MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 6
  • nummer 3
  • juli 2018

Coververhaal

Het Twentsch Volksblad als ‘wapen in den strijd’

Overijsselaars van toen

Hermanna Molkenboer-Trip (1851-1911), een freule in Twente

Naar de plek van ...

Vincent Robijn: 'De Moderne Devoten trokken hun eigen plan'

Overijsselse topstukken

Basis voor de Twentse zoutindustrie ligt in een kistje

Geschiedenis van alle dag

'Neusverbrijzelaars' en de knijpbril van Windesheim

Van de redactie
  • jaargang 6
  • nummer 3
  • juli 2018

Pioniers leveren altijd mooie verhalen op

Soms heb je mensen nodig die tegen de stroom in hun idealen nastreven. Die ondernemingen tot een succes maken, waar anderen niet in geloven. Die zich losmaken van de door hun opvoeding en sociale achtergrond opgelegde normen en waarden, hun eigen weg gaan.

De Groninger Berend Westera had zich in het hoofd gezet een Twentsch Volksblad op te zetten, een gereformeerde krant voor heel Twente. Engbert Gerrit Denneboom pionierde in de schier eindeloze en ogenschijnlijk onvruchtbare heidevelden in het midden van Overijssel, waar hij met vallen en opstaan een succesvol boerenbedrijf realiseerde. Johannes van den Bosch schuwde het experiment niet in Willemsoord, één van de Koloniën van Weldadigheid. Oók in dit nummer het boeiende levensverhaal van freule Hermanna Molkenboer-Trip, die aan het eind van de negentiende als vrouw in een mannenwereld het ongehoorde besluit nam om de Oldenzaalse textielfabriek van haar overleden man te gaan leiden. En met succes.

Gelukkig zijn er altijd pioniers, mensen die hun nek uit steken, die boven het maaiveld uitkomen. Dat levert altijd mooie verhalen op.

Dinand Webbink, hoofdredacteur

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Dinand Webbink, Sabine Melenhorst-Becker (HCO), Susanne de Jong (Athenaeumbibliotheek Deventer), Marcel Mentink (Rijnbrink) en Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Girbe Buist, Ewout van der Horst (IJsselacademie), Ester Smit (HCO), Harrie Scholtmeijer (IJsselacademie), Lizzy Wiggers, Door Schokkenbroek

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
ijsselacademie
rijnbrink

Het Twentsch Volksblad als ‘wapen in den strijd’

Het Twents Volksblad is tegenwoordig een huis-aan-huisblad in de gemeente Hellendoorn. Zoals de naam doet vermoeden was de ambitie van de naamgever van het blad veel groter: het moest een krant zijn voor hele Twentse volk. Ondanks verwoede pogingen om dat te realiseren, is het nooit zover gekomen.

In de zomer van 1898 arriveerde een jonge Groningse onderwijzer in het textieldorp Nijverdal. De 23-jarige Berend Westera kreeg de zesde klas van de Christelijke Nationale School onder zijn hoede. De gereformeerde jongeling werd hartelijk verwelkomd door het schoolhoofd Willem Wieske, maar jaren later zal hij de komst van de bevlogen Groninger diep betreurd hebben.

Berend Westera (1875-1952) in 1906 met zijn gezin.

Tegengif

In zijn onvolprezen 'De eeuw van mijn vader' kenschetst Geert Mak de gereformeerde bevolkingsgroep als burchtenbouwers. Burchten waarin de vroeger zo ernstig vervolgde Afgescheidenen veilig waren: ‘de burcht van het gezin, van de eigen kerkelijke gemeenschap, van de eigen universiteit, de eigen kranten, de eigen school, de eigen politieke partij…’. Berend Westera was zo’n burchtenbouwer. Als onderwijzer scheidde hij zich af van de Christelijke Nationale School en richtte een gereformeerde lagere school op, tot groot verdriet van de oude Wieske. Westera kocht een boekhandel, begon een uitgeverij, stond aan de wieg van de protestants-christelijke vakvereniging, schreef boeken over opvoeding, bemoeide zich intensief met het verenigingsleven en was politiek actief in de Antirevolutionaire Partij van Abraham Kuyper.

Hij bemoeide zich met elk facet van het leven van zijn geloofsgenoten, van de wieg tot graf. September 1900 kreeg Berend Westera de kans een weekblad over te nemen, het antirevolutionaire 'Nijverdal en omstreken'. Hij kocht de drukkerij er ook maar meteen bij. Hij was zich volledig bewust van betekenis en invloed van de massamedia: ‘Geen strijdmiddel in de politieke en sociale strijd dezer dagen is zo deugdelijk als de Pers. Op alle terrein slaat ze slag, tot elken vijand dringt zij door’.

Het oudste complete nummer van Nijverdal en omstreken, een uniek exemplaar (het eerste nummer is helaas zwaar beschadigd). (Foto: Marcel Mentink, Rijnbrink Nijverdal)

Er later op terugkijkend zei Westera dat hij het blad vooral zag als een tegenwicht tegen ‘andere geluiden die toen wel heel ongecontroleerd rond gingen.’ De toon van de redactionele commentaren was behoorlijk fel, kenmerkend voor de gepolariseerde samenleving van de vroege twintigste eeuw. Politieke kwesties als de schoolstrijd, het algemeen kiesrecht en de grote armoede onder de arbeidersbevolking hadden diepe kloven geslagen. Het antirevolutionaire gedachtengoed werd in stelling gebracht tegen de liberalen, maar vooral tegen de ‘antigodsdienstige’ socialisten: ‘Tegen de karakterlooze neutraliteit verschaft zij voedsel, tegen de revolutionaire dwaalleer heeft ze een tegengif.’

Op 5 oktober 1901 verandert de titel in Twentsch Volksblad. (Foto: Marcel Mentink, Rijnbrink Nijverdal)

Twentsch Volksblad

De strijd moest niet alleen gestreden worden in het kleine Nijverdal. De ambities rijkten verder, zo bleek uit de naamsverandering van een jaar later. Vanaf 5 oktober 1901 verscheen het ‘Antirevolutionair orgaan’ onder de titel Twentsch Volksblad. Het verspreidingsgebied moest een regionaal karakter krijgen. ‘Komt, mannen van invloed en kennis in Ommen en Friezenveen, in Den Ham en Vroomshoop … helpt een handje’, zo riep Westera zijn medebroeders op. De Nijverdaller ging de concurrentie aan met de liberale Almelosche Courant, in de volksmond het Heerenkrantje genoemd. Een andere concurrent in die dagen was het Twentsch Zondagsblad, door de onderwijzer ‘beslist Radicaal’ genoemd.’ ’t Scheelt niet veel, of het gloeit van klerikalen-haat’, zo omschreef hij het Zondagsblad.

Westera wil de Twentenaren zijn weekblad wel door de strot duwen: ‘Het Twentsch Volksblad zal er bij onze christenen in deze streken in.’ Om zijn ambities te verwezenlijken riep hij de hulp in van de Almelo-er mr. G.J. Sybrandy. Net als Westera was de iets oudere Sybrandy afkomstig uit Groningen en opgeleid tot onderwijzer. Sybrandy studeerde vervolgens rechten in Leiden en vestigde zich in Twente. Zijn politieke ambities brachten hem in 1904 voor de Antirevolutionaire Partij in de Staten van Overijssel. Hij nam pas in 1941 afscheid als Statenlid, toen hij de zeventig al ruim gepasseerd was.

In de zomer van 1903 wordt de redactie van het Twentsch Volksblad verplaatst naar Almelo. (Foto: Marcel Mentink, Rijnbrink Nijverdal)

Het volk redden

Vanaf juni 1903 zetelde de redactie van het Twentsch Volksblad in Almelo onder leiding van Sybrandy. Volgens de jurist was er in Twente echt behoefte aan een antirevolutionaire spreekbuis. De streek kende zijn eigen problematiek: de ‘moderne Industrie’ heeft er ‘eigenaardige toestanden’ geschapen en een ‘bijzondere verhouding tusschen de maatschappelijke klassen in ’t leven geroepen’. Er moest één blad komen voor Twente, een ‘blad dat zal zijn een wapen in den strijd tegen de Sociaal-Democratie, de partij, die door haar Godsdienstloosheid ons volk van zijn Christelijk-historische grondslag losmaakt.’ Immers, zo betoogde de hoofdredacteur, de ARP heeft als roeping ‘het gansche volk in al zijn rijen voor te lichten, te leiden, te redden.’

Het personeel van de Gereformeerde school in Nijverdal, met 4e van rechts Berend Westera. (Gemeente Hellendoorn)

Terug bij af

Het kwam er niet van. Het overwegend katholieke platteland was niet geïnteresseerd en in het socialistische Enschede kreeg het Twentsch Volksblad al helemaal geen voet aan de grond. Regelmatig werd er actie gevoerd om abonnees te werven in Vriezenveen en Rijssen, plaatsen waar potentiele lezers zouden moeten wonen. Maar het bleef tobben. Een strikt vertrouwelijke noodoproep aan een groot aantal sympathisanten in 1905 moest geld in het laatje brengen, omdat ‘Twenthe zelf zeer weinige met aardsche goederen rijk gezegende broeders’ kende. Het blad werd overeind gehouden met steun van de partij. In ruil daarvoor werd de ondertitel ‘Orgaan der Anti-Revolutionaire Partij’ gevoerd. Jarenlang was het Twentsch Volksblad een ARP-krant, wat vooral in verkiezingstijd goed te merken was.

Zeker de helft van het blad bestond uit internationaal en landelijke nieuws, daarna was er aandacht voor Twents nieuws. De berichtgeving over Hellendoorn en Nijverdal werd vanaf 1910 steeds uitgebreider en dat over Almelo steeds minder, terwijl Enschede meestal helemaal ontbrak. In 1914 verdween Sybrandy geruisloos uit de kolommen. Het blad was weer terug bij af. Berend Westera had geen tijd meer voor het vele redactionele werk. Hij was inmiddels ‘hoofd ener school’, had zijn boekhandel verkocht en de drukkerij overgedaan aan zijn medewerker Evert Jan Bosch. Bosch vertrok in 1917 naar Baarn en nam daarbij Pieter Keuning mee, een van Westera’s meest getalenteerde onderwijzers en broer van de dichter Willem de Mérode. Het duo vormde vanaf 1925 de directie van de succesvolle uitgeverij Bosch & Keuning, tegenwoordig deel uitmakend van Veen, Bosch & Keuning, een van Nederlandse grootste uitgeversmaatschappijen.

De ‘oale drukkerieje’ van het Twentsch Volksblad werd in 1917 verbouwd tot woningen. (Foto: Willem Wijnen)

Gered

Het Twentsch Volksblad werd van de ondergang gered door twee oud-werknemers van Bosch. De Koninklijke Stoomweverij kocht de leegstaande drukkerij en verbouwde het tot een rijtje nog steeds bestaande woningen, in de volksmond de ‘oale drukkerieje’ geheten. Aanvankelijk heeft het Nijverdalse periodiek nog een gereformeerd karakter. Na de Tweede Wereldoorlog is daar niets meer van te merken en tegenwoordig is het huis-aan-huisblad gevuld met meer advertenties dan nieuws. Maar nog steeds valt het Twents Volksblad in Hellendoorn, Nijverdal en omringende dorpen elke week op de deurmat, nu al 118 jaar lang.

Links in dit pand was begin twintigste eeuw een christelijke boekhandel gevestigd. Er achter stond de drukkerij. (Foto: Willem Wijnen)

Literatuur

Dinand Webbink, Een rusteloos leven; Berend Westera, onderwijzer en uitgever te Nijverdal (2008).

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De heide op de schop: een ontginner aan het woord

Een met bomen omzoomde zandweg slingert over landgoed het Marleseveld in hartje Overijssel, tussen Hellendoorn en Vriezenveen. Plukjes bos onderbreken her en der de vergezichten over weilanden en akkers. Via een vakantiehuisje en ogenschijnlijke kluizenaarshut kom je bij een fenomenaal gelegen bungalow.

‘Mijn opa wilde geen rechte weg aanleggen’, vertelt eigenaar Joop Bosch. ‘Hij heeft echt zijn best gedaan om er iets moois van te maken. Toen hij honderd jaar geleden naar deze streek kwam, was alles nog heide.’ Nu herinnert alleen de uitgang -veld nog aan de oorsprong van dit gebied.

Het Marleseveld vertelt het verhaal van de ontginning van de woeste gronden die tot diep in de 20ste eeuw grote delen van Oost-Nederland bedekten. Dankzij de introductie van kunstmest konden deze schrale gronden productief gemaakt worden om de groeiende bevolking van industrialiserend Europa te voeden. Deze spectaculaire ontginning valt af te lezen aan het landschap, maar is – in dit geval – ook te ontdekken in een handgeschreven boek door de ontginner van dit gebied, Engbert Gerrit Denneboom (1896-1983), een boerenzoon uit Enschede. Het overzicht van zijn pionierswerk biedt een schitterend inkijkje in de geschiedenis van dit jonge ontginningslandschap.

Joob Bosch met zijn opa Gerrit Denneboom, 1964.

De Kolonie

In de zomer van 1916 kwam in Wierden het gebied de Kolonie te koop. De jonge Denneboom ging er samen met zijn vader per fiets vanuit Enschede op af. Bij Hoge Hexel vroegen ze een schaapherder de weg. De man raadde hen af om verder te gaan, zo slecht als de weg was. Na bezichtiging van de grond kochten ze op de veiling maar liefst 110 hectare, overwegend heide, met boerderijen de Jente en het Kinkhuis. Ze bouwden op de Kolonie een huisje met paardenstallen, om de ontginning ter hand te kunnen nemen.

De familie Denneboom had in Zuidoost-Twente al ervaring opgedaan met het ontginnen van heidegrond. Ze begonnen met het egaliseren van de grond met behulp van kiepkarren op smalspoor. ‘Ik moest het paard mennen, bakken kiepen, het paard er aan de andere kant voor zetten, lege bakken brengen en volle weer halen’, schreef Denneboom in 1915. Een grondwerker en zijn zoons hanteerden de schop. In het voorjaar volgde het ploegen en inzaaien.

Gerrit Denneboom met dochter en kleinkinderen op het Marleseveld, 1970. 

In de Kolonie volgden ze hetzelfde procedé en namen 20 hectare op de schop. Maar de resultaten vielen bar tegen. De rogge mislukte volledig en de grond moest opnieuw bewerkt worden. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog kon men ook moeilijk aan kunstmest komen. Ter compensatie van de verliezen met de akkerbouw begon Denneboom ook in hout en paarden te handelen, wat hem goed afging. In 1921 trouwde Denneboom met Johanna Geertruida Smelt (1899-1961) en kwam dadelijk de eerste van hun drie dochters ter wereld.

Geleidelijk aan begonnen de investeringen vruchten af te werpen. ‘Daar er betere resultaten in de ontginning te zien waren, werd het werken ook plezieriger’, schrijft Denneboom in 1923. Met steun van zijn vader breidde hij de cultuurgronden steeds verder uit. In 1928 verhuurde Denneboom de Kolonie aan een ander en ging hij zelf tijdelijk in een zomerhuisje verderop wonen, om dat ook tot boerderij te ontwikkelen. Intussen verbouwde ook hij tientallen hectare graan en aardappels in eigen beheer. Daarnaast hield hij koeien, deels voor de export en deels voor de melk, zodat hij wat meer geregelde inkomsten had. ‘’s Morgens om 7 uur moesten we klaar zijn met het melken, daar er dan weer andere werkzaamheden op ons wachtten.’

Het echtpaar Denneboom-Smelt.

Denneboom greep als een echte ondernemer alle mogelijkheden aan om vooruit te komen: ‘In overleg met vader heb ik in 1927 van Rutgers uit Hellendoorn een Fordson tractor, een vleugeleg en een tractorploeg gekocht. Naar mijn mening had ik nu minder hulp nodig en dus kon ik voordeliger werken. Maar er moest nog meer geïnvesteerd worden o.a. twee wagens op luchtbanden en een graanmaaier zelfbinder. Door deze investeringen verliep het werk veel sneller.’ De trekker zou in de oorlog door de Duitsers gevorderd worden, zodat Denneboom weer met paarden moest werken.

Heidemaatschappij

Als een ware pionier bleef de boerenzoon investeren in heidegronden. In 1938 kocht hij van verschillende eigenaren percelen heide in het Bruineveld (18 ha), in 1939 het Ruinerveen (20 ha) en in 1940 het Witteveen (21 ha). Het Bruineveld verkocht hij na de ontginning door, terwijl hij het Ruiner- en Witteveen via de Nederlandse Heidemaatschappij goeddeels door werklozen liet ontginnen: ‘Er werden zoveel mogelijk mensen aan het werk gezet. Het land dat geschikt was voor bouw- en weiland werd zoveel mogelijk eerst ontgonnen en dat wat geschikt was voor bos kwam daarna aan de beurt. In de herfst van 1941 werd de geschikte grond bemest en met rogge ingezaaid.’ De oorlogsjaren legden hem – zoals veel grondbezitters – geen windeieren. 1942: ‘De gewassen waren over het algemeen goed en de prijzen werden ook al beter. Dat was wel een vooruitgang.’

Een koppel Limousin-koeien in het Marleseveld.

In 1952 werd Denneboom gevraagd of hij nog belangstelling had voor ‘een mooi stuk heide’ in de gemeente Hellendoorn, namelijk het Marleseveld dat tegen de Kolonie aanlag. ‘Moeder had er geen belangstelling meer voor. Ze vond dat we het nu maar eens rustiger aan moesten doen. Toen ik de prijs per ha. wist kon ik het toch niet laten om het te kopen.’ De Heidemij werd ingeschakeld bij de ontginning. Een jaar later kon de eerste rogge en haver geoogst worden. Daarna was er eindelijk tijd voor een reis naar Zwitserland. ‘Moeder had altijd al wel graag een buitenlandse reis willen maken, maar het is altijd mijn schuld geweest, dat dit niet gebeurd is, omdat ik dacht dat het niet kon om het werk. Ik dacht altijd dat dit het voornaamste was, maar zo is het niet.’

De oprijlaan richting de bungalow op het Marleseveld.

In 1961 – het jaar dat Denneboom zelf voor het eerst AOW kreeg – overleed zijn vrouw. Vier jaar later verdeelde hij zijn bezit onder zijn drie dochters, elk een boerderij. Zelf bleef Denneboom tot in het jaar van zijn dood bezig met het verzorgen van zijn vee en onderhoud van zijn nalatenschap. Vanaf het begin van de ontginning had hij veel aandacht besteed aan de aankleding van het landschap met houtwallen, bosjes en drinkpoelen. Op zijn oude dag snoeide hij nog alle loofbomen, meer dan 1000 in totaal. Zes jaar voor zijn dood schreef hij de laatste notities over zijn pionierswerk: ‘In oktober ben ik begonnen om op ongeveer 2 meter alle dooie takken van de fijnspar en de larix in het dennenbos af te hakken. Ik ben er twee maanden druk mee geweest, maar ben toch blij dat alles er nu weer netjes uitziet.’

Door Ewout van der Horst
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De onbekende havezate Elsen bij Rijssen

Van alle kastelen en kasteeltjes in Twente gaat Elsen misschien het verst terug in de tijd, maar er is niets meer van over. In 1188 werd het kasteel voor het eerst genoemd, niet als havezate, maar als boerderij onder de naam Effinc. De boerderij behoorde toe aan de graaf van Dahl, de heer van Diepenheim.

Elsen is nooit een groot kasteel geweest, te denken valt aan de formaten van een spieker, een graanopslagplaats. Het huis lag in het gelijknamige buurschap, dat nog steeds vredig tegen de es ligt. Rondom deze es liggen prachtige boerderijen, waarvan er één Effink wordt genoemd. Echter, de havezate stond niet op die plek. Boerderij en kasteel zijn niet dezelfde.

Groeiend papisme

In de archieven is over bewoners van Elsen weinig te vinden. Er is voornamelijk sprake van leenheren die het goed in leen hadden of beleenden. Soms was het belangrijk om een havezate in bezit te hebben, zodat de eigenaar ervan deel kon uitmaken van het provinciale bestuur. Soms was het slimmer om het goed van de hand te doen. Eigenaren wisselden elkaar af. Over een paar van hen is iets meer bekend, zoals Johan van Laer de oude, die Elsen na 1612 in bezit kreeg. Als bezitter van de havezate mocht hij in 1619 verschijnen in de Ridderschap van Overijssel. Na zijn overlijden erfde zijn vrouw Anna van Munster het. Zij stelde het huis open voor mensen met het katholieke geloof, die door de godsdiensttwisten die Europa teisterden behoorlijk in het nauw waren gedreven. Het werd druk op Elsen, zouden we kunnen zeggen. Het stadsbestuur van Deventer zag dit groeiende papisme met lede ogen aan. De weduwe stierf in 1638. Het goed werd verkocht aan kapitein Willem van Haersolte, die benoemd werd tot drost van Bredevoort en daar ook ging wonen met vrouw en acht kinderen. Elsen stond weer leeg.

Ontploffing in Bredevoort

In juli 1646 ontplofte in Bredevoort de kruittoren door een blikseminslag. Bij deze ramp kwamen veertig mensen om het leven. Drie dagen lang werd in het puin wanhopig naar overlevenden gezocht. Een van de dodelijke slachtoffers was sergeant Stoffel Stoffels. Zijn dochter Hendrikje is wellicht de bekendste inwoner van Bredevoort. Als gevolg van de ramp ging zij noodgedwongen in Amsterdam als dienstmeisje in de kost bij een bekend schilder. We weten hoe Hendrikje eruit zag, omdat haar schilder-minnaar Rembrandt haar op het doek heeft vastgelegd. Overleefde Hendrikje de catastrofale ontploffing, de drost Willem van Haersolte en zijn gezin moesten het met hun leven bekopen. Slechts een kind, Antony van Haersolte, bleef in leven. Hij was ongeveer zes jaar oud toen hij Elsen erfde. Na zijn studie in Leiden werd hij als bezitter van Elsen in 1657 verschreven in de Ridderschap van Overijssel. Antony had veel politieke invloed. Het is niet duidelijk of hij op Elsen woonde. Het kasteeltje telde in 1675 twee vuursteden, waaruit blijkt dat het gebouw in elk geval meer was dan een graanopslagplaats.

Portret van Hendrickje Stoffels, ca. 1650 - 1654. Door Rembrandt van Rijn, olieverf op doek, Louvre, Parijs.

Arent van Raesfelt tot Elsen

De Van Haersoltes bleven ruim een eeuw eigenaar van Elsen. De laatste Van Haersolte was Coenraad Willem. Ook hij woonde er niet, maar verhuurde het aan een jager. Uiteindelijk werd de havezate, met het goed, de bijbehorende erven, venen en rechten verkocht aan Arend van Raesfelt (1725-1807). Hij noemde zich Van Raesfelt tot Elsen. Er is een portretje van hem bekend uit 1781. Een bollige man, die compleet met harnas en blazoen knielend staat afgebeeld. Op een kaart uit zijn tijd (1783) staat Elsen aangegeven als ’t Huys te Elssen. Het is een vierkant gebouwtje, omringd door een gracht. De kaart is voor zover bekend topografisch redelijk betrouwbaar. Het ziet ernaar uit dat Elsen slechts een vuurstede had in die tijd. Voor Arend was het bezit van de havezate belangrijk voor het uitoefenen van zijn functie drost van Haaksbergen en Diepenheim, want daarvoor had hij een havezate in dezelfde regio nodig. Of Arend er woonde valt zeer te betwijfelen.

Arend van Raesfelt tot Elsen (1725-1807) door J.A. Boland in 1871.

Elsen verbrand

In 1821 brandde Elsen af. De verbrande resten, de boerderijen en de landerijen werden op een publieke veiling te koop aangeboden. Sommige bronnen beweren echter dat de havezate al in 1807 was afgebroken. In ieder geval werd de hele boedel en inboedel verkocht. Het land werd gehuurd door Berend Reef. Deze naam klinkt af en toe nog in de buurschap, maar niemand weet meer waar de havezate precies stond. Bij een ruilverkaveling in 1984 werden de percelen op en rond de glooiende es opnieuw ingedeeld, waarbij alle sporen van Elsen zijn uitgewist. De grachtresten werden geëgaliseerd om nooit meer terug te worden gevonden. Gelukkig hebben we de kaarten nog. Daaruit kan worden opgemaakt dat het huis stond in de bocht van de Seinenweg, ergens aan de rechterkant.

’t Huys te Elssen op de Hottingerkaart van 1883 (het noorden is links).

Bronnen:

- Kolkman, J. [e.a.] De marke van Elsen (Stichting Heemkunde Markelo) z.j.
- Hoitink, Y. www.heerlijkheidbredevoort.nl (2009). 
- Gevers, A. J. en A. J. Mensema De havezaten in Twente en hun bewoners (2011). 
- Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed www.rce.nl in: Bronnen en kaarten. Archeologie in Nederland AMK en IKAW (2018) W4864 en W2576. 
- Fryske Akademy www.hisgis.nl (2018).

*Titelfoto: Elsen (net boven de Vriesen Berg) op de kaart van Krayenhoff uit 1807. (collectie HCO)

Door Ester Smit
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Naar de plek van...

Vincent Robijn: 'De Moderne Devoten trokken hun eigen plan'

Tijdens zijn jeugd op Ameland belandde hij met zijn studiebol op de Mavo. Toen bleek dat de man die regelmatig zijn studieboeken in de container gooide zijn stiefvader was, begon een zoektocht naar de identiteit van zijn biologische vader. Zelfontwikkeling en eigen waarheidsvinding staan daarom hoog in het vaandel bij Vincent Robijn, sinds februari dit jaar directeur van het Historisch Centrum Overijssel, stichting Allemaal Zwolle en de IJsselacademie. Zijn favoriete Overijsselse plek is de Agnietenberg in Zwolle, broedplaats van de Moderne Devotie.

'De Moderne Devotie spreekt mij enorm aan', zegt Vincent Robijn: 'omdat de Moderne Devoten hun eigen plan trokken en aan zelfstudie deden. Die concepten en ideeën van de Moderne Devotie zijn deels hier in het bergklooster op de Agnietenberg ontstaan en leven tot op de dag van vandaag voort.' Robijn wil dan ook met Zwolle en Deventer samenwerken om de Moderne Devotie als cultureel erfgoed van Overijssel landelijk op de kaart te zetten.

De entree van de begraafplaats Bergklooster op de Agnietenberg in Zwolle.

Geert Groote

De Moderne Devotie is een religieuze sociale beweging aan het einde van veertiende eeuw die persoonlijke religieuze beleving, zonder tussenkomst van een geestelijke, centraal stelde. De beweging ontstond in Deventer rondom Geert Groote, die daar de eerste woongemeenschappen stichtte. Hun voornaamste bezigheden waren de zorg voor de studerende jeugd en de verbetering van de leefomstandigheden van de bevolking.

Thomas a Kempis

De ideeën van Geert Groote werden verder uitgewerkt door Thomas a Kempis die in 1406 tot het bergklooster in Zwolle toetrad. Hij schreef hier zijn boek De Imitatione Christi (De navolging van Christus). Robijn: 'Het is naast de bijbel het meest verspreide boek ter wereld en het wordt geclaimd door allerlei religies. Met een boekje in een hoekje, dat was een uitspraak van de Moderne Devoten. Het waren pennenbroeders met spectaculair mooie handschriften. Een aantal van deze topstukken is in het bezit van Historisch Centrum Overijssel.'

Beeld van Thomas a Kempis, een fragment van het monument aan hem gewijd in de RK St. Michaëlskerk in Zwolle, die in de jaren '70 van de vorige eeuw is afgebroken.

Van Cele tot Cibap

Het onderwijs speelde een belangrijke rol bij de verspreiding van de idealen van de Moderne Devotie. Johannes Cele, vriend van Geert Groote, en rector van de Latijnse school in Zwolle is de grondlegger van het gymnasium. Zijn schriftuitleg en onderwijs beïnvloedden scholieren en burgers. 'De onderwijsontwikkeling, Van Cele tot Cibap (creatieve vakschool voor de verbeelding in Zwolle), wil ik graag laten zien', zegt Robijn. Er liggen zo veel verhalen in de depots van het Historisch Centrum Overijssel. Die wil ik ontsluiten, ermee spelen, verbindingen leggen.' Robijn: 'Ik zie toekomst in het HCO als erfgoedinstelling. Van het beheren van archieven naar het vertellen van verhalen, die uit de archieven opstijgen. Wij willen de hoeders zijn van het papieren erfgoed, want wij kunnen de bronnen nog interpreteren en het oude schrift lezen.'

Van het bergklooster is alleen de begraafplaats bergklooster nog over. Bij een uitgang van de begraafplaats staat een monument ter nagedachtenis van Thomas a Kempis, ontworpen door de architect Pierre Cuypers.

Levensverhaal

Zelfontplooiing en eigen waarheidsvinding van de Moderne Devoten sluit aan bij Robijns levensverhaal over zijn jeugd op Ameland en de zoektocht naar de identiteit van zijn biologische vader. Omdat zijn moeder geen informatie gaf, was hij aangewezen op archieven en deed hij zijn eigen bronnenonderzoek. Hij stuitte op archieven die 75 jaar ontoegankelijk moesten blijven vanwege privacy. Robijn: 'Als professional snap ik dat, maar als het jezelf betreft is het enorm frustrerend. Via een contactpersoon in de Haagse moskee kreeg ik toegang tot de Turkse gemeenschap en heb uiteindelijk mijn inmiddels overleden vader en zijn Turkse gezin gevonden. Een DNA test leverde een paar jaar geleden het definitieve bewijs. Mijn zoektocht naar mijn biologische vader heeft bijgedragen aan mijn fascinatie voor geschiedenis en verhalen. Mijn liefde voor boeken en handschriften bracht mij bij Middeleeuwse Geschiedenis. Alles komt samen in mijn nieuwe functie als directeur van het Historisch Centrum Overijssel.'

Door Door Schokkenbroek
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De niet zo vrije kolonie Willemsoord

‘Een losbandig en ontuchtig levensgedrag en daaruit voortgevloeide zwangerheid!’ Voor deze aanklacht moest de 21-jarige Johanna Godel in 1825 verschijnen op een zitting van de Raad van Tucht in de vrije kolonie Willemsoord. Godel bekende zwanger te zijn, maar vroeg de Raad om hierover ook te spreken met ‘den jongen kolonist Jan Snoek, die haar tot deze misdaad verleid heeft’. Vanaf dat moment ontspint zich een ware kolonieklucht.

Toen Snoek twee weken later voor de Raad verscheen bleek namelijk dat hij ‘een meerlijke verkering’ gehouden zou hebben met zowel Johanna Godel als met Johanna Grollee, dochter van kolonist Antonie Grollee. De gezinnen Snoek en Grollee woonden in Willemsoord tegenover elkaar op de hoeves 53 en 54, de huidige Koningin Wilhelminalaan 32 en 21. De 17-jarige Johanna Grollee verklaarde dat Snoek ‘onderscheidene malen, op ene geweldige wijze getracht heeft, haar tot oneerbaarheid en ontucht over te halen’, en dat hij haar zelfs een keer ‘enen daalder in den schoot had geworpen’, maar dat zij ‘door het aanwenden harer krachten, steeds hare eer bewaard had gehouden’.

Omstreeks dezelfde tijd had Snoek zijn oog ook laten vallen op Johanna Godel, die even verderop op hoeve 60 (Kon. Wilhelminalaan 24) woonde. De huismoeder van Godel verklaarde aan de Raad dat Snoek met Godel op ‘verscheidene zondagavonden op ene buitengewone wijze had gespeeld en gestoeid’. Met als resultaat de genoemde zwangerschap. Snoek zelf ontkende ooit met Godel ‘verkering gehad te hebben, op welke verklaring hij zelfs gereed is, eden te doen’. Met Grollee daarentegen gaf hij toe ‘oneerbaar geleefd te hebben’. Het zou hem zelfs niet verwonderen ‘wanneer deze zwanger van hem was geworden’. Een ogenschijnlijk slimme uitleg, want het was juist Johanna Godel die in verwachting was en niet Johanna Grollee.

Koningin Wilhelminalaan 21 (rechts) en 32, waar de gezinnen Grollee en Snoek woonden. (foto: Martin van der Linde)

De leden van de Raad van Tucht geloofden niks van Snoeks verhaal. Zij waren ervoor aangesteld de ‘zedeloosheid en ontucht’ zoveel mogelijk uit de koloniën te weren. Een strenge straf kon daarom niet uitblijven. Zowel Snoek als Godel werden ‘uit hoofde hunner begane ontucht en hare zwangerheid’ per direct veroordeeld naar strafkolonie de Ommerschans. Omdat alleen Grollee ‘hare eer’ had weten te bewaren, kwam zij er van af met de ernstige vermaning dat ‘ze zich voortaan niet meer met zodanige jongens’ op moest houden.

Vrije kolonie

De zaak van Snoek, Godel en Grollee is een goed voorbeeld van de gevolgen van de kadaverdiscipline die de Maatschappij van Weldadigheid en oprichter Johannes van den Bosch van zijn kolonisten eiste. Willemsoord heette dan wel een vrije kolonie, maar die benaming kwam alleen voort uit het feit dat armoedige gezinnen en wezen zich 'vrijwillig' in de kolonie lieten opnemen. De term betekende zeker niet dat de bewoners konden doen en laten wat ze wilden. De omvorming van een ‘ontzenuwd en verbasterd menschengeslacht’ tot ‘goede, ijverige en brave ingezetenen’ ging nu eenmaal niet vanzelf.

Integendeel, de Maatschappij had een uitgebreid arsenaal aan regels opgesteld voor het leven in de kolonie. Zo mochten de kolonisten het gebied niet zonder toestemming van de directeur verlaten, was hard werken en zondagse kerkgang verplicht, en verklaarde de Maatschappij de kroeg tot verboden gebied. Overtredingen werden streng bestraft door de speciaal ingestelde Raad van Tucht. De consequentie was dat wie eenmaal in het systeem van de Koloniën van Weldadigheid zat er maar moeilijk weer uit kon komen.

De kolonie Willemsoord te zien van het Steenwijker Woud. Prent door Dirk Sluyter, 1820. (Gemeentearchief Steenwijkerland)

Van de regen in de drup

Iemand die ook in het systeem van de Maatschappij van Weldadigheid verstrikt leek te raken was kolonist Jacob Walbroek en zijn huisgezin. Walbroek was door ‘de waakzaamheid der politie te Blokzijl’ aangehouden toen hij zich wilde inschepen ‘om zonder ontslag of verlof de kolonie Willemsoord te verlaten, om naar Holland te vertrekken’. Als reden voor zijn vertrek verklaarde Walbroek dat hij van een mede-kolonist had gehoord dat ‘alle zwakke huisgezinnen, welke hunne voeding en kleding niet konden verdienen, overgeplaatst zouden worden naar ene der etablissementen te Veenhuizen’. Walbroek, ‘zwak van lichaam zijnde’ was bang dat hij hiervoor in aanmerking zou komen, ondanks het feit dat hij 'gedurende zijn 5-jarig verblijf alhier, veel genoegen en een behoorlijk bestaan had gehad’.

De Raad van Tucht oordeelde dat hoewel op Walbroeks gedrag ‘op zich niets viel aan te merken’ en hij zich in de kolonie ‘braaf heeft gedragen, waardoor hij de achting van velen heeft gewonnen’, de wetten en reglementen van de Maatschappij gehandhaafd moesten worden. Desertie moest worden tegengegaan. De familie, die tot dan toe goed bekend stond, raakte zo van de regen in de drup en moest alsnog naar de gevreesde strafkolonie toe. Niet bepaald een aantrekkelijk vooruitzicht, zo dacht ook Walbroek, want negen dagen later deed hij opnieuw een poging om de kolonie te ontvluchten. Deze keer met succes. De familie keerde naar hun thuisstad Rotterdam terug.

Ontslag

Voor wie eenmaal in het systeem zat, bleek vertrek uit de kolonie dus geen eenvoudige zaak. De enige officiële terugkeermogelijkheid naar de gewone maatschappij, was ontslag vanwege goed gedrag. Van Snoek, Grollee en Godel zou alleen laatstgenoemde uiteindelijk deze weg bewandelen. Snoek koos drie maanden na zijn veroordeling al het hazenpad. Hij ontvluchtte de Ommerschans en verdween voorgoed. Grollee woonde tot haar dood in 1888 in de kolonie Willemsoord. Godel schonk in de Ommerschans het leven aan een dochtertje, dat kort daarop al overleed. In 1828 kreeg ze voor onbepaalde tijd verlof om elders als dienstmeid te gaan werken. Een jaar later verleende de Permanente Commissie haar definitief ontslag uit de kolonie. Ze zou trouwen met een 'landman die een behoorlijk bestaan heeft'. Missie geslaagd, zou Johannes van den Bosch zeggen.

Werelderfgoed

Op 30 juni besloot de Unesco de Koloniën van Weldadigheid voorlopig nog niet de status van werelderfgoed toe te kennen. De Nederlandse plaatsen Veenhuizen, Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord en Ommerschans en Wortel en Merksplas in België hoopten de erestatus ter veroveren met hun voormalige koloniën, maar volgens de Commissie voor het Werelderfgoed is de wens nog niet voldoende onderbouwd voor een toekenning van de beschermde status. De stuurgroep achter de nominatie krijgt nog een jaar de tijd om de aanvraag aan te passen.

De IJsselacademie heeft op MijnStadMijnDorp een speciale themapagine gemaakt over de in Overijssel gelegen Koloniën van Weldadigheid, Willemsoord en Ommerschans. Klik hier om deze pagina te bekijken. 

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselse Topstukken

Basis voor de Twentse zoutindustrie ligt in een kistje

Overijssel kent vele musea en historische verenigingen die een bijzonder topstuk in hun bezit hebben, die we graag onder de aandacht brengen. Dit keer is dat een kistje uit 1886 in het Zoutmuseum in Delden.

In een vitrinekast in het Zoutmuseum staat een klein houten kistje met 12 vakjes. Op het oog is het een gewoon kistje, gevuld met zand en gruis. Maar in vakje nummer 77 zit iets heel bijzonders, vertelt Siety Mallekoote, gids van het Zoutmuseum. ‘Hier is het allemaal mee begonnen.’

Vakje nummer 77

In vakje nummer 77 van het kistje zit het allereerste zout dat op landgoed Twickel uit de bodem is gehaald. ‘In 1886 liet Rodolphe Frédéric baron van Heeckeren, heer van Twickel, boringen op huispark Twickel verrichten. Hij was op zoek naar drinkwater voor de bewoners van het kasteel en Delden. Helaas kwam er alleen brak water naar boven, ongeschikt voor consumptie’, vertelt Mallekoote. ‘De baron besloot daarom een gespecialiseerd boorbedrijf uit Duitsland dieper te laten boren. Dit bedrijf stuitte bij 500 meter diepte op een zoutlaag. Het zout van deze eerste boring is bewaard gebleven en is te zien in ons museum.’

Rodolphe Frédéric baron van Heeckeren van Wassenaer (1858-1936). (Zoutmuseum Delden)

Basis voor zoutindustrie

De ontdekking van zout op landgoed Twickel was de basis voor de latere zoutwinning in Boekelo en de AKZO-zoutindustrie in Hengelo. Toch werd in eerste instantie niet veel met de vondst gedaan. ‘Het huispark op Twickel was net vernieuwd en de baron wilde geen zoutwinning op zijn terrein. De gegevens van de boringen werden in 1886 opgeslagen in de archieven van het landgoed en waren bekend bij de Nederlandse regering, maar verder gebeurde er niets.’

Bereikbare zoutlaag in Boekelo

Tot 1917 kwam het zout dat in Nederland werd gebruikt uit Duitsland en West-Indië, maar tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog stopte deze handel vanwege de sterk verhoogde Duitse belasting op zout. Mallekoote: ‘Op dat moment herinnerden enkele zoutzieders zich dat er in Overijssel zout gevonden was op landgoed Twickel. De Nederlandse regering gaf toestemming om dit verder te onderzoeken en in 1917 en 1918 werden er proefboringen gedaan in de Achterhoek en in Twente. In de buurt van Boekelo trof het boorbedrijf een bereikbare zoutlaag aan. Omdat daar al een spoorlijn aanwezig was, kon het zout makkelijk vervoerd worden en koos men voor Boekelo.‘ Nadat in 1918 de zoutwinning in Boekelo van start was gegaan, werd in 1933 begonnen met het boren naar zout in Hengelo. De verplaatsing van de hoofdvestiging van de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie (KNZ) naar Hengelo volgde in 1935. Toen het Twentekanaal in 1938 in gebruik werd genomen, kon het zout ook per schip vervoerd worden.

Karakteristiek beeld van een (oud) zouthuisje. (Historische Kring Haaksbergen)

Zee op de heide

De zoutindustrie betekende veel voor de werkgelegenheid in Twente. ‘Om de Twentenaren ook te laten genieten van zout water, zonlicht en zilte lucht, kwam de KNZ met het idee van “de zee op de heide”. In 1934 opende de KNZ een natuurzwembad met zout water en een kunstmatige golfslag, wat voor die tijd een ongekende attractie was. Het landelijk populaire zoutwatergolfbad ‘Bad Boekelo’ is in 1985 gesloten. Op deze plek is nu het hotel Bad Boekelo gevestigd.’

Bad Boekelo in vol bedrijf, ca. 1950. (beeldbank HCO)

Levensbehoefte

De zoutwinning in Twente was en is nog steeds van enorme betekenis, zegt Mallekoote. ‘Zout is een levensbehoefte. Niet alleen is de dagelijkse consumptie van zout noodzakelijk voor het functioneren van ons lichaam, maar ook de zoutoplossingen in ziekenhuizen, toegediend bij uitdroging en vaak in combinatie met medicijnen, wijzen op het grote belang van zout voor ons leven. 10 procent van al het zout uit onze Zoutmarke, het gebied tussen Enschede, Haaksbergen, Hof van Twente en Hengelo, wordt gebruikt voor consumptie en 10 procent voor gladheidsbestrijding op onze wegen. Maar liefst 80 procent gaat naar de industrie. De chemische naam voor zout , natriumchloride, zegt het eigenlijk al: zout bevat chloor. En chloor heb je nodig voor de productie van bijvoorbeeld kunststof voor kozijnen, rioolbuizen, dashboards, huishoudelijke apparaten en desinfecterende middelen.’

Boormachine zoals die vroeger functioneerde in de zouthuisjes. (Historische Kring Haaksbergen)

Nog steeds draait de zoutindustrie van Twente op volle toeren. ‘De jaarlijkse productie is 2,5 miljoen ton. Als je je wilt voorstellen hoeveel dat is: daarmee kun je een goederentrein van Hengelo naar Genève vullen. En wat zo bijzonder is: de oorsprong van de Twentse zoutindustrie ligt hier in het Zoutmuseum. In een klein houten kistje in vakje nummer 77.’

Over het Zoutmuseum

Het Zoutmuseum staat in het centrum van Delden. Het is het enige museum in Nederland dat zout als thema heeft. Het museum vertelt het complete verhaal over zout in al zijn facetten: de historische betekenis van zout, de huidige rol van zout in ons dagelijks leven en zout als grondstof voor de industrie. En natuurlijk het verhaal van de zoutwinning in Twente. Van de eerste vondst op landgoed Twickel tot de huidige boringen en verwerking door AkzoNobel. Dit wordt op een speelse en educatieve manier belicht.

Meer weten over het Zoutmuseum? Klik hier voor een reportage van RTV Oost over Verborgen Museumschatten in Overijssel. 

Door Sabine Melenhorst
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Tiggeljong. Het verhaal van Yp, de steenfabriekarbeider

De historische roman Tiggeljong vertelt het indringende verhaal over sociale armoede, werk en huisvesting in de periode 1860 – 1890. Over de armsten, degenen die werden uitgebuit, het steenfabrieksvolk. ‘Tiggeljong’ Yp, de Hogelandsters sprekende hoofdpersoon, wil zich hieraan ontworstelen. Alles wat deze periode kenmerkt, komt in zijn verhaal tot leven: de hongerwinters, de stakingen, de crisis, de armenhuizen en de mechanisatie. Bijzonder is ook dat de dialogen geschreven zijn in het dialect van de oorden waar Yp woonde en werkte, namelijk de steenfabrieken bij Strating in Oude Pekela, Boogerd in Noordscheschut, Hengforden in Olst en ‘t Hoendernest in Voorst.

Uitgever: NoordPRoof Producties

ISBN 978 90 797 4215 8 | 160 pag. | € 13,95

Door Jan Bos

Belle Epoque. Twee Hollandse jongens in Parijs

Amsterdammer Johannes Henricus Jansen en Enschedeër Eduard Johan Niermans. De Amsterdamse meubelmaker-stylist verwierf internationale faam en de jonge Enschedeër ontwierp Franse cultuurjuwelen. Bevriend met Theo van Gogh, Renoir en Gerard Heineken. Toch hebben weinig Nederlandse kunstenaars na ruim een eeuw zó duidelijk, vaak zó monumentaal hun sporen achtergelaten in Parijs, in Frankrijk, zelfs overal in de wereld. Nu, precies 90 jaar na hun overlijden, komen ze geheel opnieuw tot leven. Amsterdammer Jansen en Enschedeër Niermans vertrekken, kort na elkaar, op jonge leeftijd naar Parijs. Parijs bruist aan het einde van de 19de eeuw. La Belle Époque. Niermans vestigt zich als architect en decorateur, Jansen als meubelmaker, binnenhuisarchitect en stylist. Beiden maken, elk op eigen kracht en onafhankelijk van elkaar, onwaarschijnlijk snel carrière in de Franse hoofdstad.

Niermans wordt omschreven als: ‘Een kleurrijk architect, familie van vlinders en kolibries, liefhebber van marmers en mozaïeken, initiator van een artistieke beweging. Een fabuleuze decorateur, die zich ontwikkelt tot een ordonnateur in drie dimensies’. Het fraai vormgegeven, rijk geïllustreerde, genaaid, gebonden boek bevat tevens een overzicht van de woon-en werkplaatsen van Jansen en Niermans en van hun objecten. In het ongelofelijk goed gedocumenteerde boek van Jan Kees Kokke komt la belle époque opnieuw tot leven. Door zijn enthousiasmerende schrijfstijl met aansprekende en geestige feiten waant de lezer zich in het Parijs van toen, wandelt hij of zij virtueel door het bruisende hart van een stad die nog niets van zijn grandeur heeft verloren’, schrijft Ed Kronenburg, zijne majesteits ambassadeur te Parijs (2012 tot 2017) in een voorwoord.

Uitgever: Uitgeverij Belle Epoque

ISBN 978 90 827 7900 4 | 192 pag. | € 24,50

Door Jan Kees Kokke

Kamp Erika & kamp Erica

De geschiedenis van kamp Erika kan in vier perioden onderverdeeld worden.
1941-1942, opbouw van het kamp en aanstellen van de bewaarders.
1942-1943, het kamp dient als opvang voor gevangenen van justitie.
1943-1944, het kamp dient als plaats voor werkweigeraars en arbeidsschuwen.
1944-1945, de periode van schrikbewind onder de Staatspolizei.
Na de oorlog krijgt het kamp de naam Erica en worden er NSB-ers en andere pro-Duitsers opgesloten. Grootenhuis heeft dit boek geschreven, omdat hij vond dat in alle publicaties die er over het kamp geschreven waren, de waarheid nog steeds niet volledig boven tafel was gekomen: namen die door elkaar gehaald werden, artikelen met fouten en onwaarheden. Grootenhuis heeft zich middels uitgebreid bronnenonderzoek en interviews met direct betrokkenen grondig verdiept in de geschiedenis van het kamp.

Uitgever: Uitgeverij Heijink, Hardenberg

ISBN 978 94 636 7863 6 | 126 pag. | € 17,95

Door Wim Grootenhuis

Leven rondom de Berg. Geschiedenis van Luttenbergers

Luttenberg, een dorp midden in Salland, heeft een onverwacht rijke geschiedenis. Leven rond de berg verhaalt over Luttenberg ten tijde van de heren van Wisch die het in 1318 in deze contreien voor het zeggen hadden. Maar ook over de Hof, de havezate en de marke. Over de strijd tegen Raaltenaren en buitenlandse troepen; over de Boerschop, de Brunsel en de Elskamp, het agrarisch leven en oude boerderijen; over de middenstand en het verenigingsleven. U vindt er informatie over prehistorische vondsten, over de Tweede Wereldoorlog, Indiëgangers, het gebruik van bijnamen en over de invloed van de katholieke kerk. U leest hoe het kerkdorp in de negentiende eeuw zijn huidige vorm kreeg: een parel in het Sallandse land. Dat alles, en méér, gelardeerd met interviews en persoonlijke verhalen, foto’s en portretten, documenten en kaarten. Een boek zoals nooit eerder over Luttenberg is verschenen.

Uitgever: Stichting Luttenberg 700

ISBN | 230 pag. | € 29,95

Door Stichting Luttenberg 700

De strafkolonie

In 2018 is het tweehonderd jaar geleden dat de eerste Kolonie van Weldadigheid werd opgericht, met een ambitieus plan dat z’n gelijke niet kende: door middel van landbouw ‘den toestand der armen en lagere volksklassen verbeteren’ en ze verheffen tot beschaafde burgers. Hoe ging dat verzedelijken en beschaven in z’n werk? En werden deze mensen, kolonisten genoemd, er ‘betere mensen’ van? Al snel ontstond de behoefte aan een plek waar onzedige, onwillige kolonisten konden worden afgescheiden van de rest. Hiervoor werd een ‘strafkolonie’ ingericht, in eerste instantie op de Ommerschans en later, vanwege ruimtegebrek, ook in Veenhuizen. Wil Schackmann verwerkt de lotgevallen van ‘bannelingen’, inwoners en opzichters tot een levendige geschiedenis over een toegepast maakbaarheidsideaal.

Uitgever: Atlas Contact

ISBN 978 90 450 3611 3 | 344 pag. | € 21,99

Door Wil Schackmann

Een meraekel gesparrel

Een meraekel gesparrel, zo heet het nieuwe boek van ecoloog Harm Piek over Dwarsgracht. Het betekent zoiets als een lastig karwei, een heel gedoe. Een meraekel gesparrel, dat was het leven van de Dwarsgrachtigers die eeuwenlang geïsoleerd leefden van turfsteken, visserij, rietteelt en landbouw. Bijna nergens waren de inwoners in hun leven en werk zó verbonden met het landschap als hier in deze natte uithoek van Overijssel.

De basis van het afwisselende landschap met sloten, weilanden, rietvelden en bosjes ontstond toen de turf werd gewonnen. Daarna hielden boeren, vissers en riettelers het gebied met elkaar in stand. Dat was bittere noodzaak omdat ze anders hun beroep niet konden uitoefenen. Zonder ingrepen als maaien, beweiden en baggeren zou hier alleen nog ondoordringbaar moerasbos zijn.

Inmiddels zijn er geen boeren meer in het dorp, en ook de vissers en rietsnijders zijn verdwenen. Het landschap verandert daardoor in snel tempo. Voor de bekende ecoloog Harm Piek reden de bijzondere geschiedenis van zijn eigen dorp vast te leggen in het lijvige boekwerk Een meraekel gesparrel. Het boek móest ook nu geschreven worden, want in archieven is nauwelijks iets te vinden, en het aantal mensen dat de geschiedenis nog kan navertellen, neemt snel af.

Uitgever: Naobers van de Zudert

ISBN | 400 pag. | € 35

Door Harm Piek

De skoele verkroepen bi’j de krietkul

Het vertrek van de directeur van de IJsselacademie naar het Ministerie van Onderwijs vormt de aanleiding om eens wat dieper in te gaan op de Overijsselse woorden voor ‘school’ en de begrippen die daarmee samenhangen.

De combinatie van school en dialect is niet het meest voor de hand liggend. De school was immers de plaats waar de grote concurrent van het dialect, het Nederlands, werd aangeleerd – en voor veel kinderen was het ook de eerste kennismaking met het Nederlands. Voor dialectsprekende kinderen moet dat niet altijd een aangename kennismaking zijn geweest, en wellicht is dat de reden dat juist voor het ongeoorloofd schoolverzuim eigen woorden in het dialect bestaan, die verder gaan dan wat afwijkende klanken.

sch-oo-l

Allereerst het woord ‘school’. Dat komt, zoals wellicht bekend, van het Latijnse ‘scola’. De sk-uitspraak aan het begin van het woord is in het Fries, het Westfries, en ook in de aan Friesland grenzende dialecten van Overijssel bewaard gebleven. Kuinre, Giethoorn, Wanneperveen, Sint-Jansklooster, Vollenhove, Genemuiden, Hasselt en Zwolle zeggen ‘skoele’, Blokzijl heeft ‘skoel’, Kampen ‘skole’. De sk- komt ook voor in West-Twente: Nijverdal, Rijssen, Enter, Zenderen, en ook nog in Denekamp en Glanerbrug. In alle andere dialecten heeft de k-klank een (gedeeltelijke) aanpassing aan de voorafgaande s ondergaan: van een plofklank is deze tot een wrijfklank geworden, en heeft zich dus aangepast aan de voorafgaande s, die immers ook een wrijfklank is.

Een schoolklas van de OLS-Zalkerdijk, Westenholte, 1915. (collectie HCO)

De klinker in het woord kan ook variëren, zo zagen we hierboven al. In de Noordwesthoek, maar ook in de Vechtstreek vinden we de oe-klank die ook in het Engels en het Duits gebruikt wordt. In de rest van Overijssel vinden we de ook uit het Nederlands bekende oo, hoewel er nog altijd een wereld van klankverschil zit tussen de Overijsselse oo en de Standaardnederlandse oo. Er is één uitzondering: in Vriezenveen wordt ‘schoule’ gezegd.

De a van scola is in het Overijssels verzwakt tot e, en in het oosten van Twente zelfs helemaal afgevallen. In het Hollands (en het grotendeels daarop gebaseerde Nederlands) is de e ook weggevallen; het Blokzijls vormt daarvan de voorpost.

Bewaarschool en grote school

Ruim dertig jaar geleden werden kleuterschool en lagere school samengevoegd tot basisschool. Het woord ‘lagere school’ is echter nog volop in gebruik, ook om de basisschool mee aan te duiden. De lagere school werd vroeger ook wel aangeduid met de woorden ‘grote school, een begrip dat nog altijd niet vergeten is. Net als de lagere school is ook de kleuterschool in de basisschool opgegaan, maar de namen ervoor worden nog altijd herinnerd: ‘fröbelschool’, ‘kakschool’, ‘köttelschool’, ‘spölschole’ (alleen opgetekend in Deventer) en ‘kiepenskoele’. De laatste benaming komt voor in de beschrijving van het dialect van Vollenhove door Jaap Spa.

Hoewel ik in die plaats de kleuterschool heb bezocht (en daar ook het dialect heb leren spreken), ken ik het woord niet, en het is ook niet opgegeven door de informanten van het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten. Wel is ten behoeve van datzelfde woordenboek in Hardenberg ‘kuuken’ (kuiken) opgegeven als benaming voor een leerling (waarbij in het midden blijft welke school het betreft). Waar de nonnen de kleuterschool runden, werd ook wel gesproken van ‘zusterschool’. Overigens was het vroeger op het platteland vroeger niet gebruikelijk om de kleuterschool te bezoeken.

Kleuterschool aan de Hermanstraat te Hengelo, 1959. (collectie HCO)

Juffrouw en meester

De samenvoeging van kleuterschool en lagere school kreeg in de praktijk al gestalte doordat de leerkracht in beide typen onderwijs met ‘juffrouw’ werd aangeduid, in het kleuteronderwijs soms met het voorvoegsel ‘kleuter-‘ en op de lagere school met het voorvoegsel ‘school-‘. De vrouwelijke leerkracht op de lagere school werd in Vriezenveen aangeduid met ‘mäisteresse’, en in Brandlecht, vlak over de grens, met ‘mesterse’.

De mannelijke onderwijzer heet meestal ‘meester’ (voor de exacte uitspraak zie mijn bijdrage over burgemeester), maar ook minder vleiende benamingen als ‘frik’ en ‘krietkul’. In sommige plaatsen werd de schoolmeester als ‘meneer’ aangeduid. De meest gebruikelijke aanduiding voor het hoofd der school is ‘bovenmeester’.

Onderwijzers van de Laarschool in Goor, 1964. (Historisch Goor)

Hogere school

Na de basisschool volgt de middelbare school, en in aansluiting op lagere school werd die vaak de ‘hogere school genoemd. Ook ‘de andere school’ werd wel gebruikt, en vaak noemde men het schooltype: ULO, MULO (de L in deze woorden geeft aan dat het formeel gesproken niet om hoger maar om lager onderwijs ging), HBS etc. De aanduiding voor de docent was soms ook afhankelijk van het schooltype: zo iemand kon op de ULO ‘meester’, en op de HBS ‘meneer’ worden genoemd. Maar het kon ook zijn dat de ULO-leraar ‘meneer’ werd genoemd, en zijn collega op de ‘ambachtskoel’: ‘meester. Een lerares aan de huishoudschool werd aangesproken met ‘juffrouw’. Incidenteel werd een lerares ook wel aangeduid als ‘meesteres’.

Naar het vervolgonderwijs gaan werd vaak aangeduid als ‘deurleren’ of ‘vedan leren’, een scholier in het hoger onderwijs was dan ook ‘ene die deur of verdan leert’. Kwam je nog verder, dan kon het woord ‘leren’ ook weer verdwijnen, en dan zeiden de trotse ouders: “mien zönne döt veur onnewiezer”.

Leerlingen van de Rijks HBS aan de Bagijnesingel in Zwolle, 29 juni 1940. (collectie HCO)

Spijbelen

Voor het ongeoorloofd schoolverzuim heeft het dialect woorden die niet in het Nederlands voorkomen, en ook geen klankvariatie op een Nederlands woord zijn. Zo wordt in Kuinre en Oldemarkt gesproken van ‘de schoele verkrupen’ resp. ‘de schoele verkroepen’. Daarop lijkt ‘de skoele verlopen’, dat in Vollenhove, Genemuiden en Hasselt is opgetekend, en ‘de skole vergängelen’ (slenteren, drentelen, opgetekend in Rijssen). In Kampen spreekt men dan van ‘platlopen’.

Door Harrie Scholtmeijer
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselaars van Toen

Hermanna Molkenboer-Trip (1851-1911), een freule in Twente

Hermanna Elisabeth Trip groeide op in een adellijk milieu in het Friese Harlingen. Haar vader was jonkheer Scato Trip, een nazaat van de bekende Amsterdamse koopmansfamilie. Hermanna’s moeder was Martha Cornelia Blok. Hermanna was de oudste in een gezin van negen kinderen, vier meisjes en vijf jongens. In 1860 verhuisde de familie naar Deventer.

Nadat Hermanna's beide ouders overleden, ontfermden familieleden zich over de kinderen. In 1872 ging ze met haar zusje Jansje terug naar familie in Harlingen. In die jaren logeerde ze geregeld bij Hélène Visser, dochter van de burgemeester van Delden, met wie zij in haar kostschooltijd een innige vriendschap had. Hier leerde Hermanna in 1873 haar aanstaande man Johan Molkenboer kennen.

Oldenzaalsche Stoomweverij

Molkenboer, zoon van een van de directeuren van De Nederlandsche Bank in Amsterdam, was op dat moment de kersverse eigenaar van de Oldenzaalsche Stoomweverij. De weverij, in 1860 opgericht door tien Oldenzaalse ondernemers, was na een goede start failliet geraakt. Met behulp van familiekapitaal kocht Molkenboer in 1872 de fabriek voor 45.000 gulden, waarna hij deze voortzette onder de naam Oldenzaalsche Stoomweverij J.H. Molkenboer jr. Op 30 juni 1875 trouwde Hermanna met Molkenboer jr., waarna zij hun nieuwe patricierswoning aan de Steenstraat in Oldenzaal betrokken.

De fabriek van Molkenboer omstreeks 1900.

Zelfstandig, creatief en succesvol

Het ging niet goed met de fabriek, totdat Molkenboer zich ook op de Nederlandse en Europese markt ging richten. Hij verbeterde de kwaliteit van de linnen, halflinnen en katoenen weefsels en nam meer verschillende soorten stof in productie. In 1892 overleed Molkenboer na een kort ziekbed. Tot ieders verbazing besloot Hermanna – met hulp van de invloedrijke vrienden J. van Wulfften Palthe, C.T. Stork en D. Gelderman - zelf de fabriek te gaan leiden, iets wat men in de mannenwereld van toen helemaal niet vond passen.

Een advertentie van Molkenboer in de Zwolsche Courant, 1898.

Hermanna legde zich toe op het verfijnen van de weefsels en op meer keuze in de producten: linnengoed, uitzetten, tafellakens en servetten in damastweefsel met monogrammen, handdoeken, theedoeken, stofdoeken, zakdoeken, vlaggen. Via advertenties in onder meer de Zwolsche Courant trok ze de aandacht van haar klanten. Bovendien hadden freule Hermanna en haar man veel bekenden in de wereld van de adel en de rijkere burgers. Ze kon profiteren van een netwerk.

Dames uit de betere standen konden bij Molkenboer voor hun trouwlustige dochters een complete bruidsuitzet met geborduurde monogrammen bestellen. Dat had succes. De fabriek maakte ook tricotweefsels en na enige jaren breidde het bedrijf uit met een kousenbreierij en een confectieatelier, waar de tricotweefsels tot onderkleding voor dames, heren en kinderen werden verwerkt. Toen in 1901 koningin Wilhelmina trouwde, schonk Hermanna haar een bruidsuitzet met monogrammen.

Fabrieksarbeiders bij Molkenboer, onder wie jongens en meisjes boven de twaalf jaar, ca. 1900.

Voor de vrouwenzaak

Hermanna leidde de fabriek - met ongeveer 120 arbeiders - uiteindelijk twaalf jaar. Ze nam een unieke positie in binnen de verder door mannen gedomineerde wereld van Twentse textielondernemers. Eind negentiende eeuw kwamen er vooral in het westen van Nederland acties van vrouwen uit de hogere kringen, zij waren de feministes van het eerste uur.Hermanna voelde zich aangetrokken tot deze in vrouwenbeweging. Ook zij was van mening dat scholing belangrijk was voor vrouwen en in haar fabriek zorgde ze ervoor dat de meisjes na de lagere school vervolgonderwijs kregen. Zo volgden de meisjes op kosten van de firma Molkenboer driemaal per week, twee avonden en iedere zondagmiddag lessen bij de zusters Franciscanessen van het Antoniusklooster in Oldenzaal. De vakken waren godsdienstles, kookles, naailes en herhaling van de kennis van de lagere school.

Ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898 organiseerden de feministes een grootse openbare actie: de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid (NTV) in Den Haag. Ze wilden laten zien dat vrouwen de capaciteiten hadden om te organiseren, te financieren, te studeren, samen te werken, kortom om economisch zelfstandig te zijn. Op de tentoonstelling had Hermanna de leiding over de industriezaal. In deze zaal toonde zij hoe de verwerking van de ruwe katoenpluizen tot een draagbaar kledingstuk verliep en welk aandeel vrouwen hierin hadden. De tentoonstelling trok de aandacht van de politiek en was het onderwerp van veel artikelen in de dagbladen. Diverse lezingen, die tijdens de tentoonstelling werden gehouden, lokten allerlei discussies uit.

De NTV (Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid): de industriezaal met de machines van Tattersal en Yda, 1898.

Reformstoffen

Tijdens de NTV leerde Hermanna Margaretha Meijboom kennen. Zij was een fervente tegenstandster van de stugge, snoerende korsetten en van zware kleding die niet gewassen kon worden en zo strak zat dat de draagster niet meer in staat was zich te bewegen. Bij Hermanna vond Meijboom een gewillig oor. Al in 1899 introduceerde Hermanna de zogenoemde Eurekastoffen, die ook geschikt waren voor onderkleding. In datzelfde jaar verscheen het eerste nummer van het tijdschrift van de Vereniging voor Verbetering van Vrouwenkleding, waarin reclame werd gemaakt voor deze smaakvolle, praktische en gezonde reformkleding van de firma Molkenboer. De Eurekastoffen werden overigens ook aanbevolen door moderne artsen, onder wie dr. C.H. Stratz, die in 1900 in Den Haag een voordracht hield over reformkleding. Molkenboer kreeg bestellingen uit heel Nederland en Duitsland, onder meer van de Frauengesundheitsschützverein.

Overzicht van de fabriek van Molkenboer in 1938.

Een voorbeeld

Hermanna Molkenboer-Trip was een negentiende-eeuwse dame, een freule zelfs, die onvoorbereid en zonder opleiding het aandurfde zelfstandig een textielfabriek te leiden. Als zodanig was zij een voorbeeld voor de aanhangers van de eerste feministische golf, waarmee zij zich verwant voelde, vandaar ook haar actieve rol bij de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. In 1902 verwierf de firma Molkenboer het predikaat ‘koninklijke’; een hoge onderscheiding die garant stond voor hoge kwaliteit, soliditeit, integriteit en continuïteit. Zo bood zij een stevig fundament waarop haar zonen Scato en Hermanus, die in 1904 directeur werden van de ‘N. V. Koninklijke Oldenzaalsche Stoomweverij v/h J.H. Molkenboer ‘, dit bedrijf verder konden uitbouwen.

Briefhoofd van de firma Molkenboer met het predicaat Koninklijk.

Bronnen & literatuur

- Archief privé-bezit mevrouw H.M. Molkenboer, Schenkon, Zwitserland.
- Uit de nalatenschap van jonkvrouw H.E. Trip: vier handgeschreven schriften met tekst en tekeningen over vrouwen- en reformkleding, correspondentie en foto’s.
- Archief van Museum Het Palthe-Huis te Oldenzaal: Inv.nrs. OK569/034 – 180.
- Aletta, Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging Amsterdam: Archief Nederlandse Tentoonstelling voor vrouwenarbeid (NTV), inv. nrs: 74, 77-78, 80-82, 88, 200, 248.

- Maria Grever en Berteke Waalwijk, Feministische openbaarheid. De nationale tentoonstelling van vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998).
- Nederland’s Adelsboek, (Den Haag 1952) 433-443.
- Lizzy Wiggers-van Schoot, Freule, fabrikante en feministe. Hermanna Elisabeth Molkenboer-Trip (Oldenzaal 2010).

Door Lizzy Wiggers-van Schoot
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

'Neusverbrijzelaars' en de knijpbril van Windesheim

Vandaag de dag nemen het we voor lief: als ons gezichtsvermogen achteruitgaat, gaan we naar de opticien of de oogarts en nemen we een bril. Maar zo makkelijk is het niet altijd geweest. De eerste visuele hulpmiddelen voor een beter gezichtsvermogen werden pas in de dertiende eeuw uitgevonden.

Het woord bril komt van het mineraal beril. Dit werd vroeger gebruikt om brillenglazen van te slijpen. Geschiedschrijvers noteerden dat de Romeinse keizer Nero door een smaragd naar de gladiatorengevechten keek. Dit is de oudste vermelding van wat een bril kan worden genoemd. Smaragd is een variëteit van beril.

Monniken

In de dertiende eeuw werd er in Italië melding gemaakt van lenzen die gebruikt werden om het gezichtsvermogen te verbeteren. Het waren Italiaanse monniken die toen de eerste half-gevormde geslepen glazen vervaardigden. Deze glazen hadden de werking van vergrootglazen. In 1267 kwam Roger Bacon, een Franciscaanse monnik uit Oxford, met wetenschappelijk bewijs dat kleine letters konden worden vergroot met glazen, die op een speciale manier waren geslepen.

In 1352 schilderde Tommasso da Modena de zogeheten 'Veertig van Tommaso'. Dit zijn voorstellingen van monniken tijdens hun gewone bezigheden, zoals lezen, schrijven en bidden. Eén van de schilderingen toont de eerste afbeelding van iemand met een bril.

Glasfabriek van Murano

De glasfabriek van Murano in Venetië kan zich met recht de geboorteplaats van de bril noemen. In de dertiende eeuw was Murano de enige glasfabriek die het zachte glas kon vervaardigen dat nodig was voor het maken van brillenglazen. Deze eerste brillen hadden een convex geslepen glas. De bril was omrand met een montuur van ijzer, hoorn of hout.

De eerste brillen waren visuele hulpmiddelen waarmee verzienden konden lezen. Ongeveer tweehonderd jaar later werden de eerste brillen vervaardigd, die begonnen te lijken op de brillen van vandaag. De gekramde glazen werden vervangen door brillenglazen met een montuur. Vanaf dat moment bestond het montuur uit een enkel deel.

Neusverbrijzelaars

Natuurlijk konden alleen de rijken zich een bril veroorloven met een montuur van ijzer of brons. In de achttiende eeuw verschenen de Nürnberg-brillen. Hoewel ze de weinig vleiende bijnaam “neusverbrijzelaars” kregen, boden ze toch een mate van draagcomfort die er niet eerder was. Ze waren enorm populair.

Tegen de tweede helft van de achttiende eeuw raakten brillen met een enkel glas, monocles genaamd, in zwang. Monocles werden gedragen door de aristocratie en de elite, met name in Duitsland en Engeland. De Fransen gaven de voorkeur aan de “pince-nez”(neusknijper) Deze had twee brillenglazen en steunde op zowel de neus als de spieren rond de ogen. Aan het begin van de twintigste eeuw kreeg de bril eindelijk zijn huidige uiterlijk en anatomisch ontwerp.

De Duitse generaal Hans van Seeckt (1866-1936) droeg een monocle-bril. In het interbellum speelde Von Seeckt een prominente rol bij het camoufleren van de Duitse bewapening en het omzeilen van het Verdrag van Versailles.

Knijpbril uit Windesheim

In een beerput van het klooster Windesheim ontdekten archeologen een heel bijzondere knijpbril. Dit is tot nu toe de oudste bril die in Nederland is gevonden. Hij dateert uit de periode van rond 1400. Van de bril is alleen het hoornen montuur terug gevonden, geen glazen.

De gevonden knijpbril van Windesheim. (foto: Haiko van Helsdingen)

Misschien was de bril wel van de bijziende priester Gerardus Vellenho. Deze was volgens de monniken altijd zeer trouw bij de handenarbeid, een goed schrijver en altijd bezig. Zijn medebroeders plachten te zeggen dat een kar op vier wielen de boeken die hij had geschreven, niet kon vervoeren. Toen hij oud geworden was en nauwelijks door een bril kon zien, hield hij toch niet op met schrijfwerk.

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Twentse vrouwen met geld en goede smaak

In de expositie Couture in Twente in het Stadsmuseum Almelo is een eeuw modieuze dameskleding te zien. Van een tuniek van tule en gitten uit 1916 via een middagjapon van Ferry Offerman uit 1960 tot een jurk van gerecyclede petflessen uit 2010. De expositie wordt aangevuld met verschillende accessoires zoals waaiers met reclame van Bally Shoes, Galeries Lafayette en Veuve Cliquot, die het bovenmodale leven van de happy few van destijds vertegenwoordigen. Verder worden er poederdozen getoond uit de eerste decennia van de twintigste eeuw. De expositie gaat in op de manier waarop de elite van stad en dorp met kleding omgaat, van een enkel met zorg gekozen kledingstuk tot een kast vol kleren.

Stadsmuseum Almelo
Prinsenstraat 13, 7607 JC Almelo
Woensdag t/m zondag van 13.00 – 17.00 uur

Door de redactie

Audiotour Op Paupervisite in Willemsoord

Stel je eens voor: honderden mannen, vrouwen en kinderen, woonachtig in speciale koloniehuisjes, aan het werk op het land of in de fabriek, om zich te ontworstelen aan de armoede. Stuk voor stuk deelnemers aan het uitzonderlijke experiment van de Koloniën van Weldadigheid. Jij kunt nu bij ze op bezoek.

In aanloop naar de eventuele UNESCO-Werelderfgoedstatus van de voormalige Koloniën van Weldadigheid heeft de IJsselacademie in samenwerking met de stichting Weldadig Oord de audiotour Op Paupervisite opgezet, langs het kolonieverleden van Willemsoord. In deze audiotour ga je samen met de kolonisten Hans en Dirk op bezoek bij allerlei personen uit de voormalige kolonie Willemsoord. Ga op de koffie bij een kolonist, woon een rechtszaak bij van de Raad van Tucht en hoor hoe het is om te leven als pauper!

Met de lancering van de audiotour wordt het kolonieverleden van Willemsoord voor het grote publiek steeds verder ontsloten. Vanaf vorig jaar is het al mogelijk om in Eetcafé De Steen met een Virtual Reality-bril een virtuele tijdreis naar Willemsoord in 1825 te maken. In het verlengde hiervan voert de audiotour gebruikers nu langs diverse bezienswaardigheden in het fraaie kolonielandschap van Willemsoord. De tour is geschikt voor zowel volwassenen als kinderen.

Eetcafé De Steen
Steenwijkerweg 155, Willemsoord

Door de redactie

Expositie: Broederenvensters

Hoog in de muren van de Broederenkerk in Deventer bevinden zich zes gebrandschilderde ramen. Vanwege die hoogte vallen ze de meeste bezoekers niet op, en de details zijn alleen met een verrekijker te zien.

Dat is nu anders: deze zomer staat er voor elk raam een groot paneel waarop het betreffende raam is afgebeeld. Hierdoor zijn de vensters, die voorzien zijn van een uitgebreide toelichting, van zeer dichtbij te bekijken. Daarnaast draait er in de kerk een kort filmpje waarin de oude, ambachtelijke wijze waarop glas-in-loodramen gemaakt worden, te zien is.

De expositie ‘Broederenvensters’ is tot 1 november gratis te bezichtigen.
Broederenkerk
Broederenstraat 18
7411 LB Deventer

Openingstijden:
Vrijdag en zaterdag: 11.00 tot 16.00 uur
Koopzondagen: 12.30 tot 15.00 uur

Door de redactie

'Daventre 1250'. Historische kookworkshops

In het kader van ‘1250 jaar Deventer’ is in Foodhal Fooddock de keuken ‘Daventre 1250’ geopend. De keuken staat volledig in het teken van historische gerechten en de smaken van vroeger.

Als aanvulling op de nieuwe keuken worden er speciale historische kookworkshops georganiseerd. Deze workshops vinden plaats op de laatste donderdag van de maand. Aanmelden kan via tramper@medieval-catering.nl of bij de stand van Daventre 1250 in Fooddock.

27 september: Etiquette

Deze workshop staat in het teken van de etiquette: hoe dienen we een tafel op te maken? En hoe horen we er ons aan te gedragen? Hoe komen we toch eigenlijk aan al die tradities en regels?

28 november: Eten in de middeleeuwen

Hoe at men in de middeleeuwen? In deze workshop passeren de verschillende smaken die de boeren, geestelijken en adel op hun bord kregen de revue. Speciaal voor deze gelegenheid is Manon Henzen, historica en kookliefhebber, uitgenodigd.

Fooddock
Zuiderzeestraat 2
7411 AE Deventer

Tijd:
20:00 – 21:30 uur
Kosten: € 25,-

Door de redactie

De stille revolutie in de landbouw tussen 1950 en 2000

Het paard maakte plaats voor de trekker, de melkbus voor de koeltank en het gemengde familiebedrijf voor gespecialiseerde ondernemingen. De oudere generatie boeren heeft het leven en werken op de boerderij revolutionair zien veranderen. Deze naoorlogse veranderingen staan centraal in de expositie 'De stille revolutie' bij de Historische Kring Wederden in Wierden. Historici Ewout van der Horst en Martin van der Linde van de IJsselacademie spraken de afgelopen jaren zestig boeren en boerinnen plus aanverwante beroepsgroepen over de modernisering van de agrarische sector. Al deze verhalen verwerkten zij in een boek met de titel Vooruitboeren. Overijssel 1950-2000. Albert Bartelds verzorgde de fotografie.

Vanaf zaterdag 14 juli is deze informatie en een groot deel van de interviews te zien op de nieuwe expositie van de Stichting Historische Kring Wederden. Tevens zijn er films te zien die betrekking hebben op hetgeen er in deze periode op de boerderij en het land gebeurde. Ook aan de agrarische opleiding is gedacht. Diverse onderwijsmiddelen laten we zien. Belangrijk voor de ontwikkeling van de jonge boeren. En natuurlijk wat landbouwgereedschappen en machines die met paarden werden gebruikt.

Door de redactie

Winterkraaien in Hardenberg

Zeven veenarbeiders werken in 1896 ergens in het immense veengebied tussen Dedemsvaart en Almelo. Op weg naar huis verdrinken zij in de koude vaart. Thea Kroese, onder meer bekend van RTV Oost, vertelt meeslepend de verhalen van deze mannen en hun gezinnen. Het Mannenkoor Vroomshoop, bas-bariton Nanco de Vries en Geerhard Abma op bugel vertolken op indringende wijze het boek dat Aar van de Werfhorst schreef over deze veenarbeiders, De Winterkraaien. Dirigent en componist Gezinus Veldman schreef de muziek en brengt alles in een aangrijpende voorstelling van anderhalf uur samen.

Winterkraaien wordt op 1 en 2 november 2018 opgevoerd in theater De Voorveghter in Hardenberg.

Door de redactie
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

Stöppelhaene in de jaren '50

Reportage over het Stöppelhaenefeest in Raalte, eind jaren '50, geopend door de burgemeester, pastoor en de dominee.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Fotocollectie Stork

Zomerkamp in Ommen, 1949

Om zeven uur ‘Reveille’ (wektrommel), daarna wassen en je tent opruimen, om negen uur ontbijt en vervolgens tot de middag vrije tijd. Zo zag in de zomer van 1949 het ochtendprogramma eruit van het jongenskamp in Ommen dat de Hengelose machinefabriek Stork organiseerde. Op bijgaande foto ziet u hoe een groep jongens aan de ontbijttafel wacht op een mok lekkere verse, warme koffie.

Het zou zomaar kunnen dat het tafereel op de foto u bekend voorkomt. Immers, wie is in zijn of haar jeugd niet een keer mee geweest op een dergelijk kamp? Met de padvinderij, de vakbond, de kerk of een andere gemeenschapsorganisatie. Foto’s van toen laten een tijd zien die vaak voorgoed verdwenen is. Ze wekken een gevoel van nostalgie op en helpen om herinneringen van vroeger op te halen.

Zomerkampen bestaan nog steeds, hoezeer de wereld sinds 1949 ook veranderd is. Waarschijnlijk worden jongeren die ‘op kamp’ gaan tegenwoordig niet meer ’s ochtends om zeven uur door tromgeroffel gewekt. De jongens op de foto konden niet bevroeden dat ze ooit op MijnStadMijnDorp.nl zouden staan. Misschien herkent u wel één van hen, of iemand anders op één van de vele afbeeldingen op mijnstadmijndorp.nl. Een bezoekje aan het platform laat u het verleden opnieuw beleven.

Door de redactie
Volgende pagina
. . . . . . . . . . . . .