MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 21
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 22
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 23

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 5
  • nummer 4
  • oktober 2017

Coververhaal

Zevenhonderdvijftig jaar zorg voor medemens en landschap

Overijsselaars van toen

Herman Bosscha: patriot tussen politiek en wetenschap

Geschiedenis van alle dag

Spreekwoordelijke plaatsen in Overijssel

Overijsselse topstukken

De Vier Leeftijden in het Hildo Krop Museum in Steenwijk

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Van de redactie
  • jaargang 5
  • nummer 4
  • oktober 2017

Maand van de Geschiedenis: met geluk kun je alle kanten op

‘Geluk’, dat is dit jaar het thema van de Maand van de Geschiedenis, die traditioneel in oktober gehouden wordt. Deze maand staat bol van de activiteiten die aantonen dat geschiedenis volop leeft! Het gekozen thema is niet eenvoudig te vatten. Wat versta je namelijk onder geluk? Zijn wij als mensen altijd bezig om zoveel mogelijk geluk na te jagen? Hebben we weleens een gelukje? Wat zijn de randvoorwaarden om echt gelukkig te worden? U leest het, je kunt met het thema 'geluk' alle kanten op.

In de middeleeuwen mochten de armen in Deventer van geluk spreken dat de kerk, de stad en de burgers zich inspanden om in gasthuizen de nabije medemens in nood te hulp te komen. Het Heilige-Geest-Gasthuis was het oudste, het grootste en het meest veelzijdige gasthuis van de stad. De Stichting IJsselhoeven en zorginstelling Solis vieren dit jaar als rechtsopvolgers van de gasthuizen hun 750-jarig jubileum. Clemens Hogenstijn vertelt u er alles over.

Ons kersverse redactielid Anita Drost neemt u mee naar Dalfsen, waar een grote zoektocht naar de cultuurhistorische identiteit van Dalfsen van start is gegaan. Het gemeentebestuur heeft hiervoor een substantieel bedrag ter beschikking gesteld. De historische verenigingen van de vijf kernen in de gemeente gaan gezamenlijk de verhalen van de mensen voelbaar maken. Met hard werken en een beetje geluk ontdekken ze zo het DNA van Dalfsen.

Burgemeesters hebben vanouds de taak om zich in te zetten voor het geluk van de inwoners van zijn of haar gemeente. Harrie Scholtmeijer weet alles over de verschillende Overijsselse uitspraken van het woord burgemeester. Het ambt van burgemeester had vroeger veel aanzien, evenals het ambt van predikant. In Sint Jansklooster was de predikant zo belangrijk dat er honderd jaar geleden een uiterst voorname ambtswoning voor hem werd gebouwd. Wat een geluk. Martin van der Linde legt u precies uit hoe dat gegaan is.

Natuurlijk hebben we in ons laatste nummer van dit jaar weer onze vaste rubrieken: Doreen Flierman bezocht Stadspark Engels' Tuin in Ootmarsum en verdiepte zich eveneens in de collectie van het Hildo Krop Museum in Steenwijk. Johan van der Veen vertelt over het leven van Deventenaar en patriot Herman Bosscha die zijn hele leven laveerde tussen politiek en wetenschap. Marcel Mentink zocht voor u uit welke boeken er de afgelopen tijd over Overijssel zijn verschenen en Girbe Buist neemt u mee langs allerlei spreekwoordelijke plaatsen in Overijssel.

Tot volgend jaar!

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Marcel Mentink (Rijnbrink), Dinand Webbink, Doreen Flierman, Anita Drost (HCO), Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Clemens Hogenstijn, Girbe Buist, Johan van der Veen, Harrie Scholtmeijer (IJsselacademie)

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

Zevenhonderdvijftig jaar zorg voor medemens en landschap

Op 22 december 1267 stelden Willem Ridder van Vorden en de schepenen van Zutphen een oorkonde op waarin zij verklaarden, dat het gasthuis in Deventer een huis is toegewezen. Deze oorkonde vormt het bewijs dat 750 jaar geleden in de stad het Heilige-Geest-Gasthuis in functie was en dat het een waardevol bezit in ontvangst mocht nemen. Daarmee is tevens gezegd, dat de oudste rechtsvoorganger van zorginstelling Solis en van de Stichting IJssellandschap deze instellingen tot jubilarissen maakt.

Eén Gasthuis voor alle armen

Deventer was in de dertiende eeuw een bloeiende handelsstad waar de jaarmarkten, de zaken van het Hanzeverbond en de internationaal werkende handelshuizen grote welvaart brachten. Tegelijkertijd was er een druk geestelijk leven, dat zichtbaar werd in de kerken, kloosters en vanaf ongeveer 1380 ook in de vernieuwingsbeweging Moderne Devotie van Geert Grote. Dat alles maakte een klimaat mogelijk waarin kerk, stad en burgers zich inspanden om in gasthuizen de nabije medemens in nood te hulp te komen. De christelijke naastenliefde was immers niet iets van alleen mooie woorden, maar vooral ook van daden.

Het Heilige-Geest-Gasthuis was het oudste, het grootste en meest veelzijdige gasthuis. Het fungeerde, met zijn vele gebouwen rond de hoek van de Brink en de Kleine Overstraat, tegelijkertijd als verzorgingshuis, verpleeghuis, ziekenhuis, crisisopvang, pelgrimslogies, armenwoning en hotel. Pas later zouden deze functies worden uitgesplitst en in afzonderlijke, gespecialiseerde instellingen een plaats krijgen. In de zeventiende eeuw legde de magistraat de grondslag voor het verplaatsen en fuseren van het Heilige-Geest- en Voorster Gasthuis tot het bejaardenhuis Grote en Voorster Gasthuis aan de Bagijnenstraat.

Achter de fraaie gevel van het Heilige Geestgasthuis bevindt zich anno 2017 de openbare bibliotheek.

Verzekeringen tegen de gevolgen van ouderdom en ziekten waren onbekend en nauwelijks nodig. Wie voor zijn verblijf en zorg kon betalen deed dat, wie niet kon betalen, kreeg toch hulp en wel 'om Godswil'. Dat laatste was mogelijk dank zij schenkingen door onbaatzuchtige weldoeners, het eerste door het instituut van de kostkopers. Die droegen bij hun leven bezit aan het gasthuis over in ruil voor huisvesting, verzorging en verpleging gedurende de rest van hun leven. Daar zat dus toch een aspect van verzekering in. De oudst bekende kostkopers zijn Dirk en Margaretha de Munter. Zij droegen in 1275 een terrein 'vóór de Brinkpoort' aan het huis over. Voorwaarde was dat zij een plaats in het gasthuis zouden krijgen.

Oorkonde uit 1267 die aantoont dat het Heilige Geestgasthuis toen al enige tijd bestond (Stadsarchief Deventer).

LANDERIJEN BUITEN DE STAD

Zowel kostkopers als weldoeners bedachten een gasthuis dikwijls met onroerend goed: woningen of jaarlijkse uitkeringen daaruit in de stad, en los land en boerenerven daarbuiten. Geld belegden mensen dikwijls in onroerend goed. Veel andere mogelijkheden waren er niet en huizen en grond golden bovendien als heel solide belegging. Als gevolg van dit beleid werd het gasthuis vermogend en kon het grotendeels voortbestaan dank zij de opbrengsten uit het eigen vermogen. Financiële onafhankelijkheid vormde het ideale einddoel van iedere weldadige instelling, maar niet alle gasthuizen wisten dit doel te bereiken; het Heilige-Geest-Gasthuis wel.

De meeste eigendommen die het Heilige-Geest-Gasthuis zich verwierf, lagen in een grote boog rondom de stad. Er waren akkers in de Enk, op de plaats van de tegenwoordige Voorstad, boerderijen verder weg en complete landgoederen, zoals De Veldhuizen in de marke Tjoene, het oudste buitenbezit, dat het Heilige-Geest-Gasthuis al in de tweede helft van de dertiende eeuw in bezit had. Niet toevallig heette het oudste boerenerf daar Het Spittaal (het Hospitaal). In de loop van de tijd zag het gasthuis zich genoodzaakt delen van zijn bezit te verkopen. Vooral de stad had gronden nodig voor de aanleg van openbare werken en voor woningbouw. Het gasthuis kocht met gebruikmaking van de opbrengst van de verkochte eigendommen nieuwe bezittingen aan. Die aanpak sloot aan op de al eeuwenlange gewoonte om geld van het gasthuis te investeren in de aankoop van landelijk bezit. Vergelijkbaar was het beleid van andere weldadige instellingen in de stad, zoals bijvoorbeeld het St. Jurriën Gasthuis voor melaatsen, het Voorster Gasthuis voor ouderen en enkele hofjes voor alleenstaande vrouwen. De mest uit de stad maakte de landerijen vruchtbaar.

Het Grote en Voorstergasthuis in Deventer (Stadsarchief Deventer).

NIEUWE WETTEN

Lange tijd bleef het doel van de gasthuizen om uit de opbrengsten van hun bezittingen hun hulpverlening te financieren. De zorgverlening en het goederenbeheer waren daarom onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat was ook duidelijk zichtbaar tot in de negentiende eeuw, toen de boeren hun pacht in natura aan het gasthuis afdroegen. Producten van akkerbouw en veeteelt leverden zij bij de keuken van het gasthuis af. Maar ook toen geld de plaats had ingenomen van de landbouwproducten, bleef de onderlinge afhankelijkheid en verbondenheid ongewijzigd. De rentmeester hield nog tot ver na de Tweede Wereldoorlog kantoor in één van de bejaardenhuizen en kon dagelijks ervaren voor welke doelgroep hij met zijn staf werkzaam was.

In 1965 kwam deze hele constructie in de gevarenzone. Bij het invoeren van de Algemene Bijstandswet had de wetgever bedacht, dat de bezittingen van de weldadige instellingen over zouden gaan op de gemeente en dat deze de gehele regie zou krijgen van de financiering van de ouderenzorg. In Deventer zou dat leiden tot het verlies van een traditie die terugging tot de dertiende eeuw. Om dat te voorkomen, werden de gasthuizen, die met enkele tussenstapjes in 1880 waren samengegaan in De Verenigde Gestichten, ondergebracht in een stichting. De revenuen uit eigen vermogen mochten in het vervolg niet meer ten goede komen aan de zorgverlening door de Gestichten. Dat maakte het splitsen en verzelfstandigen van beide takken, namelijk zorgverlening en landerijenbeheer, noodzakelijk. In 1986 is dat gebeurd.

Het Iordenshofje is al eeuwenlang een Deventer zorginstelling.

Beide werkvelden zijn inmiddels sterker dan vroeger geprofessionaliseerd. De zorg ontwikkelt zich verder binnen de Zorggroep Solis. Het op een moderne manier beheren van meer dan vierduizend hectare grond staat in het teken van duurzaamheid, respect voor de natuur, een combinatie van natuurbehoud, economische exploitatie en dienstbaarheid aan de recreatie van de bevolking van stad en strek. Stichting IJssellandschap stelt zich zorgzaam op, streeft naar een gezonde economische grondslag, maar niet naar maximale winst. Goed rentmeesterschap staat voorop. 'Toegewijd landschap' is de term waarin dat alles samenkomt.

Op 22 december 2016, precies 750 jaar nadat de oudste oorkonde was uitgevaardigd, kwamen de erfgenamen van het Gasthuis-van-toen bij elkaar. Dat waren vertegenwoordigers van Zorggroep Solis, Stichting IJssellandschap, de gemeente Deventer en 'Dirk en Margaretha de Munter'. Bij hen voegden zich acht 'ambassadeurs', die tijdens het jubileumjaar de verbindingen symboliseren en onderhouden tussen IJssellandschap en de samenleving in het werkgebied.

De verhalenwagen met Dirk en Margaretha de Munter.

Zij bewonderden de originele oorkonde, lieten zich informeren over het ontstaan en de geschiedenis van de gasthuizen en namen een 'Verhalenwagen' in gebruik. Deze wagen rijdt het gehele jubileumjaar langs de landelijke bezittingen van IJssellandschap, om daar te worden gevuld met teksten en objecten die de weerslag vormen van 750 jaar zorg voor de medemens en het landschap in de regio Deventer. Na één jaar keert de wagen terug naar de stad, hopelijk boordevol inspiratie voor de toekomst.

Meer informatie: Ontdek 750 jaar IJssellandschap.

Door Clemens Hogenstijn
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Geschiedenis is emotie. Op zoek naar het DNA van Dalfsen

Wanneer de reiziger in Overijssel, tuschen Zwolle en Ommen, het rustige Dalfsen nadert, valt hem weldra een oude, met een peervormige spits versierde toren in het oog, dien hy aanvankelyk voor een kerktoren houdt. Komt hy hem echter meer in de nabyheid, dan bespeurt hij tevens een kloek gebouw, dat zich uit laag kreupelhout op een rijzenden grond verheft (…).

Dat kloeke gebouw met die peervormige spits heet nog altijd Kasteel Rechteren en behoort tot de ziel van Dalfsen. Jacob van Lennep schreef er in 1855 over in zijn boek Merkwaardige kastelen in Nederland. Bij de vraag aan enkele bewoners van het dorp wat het eerst in hun opkomt als ze denken aan Dalfsen, wordt naast de Blauwe Bogen brug, het meest Kasteel Rechteren genoemd.

Het kasteel kent vele verhalen, sagen en mythen, waaronder de sage van het ondergrondse gangensysteem dat loopt van Rechteren naar het dorp en die van de ‘dolle jager van Dalfsen’. De jachtmeester Joris de Vos was door een dolle jachthond gebeten en werd in een vertrek van het kasteel gelokt. De deur ging achter hem op slot en dagenlang heeft men de man horen brullen. Nu zou er de stilte van het graf heersen, durft niemand het vertrek in te gaan en zou het er sindsdien spoken.

Kasteel Rechteren bij Dalfsen (Collectie HCO).

DNA van Dalfsen

Kasteel Rechteren is geen uitzondering op de regel, ieder eeuwenoud gebouw kan ons vermaken of wellicht angst aanjagen met verhalen, sagen en mythen. Historici zijn hier op verschillende manieren propagandisten en gebruikers van en treden weliswaar als mediator op. We gebruiken de verhalen, sagen en mythen om een hoeveelheid interpretaties van geschiedenissen weer te geven. Daarnaast gaat geschiedenis zelf ook over het vertellen van een verhaal. Landen, provincies, streken, steden, dorpen en mensen hebben allemaal een eigen verhaal, een eigen identiteit. Deze verhalen kunnen los van elkaar staan, maar eveneens met elkaar in verbinding staan en zo elkaars identiteit beïnvloeden of zelfs versterken.

Hier gaat het de zoektocht ‘Het DNA van Dalfsen’ om. Identiteitsvorming is een onderwerp dat ons allemaal raakt. We worden dagelijks met het fenomeen geconfronteerd: in de taal, op het werk, bij de sportvereniging, in de vriendengroep en familie en in de woonplaats. Of we het willen of niet, het speelt een rol in ons leven. In veel gevallen bepalen cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied. Welke verhalen, gebouwen en objecten geven Dalfsen haar identiteit?

De brug uit 1994 over de Overijsselse Vecht, met het kunstwerk de 'blauwe bogen' (Collectie HCO).

De zoektocht

Het officiële persbericht over ‘Het DNA van Dalfsen’ opende met de vraag: ‘Waaruit bestaat de cultuurhistorische identiteit van Dalfsen?’. De gemeente Dalfsen wil daar met het project ‘DNA van Dalfsen’ de komende vier jaar in het kader van het cultuurbeleid 2017 – 2020 antwoord op geven. Zaterdag 9 september was de aftrap. De inwoners van de gemeente Dalfsen hebben in de eerste week van september een kaart in de brievenbus ontvangen: ‘We gaan op zoek naar het DNA van Dalfsen’. Op deze kaart kan aangegeven worden welke historische gebeurtenissen, verhalen, voorwerpen of gebouwen de omgeving zo eigen maakt. Dit cultuurhistorische erfgoed zal op uiteenlopende en creatieve manieren onder de aandacht worden gebracht van de inwoners van de vijf kerngebieden Dalfsen, Nieuwleusen, Lemelerveld, Hoonhorst en Oudleusen.

In de stromende regen opende Gees Bartels, de voorzitter van de Historische Vereniging Nieuwleusen, de dag. Daarna werd het woord gegeven aan wethouder Jan Uitslag. ‘Het gaat in dit project om de verhalen die we ophalen bij de mensen voelbaar te maken. Deze verhalen vertellen ons wat de gemeente nou zo bijzonder maakt’. De historische verenigingen van de vijf kernen kunnen dat volgens de wethouder het beste. Deze verhalen gaan de verenigingen verzamelen en zullen op een bijzondere manier ‘fysiek’ gemaakt worden. Dit is een proces en volgens de wethouder is daar alle tijd voor: ‘we hebben immers vier jaar’. Intussen komt vanuit de verte het gekletter van de paardenhoeven steeds dichterbij. Eén voor één worden vrolijk gekleurde schatkisten van de wagen getild en overhandigt aan de voorzitters van de historische verenigingen om ze mee te nemen naar hun eigen kern.

Het logo van het project DNA van Dalfsen.

Nu is het aan de historische verenigingen om deze cultuurhistorische identiteit van de gemeente Dalfsen weer dichter bij de inwoners te brengen. Dit hoeven ze niet alleen te doen. Historicus Ewout van der Horst (Dalfsen 1979) is gespecialiseerd in de geschiedenis van het platteland, in met name de regio Salland en is gevraagd om als projectleider van het ‘DNA van Dalfsen’ te fungeren. Van der Horst was onder meer jarenlang als bestuurslid betrokken bij de boerderijenstichting Sallands Erfgoed en was canonprojectleider (www.regiocanons.nl) van de IJsselacademie Kampen. Meest recent zette hij de Erfgoedshow Vooruitboeren op, in combinatie met een provinciale restauratieregeling voor historische boerderijen.

Tochtige oude schuren en stoffige zolders

‘We zijn op zoek naar de cultuurhistorische identiteit van de gemeente Dalfsen. De ‘Schat van Dalfsen’ was een enorm succes. Deze archeologische vondst heeft de gemeente in de publiciteit gebracht. De gemeente was enigszins terughoudend aangaande deze vondst. Een nieuwbouwproject gaat immers gepaard met hoge kosten, maar uiteindelijk kwam de gemeente tot de conclusie: deze vondst is een vliegwiel. Met erfgoed kan je immers scoren’. Maar deze bijzondere archeologische vondst is maar een klein deel van de geschiedenis van Dalfsen, er valt meer te ontdekken volgens Van der Horst. Door het verzamelen van verhalen en het zoeken naar objecten die wellicht verscholen liggen in tochtige oude schuren of op stoffige zolders. De inwoners zijn het ‘referentiekader’ van dit project en alleen zij kunnen de geschiedenis teruggeven aan hun medebewoners.

Tijdens ons gesprek komt de vraag voorbij wat de geschiedenis van Van der Horst is met Dalfsen. Wat is voor hem kenmerkend aan de gemeente? Direct komt het woord jeugdsentiment voorbij. ‘Ik ben hier geboren. Ik weet nog goed dat ik met de streekbus vanuit Heino naar de gereformeerde basisschool de Uitleg in Dalfsen ging’. Rechteren blijkt ook een magische uitwerking te hebben op Van der Horst. Het uitzicht vanaf de Blauwe Bogen brug naar het kasteel blijft volgens Van der Horst bijzonder.

Vier meisjes bij kasteel Rechteren in Dalfsen, ca. 1934 (Collectie HCO).

Wanneer tevreden?

Van der Horst, de historische verenigingen en de gemeente Dalfsen zijn tevreden als mensen geraakt zijn door de geschiedenis van hun omgeving. De beleving van het verleden staat voorop. Er wordt gesproken om toneel-en kunstcollectieven te betrekken om op deze manier de geschiedenis van de omgeving te laten ‘leven’. Zodat op deze manier niet alleen het statische beeld van de geschiedenisboeken voorop staat. Geschiedenis is immers emotie, geschiedenis leeft. Uiteindelijk is het de bedoeling om in 2020 een schatkamer te hebben gerealiseerd met de 50 belangrijkste verhalen en bijpassende voorwerpen die kenmerkend zijn voor de gemeente.

Historische verenigingen

De samenwerking tussen de historische verenigingen loopt voorspoedig en is volgens Van der Horst in één woord samen te vatten: ambitieus. Iedere vereniging heeft haar eigen kennis. In Nieuwleusen ligt in het museum Palthehof de nadruk vooral op voorwerpen. Het museum heeft een uitgebreide collectie, dus er zal geschift moeten worden welke het meest belangrijk zijn. Bij de Historische Kring Dalfsen ligt de nadruk vooral op kennis en documentatie. Deze vereniging heeft veel werkgroepen en heeft bijzondere aandacht voor de Tweede Wereldoorlog. Het is duidelijk dat dit project veel breder is dan enkel de gemeente te informeren over de geschiedenis van hun woonplek, de geschiedenis moet weer gaan leven.

Het oude station van Dalfsen, ontworpen door de architect Eduard Cuypers (Historische Kring Dalfsen).

Wat maakt het project bijzonder?

De bedoeling van het ‘DNA van Dalfsen’ is dat de verbeelding per kern wordt verwezenlijkt en zo aansluit bij het dorpsbeeld. Bijvoorbeeld de bruggetjes over het Overijssels kanaal: dit is blijvend en tastbaar, het heeft een cultuurhistorische waarde. Deze cultuurhistorische waarde wil men in Lemelerveld weer zichtbaar maken. Het is de bedoeling dat in 2020 de afsluiting in Hoonhorst plaats zal vinden, wanneer de kern 250 jaar bestaat. Wat deze expeditie zo bijzonder maakt is dat het gericht is op de streek en de nadruk voornamelijk zal liggen op bijvoorbeeld streektaal, persoonlijke verhalen en attributen, boerderijen enzovoorts. Het is niet in het leven geroepen door de gemeente voor de inwoners, maar door de gemeente in samenwerking met de inwoners. ‘Onze herinneringen en historische verhalen maken ons tot wie we zijn. Samen zijn wij Dalfsen. Daarom is het belangrijk om deze verhalen levend te houden’, aldus wethouder Jan Uitslag.

Welke herinneringen, verhalen en objecten liggen verscholen in uw bovenkamer, op de stoffige zolder of in de tochtige schuur?

Door Anita Drost
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselaars van toen

Herman Bosscha: patriot tussen politiek en wetenschap

In 1776 werd de 21-jarige Herman Bosscha rector van de Latijnse school in Franeker. Vijf jaar later vertrok hij naar Deventer. Daar maakte hij niet alleen kennis met patriottische verlichtingsidealen, maar zette hij zich ook daadwerkelijk in voor politieke hervormingen. Na de inval van Pruisen in 1787 werd hij ontslagen. Toen de Bataafse overheid hem later een prominente rol wilde geven bij het opzetten van een nationaal, openbaar onderwijs, weigerde hij.

Herman Bosscha werd op 18 maart 1755 in Leeuwarden geboren als zoon van Pieter Bosscha en Catharina Posthumus. Zijn vader was secretaris van het Hof van Friesland, de hoogste rechterlijke instantie. In 1770 kreeg hij na het voordragen van een door hemzelf geschreven Latijns gedicht toegang tot het academisch onderwijs. Zijn ouders stuurden hem naar het Athenaeum Illustre in Deventer. Daar volgde hij onderwijs in de klassieke talen bij Johannes Ruardi en Everwinus Wassenbergh. Ook volgde hij colleges in de Oosterse talen bij Abraham Frederik Rückersfelder.

Bosscha volgde Wassenbergh kort na diens benoeming tot hoogleraar aan de Friese Academie naar Franeker. Als student verzorgde hij samen met zijn leermeester een vertaling van De levens van doorluchtige Grieken en Romeinen, onderling vergeleeken van Plutarchus. Nog voordat hij was afgestudeerd, werd hij benoemd tot rector van de Latijnse school in Franeker. In juli 1776 aanvaardde hij zijn ambt.

De Latijnse school te Deventer (Foto: Koninklijke Bibliotheek Den Haag).

Latijnse school

In 1781 werd hij rector van de Latijnse school in Deventer. Daar was het in de intellectuele kringen rondom het Athenaeum Illustre onrustig aan het worden. Deze hogeschool zou volgens Joan Derk van der Capellen ‘een kweekschool van patriotten’ moeten zijn. Patriottische denkbeelden waren er aan het begin van de jaren tachtig al gemeengoed. Dat was te danken aan Rückersfelder, die in 1753 als jong en veelbelovend geleerde naar Deventer was gekomen om theologie en Oosterse talen te doceren. Ook de in september 1783 benoemde Frederik Adolf van der Marck was de patriottische zaak toegedaan. Al spoedig maakte de jonger rector met prominente patriotten deel uit van de dichtkrans De Regenboog.

Patriotten

In de jaren 1782 en 1783 kwam in Deventer een volksbeweging op gang die door de patriotten was opgewekt. Veranderingsgezinde inwoners van de stad wilden de publieke opinie beïnvloeden door rekesten of petities. Het was voor mensen die tot dan buiten het politieke leven waren gehouden, zoals katholieken, doopsgezinden en kleine neringdoenden, de gelegenheid om hun stem te laten horen. Het eerste rekest in Deventer van april 1782 had betrekking op het erkennen van de Verenigde Staten en van John Adams als ambassadeur bij de Republiek. In oktober van dat jaar volgde al een tweede petitie, die onder meer ging over het opnieuw toelaten van Joan Derk van der Capellen tot de Staten. Aangemoedigd door dezelfde Joan Derk van der Capellen kwamen er ook burgercomité ’s tot stand.

Portret van Joan Derk van der Capellen tot den Pol door Johan Antonie Kaldenbach (Collectie HCO).

Op 1 december 1782 was het in Deventer zover. De burgercommissie kreeg opdracht om allerlei hervormingsvoorstellen op het gebied van de stedelijke en provinciale constitutie te formuleren. In 1785 werd Herman Bosscha lid van de toen gevormde tweede burgercommissie. Deze commissie speelde een belangrijke rol bij het inventariseren van opmerkingen en bezwaren tegen de gemeentelijke en provinciale bestuursstructuur en bij het tot stand komen van een Concept-Reglement voor het stedelijk bestuur. In dit concept waren zowel patriottische standpunten, zoals vrijheid van drukpers en het verbeteren van de rechtspositie van de katholieken, opgenomen als idealen van de Amerikaanse revolutie.

Plunderingen

Het Concept-Reglement leidde in Deventer tot een heftige strijd tussen patriotten en prinsgezinden, die uiteindelijk op 19 september 1787 werd beslecht, toen Deventer door een klein contingent Pruisische troepen werd ingenomen. Het gezag van de stadhouder werd hersteld. Herman Bosscha verloor zijn baan.

Het plunderen van huizen van patriotten te Deventer in 1787. Gravure van Reinier Vinkeles (Rijksmuseum Amsterdam).

Hoogleraar

Al in 1789 kwam er een eind aan zijn ambteloos leven. Hij werd benoemd tot subconrector van de Latijnse school te Harderwijk. In 1792 werd hij daar conrector, terwijl de academie van Harderwijk hem een eredoctoraat in de beide rechten verleende. In 1795 benoemde de academie van Harderwijk hem tot hoogleraar in de geschiedenis, de welsprekendheid en het Grieks. Twee jaar later legde hij het rectoraat van de Latijnse school neer. Vanaf 1798 was hij ook als bibliothecaris aan de academie te Harderwijk verbonden. In deze periode was hij op lokaal niveau politiek actief. Het voorstel van de centrale overheid om een prominente rol te vervullen bij de invoering van een nationaal, openbaar onderwijs, wees hij echter van de hand.

In 1804 vertrok hij naar Groningen, waar hij tot hoogleraar in de geschiedenis en Romeinse oudheden werd benoemd. In 1806 gaf hij dit ambt op en werd hij rector van de Latijnse scholen in Amsterdam. In hetzelfde jaar werd hij benoemd tot hoogleraar in de geschiedenis van de midden- en latere eeuwen van het vaderland.

Beide ambten vervulde hij tot zijn dood, op 12 augustus 1819. Bosscha is vooral bekend geworden door zijn Geschiedenis der staatsomwenteling in Nederland, voorgevallen in jaar 1813.

Door Johan van der Veen
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Twente en zijn historische tuinen: Stadspark Engels’ Tuin, Ootmarsum

In Twente zijn vele kastelen, landhuizen en havezaten te vinden die een monumentenstatus kennen. Maar ook de tuinen die deze huizen omringen worden vaak als monument aangemerkt. Veel van deze tuinen zijn te bezoeken. In sommige daarvan zijn vele eeuwen tuinarchitectuur te vinden, anderen kenmerken zich juist doordat de aanleg geheel in één stijl is gedaan.

Aan de rand van Oud-Ootmarsum is Engels’ tuin gelegen. Dit karakteristieke stadspark werd in 1917 aan Ootmarsum geschonken door Hendrika Anthonia Engels van Beverforde (1835-1917), in de omgeving van Ootmarsum staat zij voornamelijk bekend als Engels’ Jufferke en als laatste telg uit een belangrijk hofmeiergeslacht.

Hofmeier

In Ootmarsum speelde van oudsher een aantal belangrijke bestuurders een rol waarvan de hofmeier er een was. De hofmeier werd aangesteld door de bisschop van Utrecht en beheerde tal van boerderijen in het gebied, inde de pacht en sprak in sommige gevallen recht. De familie Van Beverforde bekleedde eeuwen de belangrijke bestuurlijke functies in de regio waaronder ook die van hofmeier. De eerste Van Beverforde die in het ambt van hofmeier benoemd werd was Reint van Beverforde in 1612, de laatste was Antony W. H. H. Vosding van Beverforde (1756-1833), burgemeester van Ootmarsum en vurig patriot. In 1809 werd door een besluit van koning Lodewijk Napoleon een eind gemaakt aan de functie van hofmeier.

Jufferke Engels.

Wennemar Jan Engels van Beverforde

Via de erfgenamen van Antony Vosding van Beverforde vielen de bezittingen van dit voorname geslacht toe aan mr. Wennemar Jan Engels van Beverforde (1839-1914), een belangrijk man in de regio. Juffrouw Engels was de jonger zus van Wennemar. Hij liet haar zijn bezittingen na met de bepaling dat het familiebezit na haar dood zouden overgaan naar de Overijsselse Landbouw Maatschappij (OLM) en dat de nalatenschap moest worden ondergebracht in het Mr. W.J. Engels van Beverfordefonds die onder andere als doel heeft het bezit in stand te houden, te versterken en zorg te dragen voor cultuur en landschap. De OLM, die voortkwam uit de Twentsche Landbouw Maatschappij, hield zich bezig met de bevordering van de landbouw en de ontwikkeling van de boerenbevolking. Wennemar was vele jaren bestuurslid. Een van de bezittingen die hij Engels’ Jufferke naliet, was een fraaie tuin, met tuinhuis en vijver.

De theeschenkerij in Engels’ Tuin.

Engelse landschapsstijl

Het tuinhuis met serre, tegenwoordig een theeschenkerij, werd volgens de overlevering in opdracht van W.J. Engels van Beverforde in 1880 gebouwd maar er zijn aanwijzingen dat hier al eerder een gebouwtje heeft gestaan. Het huidige pand, een rechthoekige bakstenen gebouw, kent een verhoogde begane grond en een ingang met pilasteromlijsting. Het park, gelegen in een natuurlijk beekdal, is aangelegd op driehoekige grondslag in Engelse landschapstijl met een langgerekte serpentinevijver. Een serpentinevijver is een vijver waarvan de oevers in grote lijn de curve van de ‘line of beauty’ (1753) van de achttiende-eeuwse Engelse schilder William Hogarthsvolgen. De vijver wordt gevoed door bronwater uit natuurlijke bronnen die in de drassige grond te vinden zijn. Wanneer de vijver precies is aangelegd is onduidelijk maar uit de eerste kadastertekeningen uit 1829 blijkt dat een waterpartij al was ingetekend. ‘Water van vermaak,’ werd het genoemd en de eigenaar ten tijde van de optekening was Antony Vosding van Beverforde, de laatste hofmeier. Het park werd destijds ook Meijershof genoemd, naar de hofmeiers die hier vroeger huisden.

Bank

De bank van Bentheimerzandsteen die ook als monument aangemerkt is, stond eerst in de Molenstraat en werd pas in 1949 in het park geplaatst. De bank werd aan de gemeente geschonken door mevrouw Aberson die zelf in Driebergen woonde maar wiens moeder in Ootmarsum opgroeide. De bank werd op haar kosten vervaardigd en is gedecoreerd met acanthusbloemen en druiven. De leuningen kennen blad- en vruchtmotieven. Op de achterkant is een herinneringstekst te lezen waarin mevrouw Aberson de bank haar ouders opdraagt. Mede door het materiaal en het ontwerp, past de ‘moderne’ bank wonderwel in de veel oudere tuin.

De bank in het park.

Standbeeld

In 1963 ging het beheer van het park van de OLM over op de gemeente Ootmarsum en vanaf die tijd zijn de tuin en het tuinhuis ook officieel rijksmonument. Toen ‘Engels Jufferke’ haar bezittingen wegschonk, hield ze de nieuwe eigenaars voor dat ze alles goed moesten onderhouden. In 1917 sprak zij op haar sterfbed: ‘Over 100 jaar kom ik terug om te controleren of de bezittingen goed beheerd en onderhouden zijn.’ Deze woorden heeft men zich in Ootmarsum goed herinnerd. Enkele jaren geleden namen enkele omwonenden het initiatief het park in oude luister te herstellen en in 2017 was de ingrijpende opknapbeurt afgerond. Bij de heropening in mei is in het park een standbeeld geplaatst van Engels Jufferke. Zij kan nu voor altijd haar blik laten rusten op het park.

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Verhalen van de Engelenberg

Voormalig ziekenhuisgebouw De Engelenbergstichting is 100 jaar geworden. Wie de geschiedenis kent, weet dat dat een mirakel is. “De Engelenberg” geldt als wellicht de mooiste maar ook meest omstreden herbestemming in monumentenstad Kampen. Het lot ervan hing aan een zijden draadje na de dramatische sluiting van het ziekenhuis in 1994. De gemeenteraad besloot het als onbeschermde sta-in-de-weg te slopen voor nieuwbouw. Desondanks staat het er nog. Enkele mensen vochten voor een eerbetoon aan een onderschatte architect en behoud van de plek waar in de oorlog een mondiale medische revolutie is ontketend. De auteurs doken samen in de geschiedenis van dit gebouw. Ze verzamelden de verhalen van hen die ooit zorgden dat het gebouw er kwam, die er werkten en verbleven, die het voor de sloop behoedden.

Auteurs: Herman Broers Geraart Westerink
Uitgever: Aerie Auteurs Uitgevers

ISBN 978 90 8273 670 0 | 192 pag. | € 18,90

Door de redactie

Mien Ruys: tuinarchitect 1904 – 1999

Tuinarchitect Mien Ruys heeft gedurende een lange periode een belangrijke invloed gehad op de ontwikkeling van de tuinarchitectuur. Zij was een van de eersten – en zeker de eerste vrouw – die het belang zagen van de integratie van haar vak met de architectuur. Ruys heeft daarin een actieve rol gespeeld, gemotiveerd door het socialistische en emancipatoire gedachtengoed dat zij zich in de jaren dertig eigen maakte.

Auteur: Leo den Dulk
Uitgever: Uitgeverij de Hef publishers Rotterdam

ISBN 9780 90 6906 051 4 | 320 pag. | € 39,90

Door de redactie

Langs de IJssel: natuur en cultuur in de IJsselvallei

Natuurschrijver Kester Freriks onderneemt een voettocht langs de IJssel. Hij volgt bestaande voetpaden en schrijft al lopende de biografie van de rivier. Hij neemt de lezer en wandelaar mee naar de oorsprong van de IJssel, bezoekt landgoederen, doorkruist dorpen en steden, ontmoet mensen die hun leven lang met de IJssel zijn verbonden. Hierdoor ontstaat een even rijk als caleidoscopisch beeld van een van de mooiste rivieren van ons land.

Auteur: Kester Freriks
Uitgever: Uitgeverij WalburgPers

ISBN 978 94 6249 249 3 | 96 pag. | € 17,95

Door de redactie

Roerig Hardenberg

In de jaren 70 is Hardenberg hét uitgaanscentrum van Noordoost Nederland. Geliefd, bekend maar ook berucht. Duizenden jongeren bezoeken wekelijks de drie kroegen die op steenworp afstand van elkaar verwijderd zijn. De Citybar, de Castle en, last but not least, de Papillonbar. Het is de nacht van zaterdag 1 op zondag 2 december 1979. Een weekend dat het Overijsselse plaatsje Hardenberg compleet op z’n kop zet. Om half één ’s nachts wordt er in de grootste kroeg van Hardenberg het licht aangedaan. Tijd om te sluiten. De tap gaat op slot en de muziek stopt. Het is het eerste weekend dat de nieuwe regels gelden. Horeca moet om half één dicht. Honderden feestgangers komen de kroegen uit en beginnen te rellen. Stenen vliegen door de straten van Hardenberg en de toegesnelde acht politiemannen weten de jongeren niet in de hand te houden. Het huis van de burgemeester wordt bestormd.

Auteur: Rik Dogger
Uitgever: Uitgeverij Heijink

ISBN 978 94 6342 564 9 | 80 pag. | € 19,95

Door de redactie

Ommen in vijftig verhalen

Het boek “Ommen in 50 verhalen” is een verzameling verhalen van de Ommenaar Ben Wösten. Ben woont weliswaar al bijna 50 jaar in Ommen, maar blijft een Ommenaar en wordt nooit een Ommer. Een Ommer is namelijk in Ommen geboren, Ben is in Emmen geboren. Sinds 2000 schrijft Ben regelmatig verhalen voor het kwartaaltijdschrift "De Darde Klokke", het verenigingsblad van het CCO (Cultuurhistorisch Centrum Ommen) tot mei 2016 bekend als de HKO. Ben beschrijft op een prettige manier verschillende huidige en verdwenen bedrijven uit Ommen en andere belangrijke personen en gebeurtenissen uit de geschiedenis van Ommen. Alle verhalen hebben te maken met deze geschiedenis.

Auteur: Ben Wösten
Uitgever: Uitgeverij Heijink Hardenberg

ISBN 978 94 6342 661 9 | 140 pag. | € 22,50

Door de redactie

Het verzet kraakt

Stilletjes fietsen twaalf mannen in groepjes van twee door een koude polder. Ze zijn bewapend en koersen naar Almelo. Het is woensdag 15 november 1944 tegen half zes in de avond. Als ze bij een filiaal van De Nederlandsche Bank aan de Wierdensestraat 27 aankomen, begint het te schemeren. Op dit moment hebben ze gewacht. De jonge mannen nemen hun posten in: vier op de uitkijk, twee voor de deur van de bankierswoning boven de bank en de rest verzamelt zich voor de ingang van het bankkantoor. Een van hen belt aan. De jongste bediende, die op het punt staat naar huis te gaan, doet open. Zodra de mannen binnen staan, laten ze hun pistolen zien. 'Waar is de directeur?' De grootste bankroof uit de Nederlandse geschiedenis is begonnen.

Dat de bankoverval historisch is, staat buiten kijf. De buit is met 46,1 miljoen gulden de grootste bankroof in Nederland. De bankoverval in Almelo is een verzetsdaad waar de Nederlandse regering vanuit Londen schriftelijk toestemming voor heeft gegeven. En de daders zijn gewone mannen uit de omgeving die het met minimale voorbereidingen en middelen lukt de Duitse bezetter voor gek te zetten. Met een recordbuit mag de bankoverval dan aanvankelijk een groot succes zijn, de verzetsdaad eindigt in een tragedie. Voor het eind van het jaar is het geld terug in Duitse handen en zijn zeven verzetsstrijders opgepakt. Zes van hen moeten het met de dood bekopen. Een reconstructie.

Auteur: Hans Holtman
Uitgever: Het verzet kraakt

ISBN 978 90 8272 980 1 | 44 pag. | € 10

Door de redactie
Geschiedenis van alledag

Spreekwoordelijke plaatsen in Overijssel

Rivaliteit tussen verschillende steden, dorpen of regio’s bestaan al eeuwenlang. Het vormde dikwijls de belangrijkste drijfveer om de inwoners van een naburige gemeente of streek door middel van spreekwoorden, spotrijmen of gezegden te typeren. Vooral negatieve eigenschappen worden zo vaak op beeldende wijze verwoord. Dergelijke kwalificaties berusten meestal op een chauvinisme, dat vroeger, toen men nog in de besloten gemeenschap van de eigen woonplaats leefde en maar weinig contacten met de bewoners van naburige plaatsen of gebieden onderhield, hoogtij vierde.

In het volgende behandelen wij een aantal spreekwoordelijke typeringen van Overijsselse plaatsen:

Kamper molen

Als Sallanders een middagdutje gaan doen zeggen ze ook wel dat ze de Battumse krant gaan lezen. Er gebeurden in Bathmen kennelijk zo weinig opwindende dingen, dat men bij de lectuur in slaap viel.
Over iemand die niet goed bij zijn hoofd is wordt ook wel gezegd dat hij een klap van de Kamper molen heeft gehad. Deze zegswijze dankt haar ontstaan aan het feit dat de Kampenaren vroeger een korenmolen hadden gebouwd op een van de toegangswegen naar de stad. Wie de stad binnen wilde gaan moest de molen rakelings passeren en liep grote kans op een klap van een draaiende wiek. In zo’n geval was men er nogal beroerd aan toe en vaak totaal van de kaart.

De Voorstraat in Kampen met spelende kinderen en een man met een kar, 1935 (Collectie HCO).

Ik kom uit Losser en weet van niks

Veel inwoners van het aan de Duitse grens gelegen Losser waren- vooral in de crisisjaren van de vorige eeuw- enthousiaste smokkelaars en hielden zich bij eventuele verschijning voor de rechtbank in Almelo met bovenstaande uitspraak van den domme. Het schijnt zelf zo te zijn geweest dat de rechter iedere verdachte, die zich van den domme hield op den duurde vraag stelde of hij soms uit Losser kwam. Een andere verklaring is dat veel inwoners van Losser op een gegeven moment hun of boerderij in brand staken om dan de verzekeringssom te incasseren. Op de vraag van de rechter hoe het huis in brand had kunnen vliegen, volgde steeds het antwoord: “ik weet van niks”.

De Oldenzaalsestraat in Losser met links het gemeentehuis, 1920 (Historische Kring Losser).

Als een inwoner uit Steenwijk het vermoeden heeft dat hij wordt bedrogen zal hij zeggen: “Een Steenwijker zal nooit aan de kapper vragen om geschoren te worden”.
De inwoners van Enter staan blijkbaar bekend als dwarsliggers. Vandaar de zegswijze: In Enter hebben ze vierkante bedden, want dan kunnen ze ’s nachts ook dwarsliggen.
In Hellendoorn wordt je kennelijk niet rijk, want als je in Hellendoorn wilt overleven dan moet je dikke lappen op de broek hebben en het brood dun smeren.
En als iemand lui is dan heeft het Haaksberger kereltje hem te pakken.

Het Twentse Haagje

Goor verkreeg al in 1263 stadsrechten en ontwikkelde zich mettertijd tot het bestuurscentrum van Twente. Vandaar dan ook de bijnaam “Het Twentse Haagje, waarvan de inwoners zich uiteraard verheven voelden boven de overige Twentenaren. Dit wordt nog eens benadrukt in de zegswijze: “De Twentse Haag: meer japonnen, dan hemden.” Bovendien schiep God de Gorenaren uit gouden korenaren en uit het kaf en de resten de mensen uit het Westen.

Een gezelschap heren op een bankje bij het Weldam in Goor (Historisch Goor).

*Meer spreekwoordelijke typeringen zijn te vinden in het boek van Marinus A. van den Broek, Boeren burgers en buitenlui spreekwoordelijk geportretteerd, Soest 2013.

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Overijsselse bur(ge)meesters in het dialect

Bij dialect denken veel mensen aan boeren, vissers en arbeiders, niet aan burgemeesters. Zij worden immers geacht in hun ambt geen streektaal te gebruiken (hoewel sommigen van hen het uitstekend spraken en spreken). Een beschouwing van het woord 'burgemeester' in de streektaal levert echter verrassende inzichten op: bijvoorbeeld dat achter dat typisch-Twentse woord 'burmeester' wel eens een heel ander woord schuil kan gaan.

Het woord burgemeester ‘hoofd van een gemeente’ heeft, blijkens het Vroegmiddelnederlands Woordenboek, als oudste bron een optekening uit 1254 en komt dus al meer dan 750 jaar in onze taal voor. Het eerste deel van de samenstelling is zonder een r, en dat is verwarrend, want de ‘onderdanen’ van een burgemeester zijn de burgers, en dat spel je met een r. Wanneer iemand dus burgermeester spelt, moeten we hem of haar dat ook maar niet te zwaar aanrekenen. Maar het eerste deel van burgemeester is nooit burger geweest (er is dus ook geen r weggevallen) en dat kan ook niet. Het woord burger is jonger dan burgemeester: het is een vrij late ontlening uit het Duits, later dan de Middeleeuwen. Het gewone woord voor een inwoner van een stad was in het Middelnederlands niet burger maar poorter.

Burge-

Het deel burge- in burgemeester gaat dus niet terug op burger, maar op het Middelnederlandse burch of borch, dat ‘stad’ of ‘dorp’ (‘vlek’ schrijft het Middelnederlands Woordenboek zelfs) betekend kan hebben, en ook ‘burcht’. Het woord burger in de betekenis ‘inwoner van een plaats, streek of land’ is van ditzelfde burch of borch afgeleid. De twee klinkers, korte u en korte o vinden we in de Overijsselse dialecten nog steeds, zij het dat de korte u wel veel frequenter is. Dat is ook de klank die we in het Standaardnederlands horen.

Gemeentebestuur van Zwollerkerspel met in het midden burgeneester U.P. Cavaljé, in het gemeentehuis aan het Ter Pelkwijkpark 18 in Zwolle, ca. 1930 (Collectie HCO).

De korte o in de dialectwoorden wijkt duidelijk af van het Standaardnederlands. In het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten (WOD), waarin het woord voor burgemeester in 57 plaatsen is opgetekend, is de o opgegeven voor Giethoorn, Kampen en Haaksbergen. In een fonologische onderzoek dat in de jaren tachtig in het hele Nederlandse taalgebied werd uitgevoerd, het Goeman-Taeldeman-Van Reenenproject (GTRP) zie we de uitspraak met o in Giethoorn, Zwartsluis, Dalfsen en Rijssen. Afgezien van Giethoorn zijn de plaatsen in beide onderzoekingen niet helemaal dezelfde. Dat kan met de zegslieden te maken hebben: wie herinnert zich nog wat? Duidelijk is dat de huidige o-plaatsen relicten zijn van een ooit veel groter o-gebied, dat de hele provincie omvat heeft: de relicten zijn te vinden in zowel de Kop als Salland als Twente. Uit het bijgevoegde kaartje, dat op basis van het GTRP-materiaal is getekend, is bovendien te zien dat Overijssel een kerngebied is van de o-plaatsen; vier van de tien optekeningen (vier van de zeven zelfs als we ons tot Nederland beperken) liggen in Overijssel.

De u-klank is als gezegd veel frequenter: in 29 van de 57 plaatsen die opgenomen zijn in het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten is deze klank opgetekend. Dat is dus de helft van alle plaatsen en die plaatsen zijn verspreid over de hele provincie. Datzelfde geldt voor de ö: ook 29 plaatsen, ook verspreid over de hele provincie. Een kleine rekensom leert dat de plaatsen met o, ö en u bij elkaar opgeteld boven de 57 uitkomen. Er zijn inderdaad plaatsen waar zowel ö als u is opgegeven (een combinatie van o met de andere klinker komt niet voor). De uitspraak met ö vinden we van Wanneperveen tot aan Tubbergen, kortom in heel Overijssel, en ook nog in de dialecten die in het aan Overijssel grenzende deel van Duitsland worden gesproken. Vriezenveen heeft björge-. De ö zou ontstaan kunnen zijn uit de o. De verandering van o naar ö kan dan een gevolg zijn van umlaut, in dit geval umlaut veroorzaakt door de volgende r-klank.

De verspreiding van de o-uitspraak in het woord burgemeester in het Nederlandse taalgebied (bron: GRTP. Niet alle plaatsen waar in het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten bor- aangetroffen is, zijn overigens in dit materiaal aanwezig).

Bur-

Tussen de eerste en de tweede lettergreep van burge- is vaak een e-schwa (‘stomme e’) ingevoegd: burrege, börrege-, borrege-. Dat maakt het woord langer, maar misschien ook gemakkelijker om uit te spreken. Zo’n ingevoegde schwa komen we in alle talen tegen. Veel meer beperkt is het juist weglaten van een deel van het woord, in dit geval de tweede lettergreep. Dat is interessant omdat het in tegenstelling tot bor, bör of bur, vormen die willekeurig over de provincie verspreid lijken te zijn, een heel duidelijke afbakening kent: Denekamp, Glanerbrug (burmeester), Tubbergen (börmeester), het noordoosten van Twente dus. En in tegenstelling tot de verlenging naar burregemeester laat de verkorting tot burmeester zich fonologisch ook niet heel gemakkelijk verklaren. Wat is dan wel de verklaring?

Portret van vijf burgemeesters, v.l.n.r.: J.J. Beukenkamp (Den Ham), Weitkamp (Ambt Hardenberg), J.C. Bouwmeester (Vriezenveen), Ten Holder (Tubbergen) en Sichterman (Almelo) (HV Hardenberg).

Het zou kunnen zijn dat het eerste deel oorspronkelijk niet bur- maar boer- is geweest, en dat we te maken hebben met een contaminatie van burgemeester en boerrichter. In het boek Wat nog niet in Dijkhuis staat van A.L. Hottenhuis staat dit boerrichter vermeld, met als betekenis ‘gezagsdrager in de marke’. Dat komt dicht bij de betekenis van ‘burgemeester’. Het gebruik wordt hier geïllustreerd met een citaat dat gaat over een boerrichter in de Dreeschigtige marke, die onder Tubbergen lag – een van de drie plaatsen waar het woord burmeester is opgetekend. Hottenhuis merkt op (p. 58) dat boer- in deze samenstelling niet ‘landbouwer’ betekent, maar verwant is aan buur(t), en dat zou de overgang naar burmeester hebben kunnen vergemakkelijken.

-meester

Het deel meester gaat terug op het Latijnse woord magister, dat in allerlei Europese talen voortleeft: maestro (Italiaans), Meister (Duits), maître (Frans). De ai-klank die het woord in het Italiaans en het Duits heeft, vinden we in Overijssel in de Vriezenveense uitspraak maiste(r), die overigens ook in Uelsen in graafschap Bentheim te horen is. De gerekte èè van het Franse woord is te horen in Twente. De korte vorm, -mester, vinden we aan de andere kant van de staatsgrens, in Emlichheim, Brandlecht en Wietmarschen. De tweeklank ei (-meister) is aan te treffen in uiteenlopende delen van de provincie; soms geldt het als de wat ouderwetse vorm naast het hedendaagse –meester. In Oldemarkt werd de vorm –mister opgetekend, mogelijk een verkorting van –meester, en die is ook gehoord in Kampen, naast het meer algemene -meester. En de r die aan het eind van het eerste deel nogal eens wordt toegevoegd (burgermeester), verdwijnt vaak aan het einde van het woord (burgemeeste). Soms is dat hele woord meester afwezig. Een meer gemeenzame, en niet aan het dialect gebonden aanduiding voor het hoogste ambt in een gemeente is burgervader.

Alle Overijsselse burgemeesters samen op het 100-jarige jubileumcongres van de VNG Overijssel in april 2017 (Foto: Albert Bartelds).

Een groot deel van de bovenstaande woorden is te vinden in het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten. Op de site www.detaalvanoverijssel.nl zijn ze vrij eenvoudig op te sporen door het Nederlandse woord ‘burgemeester’ in te typen. Toch vind je dan nog niet alle opgaven met ‘burgemeester. Er is er ook een te vinden onder het Nederlandse woord ‘dikke buik’, waarvan we als Overijssels equivalent aantreffen: een boek as een börgemeester.

Door Harrie Scholtmeijer
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Een nieuwe ambtswoning voor de predikant

'Aanstaande donderdagavond 19 oktober worden alle manslidmaten onzer gemeente verzocht ter kerke te verschijnen, voor een extra ingelaste gemeentevergadering.' Zo moet het in 1916 ongeveer hebben geklonken vanaf de kansel van de Gereformeerde Kerk B in Sint Jansklooster. De plotselinge oproep luidde een bedrijvig jaar in binnen de kerk.

Op de desbetreffende avond werd er een brief voorgelezen die de kerkenraad had ontvangen van burgemeester Van Suchtelen van de Haare van de gemeente Ambt-Vollenhove. In de raadsvergadering van 3 oktober jl. was besloten om met ingang van 1 november 1917 een eigen gemeentehuis in Sint Jansklooster te stichten. Tot nog toe huisde het gemeentebestuur samen met het bestuur van buurgemeente Stad-Vollenhove in het raadhuis aan het Kerkplein in Vollenhove, maar Ambt wilde voortaan op eigen benen staan.

Het gemeentehuis van Ambt-Vollenhove dat voordien in gebruik was als pastorie van Gereformeerde Kerk B (particuliere collectie).

De burgemeester liet weten dat het nieuwe gemeentehuis in Sint Jansklooster moest komen in de voormalige dokterswoning aan de Kloosterweg. De kerk huurde dit pand en gebruikte het als pastorie. In 1911 had de commissie van beheer er nog een nieuw ledikant laten plaatsen om kandidaten voor de predikantsvacature over te halen een beroep te aanvaarden. In de concurrentiestrijd voor een goede voorganger was een bedstee als secundaire arbeidsvoorwaarde kennelijk niet meer voldoende. Maar de belangen van de kerk waren nu eenmaal ondergeschikt aan die van de gemeente. Per 1 augustus 1917 zegde het gemeentebestuur de huur op en moest de pastorie ontruimd zijn. Een voorzichtige poging van de kerkenraad om de woning alsnog te kopen werd resoluut afgewezen.

'Voor in 't Klooster'

De opzegging van de huur stelde de kerk voor een probleem. Binnen een jaar moest een nieuwe woonruimte voor dominee Douma gevonden worden. Wat nu te doen? Er gingen stemmen op om zelf maar een nieuwe pastorie te bouwen. 'Voor in 't Klooster' lag een stuk grond van 800 m2, waarvan de eigenaresse, Marrigje Post, wel bereid leek om het te verkopen. Na wat bieden over en weer kwam men tot een overeenkomst en kon de grond worden aangekocht. Besloten werd om de bomen die op het perceel stonden met gesloten briefjes te verkopen. Door de aankoop van dit bouwterrein kon de kerk een stuk grond in de Molenstraat, dat diende als alternatieve bouwlocatie, van de hand doen.

Ontwerptekening van de nieuw te bouwen pastorie (GA Steenwijkerland).

Intussen had de kerkenraad de Vollenhoofse architect Jurjen Weijs de opdracht gegeven om een ontwerp voor de nieuw te bouwen pastorie te maken. De keuze voor Weijs lag voor de hand. 'In het kerkelijk leven te dezer plaats heeft hij vroeger zijn plek met ere ingenomen', aldus de kerkenraad. Weijs kwam met een tweetal ontwerpen waarover de 'stemgerechtigde manslidmaten' op een speciale vergadering op 29 november 1916 hun oordeel konden uitspreken. In het gekozen ontwerp zou de pastorie een grote woonkamer krijgen, een voorkamer en aan de achterzijde van het gebouw een ruime keuken. Op de bovenverdieping kwamen twee slaapkamers, een logeerkamer en aan de straatkant een studeerkamer vanwaar de dominee goed zicht zou hebben op het openbare leven op de Kloosterweg. Tenslotte zou er een zolder over de gehele bovenverdieping komen en werd er een kelder aangelegd.

Een herenhuis in Blokzijl

Om de bouw van de pastorie te bekostigen gingen er intekenlijsten in de kerkgemeente rond. Ieder gemeentelid werd geacht een bijdrage te leveren. Voor de verdere financiering sloot de kerkenraad een kleine hypotheek af. Hoewel Nederland neutraal was gebleven, ging de Eerste Wereldoorlog ook aan Sint Jansklooster niet onopgemerkt voorbij. Na bijna drie jaar oorlog waren de bouwmaterialen duur, slecht en bijna niet te krijgen. Het kwam dan ook goed uit dat er op 6 december in Blokzijl een groot herenhuis met tuin op de hoek van de Noorderkade en de Kuinderstraat publiekelijk verkocht werd. De woning was eigendom van koopman Teunis Poorter, telg uit de bekende Blokzijlse schippersfamilie, die zelf inmiddels in Alkmaar woonde. Voor het bedrag van 2750 gulden werd het huis eigendom van de kerk, die het kort daarna liet afbreken om de bouwmaterialen te gebruiken voor de nieuwe pastorie in Sint Jansklooster. Nadat de pastoriebouw afgerond was, zou de kerk de huisplaats in Blokzijl in 1919 voor 700 gulden verkopen aan het Blokzijlse gemeentebestuur.

Het herenhuis in Blokzijl dat door de kerk voor afbraak werd gekocht. De bouwmaterialen werden gebruikt voor de nieuwe pastorie (particuliere collectie).

Voor de bouw van de pastorie schreef de kerk eind maart 1917 een aanbesteding uit. Met een bedrag van 6800 gulden was het bouwbedrijf van de gebr. Weijs de laagste inschrijver, aan wie het werk uiteindelijk ook gegund werd. Enige haast was inmiddels geboden. 1 augustus, de datum waarop de oude pastorie ontruimd moest worden, naderde snel. Weijs ging direct aan de slag en eind juli al kon schilder Jan Willem Overweg de gehele woning verven. Niet lang daarna was de bouw klaar en nam dominee Douma zijn intrek in de pastorie.

Hoogste woning

Met vereende krachten was de Gereformeerde Kerk B er in geslaagd om binnen een jaar een compleet nieuwe pastorie uit de grond te stampen. Uit het gebouw sprak een zekere ambitie en zelfbewustzijn van de relatief jonge kerk. Met een hoogte van 10.90 meter werd de pastorie met stip het hoogste woonhuis van Sint Jansklooster. Anno 2017, precies honderd jaar na de bouw, heeft het pand nog steeds een voorname uitstraling. Als met zo'n ambtswoning geen nieuwe predikanten gevonden konden worden...

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Expositie: Zorg Land Goed - Stadsetalage Deventer

Al sinds 1267 bieden gasthuizen in Deventer verzorging aan armen, ouderen, zieken en gehandicapten. Om de zorg te bekostigen ontvingen gasthuizen giften maar ook bijdragen van betalende zorgklanten, de zogenoemde kostkopers. Voor verblijf in een gasthuis stond men land af en zo verkregen gasthuizen landerijen. Uit de rijke geschiedenis aan gasthuizen zijn Zorggroep Solis én Stichting IJssellandschap voortgekomen: de een voor de zorg voor mensen, de ander voor het landschap. Het verhaal van de zorg in Deventer is uniek. Niet alleen waren er veel gasthuizen in de stad gevestigd maar nergens in Nederland zijn zoveel landerijen rondom een stad te vinden die voortgekomen zijn uit zorginkoop.

Zorghelden

Al 750 jaar zetten zorghelden zich in voor goede zorg in Deventer. Daarom gaat er in de expositie speciale aandacht uit naar het thema ‘Zorghelden van Deventer’: zorghelden uit het verleden maar ook zorghelden van nu. In ZORG LAND GOED maken bezoekers kennis met tien mensen die in Deventer als zorgheld veel betekend hebben in het leven van anderen zoals kinderarts Van Bolhuis, P.W. Janssen of wijkzuster Antje Stieltjes. Bezoekers kunnen ook hun eigen zorgheld aanmelden in de expositie.

De expositie ZORG LAND GOED, 750 jaar zorg in Deventer, is van vrijdag 8 september 2017 tot en met zondag 28 januari 2018 te zien in de Stadsetalage van het Stadhuis en is gratis toegankelijk. Elke donderdag is er een gratis instaprondleiding om 14.30 uur.

Door de redactie

Lezing over de reformatie en contrareformatie in Vollenhove

Precies 500 jaar na publicatie van zijn 95 stellingen door Maarten Luther presenteert Henk van Heerde hoe de reformatie in Vollenhove doorgang vond. Dat gebeurde pas in 1578, en verliep behoudens een enkel incident vreedzaam en geleidelijk. De contrareformatie leverde een schuilkerk op, en de inval van de Münsterse bisschop 'Bommen Berend', de terugkeer van een pastoor. In de lezing wordt ingegaan op de beschrijving van een incident door Vollenhovenaar van geboorte Georg Westendorp, en veel gebruik gemaakt van de memoires van de Zwolse pastoor Waeijer - zie elders op Mijn Stad Mijn Dorp. De daar in voorkomende personen en gebeurtenissen in relatie tot Vollenhove worden belicht. De periode van de schuilkerk leverde ook een aantal objecten, te zien in het stadsmuseum CHC. Ook hieraan wordt nader aandacht besteed.

Datum: 31 oktober, 20.00 uur
Plaats: CHC Vollenhove, Bisschopstraat 36.
Kosten: € 4 inclusief een kop koffie of thee.
Reservering: reserveringen@chcvollenhove.nl of telefonisch tijdens openingsuren, zie www.chcvollenhove.nl.

Door de redactie

De opkomst en ondergang van de Twentse textielindustrie

Op dinsdag 31 oktober vertelt Erik van der Velde over de opkomst en ondergang van de textielindustrie in Twente tijdens de maandelijkse koffie-ochtend in museum TwentseWelle.

In de afgelopen 150 jaar is Twente enorm veranderd. Kleine dorpjes werden steden. Boeren werden fabrieksarbeiders. En er kwamen steeds meer mensen van buiten de regio hier hun heil zoeken. De ontwikkeling van de textielindustrie ligt hieraan ten grondslag. In een beeldverhaal belicht Erik van der Velde, medewerker van museum TwentseWelle, deze geschiedenis. De veranderingen in productiewijze van hand- naar machinaal weven, de architectuur van de fabrieken, de tuindorpen en afdakswoningen, de problemen na de sluiting van de fabrieken, zijn onderwerpen die aan bod komen.

Iedere laatste dinsdag van de maand organiseert het museum een koffie-ochtend. Deze start om 11.00 uur met verse koffie op een bijzondere plek in het museum. Tijdens de koffiemorgen komt een van de medewerkers of vrijwilligers van het museum iets vertellen over de collectie, bijzondere objecten of wordt het publiek meegenomen voor een kijkje achter de schermen. We starten om 11.00 uur. De entree is 5 euro. Incl. koffie natuurlijk.

Door de redactie

Vijftig jaar Zwollerkerspel

Per 1 augustus 1967 werd Zwollerkerspel, ondanks verzet vanuit deze plattelandsgemeente, opgeheven en grotendeels bij Zwolle gevoegd. Vijftig jaar later vertelt schrijver en historicus Wim Coster de boeiende geschiedenis van de meer dan dertig dorpen, buurtschappen en gehuchten die samen Zwollerkerspel vormden. Zo passeren bijvoorbeeld Berkum, Haerst en Ittersum de revue, evenals Oldeneel, Westenholte, Windesheim en Wijthmen. Ook gaat het in dit verhaal over ‘een gordel van blauw en groen rondom de stad’, over het boerenleven, jaren van oorlog en strijd, een voetbalinterland in 1912, de komst van de IJsselcentrale en nog veel meer.

Organisatie: Waanders In de Broeren, Zwolse Historische Vereniging en Historisch Centrum Overijssel
Locatie: Waanders In de Broeren
Inloop: 19:30 uur Aanvang: 20:00 uur
Toegang: gratis, consumpties voor eigen rekening
Aanmelden: Je kunt je opgeven voor deze lezing via Waanders In de Broeren

Door de redactie

Lezing: Gerard ter Borch, beroemd Zwols kunstschilder

Het is 400 jaar geleden dat Gerard ter Borch, één van de vele beroemde schilders uit de 17e eeuw, aan de Sassenstraat 21 in Zwolle werd geboren. Op 15 december wordt er een lezing verzorgd over deze, al in zijn eigen tijd, erkende kunstenaar.

Organisatie: Historisch Centrum Overijssel en Stedelijk Museum Zwolle
Locatie: Waanders In de Broeren

Praktische info

Inloop: 19:30 uur
Aanvang: 20:00 uur
Toegang: gratis, consumpties voor eigen rekening
Aanmelden: Je kunt je opgeven voor deze lezing via Waanders In de Broeren

Door de redactie

Expositie: Giethoorn Verbeeld

Al meer dan 100 jaar wordt Giethoorn door kunstenaars in beeld gebracht. Duizenden schilderijen, tekeningen, houtdrukken en beelden zijn er al van het waterdorp gemaakt. Museum Giethoorn ’t Olde Maat Uus heeft een kleine, maar mooie collectie met werken van Hendrik Broer, Jan Krikke, Dirk Meijer, Wicher Scholten, Arie Zwart en Piet Zwiers. Deze werken zijn het vertrekpunt van deze tentoonstelling. Uniek in onze eigen collectie is het schilderij van Bernard Buenick, het pronkstuk van deze expositie, voor zover bekend het enige werk over Giethoorn van deze schilder.

Naast onze eigen collectie, toont de expositie ‘Giethoorn Verbeeld’ werken die we van diverse inwoners van Giethoorn in bruikleen hebben gekregen. Daarnaast is er prachtig beeldhouwwerk te zien van Janno Petter (1956-2010) uit Dwarsgracht.

Kijk voor meer informatie op de website van Museum 't Olde Maat Uus.

Door de redactie
Overijsselse Topstukken

De Vier Leeftijden in het Hildo Krop Museum in Steenwijk

Overijssel kent vele musea, culturele instellingen en historische verenigingen die een bijzondere collectie in bezit hebben. Middels deze rubriek willen wij u deze collecties die in onze regio te vinden zijn, onder de aandacht brengen.

In de monumentale villa Rams Woerthe in Steenwijk die in 1899 geheel in Jugendstil werd opgetrokken in opdracht van houthandelaar Jan Hendrik Tromp Meesters, is sinds 2007 het Hildo Krop Museum gevestigd. In een aantal zalen van dit indrukwekkende pand zijn nu werken te zien van de kunstenaar Hildo Krop.

Hildo Krop

Hildo Krop werd in 1884 geboren in Steenwijk als zoon van een banketbakker. Nadat hij eerst een koks- en bakkersopleiding had gevolgd, koos hij er alsnog voor om kunstenaar te worden. Na een zomercursus beeldende kunst in Londen waar hij destijds als kok werkte, gooide hij het roer om. Na lessen te hebben gevolgd aan de Académie Julian in Parijs meldde hij zich in 1908 aan bij de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam.

De monumentale villa Rams Woerthe in Steenwijk omstreeks 1930 (Collectie HCO).

Al snel na het voltooien van zijn opleiding begon hij naam te maken als beeldhouwer. Hij bezocht Berlijn, Rome en Parijs en keerde in 1912 terug naar Nederland. Hij kwam in dienst van de gemeente Amsterdam en overal in deze stad is zijn werk terug te vinden. In 1956 werd hem de eretitel van Stadsbeeldhouwer van Amsterdam toegekend. Naast beeldhouwwerk maakte hij ook houtsnedes, boekbanden en penningen. Ook hield hij zich bezig met het ontwerpen van meubels en vloerkleden en was hij een goed keramist.

De gemeente Steenwijkerland is in het bezit van diverse werken van zijn hand, alsmede van twee atelierinventarissen. De werken zijn zowel door aankoop als door schenkingen verworven en worden nu tentoongesteld in Villa Rams Woerthe. Dit jaar is er in museum bijzondere aandacht voor zijn beelden van gips.

Onderdeel van de ‘De Vier Leeftijden’ (niet uitgevoerd ontwerp voor politiebureau Amsterdam), 1936.

De Vier Leeftijden

De gemeente Amsterdam vond dat het strakke ontwerp van architect C. van der Wilk, voor het nieuwe Amsterdamse hoofdbureau van Politie aan de Marnixstraat, wel een monumentaal accent kon gebruiken. Hildo Krop werd gevraagd om een ontwerp te maken. Zijn eerste ontwerp voor deze muurversiering ‘De vier leeftijden van de mens’ betrof een beeldengroep met vier staande figuren:
a. een vrouw met een kindje op haar arm
b. een jongeling
c. een volwassen man
d. een grijsaard

Vanwege de thematiek werd dit ontwerp afgekeurd. Men vond het niet zo passen bij een politiegebouw. Het Hildo Krop Museum in Steenwijk bezit gipsen voorstudies van deze beelden.

*Voor meer informatie zie hildokrop.nl

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

Sportclub Enschede

In de HCO-collectie bevindt zich de reeks ‘Het Oversticht’ van RTV Oost. Eén van de afleveringen gaat over de fusie in 1965 van Sportclub Enschede en de Enschedese Boys tot FC Twente.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

MijnStadMijnDorp

Rento Wolter Hendrik Hofstede Crull (1863-1938). Een sportief pionier

In oktober staat MijnStadMijnDorp in het teken van het roemruchte sportverleden van Overijssel. Eén van de voorlopers op het gebied van sport in onze provincie was Rento Wolter Hendrik Hofstede Crull. Deze ondernemer deed als een van de eersten mee aan wielerwedstrijden op 'de hoge bi', een vroeg type fiets. Daarnaast kocht hij al vroeg een Dion Bouton motordriewieler, een voorloper van de auto, en was hij in het bezit van menig automobiel. Hofstede Crull richtte in 1910 de 'Spijker Automobiel Verhuur Maatschappij', die en werkplaats had binnen de Hengelose HEEMAF-fabriek. Als oprichter van deze fabriek begon hij een eigen bedrijfsvoetbalelftal, met shirtreclame! Sport werd daarna bij HEEMAF nog lange tijd ingezet voor maatschappelijke en commerciële doeleinden. Met dank aan Rento Wolter Hendrik Hofstede Crull, een sportief pionier.

Door de redactie
Volgende pagina
. . . . . . . . . .