MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 6
  • nummer 1
  • januari 2018

Coververhaal

Een Zwolse onderofficier te voet door Europa

Naar de plek van ...

Anneke Raven: 'De Sallandse Heuvelrug is overweldigend.'

Geschiedenis van alle dag

Spookhuizen in Overijssel

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Overijsselaars van toen

Gerrit Jan van Heek jr., vurig strijder voor behoud van de natuur

Van de redactie
  • jaargang 6
  • nummer 1
  • januari 2018

Oorlogsconflicten blijven ons bezig houden

‘Freek en Klaas hebben ruzie. Freek slaat Klaas met een klomp op zijn hoofd. Als je weet waarom Freek dat doet, heb je een historisch verhaal. Zo eenvoudig is het.’ Aan het woord is Menno van der Laan. Vanaf het begin was het betrokken bij het historisch tijdschrift MijnStadMijnDorp. Eerst bij de papieren editie, later als hoofdredacteur van het online magazine. Menno stelde altijd de juiste vragen aan de auteur van een artikel. Onbevangen, soms ogenschijnlijk naïef. Wat bedoel je daarmee, wat betekent dat, leg dat woord uit. Vragen die de schrijvers aan het denken zetten en de overige redactieleden scherp hielden. Schrijf op wat je bedoelt, gebruik geen onnodig moeilijke woorden.

Helaas moest Menno zich om gezondheidsredenen terugtrekken. Gelukkig heeft hij aangegeven af en toe nog wel een artikel te willen redigeren, zodat we kunnen blijven profiteren van zijn verfrissende aanpak. Tegelijkertijd moest ook Doreen Flierman zich terugtrekken als redactielid, eveneens vanwege problemen met haar gezondheid. Doreens tomeloze inzet zullen we missen. Ze heeft ons verblijd met vele artikelen over het door haar zo geliefde Twente. Ongetwijfeld zullen we in de toekomst nog wel weer iets van haar lezen.

Ondertussen gaan we door met het maken van een goed en toegankelijk magazine. In dit nummer weer een grote variatie aan onderwerpen, onder meer over Nieuwjaarsgebruiken en de relatief onbekende, maar invloedrijke tuinarchitect Georg Anton Blum. Opvallend is het artikel over de horigheid in Twente en hoe het Germaans recht heden ten dage nog steeds invloed heeft. Het dagboek van een Zwolse soldaat die vocht vóór en tegen Napoleon nemen ons mee naar de verschrikkingen van de veldtochten in het begin van de negentiende eeuw. In het kader van het landelijk project Getuigen & Tijdgenoten roept de IJsselacademie mensen op om ervaringen, foto’s en documenten te delen die te maken hebben met de dekolonisatie van Indonesië. Als voorbeeld vindt u een interview met een Indiëveteraan. Zo blijven oorlogsconflicten ons altijd bezig houden, bieden ze stof voor verhalen en hopelijk ook voor bezinning.

Verder natuurlijk de gebruikelijke rubrieken en veel mooie afbeeldingen. Wij wensen u weer veel lees- en kijkplezier.

Dinand Webbink, hoofdredacteur

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Dinand Webbink, Anita Drost, Sabine Melenhorst (HCO), Marcel Mentink (Rijnbrink) en Martin van der Linde (Stichting IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Evelyn Ligtenberg, René Rorink, Girbe Buist, Wim. H. Nijhoff, Ewout van der Horst en Harrie Scholtmeijer (Stichting IJsselacademie)

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
ijsselacademie
rijnbrink

Een Zwolse onderofficier te voet door Europa

Wie genealogie beoefent, weet dat beroepen vaak van vader op zoon overgingen. Was het soldatenleven een gezin ingeslopen, dan ging dat vaak generaties zo verder. Dit gaat in ieder geval op voor Jan Willem van Wetering, geboren in 1789. Via zijn memoires, bewaard door het Historisch Centrum Overijssel, krijgt de huidige lezer een beeld van hoe een gewone soldaat tegen het leger van Napoleon aankeek. De grote wapenfeiten uit die tijd spelen op de achtergrond een rol.

Het gezin Van Wetering woonde in Zwolle. Vader was het grootste gedeelte van de tijd afwezig. Hij diende in het leger van de Bataafse Republiek. Jan Willems moeder en grootvader hadden ervoor gezorgd dat Jan Willem in de leer kon als horlogemaker. Het leger trok hem echter meer. Jan Willem wist zijn moeder over te halen om op bezoek te mogen gaan bij zijn vader toen deze in Amsterdam gelegerd was. Zo werd de dertienjarige Jan Willem soldaat, ook al was hij daarvoor nog te jong. Hij kreeg zijn training in Zandvoort, vervolgens in Zeist, in het kamp van generaal Marmont. Jan Willem beschrijft de legerplaats als een stad op zich met handel en vertier die dagelijks door vele buitenstaanders bezocht werd. Tegenwoordig is dit kamp bekend door de piramide van Austerlitz, een toeristische trekpleister.

Kamp te Austerlitz gecommandeerd door den Generaal Marmont, door Nicolaas van der Monde (1799-1847). (Universiteitsbibliotheek Leiden)

Te voet

Dat het avontuur hem trok, laat Jan Willem zien toen hij op z’n eerste veldtocht in 1805 tegen Oostenrijk, hij was toen amper zestien jaar, zijn vader achterliet bij een regimentsdepot in Augsburg. Jan Willem trok met zijn legeronderdeel verder richting Oostenrijk, te voet. Hoe belangrijk het schoeisel in die tijd was, wordt duidelijk uit het relaas van Jan Willem over de invallende winter in Oostenrijk. De wegen waren bevroren, zodat de paarden het geschut niet meer tegen de heuvels en bergen op konden trekken. Dit werd door de soldaten gedaan. Cavalerie en geschut zorgden voor veel grint en kleine steentjes die er samen met ijsvorming voor zorgden dat bijna alle soldaten dagelijks hun schoenen kapot liepen. Een ieder kreeg naast nieuwe schoenen ook een extra paar schoenen mee. Menigeen liep zich echter nog steeds de voeten geheel kapot en moest achterblijven.

Van de Duitse veldtocht kwam Jan Willem, ook grotendeels weer te voet, terug in Nederland. In het voorjaar van 1812 was Jan Willem, inmiddels opgeklommen tot sergeant, in Antwerpen gelegerd. Het was een drukte van jewelste en het gonsde van de geruchten van een op handen zijnde veldtocht. Eind april vertrok het leger in de richting van Rusland. Jan Willem beschrijft de dagmarsen met een ongekende nauwgezetheid. Hij had tijdens de tocht de taak van kwartiermaker. Dat hield in dat hij voor de troepen uit reisde en zorgde voor overnachtingsplekken en voedsel. In het Duitse Friedland kwam hij daarmee op een zaterdag in de problemen. In Friedland was tweederde van de inwoners van joodse afkomst. Op sabbat was het leger daar niet bijster welkom.

Met de overtocht over de Njemen was het leger op Russisch grondgebied aangekomen. Iedere soldaat kreeg voor die tijd voor vijf dagen meel en beschuit mee. Voedsel was ‘broodnodig’, maar samen met de patroontas, geweer, extra schoeisel en kleding die ook mee moesten, was dit voor een soldaat te voet bijna niet te dragen. Achterblijvers kwamen meer en meer voor. Het slachtvee dat mee was voor de vleesvoorziening, kon het tempo van de troepen ook niet bijhouden.

Kozakken overvallen een konvooi met gewonde soldaten. (Collectie auteur)

Winter in Rusland

Het 126e regiment waarin Jan Willem diende, speelde bij het optrekken richting Moskou geen rol van betekenis. Vanaf half oktober 1812 trok het leger zich terug. Het 126e kreeg net als andere troepen te maken met de grillige aanvallen van de kozakken, die voor vele doden zorgden. Eind november was het 126e aangekomen in Borisov bij de Berezina. Er werden extra bruggen ten zuiden van Borisov gebouwd om zoveel mogelijk troepen te laten oversteken. Het 126e regiment werd met andere troepen ingezet om in Borisov te blijven om voor een afleidingsmanoeuvre te zorgen. Dat lukte. Ze werden echter gevangen genomen door de Russen. Jan Willems voeten waren bevroren, hij was in zijn been geschoten en probeerde zo goed en zo kwaad als het ging met lappen de wond te verbinden en zijn voeten in te zwachtelen. In die zwachtels had hij zijn geld verstopt, dat hem later voor de aanschaf van extra kleding goed van pas kwam.

De winter werd doorgebracht in Russische gevangenschap. Zij die zich in de dorpjes waar ze ingekwartierd werden, rond de kachel ophielden, stierven bijna allemaal. Jan Willems bevroren voeten genazen en hij bleef dagelijks zijn wandelingen door sneeuw en kou maken. Dat hield hem op de been. In het voorjaar van 1813 werden de overblijvers onder de Russische wapenen gebracht. Jan Willem kon alsnog Moskou aanschouwen, waar de herbouw druk aan de gang was. Ook kwam hij weer langs Borisov, waar de verhalen de ronde deden dat er meer dan 30.000 lijken uit de Berezina waren gehaald. De tocht ging verder naar Dresden waar Jan Willem deelnam aan de belegering. Tegelijkertijd vond ruim honderd kilometer ten westen de Volkerenslag plaats, die Napoleon een genadeklap gaf. Het Russische leger zette de achtervolging in en zo stond Jan Willem eind maart na vele schermutselingen onderweg in de straten van Parijs.

Tamboers en vaandel van de infanterie. Victor Huen (1874-1939).

Gedecoreerd

De legers werden ontbonden en teruggestuurd naar hun land van herkomst. Jan Willem trok met zijn kameraden naar Nijmegen in afwachting van nieuwe orders. Daar kwam ook tsaar Alexander op bezoek. Alle militairen die in Russische dienst deel hadden genomen aan de strijd van 1812 tot 1814 werden gedecoreerd. Zo kreeg Jan Willem een Russische onderscheiding. Hij wilde niets liever dan terug naar Zwolle om zijn ouders te bezoeken. Zijn moeder bleek echter in 1813 overleden te zijn. Zijn vader sprak hij nog wel, maar die was ernstig verzwakt en overleed na een paar maanden.

De strijd was echter nog niet geluwd. Napoleon verscheen weer op Franse bodem en wist in een mum van tijd een heel leger op de been te krijgen. Jan Willem werd ingedeeld bij het 4e bataljon landmilitie met garnizoensplaats Arnhem. Hierin zaten de eerste lichtingen dienstplichtige soldaten van het kersverse Koninkrijk der Nederlanden. Het 4e bataljon werd gekantonneerd in schuren van boeren in Haine-St-Pierre niet ver van de grens met Frankrijk in afwachting van wat komen zou. Als ervaren onderofficier wist Jan Willem hoe voedsel en onderdak voor de manschappen georganiseerd moesten worden.

De slag bij Waterloo, 18 juni 1815. Gezicht op het slagveld op het moment dat de Engelse bevelhebber Wellington hoort dat Pruisische hulp onderweg is. De gewonde Willem, prins van Oranje, wordt links op de voorgrond weggevoerd. (Rijksmuseum Amsterdam)

Kunstschatten terug

Op 18 juni nam het 4e bataljon deel aan de strijd bij Waterloo. Het geallieerde leger joeg Napoleon op en zo belandde Jan Willem opnieuw in Parijs. Nu was er ook tijd om er als toerist rond te lopen. De laatste opdracht kwam echter al snel: de kunstschatten die vanuit de Nederlanden naar Frankrijk vervoerd waren, moesten onder begeleiding teruggebracht worden naar Nederland. De wagens waren af en toe zo hoog beladen, dat de weg onder poorten van stadjes op de route uitgegraven moesten worden om de wagens door te kunnen laten. Half december kwamen de kunstschatten in Brussel aan en kon Jan Willem een nieuwe kazerne betrekken. In Brussel maakte hij de eerste viering van de 18e juni, Waterloodag mee. Aan de grote veldtochten was een einde gekomen. Jan Willem bleef echter onder de wapenen als beroepsofficier.

Jan Willem moet een uitermate sterk gestel hebben gehad om de ontberingen van alle veldtochten te kunnen doorstaan. Zijn memoires getuigen van een goed ontwikkeld overlevingsmechanisme. Ernstige ziektes, die vaak optreden bij mensen met een verzwakt gestel, gingen aan hem voorbij. Zijn herinneringen getuigen van een sterk empatisch vermogen en een grote nauwgezetheid, waarbij hij de aantekeningen die hij tijdens zijn veldtochten maakte kon gebruiken om zijn relaas te schrijven. Zijn memoires zijn ook voor de huidige lezer nog toegankelijk en verdienen een breed publiek.

*Historica drs. Evelyn Ligtenberg schreef onder meer het veelgeprezen boek ‘Wij vertrouwen op onze keizer’; Sallandse jongens vechten voor en tegen Napoleon, 1811-1815, te bestellen via www.boaken.nl.

**Titelafbeelding: De Franse terugtocht in 1812, door Illarion Pryanishnikov, 1874.

Door Evelyn Ligtenberg
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

‘Binnenvetters hebben het soms moeilijker dan die er over praten’

‘We streden voor recht en orde.’ Meer wilde mijn opa, Teun de Gelder (1926) uit Berkel, niet kwijt over zijn tijd in Indië. Als kleine jongen luisterde ik geboeid naar zijn verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Hij zat bij de ondergrondse en had bij de Bevrijding nog tegen de Duitsers gevochten. Maar toen ik als geschiedenisstudent vroeg naar die andere oorlog, waarvoor hij zich als vrijwilliger had gemeld, gaf hij niet thuis. Na enig aandringen stommelde hij naar zolder en kwam terug met twee fotoalbums uit die tijd. Als toelichting volstond hij met een verwijzing naar de foto’s van zijn gesneuvelde strijdmakkers. Na zijn dood in 2004 waren die albums het enige wat ik verlangde uit zijn nalatenschap.

‘Ter blijvende herinnering aan je Indische jaren, van je Vader en Moeder’, staat voorin het eerste album. Uit de honderden foto’s en summiere bijschriften proef je de verwondering over het exotische land met zijn stranden, palmbomen, lokale vervoersmiddelen, attributen en bevolking. Maar soldaten en geweren voeren de boventoon, trots bij een jeep voor hun stoottroepclub of op patrouille in het glooiende landschap. Opvallend is de jonge leeftijd van de kerels – mijn opa was met 19 jaar half zo oud als ikzelf inmiddels ben. Een zekere jeugdige overmoed lijkt hem niet vreemd. Tegenstanders of gevechtshandelingen komen niet in beeld. Het is zijn beeld van de werkelijkheid. 

Wat vertellen deze soldatenkiekjes nu werkelijk over mijn opa’s ervaringen in de tropen? Ik had behoefte aan een toelichting. Op zijn begrafenis waren ook enkele Indië-veteranen aanwezig, hoorde ik achteraf. Tevergeefs heb ik geprobeerd om met deze mensen in contact te komen. Op basis van enkele namen in het fotoalbum kwam ik ook niet verder. Ik liet het erbij. Naar aanleiding van de start van het landelijke project Getuigen & Tijdgenoten heb ik nogmaals een ultieme poging gedaan een veteraan te vinden die nog met mijn opa in Indië heeft gezeten. En zowaar, dankzij de historische vereniging Berkel en Rodenrijs en een oproep op Facebook, kwam ik erachter dat van de 35 Indiëgangers uit deze plaats er nog drie in leven zijn. De 92-jarige Kees Snijders zat bij dezelfde compagnie van het 1e Regiment Stoottroepen en wilde er nog over praten ook.

Stoottroepers onder wie mijn opa (links) poseren in de omgeving van Semarang, februari 1947.

Tekst en uitleg

Twee avonden heb ik met Snijders zitten praten in zijn zelfgebouwde polderhuisje onder de rook van Rotterdam. ‘Ik heb altijd makkelijk over de oorlog kennen praten, ook met mijn kleinkinderen’, zegt Snijders in plat Berkels. ‘Dat Teun er weinig over verteld heeft, tja, daar zijn er wel meer van. Binnenvetters hebben het soms moeilijker dan die er wel over praten.’ Als lid van de Binnenlandse Strijdkrachten werd Snijders evenals mijn opa geworven als oorlogsvrijwilligers om de Japanners uit Indië te verdrijven. Via Engeland vertrokken ze in het najaar van 1945 naar de Oost, maar ze moesten van de Engelsen nog vier maanden op Malakka wachten, voordat ze voet aan Javaanse wal mochten zetten. Daar was de bevolking inmiddels in opstand gekomen tegen het koloniale gezag.

Snijders geeft nader tekst en uitleg bij de fotoboeken: over de lange donkere nachten op wacht, de hitte en de muggen, de spanning tijdens de patrouilles (‘blafte er ineens een hond in een verlaten kampong’), maar ook de humor en ontspanning die de jongens op de been hield. In een fotobijschrift noemt mijn opa dat hij bij ‘de brengroep’ zat. Volgens Snijders was hij helper: ‘Een brengroep bestaat uit een schutter en helper. De helper geeft de munitie aan. De schutter zet de ronde houder met 33 patronen op de mitrailleur. Er werd ook verwacht dat je zelf kon schieten met die bren, als de schutter geraakt werd.’ Veel persoonlijke herinneringen aan mijn opa heeft Snijders niet, want hij zat bij een ander peloton, waardoor ze geen dagelijkse omgang hadden. ‘Ja, ik heb nog met je opa hard gelopen op het strand van Malakka.’

Slag om Semarang

Het 1e Regiment Stoottroepen kreeg als taak om het Semarang te beveiligen tegen vijandelijke aanvallen. De spanning was direct om te snijden. Bij hun eerste actie op 1 april 1946 vielen al direct twee doden door beschietingen vanuit boomtoppen. Er kwamen waarschuwingen dat de opstandelingen de Nederlanders de zee in wilden drijven. Op 4 augustus kwam het tot een grootschalig treffen. ‘Op bovenstaande post vielen drie van onze jongens’, schreef opa bij een foto van post Sonja. ‘Het lijkt vreedzaam, maar de praktijk is anders geweest.’

Kees Snijders herinnert zich die dag maar al te goed en bezigt heel wat minder verhullend taalgebruik: ‘Op 4 augustus, ’s ochtends om een uur of zes, licht-donker, begon die aanval. Nou echt, je kreeg kippenvel op de armen. Een kreet om ons heen: “Merdeka!” De jongens op de voorste post [Sonja] kregen het zwaar te verduren. Die aanvallers waren niet de eerste de besten. Het waren goede schutters. Er zijn daar drie man gesneuveld. Een brenschutter werd doodgeschoten, waarna zijn helper achter de bren kroop, maar ook de sigaar werd. Wij hoorden wel dat het bij de voorpost behoorlijk tekeer ging, maar het was een geruststelling te horen dat er goed tegenvuur werd gegeven, dat de post niet onder de voet gelopen werd.’

De post Sonja in augustus 1946.

Zelf zat Snijders als helper van een brenschutter in een post vlakbij het hoofdkwartier. ‘Wij bestreken daar een sawa, want ze kwamen door de sawa’s. Ze lieten vrouwen voorop lopen. Onze brenschutter, een boerenzoon uit Capelle uit de IJssel, zei: “We kunnen toch niet schieten, joh.” Nou, we lagen achter een dikke boom, maar de schilfers vlogen ons om de oren. Ze beschoten ons met geweren en mitrailleurs. Ja, toen moest hij wel schieten. Het was een echte veldslag. Ze hadden niet allemaal geweren bij zich. Ik heb er ook wel gezien die met een speer liepen.’ Mede dankzij dekkingsvuur door fregatten vanaf zee kwam de aanval tot stilstand en wisten de Nederlanders de tegenstander terug te slaan. De stoottroepers hadden hun vuurdoop doorstaan. Zelfs generaal Spoor, de hoogste legerbaas, kwam polshoogte nemen en bezocht de restanten van post Sonja. Wat mijn opa hier heeft doorstaan, omringd door aanstormende vijanden, een geweer in zijn hand en gewonde en gedode makkers aan zijn zijde, laat zich indenken.

Onverwerkte emoties

Snijders vertelt verder over de Eerste Politionele Actie en de inzet van hun compagnie op een buitenpost in Midden-Java, waar zijn neef met drie anderen sneuvelde doordat hun wagen op een mijn reed. Het betrof opnieuw leden van het tweede peloton. ‘Dat peloton heeft de meeste klappen gehad van onze compagnie’, stelt Snijders. De veteraan kan de druk waaronder ze moesten opereren nog levendig beschrijven, maar heeft er zelf weinig last van gehad. Zijn humor en gelatenheid zijn hem hierbij zeker van pas gekomen. Hij heeft ook niets gedaan waar hij spijt van heeft, benadrukt hij. Sterker nog: ‘Ik had die jaren in Indië niet willen missen’, zegt Snijders. ‘Ik ben bij de stoottroepen gevormd. Zonder strijd geen overwinning. Je hele leven moet je soms vechten om ergens te komen.’

Generaal Spoor op bezoek, augustus 1946.

Na afloop van ons gesprek rijd ik in het donker Berkel en Rodenrijs weer uit. Ik voel opluchting. Het is alsof ik een stukje dichter bij mijn opa ben gekomen. Ik besef dat ik hem zijn stilzwijgen over Indië in feite nogal kwalijk heb genomen. Alsof hij wat te verbergen had: Wel heldenverhalen over zijn onbeduidende rol in de Tweede Wereldoorlog, niets kwijt willen over zijn onderdrukkersrol in een rechtvaardige vrijheidsstrijd. Door mijn gesprek met Kees Snijders realiseer ik mij dat hij er simpelweg niet over kón spreken. Mijn opa was een gevoelig man. Hij heeft dit verhaal blijkbaar geen plek weten te geven. Er zaten teveel onverwerkte emoties in de weg. Daarom hield hij vast aan het Nederlandse verhaal, aan zijn strijd voor recht en orde. Daarom bleef hij zwijgen tot zijn dood.

Oproep: getuigen van dekolonisatie Indonesië gezocht!

In opdracht van de Nederlandse regering werken enkele Nederlandse kennisinstituten aan een onderzoek naar de dekolonisatie van Indonesië in de periode 1945-1950. In het onderdeel Getuigen & Tijdgenoten willen het NIOD en het KITLV de verhalen en visies van ooggetuigen betrekken bij de geschiedschrijving van deze bewogen periode. De IJsselacademie zal voor Overijssel verhalen optekenen. Zowel burgers als militairen worden van harte uitgenodigd hun verhaal te delen! Ook mensen met relevante foto’s en documenten uit deze periode kunnen zich melden. U kunt contact opnemen met evanderhorst@ijsselacademie.nl of via 06 22534439. Zie ook de website van het project Getuigen & Tijdgenoten.

Door Ewout van der Horst
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Het kasboek van de dominee

Dit boek is het resultaat van het onderzoek in de oude ‘kerckenrekenboeken’ van de Hervormde Gemeente van Losser. Het blijkt dat de administratie van de kerk van 1678 tot begin negentiende eeuw niet alleen in cijfers werd gevoerd, maar ook in de vorm van vele verhalen. Deze verhalen hebben raakvlakken met de marke, maar vertellen ook veel over het dorpsleven in die twee eeuwen. Dat dorpsleven werd voor een belangrijke deel gekenmerkt door de twisten tussen de protestanten en de katholieken, maar ook door de geschillen tussen een rijke bovenlaag en de boeren uit de marke.

Auteur: drs. Frans Jacobs
Uitgever: Historische Kring Losser

ISBN 978 90 8044 270 2 | 104 pag. | € 20,00

Door Frans Jacobs

Jaarboeken Twente en Deventer

Elkaar kennen en gekend worden: thuis in Twente. Het Jaarboek Twente 2018 is voor een belangrijk deel gewijd aan mensen die uit andere landen en culturen door omstandigheden elders een toevluchtsoord moesten zoeken en op die tocht uiteindelijk in Twente terechtgekomen zijn.

Deventer heeft voor hete vuren gestaan in zijn lange geschiedenis. Bij het beleg van graaf Rennenberg in de Tachtigjarige Oorlog was het kantje boord. Niet alle bouwwerken zijn er nog, maar de stad als geheel heeft standgehouden. Het eerste artikel gaat over zo’n verdwenen stadselement: schipmolens. Een ander artikel gaat over onwelgevallige teksten in de boeken van Erasmus.

Twente
Uitgever: Uitgeverij Twentse Media
ISBN: 978 90 7151 750 1 | 163 pag. | € 19,95

Deventer
Uitgever: Corps 9 Publishers
ISBN: 978 90 7970 145 2 | 144 pag. | €

ISBN | pag. | €

Door

Borne zo was het, zo is het nu

In dit boek wandelt de auteur opnieuw door de geschiedenis van zijn dorp en verdiept zich in de historie van gebouwen die uit het straatbeeld verdwenen zijn. Op een luchtige manier neemt hij de lezer mee naar de tijd van toen en laat hem kennis maken met de bewoners van destijds. De situaties uit het verleden van voor Borne belangrijke gebouwen en plekken worden vastgelegd en er wordt aangegeven hoe die plek door de jaren heen veranderd is. Hoewel niet geboren in Borne beschikt de auteur over een grote kennis van de lokale geschiedenis.

Auteur: Marin Thiehatten
Uitgever: Heemkundevereniging Borne

ISBN 978 90 8265 314 4 | 112 pag. | € 14,95

Door Martin Thiehatten

Hennie Kuiper, kampioen wilskracht

Op zijn geboortegrond erve Kuiper is onlangs een boek over Hennie Kuiper gepresenteerd. Het boek is samengesteld door Hennie Kuiper zelf, zijn zoon Bjorn Kuiper en journalisten Joop Holthausen en Jacob Bergsma. Holthausen schreef veelvuldig over wielerklassiekers en Bergsma versloeg alle grote wielerkoersen vanaf de motor. Kampioen Wilskracht verhaalt over de sympathieke doorzetter uit Denekamp die Olympisch kampioen en wereldkampioen werd, die de Ronde van Vlaanderen, de Ronde van Lombardije, de iconische editie van Parijs-Roubaix in 1983 en Milaan-Sanremo won, die twee keer in de Tour de etappe naar l'Alpe d'Huez op zijn naam schreef en die twee keer als tweede eindigde in de Ronde van Frankrijk. 'Hennie Kuiper Kampioen Wilskracht' is een ultiem salontafelboek geworden. Het boekt telt 432 bladzijden, die voor driekwart zijn gevuld met meer dan vierhonderd foto's. Dankzij de medewerking van Nederlandse topfotografen als Cor Vos, Tonny Strouken, Berry Stokvis en Hans Heus presenteert 'Hennie Kuiper Kampioen Wilskracht' een groot aantal vaak niet eerder gepubliceerde foto's uit de omvangrijke carrière van de Twentse wielrenner.

Auteur: Joop Holthausen, Jacob Bergsma en Bjorn Kuiper
Uitgever: Uitgeverij Kuiper Zeist

ISBN 978 90 8253 511 2 | 431 pag. | € 49,95

Door Joop Holthausen ea.

Toendertied - Hendrik vertelt

In dit boek vertelt Hendrik Schoemaker over het Nieuwleusen van de vorige eeuw, het agrarische dorp en haar buurtschappen, de gewoontes, familieverbanden, namen, oude ambachten, oorlog en de vele gebeurtenissen tijdens zijn leven. Joke Bos, die de verhalen in het Nieuwleusens dialect heeft opgetekend en geïllustreerd met ruim honderd foto’s, overhandigde het eerste exemplaar aan Hendrik zelf. Hendrik Schoemaker is inmiddels 97 jaar oud en nog heel vitaal. Naast meubelmaker en verhalenverteller was hij medeoprichter en eerste voorzitter van de historische vereniging. Gees Bartels, de huidige voorzitter zegt daarover: “In TOENDERTIED is de beleving van een tijdperk onlosmakelijk verbonden met de wijze waarop men daarover spreekt. Met dit boek is het dialect van Nieuwleusen zoals dat generaties lang werd gesproken, gedocumenteerd en bewaard.

Auteur: Joke Bos
Uitgever: Historische Vereniging Ni’jluusn van vrogger

ISBN 80505 0681 | 111 pag. | € 22,50

Door Joke Bos

Verdwenen boerderijen uit het kerkdorp Holten

In het eerste deel van het boek wordt in een viertal hoofdstukken stilgestaan bij de geschiedenis van het kerkdorp en zijn buurtschappen in de periode 1600 – 1800 en in het tweede deel worden de verdwenen boerderijen onder de loep genomen. Het tweede deel bestaat uit een reeks artikelen over de verdwenen boerderijen uit het kerkdorp Holten.

Auteur: Henk Grobben; Foto’s: Johan Jansen
Uitgever: Oudheidkamer Holten

ISBN | pag. | € 20,00

Door Henk Grobben

‘Een prachtige wereld’: 100 jaar onderwijs Nijverdal

Het voortgezet onderwijs in Nijverdal bestond in 2017 precies honderd jaar. De directeur van scholengemeenschap Reggesteyn noemde het voortgezet onderwijs ‘een prachtige wereld’ en hij vervolgt: ‘De huidige vijftienjarige maakt zich druk over precies hetzelfde als mijn generatie destijds.’ Dat gold ook voor alle generaties daarvoor. Overigens heeft niet iedereen zijn schooltijd als prachtig ervaren, zo is ook in het magazine te lezen. Naast een uitvoerig historisch overzicht van alle schooltypes die er de afgelopen eeuw in Nijverdal waren, zijn er meer dan twintig interviews te lezen met (oud-)leerlingen en (oud-)docenten.

Auteur: Dinand Webbink
Uitgever: Reggesteyn Nijverdal

ISBN | 64 pag. | € 7,50

Door Dinand Webbink

Een bijbels prentenboek in glas en lood

In dit boek worden ruim 125 gebrandschilderde ramen uit de zes kerkgebouwen in Hellendoorn en Nijverdal toegelicht. Er zitten vele juweeltjes tussen, maar vanaf de straat is daar vrijwel niets van te zien. We moeten dus de kerken in, zo mogelijk op een zonnige dag, om van de schoonheid van de vele vensters te kunnen genieten. De auteur gaat uitvoerig in op de achtergronden van de afbeeldingen op alle ramen en op de door de glazeniers gebruikte symboliek. Door dit boek komt een boeiende wereld opnieuw tot leven.

Auteur: Paul Janse
Uitgever: Uutgeverieje ‘n Boaken

ISBN 978 90 7627 236 8 | 295 pag. | € 35

Door Paul Janse

Streektaal in Overijssel: Nieuwjaarwinnen

Vlak na de middernacht, of op Nieuwjaarsdag, gingen de mensen erop uit om elkaar een gelukkig nieuw jaar te wensen. In grote delen van de provincie Overijssel wordt dat wensen winnen genoemd: nieuwjaarwinnen of nieuwjaarofwinnen (de uitspraak van nieuwjaar kan nogal verschillen, maar daar gaat het hier niet om). Waarom dat winnen? Was er een wedstrijd, viel er winst te behalen?

Een wedstrijdelement was misschien dat je de buren, vrienden of familie eerder bezocht dan zij bij jou konden komen, en dan viel er inderdaad wel wat te behalen: een borrel, krentenbrood (stoete) of koeken die typerend waren voor het nieuwe jaar, de zogenaamde iezerkoeken (gebakken in een ijzer) of, in Gramsbergen, een plässie. Het gaat misschien wat ver om dat als winst te beschouwen, maar dat zat er wel in als het ging om het ophalen van een geldbedrag. Vroeger gingen kinderen maar ook wel volwassenen naar de beter gesitueerden in de plaats om ze een gelukkig nieuwjaar te wensen, en daarvoor kregen ze dan bijvoorbeeld een dubbeltje. Toen na de oorlog de sociale voorzieningen beter werden verdween dit gebruik.

Muziek

Het brengen van de nieuwjaarsgroet kon gepaard gaan met muziek: kinderen die met de foekepot rondgingen, maar ook de fanfare of de harmonie kon rondgaan. In Goor ging muziekvereniging Apollo naar de burgemeester en later naar de beschermheer om een muzikale hulde te brengen. Een halve eeuw geleden werd dit gebruik afgeschaft, omdat er vuurwerk tussen de muzikanten werd gegooid. Maar muziek in de winternacht is er elders in Overijssel nog steeds, in Sint-Jansklooster en Vollenhove. Daar heeft men wel een rustiger nacht voor de muzikale rondgang gekozen, namelijk de Kerstnacht.

In het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten (deel 7) is te zien hoe in de Kerstnacht van 2008 de muzikanten van Sint-Jansklooster spelen, niet in het uniform maar in dikke winterkleding. Ook uit Vollenhove herinner ik me de wonderlijke sensatie van de koperblazers die in de nacht als het ware uit het niets lijken op te duiken, en die je vaak al veel eerder hoort dan dat je ze ziet. En natuurlijk kan ook de midwinterhoorn (soms ossenheurne of oalen roop, letterlijk ‘oude roep’ genoemd) een muzikaal contrast met de stilte van de winter vormen.

Foekepotten in Goor, 1997. (stichting Historisch Goor)

Eten

Hierboven werd al genoemd dat een gebruik soms in de Nieuwjaarsnacht en soms tijdens de Kerstdagen kan voorkomen, en dat verspringen van de ene feestdag naar de andere zien we vaker. Vroeger was de belangrijkste kerkdienst van het jaar die op Oudjaarsavond; ook wie bijna nooit naar de kerk ging, zorgde er dan voor aanwezig te zijn. Tegenwoordig lijkt die functie overgenomen te zijn door de Kerstnachtdienst. Kerst was destijds voornamelijk een religieus feest; alle andere zaken die we nu met Kerst associëren, zoals de gezelligheid en het overvloedige eten, hoorden toen bij het Oudjaar.

Dat was zelfs zo sterk, dat de oudejaarsavond ook wel toafeltiesoavend of teufelkesaovend werd genoemd (waarbij het deel tafel in de samenstelling steevast als verkleinwoord werd gebruikt). Op zo’n avond werd er veel vlees gegeten, maar soms ook stokvis. De groente was vaak rodekool, en als toetje was er riest met proemen. Voeg daarbij de ölliekrappies (oliebollen), en de koeken (naast de al genoemde ook de knieperties), en we kunnen ons voorstellen dat oudejaarsavond hier en daar ook wel bekend stond als dikkeboekoavend of dikbukiesovend, of, net over de grens in de graafschap Bentheim, vullbuuksaobend.

Nieuwjaarswens; jong en oud wenst elkaar geluk, 1975. (foto Hans Peters; Nationaal Archief)

Steffensdag

De rodekool was er ook wel op Kerstavond, maar ook boerenkool (moos of moes) stond die avond hier en daar op het menu. In Uelsen, in de graafschap Bentheim, heet de Kerstavond dan ook Mööskenaowend. Aan deze kant van de grens, in Losser, werd boerenkool op Tweede Kerstdag gegeten. Die dag heet (niet alleen in Losser) Sint(er)steffen of Steffensdag, de naamdag van St. Stefanus, en dat was traditioneel de dag waarop men met de paarden ging rijden. Zo werd voorkomen dat die door het winterse verblijf op de stal stram werden. Dat rijden werd steffensrieden genoemd, en hier en daar wordt het nog wel georganiseerd, vaak door een manege. Om warm te worden na de winterse rit was er vaak een borrel (niet zelden eindigde het steffensrieden in een drankgelag), en in Losser dus ook een maaltijd met boerenkool.

Slepen

Opvallend is dat er vroeger op Kerstavond ook wel oliebollen op tafel kwamen – weer een gebruik dat versprongen is, nu van Kerst naar Oudejaar. Dat merkwaardige verspringen tussen beide feestdagen vinden we ook bij het gebruik van het slepen, het weghalen van voorwerpen van bijvoorbeeld het boerenerf om ze op een andere plaats achter te laten. In de laatste jaren was dat een Oudejaarsgebruik, hoewel die tijd ook al weer achter ons ligt. Vanaf ongeveer de jaren tachtig zitten de jongelui liever in de gezelligheid van disco, keet of husie te wachten op het afsteken van vuurwerk, dan zich in de kou een breuk te tillen aan de steeds zwaarder wordende werktuigen.

Jongeren uit Vollenhove brengen oudejaarsavond door in een keet of husie, ca. 1980. (FB-pagina Oud Vollenhove)

Volksgeloof

Dat verslepen gebeurde vroeger dus op Kerstavond. Dan moest op het boerenerf alles aan kant zijn, want anders kwam volgens het volksgeloof Derk (of Durk) met de beer, of Durk met de zeven hundties. Dieren spelen wel meer een rol in het volksgeloof rond Kerstnacht. Om twaalf uur ’s nachts mag je niet in de stal komen, want dan praten de dieren (en dat is kennelijk geen prettige ervaring). Alle koeien liggen dan op één zijde en alle kippen staan op één poot. De functie van dit volksgeloof zal wel zijn om duidelijk te maken dat de Kerstdagen, die op een willekeurige dag in de week vallen, toch echt als een zondag beschouwd moeten worden, en dus onder het gebod van de zondagsheiliging vallen. Niet werken dus, en dat betrof ook het werk dat zich niet in de stal afspeelde, zoals het spinnen. Ook daar had het bijgeloof een verhaal voor: een spinnenwiel dat in de Kerstnacht draaide, zou daarna nooit meer stoppen.

In Staphorst werd ook gezegd dat je op Kerstavond niet in de spiegel moest kijken, want dan zag je degene met wie je zou trouwen. Dat kon dan misschien nog aanlokkelijk zijn, maar er was ook het risico dat je in de spiegel een doodskist zag, en dat betekende dat je ongetrouwd zou blijven. De doodskist in de spiegel was overigens een volksgeloof dat in heel Noord-Nederland voorkwam, maar de koppeling aan Kerstnacht is typisch voor Staphorst. Meestal ging het in de verhalen over de spiegel van de waarzegster op de kermis*.

Interieur van een Staphorster boerderij met Friese stoelklok en vrouw aan het spinnewiel. (collectie HCO)

Kerstpakket

Wat in onze tijd ook bij Kerst hoort, is het kerstpakket: een beloning in natura bovenop de reguliere uitbetaling voor de verrichtte arbeid. Zo’n beloning bestond vroeger ook wel, maar niet in de vorm van een compleet pakket, en ja, het kon net zo goed rond Oudejaar gegeven worden. In Noordoost-Twente kregen de knechten en meiden op de boerderij op Oudejaarsdag vrij, en ze hoefden pas op 2 januari, vóór het melken, terug te zijn. Dan was er genoeg tijd om naar het ouderlijk huis te gaan, en daar de Oudejaarsmaaltijd te bereiden; in Saasveld heette dat dan ook hen kokken goan. Van de boerin kreeg men dan een krentenbrood en een metworst mee; een laat (maar cultuursociologisch gezien vroeg) kerstpakket.

*Mij meegedeeld door de Groningse volkskundige dr. J. van der Kooi. Alle overige informatie in deze bijdrage is afkomstig uit het materiaal van het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten.

Door Harrie Scholtmeijer
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De Twentse horigheid verdween in het blijversrecht

Als een tijdmachine ons zou kunnen verplaatsen naar het Twentse platteland van de zestiende eeuw, dan belandden wij in een samenleving van onvrijheden. De meeste Twentse boeren waren destijds horig, onvrij. De bisschop van Utrecht als toenmalige landsheer, diverse kloosters en ook de adel bezaten honderden boerderijen, waarop hun horige boeren woonden en werkten.

Dat bleef niet beperkt tot de grenzen van het Oversticht: ook Duitse kloosters als Frenswegen en Werden hadden bezittingen in Twente. Johannes van Lochem, prior van het klooster Albergen maakte de horigheid van nabij mee, en noteerde in 1521 in zijn Kroniek: “... er zijn (...) in Twente maar heel weinig boeren die niet door een of andere vorm van horigheid aan een heer gebonden zijn”.

Horigheid in diverse vormen

Horigheid bleef in Twente en delen van Gelderland tot in de negentiende eeuw voortbestaan, terwijl deze elders in Nederland allang was verdwenen. Deze horigheid vertoont sterke parallellen met de horigheid in Westfalen, en is van Germaanse oorsprong. Er zijn in de voormalige Saksische gebieden ruwweg twee vormen van horigheid te onderscheiden: horigen die een rechtstreekse band hadden met de eigenaar of bezitter van de boerderij waarop ze woonden en werkten, en horigen die onder een hof waren gebracht. Veel Twentse horigen behoorden tot die laatste categorie en waren aldus hofhorig. We treffen ze aan onder de zeven landsheerlijke hoven in Twente, te Ootmarsum, Oldenzaal, Goor, Borne, Delden, Weddehoen en Kagelink, en verder onder Hof Espelo, de Proosdij van Oldenzaal en het Kapittel van Oldenzaal. Hun rechtspositie werd in het jaar 1546 gecodificeerd, naar aanleiding van het homologatiebesluit van Karel V uit 1531. Die wilde meer eenheid in de diverse rechtssystemen in zijn enorme rijk.

Karel V was verantwoordelijk voor de optekening van het Twentse hofrecht in 1546. (collectie HCO)

Op de eigenlijke hofhorigen, maar ook op de zogenaamde kamerlingen en hofvrijen, werd vanuit de hof controle uitgeoefend door een hofmeier, die van oudsher zelf ook horig was. Hij ontving daarvoor allerlei inkomsten van de (hof)horigen. Alle horigen hadden verder te maken met de rentmeester van hun heer, die er op toezag dat de boeren aan hun verplichtingen voldeden. Daarbij ging het met name om pacht en tienden, maar ook om de inning van bedragen die samenhingen met gebeurtenissen binnen de boerenfamilie op het erf.

Qua onvrijheid waren er onderling aanzienlijke verschillen. In Twente waren er eigenhorigen, volschuldigen of lijfeigenen, met verplichtingen die aan de meest onvrije vorm van horigheid doen herinneren. Daarnaast was er een groep die wastinsigen of keurmedigen werden genoemd. We treffen verschillende vormen van horigen onder meer aan bij Commanderie en Huis Ootmarsum, het Sint Antoniusklooster te Albergen, het Stift Weerselo en het Huis Singraven bij Denekamp. Bij de horigen die leefden onder een hof behoorden de hofhorigen tot de categorie van meest onvrije boeren, terwijl de kamerlingen en hofvrijen de lichtere vorm van horigheid kenden.

De verschillen tussen die twee groepen blijkt met name uit het erfrecht: bij overlijden van een boer had de heer bij een keurmedige, wastinsige of kamerling recht op de meest waardevolle roerende zaak in de nalatenschap, bijvoorbeeld een koe, paard of wagen. Bij de hofhorige of volschuldige had de heer in grote lijnen recht op de helft van onder meer het viervoetige vee, vleeswaren en uitstaand geld. Ook was de dienstenlast voor deze horigen meestal veel hoger dan bij de horigen die behoorden tot de horigen met de minder drukkende vorm van horigheid.

Voormalig hofhorig erve Aarnink te Tilligte (thans gemeente Dinkelland), augustus 1943. Foto W.H. Dingeldein (fotocollectie Oudheidkamer Twente).

Exclusief gebruiksrecht van de boerderij

Horigen waren verplicht om de grond van het erf te bewerken en mochten het erf niet zonder toestemming van hun heer verlaten om blijvend elders te gaan wonen. De horige status vererfde via de moeder, maar kon ook worden aangenomen door de man of vrouw die op een horig erf wilde wonen. Hiervoor was dan wel een geldbedrag verschuldigd, opvaart genoemd. De boer die erfwinning deed kreeg tegen fikse betaling het exclusieve gebruiksrecht van het horige erf. Als de horige overleed waren zijn nabestaanden aan de heer als versterf, een soort verplicht legaat, een deel van de nalatenschap verschuldigd. Vaak werd deze aanspraak door middel van het versterfgeld afgekocht. De horige kon zich bevrijden van zijn horige status door middel van de wederwissel. Dan werd de horige tegen betaling geruild met een andere persoon die zijn of haar plaats innam. In de zeventiende eeuw kwam de veel eenvoudiger vrijkoop in zwang.

Het gebruiksrecht van de horige was hoogstpersoonlijk. Overleed hij, of gaf hij door ouderdom of ziekte zijn gebruiksrecht op, dan kwam een familielid in aanmerking om hem als erfvolger op te volgen. Het bouw- en erfrecht vererfde via een strak schema binnen de horige familie, waarbij mannen vóór vrouwen gingen. Bij de vormen van horigheid waar men geen hof kende, was het gebruiksrecht niet overdraagbaar en niet erfelijk. Wel had een kind van de horige een algemeen geaccepteerd recht om erfwinning te mogen doen. Ook hier had de horige familie dus een betrekkelijke zekerheid dat de volgende generaties de boerderij ongedeeld zouden kunnen voortzetten.

Interieur boerenwoonhuis voormalig hofhorig erve Aarnink (thans gemeente Dinkelland), omstreeks 1900. (fotocollectie Oudheidkamer Twente)

Twentse boerenmentaliteit

De Franse tijd legde aan het einde van de achttiende eeuw de bijl aan de wortels van de horigheid. Na 1811 werden de resten van de horigheid in Nederland opgeruimd. In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw waren echter al veel heren afgestapt van het stelsel van de horigheid uit economische motieven. Het systeem was niet langer lonend, vooral omdat de horige verplichtingen vastlagen en niet eenzijdig door de heer konden worden verhoogd.

In de negentiende eeuw kwam de (hof)horigheid in Twente tot een einde. Het karakter van de horigheid was inmiddels ingrijpend gewijzigd. Van horigheid in traditionele zin met boeren die de onvrijheid aan den lijve hebben ondervonden, was met name de hofhorigheid in Twente geëvolueerd in wat leek op een vorm van erfpacht. Anders dan bij pachtboerderijen, konden de ‘eeuwigdurende’ verplichtingen bij horige boerderijen in principe niet door de heer worden verhoogd. Ook niet als de boerderijen groter werden door ontginningen en aankoop van percelen en boerderijtjes. Bij vererving ging de boerderij in zijn geheel over op de volgende generatie. Het erf versplinterde dus niet, en werd in de praktijk elke generatie groter. Horige boeren bewoonden dan ook vaak tot de grootste en meest renderende boerderijen in een marke of buurtschap. Hofhorige boeren leverden na 1811 hun horige status dan ook met tegenzin in.

Voormalig hofhorig erve Scholte Splinterink in Nutter (thans gemeente Dinkelland). Foto H. Hagens, februari 1968.

Na de afschaffing van de horigheid veranderde er bij veel boerenfamilies qua mentaliteit niets. De Twentse boer en boerin bleven uit overtuiging vasthouden aan de gedachte dat het erf ongeschonden in de familie moest blijven: dat één kind de boerderij zou overnemen. De rest van de familie zou dit moeten mogelijk maken. Van hen werd verwacht dat zij zouden ‘aftekenen’, en genoegen zouden nemen met een beperkt deel van de toekomstige nalatenschappen van hun ouders. Zij hadden het recht van ‘hoeskomm’n’, het recht om op de boerderij te blijven wonen of daar weer terug te keren, mits zij meehielpen met het werk of meebetaalden aan de kosten van de huishouding. De jonge boer had intussen de zorg voor zijn (schoon)ouders, feitelijk tot na hun overlijden.

Dat zogenoemde Saksisch erfrecht of blijversrecht is qua uitgangspunten in strijd met het Nederlands erfrecht. Maar als iemand opkomt voor zijn door de wetgever aan hem of haar toegekende rechten, dan kon – kan – die persoon rekenen op erg veel onbegrip bij de erf(op)volger en de rest van de familie. Langzaamaan verdwijnt het Twentse blijversrecht. In een maatschappij waarbij het individu meer en meer het uitgangspunt wordt, is er toenemend besef dat veel boeren een inkomen buiten het bedrijf kunnen verwerven, en dus niet meer louter van die boerderij hoeven te bestaan. Dat levert steeds vaker strijd in de familie op. Maar verdwenen is het blijversrecht anno 2018 beslist nog niet.

Het erve Holtwick te Groot Agelo (thans gemeente Dinkelland), voorheen een horig erf van het Huis Ootmarsum, 1991. (fotocollectie Heemkunde Denekamp)

Bronnen

- Aalbers, P.G., Het einde van de horigheid in Twente en Oost-Gelderland 1795-1850 (Zutphen 1979).
- Cohen, M.A., Het blijversrecht: een notarieel-juridische studie over het Oost-Nederlandse recht betreffende de vererving en de overgang bij leven van landbouwbedrijven (Enschede 1958).
- Dingeldein, W.H., “Het stelsel van horigheid onder het Huis Ootmarsum”, in: Verslagen en Mededeelingen VORG 58 (1942) 77-122.
- Dingeldein, W.H., Singraven: beelden uit verleden en heden van een Twentse Havezate (Enschede 1969).
- Dingeldein, W.H., Acht eeuwen Stift Weerselo, 3de druk met aanvullingen 1950-1976 door G.W. Vrielink en A.L. Hulshoff; aanvullingen 1976-1990 door F. Prak (Hengelo Ov 1991).
- Eijken, E.D., Compendium van het Overijssels recht vóór 1811 (Kampen 2007).
- Massink, W.H.J., Hoorige Rechten in Twenthe (Leiden 1927).
- Oonk, J., “Opzet agrarische bedrijfsoverdracht in Twente”, Jaarboek Twente 2009, 149-158.
- Rorink, R.F.A., Verbonden door de echte. Rechten en plichten van de horige boeren onder de Twentse landsheerlijke hoven tot 1811 (Hengelo Ov. 1996).
- Rorink, R.F.A., “De hofdagen van de Proosdij en het Kapittel Oldenzaal”, Jaarboek Twente 1994, 27-39.
- Schildkamp e.a., a.w. Kuiper G.J.M., Huis en klooster St. Antonius te Albergen (Nijmegen 1969).
- Schildkamp, J.B. e.a. (red.), 1520-1525: de kroniek van Joannes van Lochem, prior van het Sint-Antoniusklooster te Albergen. Vertaling en toelichting (Albergen/Enschede 1995) 276.
- Voort, H., “Die gräfliche Echte, zur Stellung von freien, wachszinsigen und keurmedigen Bauern in der Grafschaft Bentheim”, Jahrbuch Heimatverein Grafschaft Bentheim 1983, en van dezelfde auteur “Keurmedig of eigen? De rechtspositie van de boeren op de Duvelshof in De Lutte”. ’t Inschrien (jaargang 1980 nr. 1) 12-15.
- Wiefker J.H.R., Hof Espelo, het Twentse bezit van het Utrechtse kapittel van St. Pieter 1544-1597 (Enschede 1994).

*De auteur zelf heeft als advocaat een mede op de agrarische bedrijfsoverdracht in Twente gerichte praktijk.

Door René Rorink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Georg Anton Blum, tuinarchitect van Overijssel

'Blum heeft een allerliefst plekje op Boschwijk aangelegd, dat gy in 't najaar zien zult. Mijn Dennenboschje was dood gegaan en hij heeft dat weer in order gemaakt. Nu zie ik de dennen wel nooit weer half groot, maar hij heeft zoveel engelsch plantsoen en bloemdragende bomen erin gebracht, dat ik er nog iets van zien en genieten kan...' Aldus de Zwolse schrijver, dichter en bewoner van de buitenplaats Boschwijk Rhijnvis Feith in een brief aan zijn zoon in 1821.

Feith refereert aan de Duitse tuinarchitect Georg Anton Blum (1765-1827) die in Overijssel de nodige sporen heeft nagelaten. Blum woonde aan de Jufferenwal in Zwolle en was gespecialiseerd in de aanleg van landschapstuinen in Engelse stijl die eind achttiende, begin negentiende eeuw populair waren. Van hem was al bekend dat hij tuinen heeft ontworpen voor landgoed Het Amelink, Huis Almelo, Huis Windesheim, Vilsteren, Den Alerdinck, De Gunne en dus Boschwijk. Door een nieuw onderzoek naar de historische tuinen en parken in de gemeente Steenwijkerland kunnen nu ook de buitenplaats Huize De Bult bij Steenwijk en Landgoed De Oldenhof vermoedelijk aan Blum's rijtje worden toegevoegd.

Huize De Bult

Huize De Bult was met het omringende landschapspark onderdeel van het uitgestrekte landgoed De Bult, dat ontwikkeld werd uit gronden die tot 1782 tot het naburige landgoed De Eese behoorden. Bij de aanleg van het landschapspark speelden de opeenvolgende eigenaren David Thomassen à Thuessink (1734-1817) en zijn schoonzoon Abraham Johan van der Hoop (1775-1826) een belangrijke rol. Thomassen à Thuessink liet in 1798 het zeventiende-eeuwse landhuis verbouwen en legde daaromheen een park aan in de romantische landschapsstijl met slingerpaden, glooiingen, vijverpartijen en prachtige solitaire bomen. Ook werd het park voorzien van een tuinprieel op een klein bergje en een nog altijd aanwezige tuinmuur uit 1802. Deze aanleg sloot aan bij andere delen van het landgoed. Vanaf het voorterrein voor het huis liep zo een wandelroute via regelmatig slingerende paden tot diep in het uitgestrekte landgoed. Vanwege de huidige versnipperde eigendomssituatie is het tegenwoordig niet meer mogelijk om deze rondwandeling te maken.

Huize De Bult aan de Bultweg omstreeks 1920. (Gemeentearchief Steenwijkerland)

Landgoed De Oldenhof

De Oldenhof is een van oorsprong zeventiende-eeuws landgoed onder de rook van Vollenhove. De havezate kwam in 1776 in het bezit van de familie De Vos van Steenwijk, die het daarna ruim vijftig jaar in eigendom had. Het landgoed kent een bijzondere aanleg van twee parken in de romantische landschapsstijl, het Engelsche Boschje ten noordwesten en het Rondebosch ten zuidoosten van het huis. Beide parken zijn omstreeks 1800 in opdracht van de familie aangelegd en vormen met hun slingerende paden en mooie glooiingen een contrast met de symmetrie van het huis, de rechte grachten en lanen. Het Engelsche Boschje werd aangelegd als wandelpark en beschikt ook nog over een driearmige vijver die als zwem- of visvijver kan hebben gediend. Onlangs is het park in oude stijl hersteld, waardoor het nog altijd mogelijk is om via een simpele brug het driehoekige perceel te bereiken.

Huis De Oldenhof. (foto Martin van der Linde)

Georg Anton Blum

Op basis van de ruimtelijke kenmerken van de landschapsparken van zowel De Bult als De Oldenhof en vanwege (familie)netwerken van de landgoedeigenaren kunnen beide parken in verband gebracht worden met een ontwerp van tuinarchitect Blum. De vormgeving van de vijvers, het spel met de glooiende oeverwallen, de opgeworpen hoogtes en de slingerende paden komen sterk overeen met een vergelijkbaar tuinontwerp van Blum uit de periode 1805-1810 op de Fraeylemaborg in het Groningse Slochteren en met zijn ontwerpen van de landschapsparken in De Gunne en Vilsteren. Kenmerkend voor Blum was de samenstelling van ronde vormen die hij gebruikte bij het ontwerp van paden, glooiingen en vijvers. Zowel op De Bult als op De Oldenhof is deze vormentaal nog herkenbaar.

Het herstelde Engelsche Boschje op landgoed De Oldenhof. (foto Martin van der Linde)

(Familie)netwerken

Daar komt bij dat Blum geen onbekende was voor de eigenaren van De Bult en De Oldenhof. Blum huurde in Zwolle een huis dat eigendom was van de familie Thomassen à Thuessink. Dit zou het eerste contact geweest kunnen zijn tussen de eigenaar van Huize De Bult en Georg Anton Blum. De tuinarchitect woonden in Zwolle midden tussen zijn opdrachtgevers: de bestuurselite van Overijssel. Thomassen à Thuessink's schoonzoon en latere eigenaar van De Bult, Abraham Johan van der Hoop, was een zoon van Adelgunda Christina Wolther (1752-1805). Zij had samen met haar man Henri de Sandra Veldtman de Fraeylemaborg in Slochteren in eigendom. Blum's ontwerpen voor de Fraeylemaborg kunnen zodoende tot een nieuwe opdracht voor Huize De Bult geleid hebben.

Voor Landgoed De Oldenhof geldt dat het Engelsche Boschje vermoedelijk in opdracht van Jan Arend de Vos van Steenwijk (1746-1813), zijn zoon Jan Arend Godert baron de Vos van Steenwijk (1784-1824) of zijn dochter Geertruid Agnes de Vos van Steenwijk (1776-1830), vrouwe van De Oldenhof, is aangelegd. Geertruid was in 1801 gehuwd met Willem van Ittersum (1776-1854) die via zijn moeders kant banden had met de familie Van Sytzama in Groningen en Den Haag. Nichtje Clara Feyoena van Sytzama was goed bevriend met Rhijnvis Feith (1753-1824) van het eerder genoemde Boschwijk. Opvallend is dat binnen dit familienetwerk vele verschillende buitenplaatsen en landgoederen al in de vroege negentiende eeuw een parkaanleg in landschapsstijl kregen, waarvoor Blum ook werkzaamheden verrichtte (Windesheim, Dickninge).

Een laan op landgoed De Oldenhof omstreeks 1910. (particuliere collectie)

Oeuvre

Hoewel voor zowel Huize De Bult als Landgoed De Oldenhof 'direct' bewijsmateriaal ontbreekt, doen de ruimtelijke kenmerken en de familienetwerken bij de aanleg van beide landschapsparken sterk de invloed van tuinarchitect Blum vermoeden. Vergelijkbare composities van driearmige vijvers, slingerpaden en een spel van hoogtes en laagtes vinden we terug in andere parken uit zijn oeuvre, zoals De Gunne, Almelo, Den Alerdinck, Vilsteren en Boschwijk. Vanwege zijn ruime betrokkenheid bij de aanleg van landschapsparken in Engelse stijl in deze provincie, kunnen we Blum welhaast tuinarchitect van Overijssel noemen. Vast staat dat zijn invloed op de diverse landschapsparken en tuinen groot was. Nog steeds worden er nieuwe parken aan zijn oeuvre bijgeschreven.

Van Grafheuvel tot Heerlijkheid

Het onderzoek naar Huize De Bult en Landgoed De Oldenhof maakt deel uit van het project ‘Van Grafheuvel tot Heerlijkheid’ dat in opdracht van de werkgroep De Vijf Buitenplaatsen van Steenwijkerland door bureau Groene Heritage is uitgevoerd. Dit project beschrijft het verhaal van de historische buitenplaatsen met de landschapsparken van Vollenhove tot De Eese. Het gaat daarbij om de Heerlijkheid De Eese (Eesveen) met het landschapspark van L.A. Springer ( 1855-1940), Buitenplaats Huize De Bult (De Bult) met de vroeg landschappelijke aanleg rond 1802 van G.A. Blum (1765-1827), Landgoed De Oldenhof (Vollenhove) met de landschappelijke aanleg van het Engelsche Boschje (vermoedelijk van G.A. Blum), Havezathe Oldruitenborgh (Vollenhove) met de vroeg landschappelijke aanleg (datering en architect nog onbekend), en Villa Rams Woerthe (Steenwijk) met het landschapspark van H. Copijn (1842-1923).

Bronnen

- De Groene Heritage, Buitenplaats Huize De Bult. Historie en toekomstbeeld van het landschapspark (Sneek 2017).
- De Groene Heritage, Landgoed De Oldenhof. Historie en toekomstbeeld van het landschapspark 'Engelsche Boschje' (Sneek 2017).
- Gevers, A.J., 'De tuinarchitect Blum: stukjes uit een legpuzzel', in: Cascade, bulletin voor tuinhistorie 1 (1991) nr. 2, 3-7.
- Tromp, H.M.J., De Nederlandse landschapsstijl in de achttiende eeuw (Leiden 2012).

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Naar de plek van...

Anneke Raven: 'De Sallandse Heuvelrug is overweldigend.'

‘Het landschap is hier zo on-Nederlands en overweldigend. Groots en glooiend.’ We staan op de Grote Koningsbelt, het hoogste punt van de Sallandse Heuvelrug. Rondom ons een magistraal uitzicht op de onmetelijke heide, de bossen, de dorpen aan de voet van de ‘berg’, de Palthetoren bij Haarle. ‘Het heeft iets ontroerends, de schoonheid van dit landschap’, vertelt Anneke Raven, burgemeester van de gemeente Hellendoorn.

‘Ik ga heel graag en vaak de natuur in, wandelend of fietsend. Niet om mijn hoofd leeg te maken, maar om te genieten van de stilte en de rust. Dit landschap was voor ons, mijn man Ernst en ik, een verrassing. We kenden de heide van Drenthe, maar dit landschap is nog mooier. Voor ons is Nederland toch vooral een vlak land. Hier heb je maar liefst 26 heuveltoppen, zo staat het althans in een rapport over de natuurwaarden van dit gebied. Het korhoen, waar zoveel over te doen is, heb ik zelf nooit gezien. De zeldzame vogel staat symbool voor de biotoop. Door het korhoen te beschermen, zorgen we ook voor een gezonde leefomgeving voor heel veel andere dieren. Maar er is hier zoveel meer. Als je een rondje van ongeveer 25 km fietst dan kom je niet alleen op de glooiende heidevelden. Je fietst door bossen, het weidegebied en het prachtige rivierlandschap van de Regge. Er is in de gemeente Hellendoorn een enorme variatie aan natuur.

De Grote Koningsbelt. Het hoogste punt van de Sallandse Heuvelrug. (foto Willem Wijnen)

Ik voel me hier heel erg thuis. We hebben bewust voor het platteland gekozen, nadat we geruime tijd in de stad gewoond hadden. De sfeer is prettig. Als burgemeester heb je nauwelijks privéleven, maar ik vind dat geen probleem. Je bekleedt het ambt 24/7. Je ziet mij vaak op allerlei evenementen en gebeurtenissen in de gemeente, ook omdat ik het leuk vind. Ik ben oprecht geïnteresseerd in mensen, ben toegankelijk en gewoon. Als burgemeester moet je aan de andere kant ook boven de partijen staan en soms onaangename besluiten nemen. Zeker als je handhaving in je portefeuille hebt. Mensen hebben het liefst geen regels voor zichzelf, maar wel voor anderen. Je moet altijd het algemeen belang voorop stellen en dan kun je het niet iedereen naar de zin maken. Gelukkig wonen we in een mooie gemeente met heel veel voorzieningen, ook in de kleine kernen. We maken veel werk van burgerparticipatie om mensen actief bij politieke besluitvorming te betrekken. Al zijn er ook mensen die zeggen: jullie zijn er toch voor om besluiten te nemen.

Het imago van burgemeester is in de loop der jaren wel veranderd, maar toch verwachten mensen soms nog dat je een auto met chauffeur hebt. Bij het bezoek aan een basisschool vroegen kinderen mij of ik een Peugeot had, want er stond er een voor de deur. Een hele dure auto, zeiden ze. Ze waren wel wat verbaasd toen ik zei dat ik met de fiets was.’

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Wandelroute ‘Door het oog van Ter Borch’ in de binnenstad van Zwolle

Ontdek met de nieuwe wandelroute ‘Door het oog van Ter Borch’ de binnenstad van Zwolle. De schilderijen van Gerard ter Borch (1617-1681) zijn over de hele wereld verspreid geraakt. Het werk van deze ‘Rembrandt’ van het Oosten is vandaag de dag te zien in de belangrijkste musea.

In zijn jonge jaren trok Gerard ter Borch er regelmatig op uit om zijn geboortestad Zwolle en het platteland eromheen vast te leggen. Zo ontstonden prachtige stadsgezichten. Met een nieuwe wandelroute, bereikbaar via een web app, is de binnenstad van Zwolle te ontdekken ‘Door het oog van Ter Borch’. De web app ‘Door het oog van Ter Borch’ neemt u mee langs twaalf locaties in Zwolle die door Gerard ter Borch en zijn halfzus Gesina in de 17de eeuw zijn getekend.

U opent de web app met de wandelroute eenvoudig en gratis op uw mobiel via www.wandelrouteterborch.nl. De web app is niet geschikt om te bekijken via een computer of laptop, deze is speciaal ingericht voor mobiel. Alle locaties staan ook als verhaal op MijnStadMijnDorp.

Door de redactie

Symposium hofhorige erven Twente digitaal

Hoe leuk zou het zijn om eenvoudig een historische fietstocht uit te zetten in jouw eigen woonomgeving of om jouw postcode in te typen om zo zicht te krijgen op jouw woonomgeving in het verleden.

Fryske Akademie, Stichting Kadastrale Atlas en Oudheidkamer Twente hebben informatie zoals ligging, eigendom, veldnamen en andere historische gegevens over Twentse hofhorige erven digitaal gekoppeld aan het kadaster van 1832 en 2017, aan oudere en jongere domaniale, topografische en geologische kaarten, aan luchtfoto’s en Google Streetview. Hiermee ontstaat een fascinerend beeld van de erven en het omringende landschap door de eeuwen heen.

De afgelopen jaren is een clubje vrijwilligers, deels bestaande uit oud-medewerkers van het HCO, bezig geweest om deze informatie online beschikbaar te stellen via HisGis. Dit gebeurt onder andere op basis van bronmateriaal en kaarten uit de archieven van het HCO. Het project is nu bijna afgerond.

De kaarten komen online beschikbaar tijdens een symposium op 15 februari 2018 in Museum TwentseWelle in Enschede. Lees hier meer over op de website van de Oudheidkamer Twente en noteer de datum alvast in je agenda!

Door de redactie

Getuigen van dekolonisatie Indonesië gezocht!

In opdracht van de Nederlandse regering werken enkele Nederlandse kennisinstituten aan een onderzoek naar de dekolonisatie van Indonesië in de periode 1945-1950. In het onderdeel Getuigen & Tijdgenoten willen het NIOD en het KITLV de verhalen en visies van ooggetuigen betrekken bij de geschiedschrijving van deze bewogen periode. De IJsselacademie zal voor Overijssel verhalen optekenen. Zowel burgers als militairen worden van harte uitgenodigd hun verhaal te delen! Ook mensen met relevante foto’s en documenten uit deze periode kunnen zich melden. U kunt contact opnemen met evanderhorst@ijsselacademie.nl of via 06 22534439. Zie ook de website van het project Getuigen & Tijdgenoten.

Door de redactie

Deventer koek: al zes eeuwen houdbaar

Van 21 januari tot 3 juni is in museum De Waag in Deventer de expositie ‘Deventer Koek. Al zes eeuwen houdbaar’ te zien. De lekkernij wordt van verschillende kanten belicht: als handelsproduct, als stadsicoon, maar ook als ingrediënt voor recepten. Het oude Waaggebouw is in zijn geheel aan Deventer Koek gewijd. Op de begane grond Deventer als koekstad met levensgrote blow-up foto's van Deventer straten en de originele uithangborden van Coelingh, Klopman Baerselmans en Bussink. Op de eerste verdieping Deventer Koek als kwaliteitsproduct met een ruime collectie aan wikkels door de jaren heen. De derde verdieping staat in het teken van Heel Deventer Bakt met aandacht voor de verschillende Deventer bakkerijen en de recepten van Deventer restaurants. Eén ding wordt niet onthuld: het precieze recept van Deventer Koek. Dat blijft geheim.

21 januari – 3 juli 2018
Brink 56 7411 BV Deventer
Zie: Museum De Waag

Door de redactie

App Mysterieus Overijssel gelanceerd

Buist Belevingsprojecten heeft i.s.m. de Creatieve Coöperatie en iGlow Media de website, platform en de app Mysterieus Overijssel gelanceerd. De mobiele applicatie bevat negen wandel– en fietsroutes langs bijzondere plekken in de provincie Overijssel. Tevens worden met beeld en geluid de achtergrondverhalen van deze plekken en de daarop staande monumenten toegelicht.

Ook bevat de applicatie een instructiefilm, die je leert hoe je een wichelroede maakt en hoe je die gebruikt om geneeskrachtige plekken op te sporen. De routes zijn uitgestippeld langs magische en spirituele plekken in Zwolle, Deventer, Kop van Overijssel, het Vechtdal, Salland en Twente.

In de app worden kunnen audioverhalen worden beluisterd en een video worden bekeken over het project en legt historicus Girbe Buist uit waarom sommige plaatsen in Overijssel zo’n mysterieuze aantrekkingskracht op ons uitoefen en waarom een aantal daarvan een geneeskrachtige uitwerking hebben. In de omgeving van Zwolle kunnen gebruikers met wichelroede een deel van het Zwolse drakenlijnenpad lopen.

De app Mysterieus Overijssel is mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van de Provincie Overijssel, het Fonds voor Cultuurparticipatie, het Bernhard Cultuurfonds Overijssel en Rabobank IJsseldelta. De app is gratis te downloaden in de appstore (iOS) of via deze website.

Door de redactie

Winterexpositie: Deventer stad van verbeelding

Deventer heeft veel bekende schilders voortgebracht. Kunstenaars die de mooie Hanzestad vaak als inspiratie voor hun verbeelding kozen. De verbeelding van Deventer is het leidende thema. Dat deze kunstenaars ook fraaie landschappen en stillevens maakten, toont de expositie in het Kulturhus in Holten overtuigend aan. De tentoongestelde werken zijn afkomstig uit de collecties van mevrouw Freuke Kloosterboer-Schotman en A.G. Gerritsen, aangevuld met werken uit de collectie van het ‘Deventer Verhaal’.

Geopend tot en met 19 mei 2018, maandag tot vrijdag van 11.00-17.00 uur, zaterdag tot 15.00 uur Kulturhus, Smidsbelt 6, 7451 BL Holten. Toegang gratis.

Door de redactie
Geschiedenis van alledag

Spookhuizen in Overijssel

In 1947 werd er onder auspiciën van het Meertens Instituut uit Amsterdam een spookhuisenquête gehouden. Diverse informanten uit heel Nederland werden benaderd met de vraag of zij spookhuizen in hun omgeving kenden en wat voor verschijnselen zich in deze huizen voordeden. Twee inwoners uit Overijssel reageerden op de enquête en rapporteerden hun waarnemingen De ene reactie kwam uit Zwolle. De andere uit Hardenberg. In het volgende beschrijven wij hun bevindingen.

Zwolle

Het eerste spookhuis stond aan de Voorstraat 19 te Zwolle op de hoek van de Voorstraat en de Drostenstraat. De spookverschijnselen deden zich rond 1880 voor, toen het huis werd bewoond door bakker Willemsen. Het spook was in de spiegel te zien als een afzichtelijke man. Ook gingen deuren en ramen op onverklaarbare wijze open en dicht en hoorde men het gerammel van kettingen Willemsen was katholiek en riep de hulp in van de kapelaan. Deze bracht een aantal nachten biddend in het huis door en besprenkelde de muren met wijwater. Daarna werd er nooit meer iets van het spook vernomen.

Later zorgde een zekere Boelens rond 1925 voor een opleving van het spokengeloof doordat hij op rustige winteravonden met een groot wit laken om op stelten door de Voorstraat liep, terwijl hij een onheilspellend geluid maakte. Deze Boelens is later vertrokken naar Den Haag en kreeg een zekere bekendheid als de Paradijsdichter.

Blik op de Voorstraat in Zwolle, 1900. (collectie HCO)

Hardenberg

Vanuit de gemeente Hardenberg werden ook een aantal spokerijen gemeld. Aan de Voorstraat nummer 2 stond een huis met de bijnaam “De Franse Schoorsteen”. In dat huis woonde destijds Jan Zandman. Deze zou in de Franse tijd een zak met geld hebben gestolen, die hij in zijn schoorsteen had verstopt. Op zijn sterfbed graaide hij nog naar het geld. Na zijn dood spookte het in zijn huis. Er werden allerlei vreemde geluiden gehoord en niemand wilde in het huis wonen.

Bij Bouwhuis te Collendoorn spookte het nog in 1893. Er keek een “lange kerel” door het bovenlicht naar binnen. Ook slofte dit spook door de stal of liep hij door het huis. De hond beefde dan en de deuren sloegen dicht. Soms hoorde men veel lawaai en sneuvelden de ruiten. Ook werden een keer vier schapen uit de stal gehaald en buiten dood gevonden.

Galgenveld aan de rand van de Volewijk, Anthonie van Borssom, 1664-1665. (Rijksmuseum Amsterdam)

Voordat er iemand ging sterven en er een kist werd besteld, hoorde men ’s nachts bij timmerman Vasse aan de Kerkstraat te Hardenberg kloppen en zagen. Als Vasse de gereedschappen goed had opgeborgen, hoorde men niets. Bij het Haarbosch in Heemse liepen witte wieven, die akelige geluiden maakten. Tenslotte zag men op de Spokenkamp tussen Hardenberg en Brucht regelmatig gloeiende dakschoven. Op deze plek werd Bernard van Coevorden, die in opstand kwam tegen de Bisschop van Utrecht, geradbraakt. Hier was vroeger een strafplaats en het galgenveld ligt er achter.

De Spokenkamp tussen Hardenberg en Brucht. (collectie Historische Vereniging Hardenberg)

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselaars van Toen

Gerrit Jan van Heek jr., vurig strijder voor behoud van de natuur

Het waren Twentse textielfabrikanten die in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw een groot deel van de landgoederen en bossen in hun eigen regio en ook in andere streken van Overijssel hebben aangelegd. Hun ondernemingslust was de voornaamste drijfveer voor het aankopen en ontginnen van woeste gronden en de aanleg van bossen. Hun motieven waren duidelijk: veilige en duurzame belegging, gebondenheid aan en liefde voor de streek, gevoel voor schoonheid en ongereptheid van de natuur, hartstocht voor de jacht, liefde voor de daadwerkelijke beoefening van landbouw en veeteelt.

Gerrit Jan van Heek jr. was misschien wel de ‘meest vurige strijder voor het behoud van natuurschoon’, volgens dr. J.W. Keiser, een bevlogen amateurhistoricus op het gebied van natuur en landgoederen in en rondom Enschede. Keiser was in het dagelijks leven hoofdambtenaar op de secretarie van de gemeente Enschede, waar hij zich vooral bezig hield met ruimtelijke ordening. Gerrit Jan van Heek was de eerste naam die hij noemde en prees in zijn artikel in het Jaarboek Twente 1967, vooral omdat Van Heek veertien jaar voorzitter was van Het Overijssels Landschap en vanaf de oprichting van deze stichting in het dagelijks bestuur zitting had. Gerrit Jan zelf beheerde vanaf het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw zijn landgoed Het Lankheet bij Haaksbergen. Hij erfde van zijn vader Gerrit Jan van Heek senior Het Lankheet, Honeschbos en Mallum.

Het Assink en Het Lankheet

Ludwig, een oudere broer van Gerrit Jan, had Het Assink geërfd, dat grensde aan Het Lankheet. In de zomer van 2016 kon het Jaarbericht van de Vereniging Familie Van Heek de heuglijke mededeling doen: Het Assink werd na 100 jaar herenigd met Het Lankheet. Bernard Rouffaer, kleinzoon van Gerrit Jan van Heek jr., zette zijn handtekening onder het koopcontract van Het Assink. Nazaten van Ludwig van Heek hadden besloten, ‘dit unieke landgoed’ te verkopen aan het aangrenzende Het Lankheet, omdat voor de eigenaren/beheerders van dit landgoed het behoud van Het Assink en de eraan verbonden familiegeschiedenis een hoge prioriteit had. Zo werden de bossen en opstallen van Het Lankheet en Het Assink weer samengevoegd. De Diaconie van Haaksbergen, die in en rondom Haaksbergen vele gronden bezit, nam de landbouwgronden van Het Assink destijds over. Het Lankheet verkreeg de bosgronden, het Noorse jachthuis en de monumentale boerderij. Zo zijn de twee delen van Het Lankheet nu zo’n zeshonderd hectare.

Tegenwoordig is op landgoed Het Lankheet een waterpark enerzijds om verdrogingsbestrijding, natuurherstel en waterberging te realiseren, anderzijds om historisch erfgoed voor wandelaars weer beleefbaar te maken.

Molenven in Saasveld

Het was de gebroeders Van Heek, (Jan Herman, Gerrit Jan en Arnold, het leidende trio van de spinnerij en weverij Rigtersbleek in Enschede) in de jaren tien van de twintigste eeuw voor de wind gegaan. Na de Eerste Wereldoorlog behaalden ze flinke winsten en besloten deze voor een deel te bestemmen voor het behoud van natuurmonumenten. Ze kochten op 12 juli 1921 het Molenven. Twee jaar later schonken de gebroeders het Molenven aan de vereniging Natura Docet in Denekamp.

Bij de overdracht hadden ze wel bepaald dat het reservaat 'steeds zoveel mogelijk in den tegenwoordigen toestand in stand moet worden gehouden en in ongerepte staat voor het nageslacht blijft liggen om het te bewaren als natuurmonument; en om bij de grote veranderingen die er in dezen tijd in het Twentse landschap plaats grijpen, ook in de toekomst te blijven getuigen van toestanden voorheen in Twente en van vrije natuur in dit deel van het land.' Het Molenven was het eerste natuurmonument in Overijssel.

In de jaren twintig van de vorige eeuw schonken de gebroeders Van Heek het Molenven aan Natura Docet in Denekamp. Het ven was het eerste natuurmonument in Overijssel.

Friezenberg in Markelo

Op 25 mei 1935, tijdens de eerste vergadering van Het Overijssels Landschap, dat bijna drie jaar eerder was opgericht, in het theehuis op de Markelose Berg, vroeg Gerrit Jan, gekozen als bestuurslid, het woord. Hij vertelde dat de voorzitter hem had verzocht ‘een plan voor een wandeling’ te maken en hij stelde voor te wandelen over de Friezenberg, ‘liggende tussen Markelo en Rijssen, op 55-60 meter boven den zeespiegel en van welks top men een mooi uitzicht heeft over heuvelen en lager gelegen landen’, aldus het dagblad Tubantia. Hij verbond hieraan de mededeling, dat het hem mogelijk was geweest de top van de Friezenberg voor Het Overijssels Landschap aan te kopen, omdat ‘hij graag zou zien, dat Het Overijssels Landschap kon bogen op haar eerste vaste bezit’.

Op 16 november 1934 had Van Heek voor vierduizend gulden, ‘een perceel heide met eenige dennen, gelegen in den kruin van den Friezenberg te Elsen in de gemeente Markelo, groot bijna vijf hectare’, gekocht. Hij beschreef zijn cadeau en meldde 'dat de grond ligt op den kruin van den Friezenberg, Gem. Markelo. Een groepje dennen siert den top. Deze top is van vele zijden te zien, zelfs uit den trein van Rijssen naar Deventer. De vliegtuigen van en naar Amsterdam passeren er iedere dag. Op het hoogste punt heeft men een schitterend vergezicht.' Het perceel moest worden beschouwd, aldus Van Heek, als een natuurreservaat en daarom had hij enige beperkende bepalingen laten vastleggen in de koopakte.

Bij de oprichting van Het Overijssels Landschap schonk Gerrit Jan van Heek de Friezenberg bij Markelo.

Eind 1936 schonk Van Heek Het Overijssels Landschap ook het Haarlergrafveld. Groot was het veld niet, slechts vijf hectare, maar hier prijkten op de heide wel twintig grafheuvels, stammend uit de periode tussen 2.000 jaar v. Chr. en 500 jaar v.Chr. Het grafveld ligt in een landschappelijk fraai, licht golvend gebied, gekenmerkt door een verrassende afwisseling van cultuurlanden, bosjes, singels en houtwallen. Er ligt ook een urnenveld uit de late Bronstijd en vroege IJzertijd. Het grafveld is niet voor het publiek toegankelijk.

Een niet onbelangrijk wapenfeit van Gerrit Jan van Heek jr. was zijn hardnekkige verzet in 1933 tegen de plannen van de provincie de Buurserbeek te kanaliseren. Zijn strijd was vergeefs, op sommige plekken veranderde de meanderende beek in een kanaaltje. Maar binnen niet al te lange tijd zal een deel van de beek in zijn oorspronkelijke staat worden teruggebracht. De beek slingert zich dan weer een weg door Het Assink.

De Enschedese kunstschilder Wim de Wijs schilderde in 1929 de Buurserbeek, die toen nog door het landschap meanderde.

Boek

Binnenkort verschijnt het boek De Weidse Wereld van Woudlooper, het levensverhaal van Gerrit Jan van Heek jr. (1880-1957), gebed in vele historische gebeurtenissen in Enschede, Twente en Overijssel. De auteur is dr. Wim H. Nijhof, historicus en publicist, geboren Enschedeër. Ruime aandacht is er voor de activiteiten van de hoofdpersoon en zijn broers Jan Herman en Arnold op het terrein van de natuurbescherming, met name in Overijssel maar ook elders in het land. Het boek telt omstreeks vierhonderd pagina’s met ruim tweehonderd illustraties. De prijs is €32,50.

Bronnen

- J.W. Keiser, Landgoederen en andere natuurterreinen in Twente, in: Jaarboek Twente 1967.
- Martin Degen, Johan ten Hoopen, Bert-René Brinkman, Liedewijde Tielbeek, Sporen in het landschap, in: Jaarboek Twente 2004.
-Van Heek, Jaarbericht van de Vereniging Familie van Heek, jaargang 2016.
- Willem Groothuis, Honderd jaar Natura Docet. Meester Bernink en zijn natuurhistorisch museum, Zutphen, 2011.
- Wim H. Nijhof, Kunst, katoen en kastelen. J.H. van Heek (1873-1957), Zwolle, 2008.

Door Wim H. Nijhof
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
. . . . . . . . . . .