij de plaats opgezocht waar de vroegere fotograaf heeft gestaan, hij heeft zich ook verdiept in diens techniek en zo de brandpuntsafstand van de gebruikte lens, het gekozen perspectief en de uitsnede van de foto zo precies mogelijk benaderd.

Auteur: Joop van Putten
Uitgever: Waanders Zwolle

ISBN 978 94 6258 198 2 | 160 pag. | € 19,95

Door de redactie

Twente en zijn historische tuinen: Huis te Diepenheim

In Twente zijn vele kastelen, landhuizen en havezaten te vinden die een monumentenstatus kennen. Maar ook de tuinen die deze huizen omringen worden vaak als monument aangemerkt. Veel van deze tuinen zijn te bezoeken. In sommige daarvan zijn vele eeuwen tuinarchitectuur te vinden, anderen kenmerken zich juist doordat de aanleg geheel in één stijl is gedaan.

Huis te Diepenheim 2015. (foto: Michiel Verbeek).

Huis Diepenheim, ook wel Huis te Diepenheim genoemd, is een van de oudste buitenplaatsen in de Twentse regio. Het wordt al genoemd in de twaalfde eeuw. In 1331 werd het gekocht door Jan van Diest, bisschop van Utrecht, voornamelijk vanwege zijn locatie. Het Huis te Diepenheim was strategisch gelegen en vanaf deze plek wilde de bisschop het Oversticht beschermen tegen de herhaalde aanvallen van de hertog van Gelre. Tot in de zestiende eeuw was het huis door deze machtsstrijd afwisselend in handen van de hertog van Gelre en de bisschop van Utrecht. Uiteindelijk werd de bisschop gedwongen het af te staan aan Keizer Karel V die vanaf 1528 als landheer van de Staten van Overijssel werd aanvaard. Maar de hertogen van Gelre gaven het niet zo snel op en deze strijd leidde tot de verwoesting van het huis. Pas in 1635 wordt het huis weer genoemd. Het kwam in bezit van de familie Bentinck en uit deze periode stamt ook het huidige huis dat gebouwd werd bij een heuvel die de ‘Casteelbelt’ werd genoemd. Bernard Bentinck herbouwde in 1648 het huis dat eerder gesloopt was en breidde het landgoed uit. Door dit bezit trad de familie Bentinck toe tot de Ridderschap van Overijssel. Bernards oudste zoon Hendrik, die trouwde met Magdalena van Ittersum, nam hierna zijn intrek in het huis. In de indrukwekkende zandstenen toegangspoort die werd gebouwd in 1685 zijn nog de wapens te zien van de familie Bentick en de familie Van Ittersum.

De oude poort van Huis te Diepenheim.

Behalve aan het huis werd ook aan de tuinen veel aandacht gegeven. Want dat tuinen niet onbelangrijk waren voor de familie Bentinck bewijst een andere zoon van Bernard, Hans Willem 1e graaf van Portland, Baron van Diepenheim en Schoonheten (1649-1709), goede vriend van stadhouder-koning Willem III. Hij stond bekend om zijn verzameling van exotische planten en stelde ook een codex samen die bekend staat onder de naam ‘Codex Bentingiana’. Deze codex is helaas onvindbaar. Of er ook illustraties in stonden die verband houden met de tuinen van Huis te Diepenheim is onbekend.

Hans Willem Bentinck door H. Rigaud. (Portland Collectie).

In de tuinen van Huis te Diepenheim zijn heden ten dage nog steeds elementen uit de zeventiende eeuw aanwezig, zoals de zevenhoekige dubbele omgrachting met fruitbomen. Deze omgrachting geeft de illusie van een bastion, de tuin als vesting wat een geliefd ontwerp was in deze tijd. Al op oude kaarten is deze omgrachting duidelijk zichtbaar. Ook de ‘Rode Allee’ waar voornamelijk zomereiken staan, is aangelegd in deze periode. Het lanenstelsel ten noorden en westen van het huis is aangelegd in de achttiende eeuw. De formele structuur werd in deze tijd voornamelijk gecreëerd met taxushagen. Een sterrenbos, een geliefd element in formele tuinen, mocht natuurlijk niet ontbreken. In een sterrenbos lopen de paden vanaf een middelpunt als de stralen van een ster naar de uiteinden.

Luchtfoto uit 1927.

Voor de aanleg van zeventiende- en achttiende-eeuwse tuinen werden de strakke architectonische principes aangehouden die in de tijd furore maakte. In de boeken die in die tijd over tuinen werden geschreven, blijkt verder dat er weinig diversiteit in planten was. Het belangrijkste sierelement was het patroon van buxushaagjes. Bijna alle afbeeldingen uit die tijd, geven hetzelfde beeld: vierkant of rechthoekige tuinen verdeeld in vierkante of rechthoekige vlakken. Dit principe gold ook voor de moestuinen die voor de buitenplaatsen van groot belang waren. Zij voorzagen de bewoners van voedsel en medicijnen. Op de kaart die Hottinger optekende in 1787 zijn deze structuren duidelijk zichtbaar, zoals ook op de kadastrale kaart van 1900.

Ging in de zeventiende en achttiende eeuw de smaak vooral naar de formele stijl van de Franse en Italiaanse tuinen, in de negentiende eeuw neigde men meer naar de Engelse stijl wat zich uitte in een landschapstuin met bomen en vijvers die een meer natuurlijke uitstraling hadden. Ook deze Engelse stijl is terug te vinden in de tuin van Huis te Diepenheim. Daarnaast kwam er een gebogen toegangslaan en ten noordoosten van het huis werd een park met vijvers aangelegd. Van historisch belang zijn ook de cirkelvormige gazons en het leifruit. De ontwikkeling in tuinarchitectuur is nog steeds goed zichtbaar. Ook in de twintigste eeuw werden nieuwe elementen aan de tuin toegevoegd. Ten westen van het huis werden kassen geplaatst die voornamelijk werden gebruikt voor het kweken van perziken en druiven.

De familie Bentinck zou uiteindelijk 180 jaar op het landgoed blijven wonen. Sindsdien is het landgoed meerdere malen van eigenaar gewisseld. Sinds begin twintigste eeuw is het in bezit van de familie De Vos van Steenwijk die het huis tot op heden bewoont. Het landgoed en de tuinen hebben inmiddels een belangrijke educatieve functie gekregen en er vinden regelmatig buitenlessen plaats voor leerlingen van basisscholen in de omgeving.

Het huis en de direct omliggende tuin is privé maar het landgoed dat circa 180 hectare beslaat, is vrij toegankelijk voor wandelaars. Voor meer informatie zie www.vvvhofvantwente.nl

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De verdwenen stationsgebouwen van Haarle

Veel weggebruikers rijden het dorp Haarle binnen via de Stationsweg en zullen zich nauwelijks afvragen waar een station in het dorp is of was. Die plek moet je wat noordelijk van het dorp zoeken, want daar ligt de spoorlijn Zwolle – Almelo. Die lijn werd geopend op 1 januari 1881, ruim veertig jaar nadat op de lijn Amsterdam – Haarlem op 20 september 1839 de eerste trein in Nederland reed.

Halte

De benaming ‘station’ was voor Haarle wel erg hoog gegrepen: in feite was het een halte waar je op verzoek kon in- en uitstappen. In haar boek ‘De Sprengenberg en zijn omgeving’ geeft T.G. de Kempenaer – van Wullften Palthe een aardige beschrijving van deze halte: ‘De halte Haarle bestond vroeger alleen uit een lange bank, waar de trein op verzoek stopte. Naderhand kwam er een laadstation bij. De bouw van de Sprengenberg (1898-1910) vereischte veel materiaal, dat per goederenwagen aangevoerd werd, eveneens kunstmest voor de boschbouw en steenkolen en cokes voor de verwarming. Naderhand werd hout uit de bosschen vervoerd, dus de halte Haarle kreeg het druk. Er kwam zelfs een hokje voor de chef en een klein wachtkamertje bij. De groote bank werd toen door vader gekocht en kreeg een plaats in de ‘Diepe hel’, waar veel gebruik van gemaakt is als we die mooie plek bezochten. Het mag duidelijk zijn dat de halte voor de ontwikkeling van de Sprengenberg van groot belang is geweest’.

Stationskoffiehuis.

Al kort na de opening van de spoorlijn werd bij de kruising met de rijksweg het stationskoffiehuis geopend. Het bleef in de loop der jaren een plek waar reizigers een stop konden maken, ook toen de naam later veranderde in Kökkies Da of Ni Hao.

Ontwikkelingen bij de halte

De halteplaats kreeg wat meer allure toen in 1902 een kleine haltepost werd gebouwd. Station Haarle was daarmee nog niet voltooid, want in 1903 werd wachthuisje 19 verplaatst van Bedum (Groningen) naar Haarle. Ik heb er geen voorstelling bij hoe zo’n verhuizing in 1903 plaats kon vinden. Na de komst van wachthuisje 19 volgden nog de bouw van de woning voor de haltechef (1907) en de bouw van een goederenbergplaats in 1911. In dat jaar werd de bovengenoemde lange bank verkocht aan Van Wulfften Palthe.

Haltechefs

Er zijn meerdere haltechefs actief geweest in Haarle. J. Ras, spoorwegbeambte in Heino, trouwde in 1898 met Aleida van Velzen uit Heino. Het paar vertrok in 1901 naar Haarle, waar J. Ras haltechef werd. Hun dochter werd in dat jaar getroffen door een schot met een revolver, maar ze overleefde het incident wonderwel. De familie Ras vertrok in 1905. De familie Verplak woonde van 1905 – 1915 aan het spoor. Op schoolfoto’s uit 1908 staan Johan Verplak en Marie Verplak, kinderen van de stationschef Haarle. In maart 1915 overleed stationschef N. Verplak. Zijn dochter Agnes trouwde met Hendrikus Wennemers, wiens broer getrouwd was met Antoneta Claassen, dochter van de eerste stationschef van Nijverdal. Andere chefs zijn onder anderen geweest:

- P. van Leeuwen ( 1915 – 1919)
- A. van Rheenen (1919 – 1923)
- A. Verhoef ( 1923 – 1924)
- F. van den Berg (1924 – 1932)

De baanwachter woonde bij de wachtpost aan het spoor. Alle huisjes waren rond 1880 naar een ontwerp van de Staatsspoorwegen gebouwd.

Goederentrein met links nog net een deel van het station zichtbaar, ca. 1920.

DIENSTREGELING

Als een trein in aankomst was, moest de baanwachter de overwegbomen openen en sluiten. Dat was overigens niet heel vaak het geval. In de zomerdienstregeling van 1891 staat dat driemaal per dag een trein richting Nijverdal – Almelo vertrok en ook driemaal richting Raalte – Zwolle. In 1911 konden reizigers vijfmaal richting Twente en driemaal richting Zwolle reizen. De frequentie bleef toenemen, want in 1929 kon je achtmaal richting Raalte opstappen en zesmaal richting Nijverdal. Behalve de dienstregeling is het ook interessant te kijken naar de prijzen van de treinkaartjes. Op de prijzenlijst van 1 april 1933 staat station/halte Haarle nog steeds genoemd. Bijzonder is ook de vermelding dat reizigers de reis niet mogen afbreken!

OPHEFFING VAN HET STATION

In 1936 kwamen de geruchten op gang dat halte Haarle opgeheven zou worden. Uiteindelijk verscheen in het ‘Twentsch Volksblad’ van 11 december 1937 het volgende bericht: ‘Naar we vernomen hebben zullen met ingang van de zomerdienstregeling der Ned. Spoorwegen op 15 mei 1938 de treinen van de lijn Zwolle – Almelo hier niet meer stoppen. De bewoners van onze buurtschap zullen dus, willen ze van den trein in de richting Zwolle of Almelo gebruik maken, zich eerst per autobus naar Nijverdal moeten begeven.’

OORLOGSTIJD

De crisisjaren mondden uit in de Tweede Wereldoorlog. De familie Verhesen woonde destijds in de dienstwoning bij de spoorwegovergang. Piet Verhesen schreef in 2014 vanuit Canada naar een kennis in Haarle over de periode dat zijn vader halte chef was: ‘De taken van het twee man sterke personeel (de een had vroege dienst, de ander late) bestonden uit het bedienen van de signalen die handmatig op veilig en onveilig werden gesteld. Natuurlijk moesten de wissels worden ingesteld om de goederenwagons op het zijspoor te zetten voor het laden van mijnhout en stronken. Ook werden steenkolen uitgeladen. Ik hoor nog het getik van de telegrafische verbinding met Nijverdal en Raalte. Van personenvervoer en bijvoorbeeld het kaartjes verkopen, herinner ik me niets. Ook niet van nachtelijk treinverkeer’. Toen koningin Wilhelmina de spoorwegstaking afkondigde op 17 september 1944, vertrok het gezin Verhesen uit de woning en dook onder op verschillende adressen in en rond Haarle. Toen zoon Piet op 10 april 1945 vanuit Hellendoorn naar het huis aan de spoorlijn wilde gaan, lagen bij de woning twee Duitse soldaten dood in de struiken. Hij hielp een Canadese aalmoezenier met het wegdragen van de gesneuvelden naar een ondiep, tijdelijk graf. Na de bevrijding namen Canadese officieren hun intrek in de voorkamer van het woonhuis. Tenten, jeeps en trucks waren gestationeerd op de laad- en losplaats aan het spoor.

DEFINITIEF EINDE

Ondanks pogingen van de burgemeester die probeerde Haarle uit het verkeersisolement te verlossen, verscheen op 24 oktober 1947 het bericht in het Twents Volksblad dat eenmaal gesloten haltes en stations niet heropend zullen worden. Dat betekende definitief het einde van het reizigersvervoer vanuit bijv. Laag – Zuthem en Haarle.

De dienstwoning direct aan de spoorwegovergang bleef nog wel bewoond; zo woonde er de familie Cents met negen personen in van 1953 – 1965. Daarna werd het huis afgebroken. Jan Cents (1949) weet zich die periode nog goed te herinneren: ‘Er was toen geen halte meer voor het in- en uitstappen van reizigers. Spoorbomen waren al vervangen door knipperlichten. Er waren aanvankelijk nog wel activiteiten bij het goederenperron. Goederentreinen bleven er stoppen tot ongeveer 1955, vooral om de molenaars in de buurt te bedienen van grondstoffen’. Johan Boksebeld schrijft in het boek Sprekend Haarle over de C.A.V.V.: ‘In 1948 werd de eerste vrachtwagen aangeschaft, een omgebouwde Dodge Beep uit het Amerikaanse leger. Deze auto werd ingezet bij de aanvoer van grondstoffen, meststoffen, brandstoffen enzovoort, die met wagons van de Nederlandse Spoorwegen werden aangevoerd naar de losplaats aan de Stationsweg in Haarle’.

Het gebouw met daarop ‘19’ bleef nog heel wat jaren langer nabij het voormalige station staan. Jan Cents weet zich te herinneren dat de familie Kronenberg er woonde en vooral de naam van Dieks Scholten en zijn vrouw Derkje Scholten - Beldman is hij nog niet vergeten. Zij bleven er tot ongeveer 1980 wonen. Toen werd het woonhuis afgebroken en kwam er een definitief einde aan een stukje Haarler geschiedenis.

EEN NIEUW STATION?

Toen in 1997 door de Nederlandse Spoorwegen tunnels onder de spoorlijnen nabij Haarle werden aangekondigd, pleitte Ida Wolfs-Kemper voor een nieuw station bij Haarle en een lightrail-trein tussen Almelo en Zwolle. Dat is een soort luxe bus in de vorm van een treinstel. Het gemeenteraadslid van Gemeentebelangen verwees daarbij naar een prototype dat in Friesland en de Achterhoek liep. NS-vertegenwoordiger Van Dijk kenschetste het fenomeen ‘lightrail traint’ als een modeverschijnsel. Het is er niet gekomen.

Sinds 1998 rijdt er twee keer per uur een trein langs Haarle richting Raalte en Nijverdal; met ingang van de nieuwe dienstregeling op 10 december 2017 laat de nieuwe netbeheerder Syntus elektrische treinen rijden over het traject, maar Station Haarle is een gepasseerd station…

*Bovenstaand artikel verscheen eerder in ‘Verhalen van voorbij; twintig plaatsen van herinnering in de gemeente Hellendoorn’. Het boek is verkrijgbaar voor € 14,50 bij Uutgeverieje ’n Boaken

Door Hennie Bouwhuis
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselaars van Toen

Amoene van Haersolte, vergeten schrijfster uit Dalfsen

Amoene van Haersolte is een opmerkelijk schrijfster. Ze was in 1947 de eerste winnaar van de P.C. Hooft-prijs . Toch zul je haar in de literatuurgeschiedenis niet terugvinden. Nu ja, bijna niet: twee regels in Hugo Brems 'Altijd weer vogels die nesten beginnen'. Ook in haar woonplaats Dalfsen lijkt ze totaal vergeten. De Canon van Dalfsen noemt wel Erben Wennemars en het plaatselijke KI-station, maar niet deze bijzondere schrijfster. Haar huis is nu een pannenkoekenrestaurant met als naam De Barones. Dat was zij, dat dan weer wel.

Ernestine Amoene Sophie van Haersolte-van Holthe tot Echten is geboren in Utrecht op 23 februari 1890. Ze was een dochter van Rudolph Arent van Holthe tot Echten en Anna Maria Storm van 's Gravesande. Ze trouwde op 7 maart 1916 met Johan Frederik baron van Haersolte (1880-1957), wethouder van Zwolle, rechter-plaatsvervanger en dijkgraaf. Zij kregen samen vier kinderen, waarvan twee op jonge leeftijd overleden. In 1930 verhuisde het gezin naar Dalfsen waar haar man, op zijn landgoed Gerner, een villa had laten bouwen. Ze overleed in Dalfsen op 1 augustus 1952.

Een jonge Amoene van Haersolte, kort voor haar huwelijk in 1916. (familiearchief).

Schrijfster

Al jong schreef ze. In haar archief in de UB te Leiden ligt nog een jeugdverhaal, De triomph van de automobiel, waarmee ze de tiende prijs van het tijdschrift 'De auto' won. Vanaf 1921 werkt ze mee aan tijdschriften zoals 'Onze Eeuw' en 'Den Gulden Winckel'. In 1927 publiceert ze haar eerste novelle 'De laatsten'. Pas na de oorlog volgen haar andere boeken: 'Sophia in de Koestraat' (1946), waarvoor ze de P.C. Hooft-prijs won, 'De komeet en het harlekijntje', een roman spelend rond Dalfsen (1949), 'Lucile', gebaseerd op haar jeugdherinneringen uit Utrecht (1951) en tenslotte postuum de verhalenbundel 'De roerkop' (1953). Al het naoorlogse werk verscheen bij uitgeverij Van Oorschot. Dit laatste sterk gestimuleerd door vriend en bewonderaar Victor van Vriesland.

Waardering

De waardering van haar werk is wisselend. In het levensbericht van het Jaarboek van de 'Maatschappij der Nederlandse Letterkunde' schrijft Hans Edinga: 'Bij het lezend publiek is dit exquise oeuvre helaas niet erg ingeslagen'. In literatuur-overzichten komt ze maar een enkele maal voor. Positief zijn Van Vriesland , Til Brugman en Dirk Coster. Uit brieven van Dirk Coster aan haar blijkt dat Vrij Nederland in 1947 al negatief oordeelt over haar werk en dat Jan Greshoff dat nog eens dunnetjes overdoet . Maar het laatste oordeel komt van Kees Fens. In het, overigens uitstekend geschreven, venijnig vignet over haar in het herdenkingsboekje 'Doorluchtig glas, Vijftig jaar P.C. Hooft-prijs', gooit hij de deur naar haar werk met een grote klap dicht. 'De prijs heeft Amoene van Haersolte de vergeten schrijfster gemaakt aan wie we steeds worden herinnerd. In 1952 werd haar overlijden in de NRC ‘het verlies van een onverwisselbare persoonlijkheid’ genoemd, hetgeen in het doodskader lichtelijk komisch is. Het waren de laatste woorden over haar. Ze werd verwisselbaar en stierf opnieuw'.

Huize Gerner bij Dalfsen. 

In 2015 durft Hans Heesen het toch aan haar onder de aandacht te brengen. In een klein boekje geeft hij twee verhalen uit, van Amoene van Haersolte het verhaal 'Lucile', en van Louise Odilon, de zus van Amoene, 'Het ei'. In zijn uitstekende nawoord neemt hij het voor de verguisde Amoene op. Hij roemt juist haar stijl, wijst op verbanden en noemt (het eerste hoofdstuk uit) 'Lucile' één van de beste verhalen uit de Nederlandse literatuur . Volgens mij helemaal terecht. Het verhaal leent zich tot goed lezen. Waar Fens van gekantwerkt proza spreekt, zou ik liever van een schilderij willen spreken. De schrijfster schildert, we zien wel de streken maar nog niet het verband. Aan het eind van het verhaal zien we echter het hele schilderij, het hele beeld. Op dezelfde manier heb ik het titelverhaal uit 'Sophia in de Koestraat' gelezen. Het geeft zich eerst niet makkelijk, maar bij zorgvuldige lezing, soms nog liever vóórlezing, brengt het je terug in een tijd, die nu voorgoed verloren is.

Woning van Amoene van Haersolte aan de Badhuiswal in Zwolle. 

De laatsten

Dat brengt me nu op 'De laatsten'. Een novelle, die speelt in Zwolle aan het begin van de twintigste eeuw. De teloorgang van de adellijke cultuur, het verval van de adellijke huizen op de Grote Markt. In literatuuroverzichten heb ik maar een enkele vermelding gevonden. In het 'Handboek tot de moderne Nederlandse letterkunde' van Gerard Knuvelder (het beruchte vijfde deel) en in het wat curieuze boek van Johannes Tielrooy 'Littérature Hollandaise'. Ter Braak bekritiseert dit overzicht, onder andere omdat het werk 'van madame A. van Haersolte-van Holthe tot Echten' erin genoemd wordt . Je mag dus concluderen dat dit verhaal dood is. En dat is jammer. Want, met de kennis van nu, zien we een heel helder geschreven verhaal over een tijd die voorbij is. Over een cultuur die nu niet meer bestaat. De stijl is goed, en past helemaal bij het verhaal, bij het beschreven milieu. De ondergang van het adellijke milieu, en de adellijke cultuur is het hoofdthema van het verhaal. Een driehoeksrelatie van Caroline van Swaerde, haar inmiddels overleden man Honoré en haar vriend Coen. Wie denkt hierbij niet aan Couperus 'Van oude mensen de dingen die voorbijgaan'? Met als extra, dat het adellijke milieu van binnenuit beschreven wordt. Beheersing, rentmeesterschap, het doorgeven via de mannelijke lijn zijn belangrijke motieven. Daarnaast wordt, en passant, het aanvaarden van de dood beschreven.

Amoene van Haersolte in 1948. (familiearchief).

Nog kort iets over de stijl. Daar viel Fens zo over. Volgens mij is daar niets mis mee. Ze speelt met de grammatica, net zoals Couperus dat deed. Maar het is vooral mooi omdat het haar eigen, persoonlijke taal is. Zo spreekt ze. Zo spraken mensen, of misschien vrouwen, uit haar eigen milieu, uit die tijd. Maria Dermoût vertelde haar boeken, bijvoorbeeld 'De tienduizend dingen', in een geheel eigen Indische spreektrant. En daarmee tilt ze het verhaal naar een hoog niveau. Dat doet Amoene ook. Door haar verhalen in haar eigen taal te schrijven, in de stijl zoals ze gebekt is, tilt ze het uit boven haar tijd. En is ze springlevend.

Naar aanleiding van mijn onderzoek naar betekenis en waarde van 'De laatsten', las ik twee boeken die mij veel verduidelijkten. 'Hoog geboren' van Ileen Montijn en 'Anna Baronesse Bentinck' van Ursula den Tex. Lezing van deze twee boeken over het adellijke milieu, de adellijke cultuur, maakte me veel duidelijk over de gelaagdheid van 'De laatsten'. De gelaagdheid zit ook in de inhoud. Amoene heeft in dit verhaal een heel scherp beeld van de adellijke cultuur in het begin van de vorige eeuw geschetst. Ook in dit opzicht is het verhaal van grote waarde .

*Amoene van Haersolte heeft een lemma in het Digitale Vrouwenlexicon. Klik hier om het te bekijken.

**Titelfoto: Amoene (derde van rechts) met haar echtgenoot (geheel rechts), zoon en dochter, vader en moeder, zus en tante. Waarschijnlijk op vakantie.

Door Eugène Westra
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselse topstukken

De Nagelhoutcollectie in het Kulturhus Holten

Overijssel kent vele musea, culturele instellingen en historische verenigingen die een bijzondere collectie in bezit hebben. In deze rubriek willen wij u de collecties die in onze regio te vinden zijn, onder de aandacht brengen. Deze keer speciale aandacht voor de Nagelhoutcollectie in Holten.

De Nagelhoutcollectie is bijeengebracht door huisarts J.P. Nagelhout (1901-1975), die vanaf 1930 huisarts was in Holten en zijn vrouw Coba. Het echtpaar Nagelhout deed echter meer dan verzamelen, zij namen ook de rol op zich van mecenas.

Hoewel Jo Nagelhout zich altijd al interesseerde in kunst, werd hij in eerste instantie volledig in beslag door zijn huisartsenpraktijk. Vanaf 1949 ontstonden er plannen om deze passie voor kunst naar een hoger plan te tillen. Hij besprak ze met zijn goede vriend en collega-huisarts Herman Schönfeld Wichers alias Belcampo en al snel ondernam hij de nodige stappen. Hij benaderde met succes het ministerie van OC&W en diverse instanties voor ondersteuning van zijn plannen. Hij richtte een kunstclub, H.K.C., op, een loterijplan en organiseerde kunst- en uitwisselingsreizen voor kunstenaars naar het buitenland.

Het echtpaar Nagelhout bij de naar hen vernoemde straat in Holten. 

Zijn collectie bestaat uit werken die hij aanschafte maar ook uit werken die voor hem werden gemaakt door de kunstenaars die hij uitnodigde om naar Holten te komen. De kunstenaars werden door Nagelhout in de diverse hotels en herbergen in de omgeving ondergebracht en betaalden voor hun verblijf met kunst. Door deze activiteiten ontstond er een levendig cultureel klimaat en de kunstenaars die naar Holten kwamen waren niet de minste. Onder hen bevonden zich bijvoorbeeld Jan Sluiters en Leo Gestel, bekende namen in de kunstwereld.

Testamentair werd bepaald dat de collectie eigendom zou worden van de gemeente Holten en dat hij het dorp niet mocht verlaten. De samenvoeging van de gemeentes Rijssen en Holten zorgde ervoor dat er een andere plek moest worden gevonden voor de collectie die tot dan in het gemeentehuis van Holten te zien was geweest. Een nieuwe tentoonstellingsruimte werd gevonden in het Kulturhus in Holten. Hier is de collectie de gehele week te bewonderen behalve op zondag.

*Titelfoto: Portret van Ina van Blaaderen door Jan Sluijters, 1932. Zie voor meer informatie www.nagelhoutcollectie.nl.

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Tentoonstellingen 'Het verzet kraakt'

Van mei tot en met augustus 2017 kun je bij zes Twentse musea terecht voor de verhalen achter de grootste bankroof aller tijden. In ieder museum hoor, lees, zie en voel je de verhalen van de mensen achter die bijzondere verzetsdaad. Bij de musea staan de mensen centraal die een bijdrage hebben gepleegd aan de bankoverval op de Nederlandsche Bank in Almelo in november 1944. Ga op zoek naar die verhalen en de antwoorden op je vragen.

Je kunt bij de musea en de Tourist Info’s / VVV’s in Almelo, Nijverdal, Harbrinkhoek, Rijssen, Vriezenveen en Wierden terecht voor een passe-partout. Voor vijf euro kun je bij alle zes musea terecht. Je kunt hier ook een boekje krijgen met een fietstocht langs de verschillende historische plekken en tentoonstellingen rondom de grootste bankroof. En natuurlijk kun je onderweg terecht bij een ‘onderduikadres’ voor een lekker hapje of drankje.

Klik hier voor meer informatie. 

Door de redactie

Park Brinkgreven in Deventer open voor bezoekers

Vanaf deze zomer kun je een wandeling maken langs de geschiedenis van Brinkgreven in Deventer. Op dinsdag 11 juli 2017 werd de fotoroute geopend door Ernst Klunder, voorzitter raad van bestuur Dimence Groep en Arie Slob, directeur van het Historisch Centrum Overijssel.

Achter de witte kuizen zitten, of op zijn Deventers 'koezen’, betekende vroeger niet veel goeds. Voor veel Deventenaren was én is het nog steeds onbekend wat er zich allemaal achter de witte bollen aan de Brinkgreverweg in Deventer afspeelde. En dan was er vroeger ook nog een grote kraaienkolonie die het allemaal nog spannender maakte! De Dimence Groep wil hier nu een einde aan maken. Samen met ons diepte zij archieffoto’s van Brinkgreven, het park en de zorg op en stelde ze een mooie wandelroute over het terrein van Brinkgreven samen.

Adres Brinkgreven: Nico Bolkesteinlaan 1, 7416 SB in Deventer

Door de redactie

Blaasmuziek smaakt naar meer: kies je eigen muzikale menu!

Voor alle verenigingen binnen Overijssel heeft Musidesk Rijnbrink in samenwerking met het Prins Bernhard Cultuurfonds Overijssel een muzikaal menu samengesteld: Blaasmenu. Blaasmenu bestaat uit een aantal workshops, waarmee een orkest zich kan ontwikkelen op het gebied van ritmiek, zuiverheid en intonatie, improvisatie, zang en samenspel. Speciaal voor de jeugd wordt er een festival georganiseerd. De workshopleiders zijn stuk voor stuk professionele musici en hebben hun roots in Overijssel. Door hun kennis en ervaring op het gebied van de blaasmuziek zijn zij benaderd om de workshops te leiden. Pak deze kans en meld u aan! Download de folder met een overzicht van alle workshops hier.

Door de redactie

Roofkunst voor, tijdens en na WO II in de Deventer Bergkerk

De tentoonstelling 'Roofkunst voor, tijdens en na WO II' vertelt het verhaal van handel, roof en teruggave van kunstwerken uit Nederland voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Door de ongekende verzamelwoede van nazi’s als Hitler en Göring kwamen veel werken van kunsthandelaren en particulieren, zoals Goudstikker en Gutmann tijdens de bezetting in Duitse handen. Na de oorlog stuurden de Amerikaanse Monuments Men een groot aantal kunstwerken terug naar Nederland. Het was aan de Nederlandse Staat om geroofd of onder dwang verkocht werk terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaren.

Maar toen de vaak Joodse eigenaren hun eigendommen claimden, stuitten ze dikwijls op een bureaucratische, onwillige overheid. De werken werden ondertussen als Nederlands Kunstbezit verdeeld over de musea, in depot opgeslagen of geveild. Pas eind jaren negentig werd het teruggavebeleid onder internationale druk veel menselijker en volgde een gewetensvolle zoektocht naar de rechtmatige eigenaren. De expositie Roofkunst is te zien in de Bergkerk te Deventer tot en met 27 augustus.

Door de redactie

Rijksmuseum Twenthe: Ik speel dus ik ben

Van 9 juli t/m 22 oktober 2017 is in het Rijksmuseum Twenthe de tentoonstelling ‘Ik speel dus ik ben’ te zien, een groepstentoonstelling met bewegende installaties. Deelnemende kunstenaars zijn Eibert Draisma, Zoro Feigl, Michiel Martens & Jetske Visser, David Scheidler, Bert Schoeren, Peter Zegveld en Christiaan Zwanikken. De kunstenaars hebben met elkaar gemeen dat zij allen dynamische en vaak ook interactieve werken maken. Daarnaast delen zij een mentaliteit: zij hebben een speelse experimenteerdrift die aan de bron van hun kunst staat. De installaties die zij creëren, ontstaan door te spelen, te experimenteren en altijd verder te (onder)zoeken. Vrijheid is daarbij een voorwaarde. Niet een vastomlijnd idee is leidend maar de mogelijkheden die zich al zoekende voordoen.

Door de redactie

De ijsvogel in Nijverdal

Zijn werk is aangekocht door de Tate Gallery in Londen, het Museum of Modern Art in New York en het Centre Pompidou in Parijs. Nijverdaller Hans Waanders (1951-2001) wordt niet alleen geëerd in de internationale topmusea, maar nu ook in het dorp waar hij opgroeide. Het werk van de veelzijdige kunstenaar wordt voorafgegaan door één moment: op 4 oktober 1982 zag Hans Waanders voor het eerst een ijsvogel. Deze ontmoeting maakte zo’n indruk dat hij bijna obsessief alle informatie over deze schuwe, solitaire vogel is gaan verzamelen, die hij vervolgens vertaalde in beelden. Geluiden, vliegbewegingen, snavels, prooien en vijanden, en de verschillende benamingen gaf Hans Waanders een beeldende vorm. Zo ordende hij de wereld aan de hand van de ijsvogel. Ook zag hij overeenkomsten in zijn eigen leven als kunstenaar en het leven van de ijsvogel: op de rand van het bestaan en op zichzelf, met exotische trekken: de ijsvogel werd de metafoor voor zijn leven.

Huis voor Cultuur en Bestuur, Willem Alexanderstr. 7, 7441 GZ Nijverdal. Gratis toegang, dagelijks geopend tot 31 augustus 2017.

Door de redactie
Geschiedenis van alledag

Wonderbomen in Overijssel

Van heinde en verre komen ze naar Overijssel om te genezen: bedplassers en reumapatiënten, mensen met stemmen in het hoofd of de meest enge ziektes onder de leden. Wie iets onder de leden heeft moet bij de wonderbomen in Bornerbroek en Staphorst zijn, wordt gezegd. De bomen zijn ontdekt door de inmiddels overleden magnetiseur en paragnost Wim van der Veen uit Nieuwleusen. Zijn neef, die ook Wim van der Veen heet, vertelt over de achtergrond van deze wonderbomen.

Van der Veen: 'Mijn oom ontdekte in 1994 dat hij paranormale gaven had, hij was toen al met de VUT. Sindsdien ontwikkelde hij deze gaven in rap tempo. In de zomer van 1995 passeerde hij een Oostenrijkse den aan het einde van de rode paaltjesroute bij recreatieplas De Zwarte Dennen bij Staphorst. Het was een boom van twaalf meter hoog, die ongeveer zestig jaar oud was.'

Geneeskrachtige den

'Hij liep langs de boom, had last van zijn schouder en het was net of die boom hem moest hebben, vertelde mijn oom. Hij schurkte zich een kwartiertje tegen de boom aan, herhaalde dat later nog verschillende keren en op een gegeven moment was de pijn in zijn schouder verdwenen. Toen wist hij zeker dat deze boom geneeskracht had en stuurde hij ook patiënten, die hij als magnetiseur behandelde naar de boom. Hij adviseerde hen om één of meerdere keren een kwartier tot een half uur tegen de boom te gaan staan of zitten. Veel cliënten zeiden dat het hielp om de pijn dragelijk te maken, om te genezen of om psychische rust te vinden. Dit werd bekend en het liep storm. De boom werd een waar bedevaartoord.

Bepaalde kringen namen aanstoot aan dit gebeuren en zaagden de boom in december 1996 om. Gelukkig had mijn oom in hetzelfde bos een tweede wonderboom gelokaliseerd. Deze tweede wonderboom is een Amerikaanse eik en staat dicht bij de eerder ontdekte Oostenrijkse den, achter de boswachterswoning op Vijverweg 5 te Staphorst. In tegenstelling tot de den staat de bijzondere eik vlak langs de weg, zodat een drive-in consult tot de mogelijkheden behoort. Deze boom heeft tot nu toe geen last gehad van vandalisme en is een goed alternatief voor de wonderden.'

Bomen in de mist in het Staphorster Bos. (foto: Klaas Brakke)

Twentse wonderboom

Wim van der Veen: 'Mijn oom heeft ook nog een wonderboom in Twente ontdekt. Die staat bij Bornerbroek. Een collega-paragnost Dieks Lubbers uit Bornerbroek consulteerde regelmatig mijn oom over cliënten, die slecht genazen. Die werden dan meestal ook naar de wonderden in Staphorst gestuurd. Om deze Twentse cliënten reistijd en geld te besparen is mijn oom toen op zoek gegaan naar een genezende boom in Twente. Die werd in 1999 gevonden op nog geen twee honderd meter van de boerderij van Dieks Lubbers, op de hoek van de Spooldersweg en de Goordijk in Bornerbroek. Hoe hij werd gevonden? Gewoon door een pendel boven de landkaart te houden. Boven de omgeving van Bornerbroek bleef de pendel hangen. Vervolgens werd gependeld boven detailkaarten en toen werd al snel duidelijk dat de boom hier vlak in de buurt moest staan. Ook deze boom wordt inmiddels druk bezocht.'

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

Voetballen bij 32 graden

PEC Zwolle en Vittesse uit Arnhem streden in 1941 voor promotie naar de eerste klasse. Het is erg warm en veel toeschouwers hebben tegen de zon een zakdoek om hun hoofd geknoopt.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Uit de beeldbank van...

MijnStadMijnDorp

Het duurt niet lang meer voordat de vakanties beginnen. Reden voor veel Overijsselaars om hun rust, ontspanning of actie elders te zoeken. Tegelijkertijd vieren veel mensen van buiten hun vakantie in onze provincie. De vrijetijdssector wordt steeds belangrijker! Overijssel heeft met haar karakteristieke (historische) steden, het aantrekkelijke landschap, de cultuurhistorie en de fraaie en bijzondere natuur heel wat te bieden. Daarom staan de maanden juli en augustus op MijnStadMijnDorp in het teken van toerisme en recreatie in Overijssel. Zodat u even lekker bij kunt komen. Klik hier om de speciale themapagina te bekijken.

Door de redactie
Volgende pagina
. . . . . . . . . .