MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 21
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 22
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 23

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 3
  • nummer 3
  • juli 2015

Coververhaal

Ambitie en optimisme. Stedenbouw en architectuur in Kampen

Overijsselaars van toen

Johannes van Vloten, fel bestrijder van maatschappelijk onrecht

Geschiedenis van alle dag

En de huisvrouw weckte voort... tot de diepvries kwam

Naar de plek van ...

Rob Bults van Studio Xplosief: leuk, lerend en lonend

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Van de redactie
  • jaargang 3
  • nummer 3
  • juli 2015

Duizenden foto's uit uw jeugd in Overijssels historische beeldbanken

Het is bijzonder moeilijk om het nummer dat u nu op het scherm heeft een noemer te geven. Onze grote broer, het platform MijnStadMijnDorp, heeft nog een thema: reizen. Maar op een of andere manier hadden wij zo’n thema niet nodig om wat leuks te brengen. Nu staat in ons online magazine een zeer gevarieerd aanbod aan lezenswaardige artikelen. Van een stuk evangelie (Heliand) in het Oud-Saksisch, tot de geschiedenis van het wecken. De introductiepagina van het platform MijnStadMijnDorp meldt dat historische informatie dankzij Internet nu voor iedereen toegankelijk is. Een kort artikel wijst op de informatie- en de verstrooiingswaarde van de historische beeldbanken over Overijssel. Als u tegenwoordig een foto uit uw jeugdjaren zoekt, is de kans groot dat u die vindt. U vindt ook steeds meer historische informatie op het platform MijnStadMijnDorp, omdat steeds meer verenigingen, collecties (beeldbanken), groepen, enzovoorts hun materiaal ook op het platform zetten.

Kortom, het online magazine MijnStadMijnDorp biedt een keur aan lezenswaardige artikelen, waarvoor u maar eens rustig moet gaan zitten. Dinand Webbink heeft de geschiedenis van de schipmolens op papier gezet. Die van Deventer zijn aangegeven op een plattegrond door de cartograaf Jacobus van Deventer uit het midden van de zestiende eeuw. Doreen Flierman doet de aftrap voor een nieuwe reeks: ‘Twente en zijn historische tuinen’. De eerste tuin is die van Singraven. En de coverstory brengt ons weer bijna bij het heden. Geraart Westerink vertelt over de wederopbouwarchitectuur in Kampen. Vanwege de nabijheid van de spiksplinternieuwe IJsselmeerpolders werden andere oplossingen gevonden voor de inrichting van het gebied dan elders op het Oude Land.

Kijkt ondertussen ook eens een keer op het platform om te zien of uw groep er al bijstaat. MijnStadMijnDorp: het historische facebook voor Overijssel. Like it!

Menno van der Laan, redactie

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Menno van der Laan (HCO), Doreen Flierman, Marcel Mentink (Rijnbrink Groep), Dinand Webbink (SAB) en Martin van der Linde (IJA)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Ester Smit (Nationaal Archief), Roland de Jong (HCO), Anne van der Meer (SAB), Girbe Buist, Geraart Westerink, Daan Brandenburg, Dini Hekman, Freerk Kunst en Geertje van Os (Historische Vereniging Wijhe) 

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

Ambitie en optimisme. Stedenbouw en architectuur in Kampen

Kunst- en architectuurhistoricus Geraart Westerink deed in opdracht van de gemeente Kampen onderzoek naar architectuur en stedenbouw in de naoorlogse wederopbouwperiode. Het onderzoek bracht verschillende verrassende vondsten en tot dusverre onbekende feiten aan het licht.

In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, de wederopbouwperiode, veranderde het aanzien van Nederland drastisch. De bevolking groeide en de industrie- en dienstensector floreerde, evenals de middenstand. Vrijwel overal trad modernisering en schaalvergroting op. Steden werden groter en het platteland werd door talloze ruilverkavelingen op de schop genomen. Door meer welvaart en vrije tijd namen de recreatiemogelijkheden toe, mede ‘geholpen’ door de opkomst van het particuliere autobezit. Het aanzwellende verkeer eiste veel ruimte op. Het wegennet verbreedde en vertakte zich. Daarvoor moesten vaak ingrijpende maatregelen worden genomen, onder meer in de oude binnensteden.

Al deze ontwikkelingen speelden zich ook af op het grondgebied van de gemeente Kampen, waarschijnlijk zelfs in verhevigde mate, want weinig delen van het Oude Land waren zo direct betrokken bij de aanleg van de Zuiderzeepolders. Dit infrastructurele project van ongekende omvang vond ‘voor de deur’ plaats en had verstrekkende gevolgen. Er ontstond een groot, nieuw achterland, dat het perspectief van de IJsseldelta voorgoed veranderde. Een sterk vooruitgangsgeloof stak de kop op, gedreven door ambitie en optimisme, dat zich weerspiegelde in het hele gebied van de gemeente Kampen, op allerlei terreinen, maar het meest zichtbaar in de stedenbouw en architectuur.

Groen van Prinstererstraat-hoek Troelstrasingel. Typerend voorbeeld van naoorlogse portiekflats, 1950-1960. (Gemeentearchief Kampen)

Stad

Talloze bijzondere ontwerpen passeren de revue, ook onuitgevoerde. Veel ervan kwamen van de tekentafels van plaatselijke of regionale architecten, zoals Hein Boer en Wim Koers. Maar Kampen blijkt ook het toneel te zijn geweest van nationaal en internationaal succesvolle bouwmeesters, zoals Van den Broek en Bakema uit Rotterdam, dat in de jaren vijftig naam had gemaakt met ontwerpen voor de Rotterdamse Lijnbaan en het Pampusplan. Dit architectenbureau ontwierp onder meer de zogenaamde Wortmanflats, het grootste woningbouwcomplex in de moderne geschiedenis van Kampen, bestaande uit honderden wooneenheden met een unieke ‘split-level-opzet’. Ze nog steeds volop in gebruik, hoewel mede door de komst van honderden studenten in de flats en overig intensief woongebruik het beton en de medebewoners in de loop der jaren stevig op de proef zijn gesteld.

Bouw van een deel van de flatwoningen aan de Wortmanstraat, hoek Europa-allee-Cellebroeksweg, door architectenbureau Van den Broek en Bakema, 1970. (Gemeentearchief Kampen)

Platteland

In het onderzoek is ook aandacht voor de ingrijpende veranderingen van het agrarische ‘ommeland’, met name die op het Kampereiland, het omvangrijke deltagebied dat eigendom is van de gemeente Kampen en dat grotendeels uit drassige weilanden bestaat. In het kader van een ruilverkaveling werd gestreefd naar een grootschaliger en efficiëntere productie van het landbouwgebied, waarvoor de infrastructuur ingrijpend moest worden aangepast en de bouw van tientallen nieuwe boerderijen nodig was. Vrijwel al deze boerderijen werden door gemeentelijke diensten ontworpen. Er zijn verschillende generaties te herkennen, vaak in nog weinig aangetaste staat, waaraan de ontwikkelingen op het gebied van de landbouw goed zijn af te lezen. Ze bepalen voor een belangrijk deel het aanzien van het Kampereiland.

Eén van de honderden door Schokbeton in de Noordoostpolder gebouwde landbouwschuren, jaren vijftig. (N.V. Schokbeton Zeist Holland)

Industrie

Tegelijk met de modernisering van de landbouw, beleefde de naoorlogse industrie een periode van bloei. Kenmerkend hiervoor is de boeiende geschiedenis van het bedrijf Schokbeton. Deze firma vestigde zich als een van de eersten op het nieuwe industriegebied in de Haatlander polder. Schokbeton is een representant van de betonindustrie die in de decennia van de wederopbouw in het hele land zeer omvangrijk werd, omdat het met zijn gestandaardiseerde productie een oplossing bood voor de grote vraag naar goedkope en snel te bouwen woningen en bedrijfspanden. Het bekendste voorbeeld van de Schokbetonproducten is de zogenaamde Noordoostpolderschuur, waarvan er in korte tijd bijna duizend zijn gebouwd. De schuren konden in een paar dagen in elkaar worden gezet, dankzij het gebruik van geprefabriceerde onderdelen en het inschakelen van een eigen transportbedrijf. De kwaliteit was opvallend hoog. Veel van de schuren zijn nog steeds in uitstekende staat.

Het bedrijf liet niet alleen elders in het land, maar ook in de gemeente Kampen veel sporen achter. Helaas zijn de laatste oorspronkelijke industriehallen van Schokbeton zelf onlangs gesloopt. Wel is er een fraaie Schokbetonhal van het voormalige bedrijf Jansen en Tilanus bewaard gebleven. Het meest bijzonder echter is het omvangrijke voormalige MOB-complex van het Kamper Garnizoen, uit de tijd van de Koude Oorlog, dat onder meer diende voor munitieopslag. Het is nog vrijwel compleet, zij het hier en daar wel wat aangepast door de huidige gebruikers.

Deel van het industriecomplex van Schokbeton in de bloeiperiode, jaren vijftig. (Gemeentearchief Kampen)

Recreatie

Door de toename van de vrije tijd in de jaren vijftig en zestig, kwam er eveneens meer aandacht voor het opvallende fenomeen van de geplande recreatie. Het toerisme maakte na de Tweede Wereldoorlog een sterke ontwikkeling door en eiste veel speciale voorzieningen. Zowel de gemeentelijke als de landelijke overheid voerde op dit punt een vaak grillige besluitvorming met verstrekkende en onverwachte gevolgen. Verhalen met loze beloften, koene daden, grote talenten en gestrande carrières komen hierbij voor het voetlicht, evenals de moeizame relatie tussen Kampen en IJsselmuiden, die uiteindelijk toch nog in een huwelijk eindigde.

Beschermde status

Door het vergroten van de kennis van en waardering voor het historische erfgoed uit de wederopbouwperiode in Kampen, kan een eventuele toekenning van een beschermde status voor geselecteerde objecten in de nabije toekomst beter worden gemotiveerd en onderbouwd. Naar aanleiding van de publicatie over wederopbouwarchitectuur in Kampen is een werkgroep inmiddels begonnen met het opstellen van een ‘top 25’ van objecten die daarvoor in aanmerking komen.

Het verdwijnen van relicten uit dit tijdperk zou het uitwissen van een deel van onze geschiedenis betekenen en van de ideeën, talenten en motieven van hen die er met volle overtuiging hun beste krachten aan hebben gewijd. Het staat buiten kijf dat dit een ernstige verschraling van ons erfgoed zou zijn.

Door Geraart Westerink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Heliand: het evangelie als Saksisch heldendicht

Het Nedersaksische dialect beslaat een groot grondgebied. Niet alleen het Twents en het Sallands behoren hiertoe maar ook bijvoorbeeld het Achterhoeks, het Drents, het Gronings en het Munsterlands. Het Nedersaksisch is een oud dialect en kent een rijke geschiedenis. Zo was het de voertaal van de Hanzesteden, belangrijke handelscentra in de late Middeleeuwen. Het Nedersaksisch van de Hanzesteden en het Nedersaksisch dat nu nog wordt gesproken, is voortgekomen uit het Oudsaksisch.

Het Oudsaksisch was de voertaal van de achtste tot de twaalfde eeuw in grote delen van Duitsland en het noorden en oosten van Nederland, ruwweg het gebied tussen de IJssel en de Elbe. De oudste teksten die uit het Nederlands taalgebied bekend zijn, zijn in het Oudsaksisch en stammen uit de achtste en de negende eeuw. Het betreft drie teksten: een vertelling van het evangelie, het boek Genesis en een doopgelofte. In alle teksten is de overgang van heidendom naar christendom duidelijk aanwezig. In de doopgelofte die verplicht werd gesteld door Karel de Grote (ca. 745-814) is dit het duidelijkst. De kandidaat-christen werd gevraagd goden als Wodan af te zweren. Weigerde hij, dan stond daarop vaak de doodstraf. Uit deze tijd stamt ook het verhaal van Widukind (743-807), leider van de Saksen, die zich (enigszins onder dwang) bekeerde tot het christendom. Volgens de overlevering reed hij voor zijn bekering op een zwart paard, daarna op een wit paard. Dit witte paard is nog steeds alom bekend als het Saksische Ros en is onder andere te vinden in het wapen van Twente en in het logo van FC Twente. Van het bijbelboek Genesis in het Oudsaksisch is helaas weinig bewaard gebleven, slechts drie fragmenten.

Europa in de negende eeuw.

De vertelling van het evangelie in het Oudsaksisch is in vier handschriften bewaard gebleven, waarvan de oudste waarschijnlijk geschreven is rond 830. Het is bijna 6000 regels lang en kreeg in de negentiende eeuw de titel ‘Heliand’ mee. Heliand betekent heiland of heler. In deze vertelling van het evangelie is het heidense geloof misschien op het eerste gezicht minder aanwezig. Maar de schrijver van ‘Heliand’ was zich bewust van zijn taak, namelijk de bekering van de Saksen tot het christendom, en wist dat hij het in zo’n vorm moest gieten dat het hen zou boeien. De schrijver nam daarom de tekst van de vier evangeliën en zette dit in een toen eigentijdse Saksische context.

De Saksen waren gewend aan lange heldenliederen, die gezongen of verteld werden. Een verhaal in deze vorm zou hen zeker aanspreken. In ‘Heliand’ is dan ook te lezen dat Jezus als een soort Saksische leider van burcht tot burcht trok door een duidelijk West-Europees landschap. Een ander duidelijk Saksische element, wat ook vaak terug te zien is in de Noordse mythologieën, is de aanwezigheid van het Lot. Het Lot, in Oudsaksisch ‘wyrd’ is dat wat niet valt te ontwijken, het Lot is dat wat altijd zal gebeuren. Door zijn opstanding heeft Jezus echter het Lot overwonnen en wordt daarmee als machtiger dan Wodan afgebeeld. Verder wordt bijvoorbeeld het ‘Onze Vader’ beschouwd als de nieuwe runen. De discipelen of gezellen vragen in ‘Heliand’ niet ‘leer ons bidden’, maar ‘leer ons de runen’. Het woord ‘rune’ betekent in deze context niet zo zeer het letterlijke schriftteken maar doelt hier op kennis van het verborgene.

Manuscript Heliand, negende eeuw. (Deutsches Historisches Museum)

Ook de vorm van ‘Heliand’ is duidelijk Oudsaksisch. Het is namelijk geschreven in allitererende verzen, ook wel stafrijm genoemd. Ook in de fragmenten van de Oudsaksische Genesis is dit stafrijm zichtbaar. Het stafrijm had als doel dat de vertellers of zangers de tekst makkelijker kon onthouden. Het was immers de bedoeling dat de teksten werden voorgedragen. In deze rijmvorm wordt gebruik gemaakt van een gelijkheid van beginmedeklinkers van benadrukte woorden of lettergrepen. Het stafrijm is in regels 341 en 342 uit ‘Heliand’ goed zichtbaar: ‘ban endi bodskepi obar thea is brêdon giwald
 cuman fon them kêsure cuningo gihuilicun'. Bij de vertaling in het Nederlands is het stafrijm ook gehanteerd. De regels klinken dan als volgt: ‘een ban en boodschap, breed verspreid; door de keizer verkondigd aan de koningen in zijn rijk. De herhaling van de medeklinkers ‘b’ en ‘k/c’ is hier duidelijk zichtbaar.

Het Onze Vader uit de Heliand gelezen in Oudsaksisch

Wie de schrijver van ‘Heliand’ is, is onbekend. Eén van de kandidaten voor het auteurschap is Bernlef, de achtste-eeuwse blinde zanger uit het nu Groningse Warffum. Nadat zijn blindheid was genezen door de missionaris Liudger (742-809), bekeerde de zanger van heldendichten zich tot het christendom. Een aanwijzing voor het auteurschap van Bernlef kan zijn hoe bij het vertellen van de genezing der blinden, de schrijver opeens overgaat op de ik-vorm. Zekerheid of hij inderdaad de schrijver is, is er niet. Wat wel zeker is, is dat ‘Heliand’ geschreven is door iemand die zeer goed bekend was met de oude heldendichten, kennis had van de voorhanden zijnde bijbelse geschriften en voldoende geoefend was in het schrijven en dichten in het Oudsaksisch.

Presentatie Twentse vertaling Heliand

Een eerste vertaling in het Nederlands kwam uit in 2006. Deze was van de hand van Jaap van Vreedendaal met medewerking van theoloog Willem van der Meiden. Een ander project, ‘Heliand in streektalen’, presenteerde in 2012 een Twentse vertaling van een gedeelte van ‘Heliand’. Het initiatief om ‘Heliand’ in het moderne Nedersaksisch te vertalen kwam van Anne van der Meiden en wijlen André Hottenhuis. Andere gedeeltes werden vertaald in het Achterhoeks, Gronings en het Munsterlands. De Twentse vertaling werd verzorgd door Harry Morshuis en Anne van der Meiden. Een Sallandse vertaling is in voorbereiding.

Met dank aan o.a. het Deutsches Historisches Museum, Berlijn voor het beeldmateriaal.

 

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Naar de plek van...

Rob Bults van Studio Xplosief: leuk, lerend en lonend

Het is een warme zomermorgen. Ik rijd naar Zwolle, op weg naar de plek van Rob Bults. Deze is aan de Hobbemastraat nummer 6, de tomtom brengt me bij een oude school. Op het schoolplein nog één plekje vrij voor de auto. Rob ontvangt me hartelijk. De grote werkruimte waar ik binnenkom, is ruim, warm ingericht met veel hout, je voelt de creatieve energie hier stromen. Een houten trap naar boven, hier is kantoorruimte gemaakt, er staan pc’s en er is koffie. Alles ademt een warme sfeer.

Rob Bults, geboren in Hellendoorn, gitarist en leadzanger van Muppetstuff: een akoestische band met contrabas en gitaar. Rob is een creatieve professional, een watermens, romanticus en buitenmens.

Aan de Hobbemastraat is de plek van Rob. Op deze plek, zijn werkomgeving, heeft hij letterlijk de ruimte om te creëren; muziek, film, theater, het is er allemaal. Een grote houten schommel hangt midden in de ruimte, ik zie veel muziekinstrumenten, zware theatergordijnen verbergen een podium, de verhalen voel je in de lucht hangen. Rob voelt zich hier gelukkig.

Rob Bults, geboren in Hellendoorn, gitarist en leadzanger van Muppetstuff.

‘Hoe ben je als artiest?’, vraag ik hem. Hij antwoordt: ‘Als artiest sta je op een podium, ik wil dit podium weghalen, een huiskamergevoel scheppen, een gevoel aan het publiek geven dat iedereen erbij hoort, de status van artiest weghalen’. Van huis uit is hem de uitdrukking meegegeven: ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg!’ Tegelijkertijd is hij de professional en performer en geniet hij van de aandacht die hij krijgt. ‘Ik probeer altijd een balans tussen beide te vinden’, zegt Rob.

Vanuit zijn gemakkelijke stoel, met een shaggie in zijn hand, vertelt hij altijd op zoek te zijn naar harmonie in en tijdens zijn werk. Hij is een einzelgänger, ongeduldig, maar ook heel flexibel en oplossingsgericht. Mooi is het als Rob zegt: ‘Als er een opdracht binnen komt, zeg ik altijd dat ik het kan. Het moet wel leuk, lerend en lonend zijn’, voegt hij er aan toe. De 3 l’s die als een rode draad door zijn leven lopen.

Een tweede kop koffie, wat foto’s van Rob en wat vragen over zijn gezin. Al 21 jaar samen met Kitty, drie kinderen met mooie namen: Luca, Robijn en Danse. De stabiliteit van zijn gezin geeft houvast, geeft ruimte. Rob is altijd bezig in zijn hoofd, zijn creatieve geest werkt de hele dag door. ‘Uiteindelijk moet mijn verstand in overeenstemming zijn met mijn gevoel, dan klopt het pas’. Hij kijkt rond en zegt: ‘Ja, dit is mijn plek, alles hebben we hier gemaakt, zoals ik het graag wilde hebben’.

‘Mooi dat ik jouw plek mocht zien, Rob, naar je luisteren, je zien en horen.’ Op de achtergrond de prachtige hese stem van Tom Waits. Ik ga naar huis, de zon schijnt warm en uitbundig. ‘Rob, je bent een puur mens, die dicht bij zichzelf staat. Dank voor deze mooie ontmoeting.’

  • Studio Xplosief van Rob Bults en Peter Plaatsman
  • Door Dinie Hekman
    Volgende pagina

    Reacties

      Nog geen reacties aanwezig
    Reageren? Klik hier

    Tien leuke historische beeldbanken in en over Overijssel

    Iedereen zoekt wel eens foto’s uit zijn of haar jeugd. Dat is toch de tijd waarin de homo nostalgicus zich graag begeeft. Wie wil nu niet eens een kijkje nemen in de plaats waar men is geboren en getogen? Zij kunnen terecht bij de vele beeldbanken die inmiddels in Overijssel actief zijn.

    Een beeldbank is min of meer de voortzetting van de oude topografisch historische atlas, die elk gemeente- en rijksarchief had. Wat er in zo’n atlas en in een beeldbank zit varieert van archief tot archief. Het is in ieder geval allemaal digitaal.

    Station Almelo in 1964. (Fotoarchief.nu)

    Naast de overheids-beeldbanken zijn er in Overijssel, net als elders, redelijk veel particuliere beeldarchieven. Ze zijn meestal opgezet door een enthousiaste ansichtkaarten-verzamelaar en het gebruiksgemak verschilt nogal. Voor het beheer van de beeldbank, het invoeren van beeldmateriaal en het snel kunnen terugvinden van deze illustraties, en het leveren van beeldmateriaal voor publicaties is het computerprogramma Atlantis ontworpen, waarmee de onderzoeker de beeldbank te lijf kan gaan. Van belang is dat aan het illustratiemateriaal de juiste gegevens zijn gekoppeld, zodat de inzet van zoektermen ook het juiste plaatje oplevert. Werk bij het zoeken in de beeldbank van algemeen naar bijzonder; dat levert de beste resultaten op. Het vinden van de gewenste foto is namelijk moeilijker dan gedacht. Er staan namelijk duizenden foto’s op de Overijsselse beeldbanken! Vage zoekwoorden als ‘huisvrouw’ of ‘weckfles’ (wel concreet, maar niet vaak op foto’s) leveren weinig resultaat op.

    Hieronder volgen tien leuke en gebruiksvriendelijke historische beeldbanken van Overijssel, in willekeurige volgorde.

    deventerinbeeld.nl

    Ooit nam Dinand Webbink het initiatief voor deze beeldbank. Nu is DeventerinBeeld.nl zeker de mooiste beeldbank van Overijssel en redelijk eenvoudig te bedienen. Zoals bij de meeste overheidsbeeldbanken is het een digitale voortzetting van de historisch topografische atlas van het Stadsarchief, waardoor de site ook wordt beheerd.

    ArchiefAlmelo.nl

    Het archief van Almelo verwijst op de homepage naar de beeldcollectie. Het archief beschikt over zo’n 6.000 oude foto’s en ansichtkaarten. De keurige site voldoet zeker aan de behoefte maar is niet spannend te noemen. De redactie van MSMD had wat moeite bij sommige zoektermen de juiste foto te vinden. Almelo is een prachtig stadje; eens kijken of er een foto bestaat van het beroemde stoplicht…

    De homepage van ArchiefAlmelo.nl.

    oudommen.nl

    Erg mooie en kwalitatief goede beeldbank. Heeft een rubriek ‘oud Ommen – nieuw Ommen’ waarin oude en nieuwe straatbeelden van dezelfde locatie worden gepresenteerd. De knop ‘beeldbank’ op de home page verwijst rechtstreeks naar het plaatjesarchief. De vormgeving van de homepage oogt wel wat druk. De stichting heeft zich tot doel gesteld zo goed mogelijk in beeld te brengen wat er in Ommen op historisch terrein valt te doen.

    De homepage van Oudommen.nl.

    erfgoedrijssenholten.nl

    Mooie, moderne site waarop het erfgoed van de gemeenten Rijssen en Holten wordt gepresenteerd. Biedt veel informatie, zoveel dat de bezoeker erin zou verdwalen als de site niet prachtig en modern was vormgegeven. Heeft in het hoofdstukje ‘Zoeken en vinden’ een knop ‘beeldbank’ waarin bijna 20.000 illustraties zijn opgeborgen.

    De homepage van erfgoedrijssenholten.nl.

    Beeldbank Historisch Centrum Overijssel en mijnstadmijndorp.nl

    Deze verzameling is tot stand gekomen bij de fusie van het Zwolse Gemeentearchief en het Rijksarchief. De verzameling foto’s en andere beelddragers werden samengevoegd, wat een gigantische klus was. De site ziet er vrolijk en goed toegankelijk uit. De verzameling van het oude rijksarchief was niet uitgebreid; over een paar onderwerpen (industrie in Twente) is toch het een en ander te vinden. Vaak hoor je dat de O in HCO een wassen neus is, omdat er voornamelijk op Zwolle is verzameld. Met de komst van het platform MijnStadMijnDorp is dat sterk verbeterd. De aangesloten historische verenigingen brachten hun fotomateriaal onder in het platform. De beeldbank biedt nu plaats aan 211.000 digitale plaatjes.

    Prachtige dia van een snelheidscontrole in Zwolle aan het begin van de jaren zeventig. Te vinden op mijnstadmijndorp.nl. (Beeldbank HCO)

    stichtinghistoriebroekland.nl

    Een particuliere site die vriendelijk maar druk oogt. In de beeldbank zitten zo’n 1.300 foto’s. Voor wie in Broekland is geboren en getogen een mooie site.

    diepenveeninoudeansichten.nl

    Diepenveen in oude ansichten is een particuliere site die door verzamelaar Rudi Steenbruggen is opgezet. Inmiddels zijn er 367 kaarten op geplaatst, geen opwindend aantal. De laatste posting is van januari 2015. De historische Vereniging Dorp Diepenveen en Omgeving ondersteunt de beeldbank.

    stadsarchief.enschede.nl

    De site van het stadsarchief Enschede ziet er gestructureerd en goed toegankelijk uit. Niet direct heel mooi, maar alles staat er luid en duidelijk op. Op de homepage leidt een knop met ‘beeldbank’ naar de beeldbank, waarop meer dan 10.000 foto’s, prenten en ansichtkaarten staan. Deze plaatsen komen aan de orde: Enschede, Lonneker, Glanerbrug, Boekelo en Usselo.

    fotoarchief.nu

    Peter Leeuwen is de man achter Fotoarchief.nu. Op deze site publiceert hij kleurenfoto’s en dia’s uit de periode 1945 tot ruwweg het jaar 2000. De foto’s zijn op plaats geordend, maar niet met trefwoorden ontsloten. Maar wat een sentimental journey is het om door de vele kleurendia’s uit je jeugd te bladeren!

    Het Gasthuisplein in Zwolle aan het begin van de jaren zeventig. (Fotoarchief.nu)

    beeldbanken.startpagina.nl

    Alle beeldbanken in Nederland zijn door Peter van den Dongen samengebracht op een Beeldbanken.startpagina.nl. Van den Dongen ziet dit als hobby, zoals hij in zijn leven al een groot scala aan interessante bezigheden heeft gehad. Zijn huidige passie is de Koorschool in Ede die zich richt op kinderen en jongeren. Daarnaast is hij ook nog vrijwilliger-research bij stichting Monumenten Spreken (over de Tweede Wereldoorlog) die zich richt op schoolgaande kinderen in de Zaanstreek. Van den Dongen beheert een grote hoeveelheid startpagina’s, waarvan voor de Overijsselse zoeker in het verleden de kranten.historisch.startpagina.nl en molen.startpagina.nl misschien nog wat nuttigs kunnen bieden.

    Oproep

    Dit was een greep uit de vele online beeldbanken in Overijssel. Maar er moet veel meer te vinden zijn op het internet. En jij weet ze waarschijnlijk te vinden. Stuur jouw mooiste historische site naar de redactie van MijnStadMijnDorp (infomsmd@mijnstadmijndorp.nl). Welke site móet elke geïnteresseerde in de geschiedenis van Overijssel gezien hebben. Stuur het adres door, als er voldoende interessante historische sites zijn, maken we er opnieuw een artikel van.

    Door Menno van der Laan
    Volgende pagina

    Reacties

      Nog geen reacties aanwezig
    Reageren? Klik hier
    Cultuurhistorie in Overijssel

    Een greep uit de kostuumcollectie van Wielent Harms

    Een halve eeuw verzamelen. Een greep uit de kostuumcollectie van Wielent Harms

    De Overijsselse streekdrachten kunnen worden gezien als een weerspiegeling van een voorbije mode. In de expositie ‘Een halve eeuw verzamelen’ in museumboerderij Hofman in Hellendoorn is dan ook veel aandacht voor de invloed van de mode en de tijdgeest op de streekdracht. Zo zijn er duidelijk kenmerken van het Biedermeiertijdperk aan te wijzen en deed ook de reformbeweging haar invloed gelden. De tentoonstelling biedt een uniek overzicht van Overijsselse streekdrachten tussen 1800 en 2000. Daarnaast zijn er naoorlogse kostuums te zien van bekende modeontwerpers als Frans Molenaar en Edgar Vos. Uit de Tweede Wereldoorlog is er kleding te zien die is gemaakt van gordijnstof, er is een prachtige bevrijdingsrok te bewonderen en er zijn diverse gebruiksvoorwerpen en sieraden, gemaakt van zilvergeld dat voor de Duitse bezetter verstopt was. Naast kleding uit praktisch alle delen van de provincie Overijssel zijn er ook veel accessoires te zien, zoals oorijzers, beugeltassen en kerkboeken met zilverbeslag.

    Museumboerderij Erve Hofman

    Hofmanstraat 2

    7447 AS Hellendoorn

    www.oaldheldern.nl

    Openingstijden: Dinsdag - zaterdag: 13.30 – 17.00 uur van mei tot en met oktober

    Door de redactie

    Uylagtige heren, Trijntje Soldaats en de goedheiligman

    Uylagtige heren, Trijntje Soldaats en de goedheiligman. Nieuwe aanwinsten van Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek

    In de Schatkamer van Deventer Boekenstad zijn deze zomer boeken, documenten en foto’s te zien die onlangs zijn verkregen. De boekenverzameling is uitgebreid met het geheimzinnige ‘Laus ululæ’ uit 1642, later in vertaling uitgegeven als ‘Het waare lof des uyls, aan alle haare ingeschreeve uylagtige heeren’. Het in Deventer uitgegeven unieke boekje staat vol met humanistische geleerdenhumor.

    Ook uniek voor ons land is de allereerste Nederlandse sprookjesverzameling van omstreeks 1800. De verhaaltjes zijn opgeschreven door een elfjarige Groningse jongen. Hij hoorde de sprookjes van een huisnaaister die zichzelf de bijnaam Trijntje Soldaats gaf.

    Het is nog wat vroeg voor de goedheiligman, maar sinds kort beschikt de Deventer Stadsbibliotheek over een van de grootste verzameling boeken en documenten over het Sinterklaasfeest. Op de tentoonstelling worden een aantal bijzondere onderdelen van deze collectie getoond.

    Van de fotografe Betty Veldwachter zijn tientallen foto’s te zien uit de jaren zestig met Deventer als onderwerp. De foto’s zijn gerangschikt naar thema’s als de IJssel, de kunstijsbaan, de markt en Go Ahead.

    Uylagtige heren, Trijntje Soldaats en de goedheiligman; nieuwe aanwinsten van Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek te zien van 21 juli t/m 12 september 2015 in De Schatkamer van Deventer Boekenstad, Klooster 12, Deventer

    Openingstijden zomerperiode (21 juli t/m 13 augustus): dinsdag, woensdag en donderdag van 13-17 uur Openingstijden vanaf 17 augustus: maandag t/m vrijdag van 9-17 uur Toegang gratis

    Door de redactie

    FOTOntdekkingen Grote of St. Michaëlskerk Zwolle

    Als je aan Zwolle denkt, denk je aan ‘De Peperbus’, maar ook De Grote of Sint Michaëlskerk is, ondanks dat de kerktoren door bliksem ten onder is gegaan, een icoon voor de stad.

    De bouw van deze kerk, een gotische hallenkerk, startte in 1370 en duurde tot 1452. In 1443 werd ter voltooiing van de toren een haan op de torenspits geplaatst. In 1548 sloeg de bliksem in de toren. Zo ook in 1606 en in 1669 werd de toen herbouwde toren opnieuw door bliksem getroffen. Wat in 1682 een definitief einde van de kerktoren betekende. We kennen de kerk nu dan ook als een statig robuust monument, evenwel zonder toren, maar wel getooid met het beeld van St. Michaël, patroon van de stad.

    ‘Rondje Grote Kerk’

    Van welke kant u ook het centrum van Zwolle benadert, u kunt niet om de Grote of Sint Michaëlskerk heen. Historisch Centrum Overijssel en de Grote Kerk Zwolle presenteren 'FOTOntdekkingen' Rondje Grote Kerk. De expositie laat de kerk, door de tijd heen zien, in al zijn trots en glorie vanuit verschillende windrichtingen. De foto’s zijn zo groot, dat u het gevoel krijgt zelf in de foto op te gaan.

    Locatie Grote of St. Michaëlskerk, Zwolle 1 juli t/m 29 augustus

    FOTOntdekkingen

    Ontdek hoe bijzonder de fotocollectie van het Historisch Centrum Overijssel in Zwolle is! Onder de noemer ‘FOTOntdekkingen’ brengt het Historisch Centrum Overijssel op wisselende locaties in de stad unieke historische foto’s van Zwolle in beeld. Foto’s die het verdienen van schatkamer naar toonkamer te worden gehaald.

    Door de redactie

    Turner: Gevaar & Schoonheid

    Van 5 september 2015 tot en met 3 januari 2016 organiseren Museum de Fundatie in Zwolle en Rijksmuseum Twenthe in Enschede in samenwerking met Tate Britain de dubbeltentoonstelling ‘Gevaar & Schoonheid - Turner en de traditie van het sublieme’.

    Turner is voor Groot-Brittannië wat Rembrandt is voor Nederland. Zijn werk is alleen bij hoge uitzondering in ons land te zien. De dubbeltentoonstelling in Enschede en Zwolle presenteert ruim 50 schilderijen en aquarellen van Turner in de context van de Europese kunstgeschiedenis, van de late middeleeuwen tot nu, met werk van Aelbert Cuyp, Claude Lorrain, Gustave Courbet, Claude Monet, Ernst Ludwig Kirchner, Armando, Gerhard Richter en anderen.

    Het werk van Joseph Mallord William Turner (1775-1851) belichaamt het sublieme landschap en verbeeldde een revolutionaire visie op de natuur waarin gevaar en schoonheid samengaan. De verbeelding van de natuur als oerkracht was op zich niet nieuw en kent een lange traditie in de Europese schilderkunst. Turner was zich hier zeer van bewust. Op de exposities in Rijksmuseum Twenthe en Museum de Fundatie laat het werk van zijn voorgangers enerzijds zien hoezeer Turner aan de traditie schatplichtig was en anderzijds dat hij die volledig naar zijn hand zette.

    ‘Gevaar & Schoonheid - Turner en de traditie van het sublieme’ is een tweeluik, gepresenteerd op twee locaties. De werken zijn paarsgewijs verdeeld naar de vier elementen, die Turner met zijn werk expliciet bestudeerde, soms afzonderlijk en soms in hun interacties. De kunstwerken rond de elementen water en vuur zijn te zien in Museum de Fundatie, die rond aarde en lucht in Rijksmuseum Twenthe. In totaal bestaat de dubbeltentoonstelling uit meer dan 130 kunstwerken, zowel schilderijen, aquarellen en tekeningen als beeldhouwwerken, foto’s en licht- en video-installaties.

    Door de redactie

    Lezingen over de middeleeuwse participatiemaatschappij

    Dit najaar biedt Athenaeumbibliotheek Deventer in samenwerking met Rijksuniversiteit Groningen opnieuw een lezingencyclus aan. Het centrale thema van de vier lezingen is: ‘De deugd in het midden: middeleeuwse inspiratie-bronnen voor de participatiemaatschappij.’

    KONING WILLEM-ALEXANDERS PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ

    Sinds de regering koning Willem-Alexander op Prinsjesdag 2014 de participatiemaatschappij in Nederland liet uitroepen, vragen veel mensen zich af hoe ze zich dat moeten voorstellen. In de Middeleeuwen kende men dat probleem zeker ook. Wie waren verantwoordelijk voor het algemeen belang, zo vroeg men zich af. Even belangrijk was het te weten wie de kosten daarvan droeg. Er bestaat dan ook een uitgebreide deugdenleer die dergelijke problemen besprak en de lezers of toehoorders - vaak werd er voorgelezen - hielp verstandige keuzes te maken. Met dergelijke levenslessen begon men vroeg, zo blijkt uit schoolboekjes uit het bezit van de Athenaeumbibliotheek. Een andere manier van lering trekken was het schrijven van biografieën van voorbeeldige mannen en vrouwen. Dit was vooral onder de aanhangers van de Moderne Devotie populair. Om te schetsen hoe het moest, werden er volop ‘ideale samenlevingen’ ontworpen, waarin iedereen elkaar bijstond en tegelijkertijd zijn plaats kende. In een serie van vier lezingen nemen deskundige sprekers de deugdenleer onder de loep.

    Donderdag 17 september 2015: dr. Krijn Pansters, Universiteit Tilburg - Deugdzaam en devoot. Dimensies van de middeleeuwse deugdenleer.

    Donderdag 15 oktober 2015: dr. Enny de Bruijn - Het zure pad naar 't zoete hemelrijk. Jacob Revius over liefde, lijden en een goed leven.

    Donderdag 12 november 2015: Prof. dr. Onno Kneepkens, Rijksuniversiteit Groningen - De wijze lessen van vader Cato: taalonderwijs en levensregels hand in hand.

    Donderdag 10 december 2015: dr. Suzan Folkerts, Rijksuniversiteit Groningen - Voorbeeldige bijen en vrome vrouwen. Deugdzaam leven volgens Thomas van Cantimpré (13e eeuw).

    Het aantal plaatsen is beperkt; de inschrijving via www.sabinfo.nl is inmiddels gestart.

    Door de redactie

    Huis Kattelaar: insmijtingen en bedreigingen

    Iets ten oosten van Enter, waar de Regge onder de A1 stroomt, stond het huis Kattelaar of Cattelaar. Mr. G. J. ter Kuile schreef in 1911 in zijn boek "Geschiedkundige aanteekeningen op de Havezathen van Twenthe": ‘De navolgende huizen heb ik niet als Havezathen aangemerkt en beschreven, omdat zij […] naar mijn mening niet de qualiteiten van werkelijke Havezathen hebben gehad.’ Hij bedoelde onder meer ‘Huis Cattelaar’, dat inderdaad officieel geen havezate was.

    Toch is het huis van een eerbiedwaardige ouderdom. Kattelaar wordt al in 1382 in de leenregisters van de bisschop van Utrecht genoemd. In 1676 stond het vermeld als ‘ten Catteler’. Het huis was toen weliswaar onbewoond, maar had zes vuursteden. Dat was meer dan de imposante havezate Oosterhof had, dat even verderop ligt, vlakbij Rijssen. Met slechts vier haardsteden stak het wat magertjes af bij Kattelaar. Oosterhof staat er nog in volle glorie, maar van Kattelaar zijn nauwelijks nog sporen te vinden in het landschap. Toch is deze buitenplaats het vermelden waard, al was het alleen maar omdat meer dan tweehonderd jaar geleden polderjongens, een herbergier en twee sterke vrouwen het niet zo nauw namen met de heersende regels.

    Binnengerrit

    De nabijgelegen schippersherberg Binnengerrit speelde in de achttiende eeuw een belangrijke rol in de geschiedenis van Kattelaar. Het was er een levendige bedoening. In de herberg konden de schippers bijkomen van hun reis over de Regge, waarover goederen aan- en afgevoerd werden in platbodems, vaak Enterse zompen. De herberg vormde een belangrijke op- en overslagplaats. Schippers meerden aan in de speciaal daarvoor aangelegde haven, karren reden af en aan voor verder transport. Goederen werden opgeslagen in een pakhuis, dat er nog steeds staat, evenals erve Binnengerrit. Pakhuis, zompenhaven, kraan, tolbrug, stal voor paarden en een herberg voor schippers brachten veel geld in het laatje van de herberg. Ook de bewoners van Kattelaar, de dames Gerhardine (geboren in 1715) en Swanida Borgerink (een jaar later geboren) ging het voor de wind. Zij waren verzekerd van een regelmatig inkomen uit de goederenoverslag en de tolheffingen.

    Schippersherberg Binnengerrit of Binnengait.

    Graaf Carel

    In 1771 echter, dreigde de heer van Twickel, graaf Carel, roet in het eten te gooien met zijn plan om een vaart te graven, die vanaf het Kattelaar een kilometer stroomopwaarts verderop in de Regge zou uitmonden. Dit zou grote gevolgen hebben voor de dames, die hun inkomsten in een klap zagen verdwijnen. Het markebestuur van Enter stemde desondanks in met het plan, in de hoop de Enterse economie een impuls te geven. Seizoenarbeiders, nodig om het kanaal te graven en hun opzichters zouden tijdelijk werk vinden. De mensen die betrokken waren bij de op- en overslag van goederen in het pakhuis van Binnengerrit verloren hun broodwinning. De dames Borgerink zworen, kostte wat kost, het kwaad te keren.

    Heer van Twickel, Carel George graaf van Wassenaer Obdam (1733-1800).

    Insmijtingen

    Gaandeweg druppelden bij graaf Carel klachten binnen van arbeiders en Enterse dagloners die werden lastiggevallen. Het leken aanvankelijk onschuldige incidenten, maar er was iets vreemds gaande. Telkens als de polderjongens ’s ochtends weer aan het werk wilden, merkten ze dat het kanaal waar ze de dag ervoor zo hard aan hadden gewerkt, met hetzelfde zand was dichtgegooid. Meer meldingen van ‘insmijtingen’ volgden. Daar bleef het niet bij. ’s Nachts werden de sluizen opengezet, zodat het land overstroomde en de graafwerkzaamheden noodgedwongen gestaakt moesten worden. Het werd een chaos. Er kwamen meldingen bij de graaf binnen van bedreigingen van binnenschippers, arbeiders en hun opzichters. Al snel werd Binnengerrit er op aangekeken, die de binnenschippers al langer lastig viel, maar ook naar de dames Borgerink waren verdacht. De sfeer was, om het zacht uit te drukken, behoorlijk gespannen in Enter.

    Het verzet gebroken

    Het markebestuur zette de dames onder druk, maar de zussen lieten zich niet vermurwen en wilden aanvankelijk van geen wijken weten. Pas toen de graaf met grote schadeclaims dreigde, kwamen ze tot een overeenkomst. De bedreigingen en ‘insmijtingen’ hielden echter niet op. Pas wanneer Gerhardine in 1773 op 54-jarige leeftijd overlijdt, lijkt het verzet definitief gebroken. Swanida kreeg, ondanks haar beweringen niets met de laatste ‘insmijtingen’ van doen te hebben, een schadeclaim opgelegd, die ze voor de helft in staat was te betalen. Kattelaar mocht dan een groot huis zijn, echt vermogend was Swanida Borgerink blijkbaar niet. Een familielid uit Deventer legde het resterende bedrag bij.

    Het enige wat nog resteert van huize Kattelaar is het bouwhuis. Van het huis zelf zijn geen afbeeldingen overgeleverd. (Foto: M. Tettero)

    Het gevreesde gebeurde. De driehonderd schepen die jaarlijks naar Binnengerrit voeren, kozen voor het nieuwe kanaal en stevenden af op de Carelshaven te Delden, waar de schippers terecht konden in de gelijknamige herberg. De inkomsten voor Swanida Borgerink en Binnengerrit droogden op. Kattelaar kwijnde weg. Het was gebeurd met de ooit zo dynamische overslagregio. Swanida stierf in 1796, op tachtigjarige leeftijd. Stukje bij beetje werden de bezittingen van Kattelaar verkocht.

    Waar vroeger Enterse zompen aanmeerden, doorklieft nu de A1 het Twentse landschap. Voor wie er langs raast en het weet, ziet in een flits de Regge als enige getuige van dit roerige verleden.

     

    De kaart bij de opening van dit artikel bevindt zich in de collectie Stieltjes van het Historisch Centrum Overijssel.

     

    Door Ester Smit
    Volgende pagina

    Reacties

      Nog geen reacties aanwezig
    Reageren? Klik hier
    Overijsselaars van Toen

    Johannes van Vloten, fel bestrijder van maatschappelijk onrecht

    Prof. dr. Johannes van Vloten (1818 - 1883) was een fel bestrijder van maatschappelijk onrecht. Dit bracht hem geregeld in conflict met de elite van Deventer, zijn collega’s en zelfs zijn vrienden.

    Domineeszoon Johannes ‘Jan’ van Vloten werd in 1818 geboren in Kampen. Hij studeerde in Leiden aan de theologische faculteit. Hij promoveerde in 1843 tot doctor in de godgeleerdheid, maar in zijn proefschrift nam Van Vloten afstand van het christelijk geloof. Hij was van 1843 tot 1846 leraar Frans en geschiedenis aan het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam. In 1846 werd hij eervol ontslagen vanwege volslagen gebrek aan orde. Terug in Leiden leefde hij met name van zijn publicaties en studeerde daarnaast geschiedenis en letteren. In 1854 werd hij door de gemeenteraad van Deventer aangesteld als hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan het Athenaeum Illustre. In 1861 werd hij aldaar benoemd tot rector magnificus.

    Familie

    Van Vloten verloofde zich reeds in 1846 met Elisabeth van Gennep, dochter van bemiddelde ouders. De verloving zou acht jaar duren. Zijn benoeming aan het Athenaeum Illustre stelde het paar eindelijk in de gelegenheid in het huwelijk te treden. Samen kregen zij vier zonen en drie dochters. De drie dochters zouden later met bekende Nederlandse kunstenaars uit de kring van de Tachtigers trouwen: schrijver Frederik van Eeden, dichter Albert Verwey en kunstschilder Willem Witsen.

    In 1996 werd vóór het gebouw De Hereeniging een gedenkteken voor Johannes van Vloten opgericht, een ontwerp van de Groninger kunstenaar Hans Mes, met een tekst van Van Vloten: ‘De maatschappij en de mensheid beginnen bij ieder van ons.’

    Veelvuldig publicist

    In 1850 publiceerde Van Vloten zijn eerste boek. Tijdens zijn leven verschenen van zijn hand meer dan 1500 publicaties op het gebied van wijsbegeerte, politiek, geschiedenis (in het bijzonder over De Opstand) en taal- en letterkunde. In 1865 begon Van Vloten een eigen tijdschrift, 'De Levensbode' (1865 - 1881), later omgedoopt tot 'De Humanist' (1882 - 1883). Dit tijdschrift was van grote betekenis voor de ontwikkeling van het moderne humanisme. Van Vloten gaf bovendien de stoot tot hernieuwd Spinoza-onderzoek; in totaal schreef Van Vloten tussen 1853 en 1883 bijna 60 beschouwingen over Spinoza. Van Vlotens interpretatie van Spinoza's leer werd overgenomen door de meeste modernisten, onder wie Multatuli. Aanvankelijk was Van Vloten bevriend met Multatuli, maar hun scherpzinnige literaire discussies in briefvorm liepen al snel uit op felle ruzies. In 1875 publiceerde Van Vloten 'Onkruid onder de tarwe', een felle aanval op zijn vroegere vriend. Volgens aanhangers van Multatuli was deze laatste aanval er de directe oorzaak van dat er hierna geen publicaties meer van de hand van Multatuli verschenen.

    De Deventerse controverse

    Veel van Van Vlotens publicaties gingen over allerlei actuele maatschappelijke kwesties. Zijn gevoel voor rechtvaardigheid bracht hem geregeld in conflict met de Deventer autoriteiten. Bij de overdracht van het rectoraat in 1867 sprak hij een rede uit, die nogal wat opschudding veroorzaakte en werd uitgegeven als 'Eerlijke wenschen omtrent het hooger en middelbaar onderwijs, Nederlandsche volkszin en maatschappelijke oprechtheid'. Van Vloten betreurde dat de gemeenteraad de opheffing van het kwijnende Athenaeum Illustre in 1864 niet had doorgezet. Als gevolg hiervan werd hij oneervol ontslagen. Kort na het ontslag verhuisde het gezin Van Vloten naar Bloemendaal, waar het tot 1876 woonde. Daarna verbleef de familie in Haarlem, waar Johannes in 1883 overleed.

    Door Anne van der Meer
    Volgende pagina

    Reacties

      Nog geen reacties aanwezig
    Reageren? Klik hier

    Voor het voetlicht: de Historische Vereniging Wijhe

    Huizenhoog hangen ze boven het winkelend publiek in de Langstraat. Tientallen gevlochten manden die verwijzen naar de hoogtijdagen van Wijhe als mandenmakers-dorp. Om ons te onderscheiden van omliggende dorpen, aldus de lokale ondernemersvereniging Gastvrij Wijhe. Het idee kwam tot stand nadat de Historische Vereniging Wijhe samen met kunstenaar Folkert Nijholt een complete etalage in de winkelstraat in had gericht over het verleden en de toekomst van het mandenmaken.

    Tientallen manden hangen hoog boven de Langstraat in Wijhe. (foto Jan Amse)

    Twyge

    De geschiedenis van Wijhe als mandenmakersdorp begint al in de Middeleeuwen. In 1484 was in de buurschap Wechterholt een pachter die een jaarlijkse betalingsverplichting had aan zijn heer. Dit was wegens opbrengsten uit het houden van onder meer ‘twyge’, waarvan manden gemaakt werden. Vanaf het einde van de negentiende eeuw groeide het ambacht van mandenmaker uit tot een behoorlijke plaatselijke bedrijvigheid die ruwweg tot de jaren zestig van de twintigste eeuw heeft bestaan. In de lokale vleesindustrie, de fruitteelt, op de visafslag in IJmuiden en voor opslag van de aardappeloogst in Groningen gebruikte men duizenden manden. Op het hoogtepunt, in het midden van de twintigste eeuw verdienden bijna tachtig Wijhenaren hun brood in de mandenmakerij.

    De manden worden hoog opgestapeld voor vervoer naar de afnemers. (Historische Vereniging Wijhe)

    Gekleurde manden

    Door de komst van rooimachines en manden van kunststof kwam er vanaf de jaren zeventig een einde aan de mandenindustrie. In 1988 stopten de gebroeders Zwerus als mandenmakers in Wijhe. Zij waren de laatsten. Sindsdien probeert de Historische Vereniging Wijhe de herinnering aan het mandenmaken levend te houden. In de Oudheidkamer aan de Kerkstraat heeft zij een vaste expositie over het thema ingericht. Ook heeft de vereniging een veelheid aan oude foto's, manden en archiefmateriaal over de bedrijfstak in haar collectie. Met de ondernemersvereniging is afgesproken dat de manden tot aan de winter in de winkelstraat blijven hangen. Volgend jaar komen ze terug, geschilderd in de kleuren van Gastvrij Wijhe. Wijhenaren die nog manden hebben thuis staan, kunnen ze inleveren bij de vereniging.

    De gebroeders Zwerus waren de laatste mandenmakers in Wijhe.

    Cursus

    Een ander initiatief om het mandenmaken te laten herleven, begon vorig najaar. De IJsselacademie zette samen met de Historische Vereniging Wijhe een speciale cursus op. Bij navraag bleek niemand in Wijhe nog het ambacht onder de knie te hebben. Mandenmaker Henk Ziel uit Raalte leerde de cursisten de techniek van het vlechten van manden en kunstenaar Folkert Nijholt zocht samen met hen naar moderne toepassingen van het mandenmaken. Immers, als je het ambacht wilt behouden, moet je het vernieuwen. Vanwege de grote belangstelling werd de cursus afgelopen voorjaar nog een keer te houden en in september staat de derde editie gepland.

    Cursisten leren de techniek van het mandenmaken. (foto Eefje van Geffen)

    Ooit zong half Wijhe 'ga door, ga door, wie achter is moet voor', het rijmpje dat werd opgezegd bij het vlechten. Als het aan de historische vereniging ligt, klinkt dit 'mandenmakerslied' binnenkort opnieuw door de straten van het dorp.

    Door de redactie
    Volgende pagina

    Reacties

      Nog geen reacties aanwezig
    Reageren? Klik hier
    Overijssel in boeken

    Harm Boom: 1810-1885 schrijver-journalist-podagrist.

    Vóór hij redacteur werd van de Provinciale Drentsche en Asser Courant was Harm Boom, de eenvoudige jongen uit de provincie, drie jaar lang hoofdredacteur van een prestigieuze Amsterdamse krant. Hoe is hem dat met een schoolmeestersopleiding gelukt? Als boekenschrijver maakte hij deel uit van het befaamde Podagristentrio. Als schrijver in de streektaal vervulde hij een voortrekkersrol. Talloos zijn z'n krantenstukjes in het Drents, vol (boeren)humor, gepubliceerd onder een veelheid van pseudoniemen. Het boek bevat ook fragmenten uit het werk van Harm Boom. Harm Boom maakt ook deel uit van de Overijsselse geschiedenis. Bekend is zijn reisverslag ‘Mijne reisportefeuille, omzwervingen door Overijssel in het najaar van 1846’, dat diverse keren werd herdrukt. Hij woonde onder meer in Gramsbergen, Almelo, Raalte, Kampen en Zwolle.

    Auteur: Cees van Dijk

    Uitgever: Van Gorcum

    ISBN 9789023252788 | 200 pag. | € 24,95

    Door de redactie

    35 jaar Bello: het verhaal van een wegtreintje

    In 1978 vierde het dorp Hellendoorn zijn 900-jarig bestaan. Een van de vele hoogtepunten dat jaar was de grote, feestelijk optocht. Vooraan in de stoet reed een replica van de trein die van 1910-1935 Hellendoorn als eindstation had: Bello. Het wegtreintje, gebouwd door buurtvereniging de Woerthe, bleek een enorm succes. In 1979 werd de Stichting Bello opgericht en 35 jaar lang exploiteerde deze stichting het treintje. Zowel voor de Hellendoorners als voor de vele toeristen is het treintje een belevenis. In deze jubileumuitgave wordt verteld over de bouw van de trein, de aanvankelijk moeizame relatie met de autoriteiten en de vele plezierige ervaringen met tal van mensen en organisaties. ‘35 jaar Bello’ bevat vele verhalen, herinneringen en anekdotes en meer dan honderd foto's. Het boek begint met een interessant hoofdstuk, met veel details en mooie afbeeldingen, over de geschiedenis van de lijn Neede-Hellendoorn, waar de historische voorganger van de huidige Bello ooit reed.

    Auteurs: Tineke van Buren en Dinand Webbink

    Uitgever: Stichting tot Steun Activiteiten Dorp Hellendoorn

    ISBN | 55 pag. | € 14

    Door de redactie

    ‘Vivat Capellen’: over Johan Derk van der Capellen en zijn brief aan Willem Alexander

    De auteur schetst een beeld van de tijd waarin de patriot Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1742-1784) leefde. Van der Capellen wordt vaak Nederlands eerste democraat genoemd. Zijn anoniem uitgegeven manifest ‘Aan het volk van Nederland’ (1781) was een aanklacht tegen de Oranjes en de heersende elite. In Overijssel verzette hij zich tegen de door de boeren gehate drostendiensten, een overblijfsel uit het feodale tijdperk. In het boek laat de schrijver Van der Capellen commentaar leveren op ontwikkelingen in onze tijd en een brief schrijven aan Willem Alexander.

    Auteur: Theo Elstgeest

    Uitgever: Mijnbestseller.nl

    ISBN 9789462545854 | 150 pag. | € 17,95

    Door de redactie

    Op zoek naar Johan Huy: twee Denekampers tegen wil en dank in Duitse krijgsdienst

    Dit boek vertelt het unieke verhaal van een bijzondere Denekampse familie. Nederlanders, maar in bezit van een Duits paspoort. Het gevolg is dat grootvader Herman Huy in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog belandt, en zijn zoon Johan in 1940 wordt opgeroepen voor de Wehrmacht. In het laatste oorlogsjaar verdwijnt hij spoorloos aan het Oostfront. De moeder van auteur René Borgerink is een zus van Johan Huy. Als Borgerink met zijn moeder vakantie viert in Duitsland, komt hij tot een schokkende ontdekking, die hem op het spoor zet van zijn verdwenen oom Johan. In gesprekken met familieleden en in archieven vindt hij de bouwstenen voor het waar gebeurde relaas. Een rijk geïllustreerde familiekroniek, over hoe gewone mensen verstrikt raken in de grote wereldgeschiedenis.

    Auteur: René Borgerink

    Uitgever: Heinink

    ISBN 9789462580510 | 240 pag. | € 19,95

    Door de redactie

    Handel dapper: lessen uit de strijd om betaalbaar wonen in Deventer

    Actievoerders in Deventer streden in de jaren zeventig tegen de sloop van het Noordenbergkwartier. De gemeente wilde er grote kantoren en parkeergarages bouwen. Dankzij het buurtverzet kwamen er betaalbare woningen en bleef het middeleeuwse karakter behouden. Vier vooraanstaande journalisten kijken in dit boek terug op deze succesvolle strijd. Ze portretteren in levendige verhalen de kleurrijke hoofdrolspelers en laten zien hoe bewoners na jarenlang verzet samen met de gemeente de verwaarloosde wijk wisten te vernieuwen, volgens het principe van het ‘bouwen voor de buurt’. De auteurs trekken ook parallellen met acties in andere steden en huidige protesten. Zo inspireren ze om weer het heft in eigen hand te nemen.

    Auteurs: Nico Haasbroek, Ton van Dijk, Han van der Horst, Jutta Chorus;

    Redactie: Jaco Boer en Bram Vermeer

    Uitgever: Oostenwind

    ISBN 9789491481062 | 255 pag. | € 25

    Door de redactie

    ’t Is alles kleuren, zilver, goud - Staphorst, versieren bij het leven

    Aan de basis van dit boek ligt een gedicht uit 1925 van ‘Observator’, het pseudoniem van een Staphorster onderwijzer die in het gedicht en ook middels ingezonden stukken in de Meppeler Courant (onder het pseudoniem ’Opmerker’) de tegenstanders van de ruilverkaveling bekritiseert. In zijn gedicht verwijt hij de Staphorsters zich vooral druk te maken om uiterlijk vertoon en mode en de ogen te sluiten voor de toekomst. Hij doet dit met veel humor en talent, terwijl de personen die aan het woord komen zich bedienen van onversneden Staphorster dialect. In het gedicht passeren talrijke attributen de revue die behoren tot het pronkgoed. Dat is het startpunt voor de prachtige foto’s van Dirk Kok, die de Staphorster dracht en de sieraden in al hun glorie tonen. Historische foto’s, teksten en gedichten maken het beeld compleet.

    Auteur: Dirk Kok

    Uitgever: Lecturis

    ISBN 9789462261068 | 117 pag. | € 17,50

    Door de redactie

    Twente en zijn historische tuinen: Landgoed Singraven

    In Twente zijn vele kastelen, landhuizen en havezaten te vinden die een monumenten-status kennen. Maar ook de tuinen die deze huizen omringen worden vaak als monument aangemerkt. Veel van deze tuinen zijn te bezoeken. In sommige daarvan zijn vele eeuwen tuinarchitectuur te vinden, anderen kenmerken zich juist doordat de aanleg geheel in één stijl is gedaan.

    Nabij Denekamp, aan de oever van de Dinkel, ligt het landgoed Singraven. De naam ‘singraven’ gaat terug tot de vroege middeleeuwen. Het woord ‘sin’ betekent ‘groot’ of ‘machtig’. Al in 1381 wordt huis Singraven genoemd door ene Wigbold de Kale. Singraven wordt dan bewoond door de familie Awick die het in leen had van het bisdom Utrecht. Na de Awicks woonden de Hondenbergs er. Zij bouwden in 1415 het eerste stenen huis op het landgoed. Dit jaar wordt dan ook gevierd dat Singraven 600 jaar bestaat. In de zestiende eeuw werd het huis kort in gebruik genomen als klooster. Deze periode in de geschiedenis van het huis leeft voor in de legende van de non die nog steeds bij Singraven zou rondspoken en ongeluk zou brengen. Aan die tijd dankt Singraven ook zijn bijnaam het Zwarte Huis. Nadat het klooster werd opgeheven, was het in bezit van verschillende families, onder andere de familie Roessingh Udink, totdat het landgoed in 1915 tijdens een openbare verkoop werd verkocht aan J.A. Laan, een industrieel uit de Zaanstreek. Zijn zoon W.F.J. Laan die tot 1966 op het landgoed woonde, was de laatste particuliere eigenaar. Laan gaf het eigendom over aan Stichting Edwina van Heek. Deze stichting zet zich in voor behoud van cultuur en natuur in Oost-Nederland.

    Een van de bruggen in de tuin.

    Leonard Springer

    Landgoed Singraven bestaat uit ruim 500 hectare waarvan een groot gedeelte bos en landbouwgrond is. Tot het landgoed behoort ook de bekende watermolen waar tegenover de Landgoedwinkel is gevestigd. Het huis Singraven wordt omringd door prachtig aangelegde tuinen in landschapsstijl die door Leonard Springer werden ontworpen. Springer, zoon van de kunstschilder Cornelis Springer, was een gevierd tuinarchitect. Architect Karel Muller die veel huizen ontwierp voor de textielfabrikanten, introduceerde hem in Twente.

    W.F.J. Laan in 1929.

    In 1932, Springer was toen al aardig op leeftijd, kreeg hij van Willem Laan de opdracht de tuin opnieuw in te richten en een arboretum aan te leggen. Laan heeft in de jaren dat hij Singraven bewoonde duidelijk zijn stempel op het huis en de omgeving gedrukt. Zijn grote passie was de zeventiende en de achttiende eeuw en hij verzamelde kunst en antiek uit die periode. In het huis zijn vele stijlkamers te vinden die in de trant van deze eeuwen zijn ingericht, de zogenaamde Louis XV- en Louis XVI-stijl. Opvallend genoeg liet Laan zijn sterke voorkeur voor de zeventiende en achttiende eeuw los in zijn ideeën over de tuin. Hij gaf de opdracht aan Springer die een prachtige tuin in de negentiende-eeuwse stijl ontwierp. De tuinen worden dus niet gekenmerkt door strakke buxushaagjes in Franse barokstijl, rococovijvers of andere geometrische ontwerpen waar de zeventiende- en achttiende-eeuwse tuinen door worden gekenmerkt.

    Standbeeld van Pan.

    Engelse landschapstuin

    Singraven wordt omringd door een Engelse landschapstuin, een stijl die heel populair werd in de negentiende eeuw. De landschapstuin kenmerkt zich door een parkachtige uitstraling, doorkijkjes, zichtassen naar objecten, waterpartijen, bomen en gebogen paden. Al deze kenmerken zijn in deze tuin terug te vinden. Een van de belangrijkste zichtassen in de tuin is de 800 meter lange toegangslaan naar het huis met aan weerszijde hoge eikenbomen. Een andere weg naar het huis is de Molendijk die van Singraven naar Denekamp loopt en al te zien is op de kaart van Hottinger uit de achttiende eeuw. Nabij Singraven staan lindebomen op de dijk. Al in 1868 werd nabij het huis door de familie Roessingh Udink, de vroegere eigenaar, een gazon aangelegd met meanderende wandelpaden, bomen en rododendrons. Deze elementen zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in de tuin. Bijzonder is het eiland waar zich een reigerkolonie bevindt. Buiten het park, aan de andere kant van de Molendijk werd op verzoek van Laan een arboretum aangelegd. In het arboretum zijn vele bijzondere bomen te vinden uit verschillende werelddelen zoals bijvoorbeeld de zakdoekjesboom die van oorsprong in China voorkomt en de sneeuwklokjesboom.

    Wandelpad door rododendrons.

    Decoratieve elementen

    Ten westen van het huis ligt een moestuin die ooit deel uit maakte van een oudere, meer geometrische aanleg van de tuin. Achter de moestuin bevindt zich een kleinere landschapstuin met een hertenbaan die in een oud sterrenbos is aangelegd. Ondanks dat de tuin een duidelijk negentiende-eeuws karakter heeft, verloochende Laans passie voor de zeventiende- en achttiende eeuw zich toch niet. In de tuinen zijn vele decoratieve elementen te zien uit voornamelijk de achttiende eeuw. Zo staan er langs de toegangsweg zes identieke tuinvazen, gedecoreerd met onder andere vrouwenhoofden, bekroond met een deksel. De vazen zijn geplaatst zijn op zandstenen sokkels. Aan weerszijde van het huis en bij de moestuin zijn vergelijkbare vazen te zien. Op het gazon voor het huis staat een achttiende-eeuwse zonnewijzer, versierd met schelpmotief. Ook de licht gebogen brug over de gracht is vanwege zijn ouderdom als monument aangemerkt. Opvallend is de fontein die is geplaatst tegen de noordelijke moestuinmuur. Deze fontein is ontworpen in 1944 door Andries de Maaker, de architect die door Laan in de arm werd genomen voor de verbouwingen aan het huis. Al deze elementen dragen bij aan de monumentale status van de tuin.

    Zonnewijzer op het voorgazon.

    Landgoed Singraven is te bezoeken. Zie voor meer informatie en openingstijden www.singraven.nl. Ook activiteiten in het kader van 600 jaar Singraven zijn op deze website te vinden.

    Door Doreen Flierman
    Volgende pagina

    Reacties

      Nog geen reacties aanwezig
    Reageren? Klik hier
    Geschiedenis van alledag

    En de huisvrouw weckte voort... tot de diepvries kwam

    De Overijsselse bevolking weckte in de tijd dat er nog geen koelkast of diepvries was op grote schaal groente, fruit en andere producten. Aan het eind van de zomer stond elke goede Overijsselse huisvrouw aan de kookpot met weckflessen.

    Wecken doodt micro-organismen door verhitting. Door het luchtdicht afsluiten van de potten en flessen wordt voorkomen dat er nieuwe kiemen in het product binnendringen. De etenswaren worden gedurende een bepaalde tijd verhit in dikwandige glazen potten. Tijdens het afkoelen ontstaat er onderdruk in de pot. Het voordeel van deze methode is dat producten lang houdbaar zijn, mits het op de goede wijze is gedaan. Nadeel is dat gevoelige voedingsstoffen verloren gaan, omdat er betrekkelijk lang verhit moet worden.

    De potten worden na het wecken in de kelder bewaard.

    Uit Zwitserland

    De wecktechniek is uitgevonden door de Franse suikerbakker en uitvinder Nicolas Appert (1749-1841) die zijn uitvinding aan de Franse regering aanbood, nadat zijn eerste gesteriliseerde voedsel in potten na acht maanden nog goed was gebleken. Zijn manier van conserveren bleek ideaal voor het leger om onder barre omstandigheden te overleven, want men kon niet alleen groente en fruit op deze manier bijna onbeperkt bewaren, maar ook vlees. Vlak voor zijn dood verkocht Appert de methode aan een Zwitserse familie, die op haar beurt in 1892 de methode doorverkocht aan Johann Carl Weck (1841-1914). Hij stichtte op 1 januari 1900 de glasfabriek J. Weck, die de weckflessen produceerde.

    Twee potten met geweckte bonen.

    Werkwijze

    Voor het wecken werden glazen potten van verschillend formaat gebruikt, die weckpotten of weckflessen werden genoemd. Eerst ontsmette de huisvrouw de potten door deze grondig schoon te maken met soda. Daarna werden ze gevuld met de in te maken levensmiddelen. Men sloot de potten af met een glazen deksel. Tussen pot en deksel kwam een rubberen ring, de weckring. Om het deksel op zijn plaats te houden, werd het vastgezet met een metalen beugel. De potten werden daarna in een weckketel met bijna kokend water geplaatst, waardoor de druk in de pot opliep en lucht en overtollige vloeistof uit de pot konden ontsnappen. Daardoor daalde de druk en ontstond er in de pot een vacuüm, dat het deksel luchtdicht op de pot drukte. Als de pot is afgekoeld, konden de beugels worden verwijderd, waarna de levensmiddelen meerdere jaren geconserveerd bleven.

    Een weckketel waarin de potten geplaatst worden.

    Het wecken als culinaire traditie is vorig jaar toegevoegd aan de Unesco Werelderfgoedlijst van immaterieel erfgoed.

    Door Girbe Buist
    Volgende pagina

    Reacties

      Nog geen reacties aanwezig
    Reageren? Klik hier

    Deventer schipmolens gaan in vlammen op

    Er is een bijzonder molentype dat in Europa bijna is verdwenen: de schipmolen. Het concept is eenvoudig. Aan een of meer schepen gelegen op een rivier zijn raderen bevestigd. Het stromende water brengt ze in beweging. Met een as wordt een op een schip gelegen maalinrichting in werking gesteld. Een voordeel is dat de rivier meestal voldoende water bevat. Bovendien volgt een drijvende schipmolen automatisch het waterniveau zodat de raderen altijd kunnen draaien.

    Er zijn ook nadelen. Overduidelijk is dat het aan- en afvoeren van grondstoffen, materialen en producten lastiger is dan bij een molen op het vasteland. Hoog water en ijsgang zorgden vaak voor ernstige schade aan schepen en raderen, als ze die al niet totaal met zich meesleurden, soms samen met de molenaar, zijn gezin en het personeel. Op een rivier met een drukke scheepvaart lag een omvangrijk molencomplex soms behoorlijk in de weg.

    Detail van een prent uit ‘Die chronica van der hilligers Stad van Coellen’ (1499). Op de Rijn zijn duidelijk twee schipmolens te onderscheiden.

    Schipmolens in Europa

    Ondanks de onbekendheid van dit bijzondere molentype zijn er in Europa duizenden geweest. In een metropool als Keulen speelden schipmolens eeuwenlang een cruciale rol in de energievoorziening. Tot ver in de twintigste eeuw waren her en der in Europa nog schipmolens in gebruik. Ook nu nog kun je werkende exemplaren in openluchtmusea bewonderen, zoals in het ASTRA National Museum Complex in Sibiu, Roemenië. Er zijn zelfs nog drie schipmolens op hun oorspronkelijke plek bewaard gebleven, al leven de eigenaars meer van het toerisme dan van de producten die de molen oplevert. Wie ze wil zien, moet wel afreizen naar Servië of Slovenië.

    Een nog in bedrijf zijnde schipmolen in Slovenië.

    Nederland

    In Nederland is de schipmolen een uitzonderlijk fenomeen. Er zijn slechts zes plaatsen waar deze nuttige inrichtingen hun werk hebben gedaan. Op de Maas bij Maastricht en Roermond, op de Waal bij Nijmegen, bij Tiel op de Rijn en ten slotte in Zutphen en Deventer, waar het water van de IJssel voor de aandrijving zorgde.

    Gezicht op de schipmolens bij Maastricht uit de stedenatlas van Braun & Hogenberg van 1581.

    Maastricht en Roermond

    In Maastricht wordt in 1394 voor het eerst een schipmolen genoemd. Tussen het verdwenen Sint Antoniuseiland en de oever, ten noorden van de Servaasbrug, lag eeuwenlang een groepje schipmolens. Hun aantal varieerde tussen de vier en de tien. Op een kaart uit de stedenatlas van Braun & Hogenberg van omstreeks 1570 zijn er zes te zien. Een plattegrond uit de magnifieke stedenatlas van Blaeu uit 1649 laat er acht zien. Waarschijnlijk zijn de laatste schipmolens in Maastricht in 1705 verdwenen. Omdat de Hollandse rivieren nu eenmaal ‘traag door oneindig laagland gaan’, zoals de dichter zegt, hadden de schipmolens brede raderen nodig om voldoende energie op te wekken. Hierdoor belemmerden ze de groeiende scheepvaart en waren ze gedoemd te verdwijnen.

    In de stedenatlas van Blaeu uit 1649 zijn op de plattegrond van Maastricht acht schipmolens te zien tussen het Sint Antoniuseiland en de linker Maasoever.

    Gezien het al vroeg in de achttiende eeuw verdwijnen van de schipmolens in Maastricht is het opmerkelijk dat iemand anderhalve eeuw later in Roermond nog durfde te investeren in een dergelijke maalinrichting. Zo laat een zekere J.H. Hartjes rond 1848 ‘eenen graan- pel- en looiwatermolen op een schip in de Maas’ bouwen, die echter al twee jaar later bij een ‘watersnood’ door de rivier werd verzwolgen.

    Op de plattegrond van Nijmegen in de stedenatlas van Bleau (1649) zijn ‘2 Schip meullens’ afgebeeld.

    Nijmegen en Tiel

    De schipmolens voor de Waalkade in Nijmegen zijn onder meer door de zeventiende-eeuwse meester Albert Cuyp afgebeeld. Verder is er niet veel over deze molens bekend. Zeker is dat ze in 1547 al in gebruik waren. Ook de Nijmeegse schipmolens zullen rond 1700 zijn verdwenen. De gegevens over een schipmolen op de Rijn bij Tiel zijn uiterst summier. Na de val van Antwerpen in 1585 had ene Hans van Aelst een schipmolen bij Tiel in gebruik, wellicht om papier te produceren. Wat er verder van geworden is, is niet bekend. De molen is nooit afgebeeld.

    In 1654 schilderde Albert Cuyp een fraai stadsgezicht van Nijmegen. Op dit fragment zijn de twee schipmolens te zien (Indianapolis Museum of Art).

    Zutphen en Deventer

    Ook van de schipmolen bij Zutphen is geen afbeelding te vinden. Er moet er een geweest zijn vóór 1486 want in het bestek voor de bouw van een molen uit dat jaar wordt aangegeven dat de planken gelijk moeten zijn aan de ‘aelde [oude] plancken’. Of de molen de zestiende eeuw nog heeft gehaald, is niet bekend.

    Over de Deventer schipmolens hangt eveneens een waas van mysterie. Op de plattegrond van Jacob van Deventer, die rond 1558 is vervaardigd, zijn bij de toenmalige vaste oeververbinding drie molens aangegeven: een ten noorden van de brug, twee ten zuiden. Hoe ze er precies uitzagen, zal altijd een raadsel blijven.

    De eerste Deventer schipmolen wordt genoemd in 1438. In dat jaar kregen Jacob Wider en Dirc Bruggert toestemming om ‘een watermoele te leggen by Stekelertoern in den Yselstroem’. De heren hadden bedongen dat niemand binnen twaalf jaar een molen in de IJssel mocht leggen en dat er nooit een in de rivier gelegd mocht worden die hun molen zou hinderen.

    Toch kwamen er twee schipmolens bij, zo blijkt uit oude documenten. Het lijkt voor de hand te liggen dat in het midden van de zestiende eeuw de drie molens aan de in 1483 gebouwde brug waren bevestigd. Het water stroomt sneller tussen de pijlers van een brug en die extra energie konden de molenaars goed gebruiken.

    Gek genoeg ontbreken de molens op een gedetailleerde prent van Deventer uit ongeveer 1550. Wel zijn er duidelijk tal van molenstenen op de kade zichtbaar. Dat is niet verwonderlijk. In de florerende Hanzestad waren in die dagen maar liefst dertien windmolens en twee watermolens in bedrijf, nog afgezien van drie molens die in de IJssel dreven.

    Op een prent van de stad Deventer zijn op de kade diverse molenstenen te zien. Detail van een anonieme houtsnede van omstreeks 1550 (Historisch Museum Deventer).

    Een kwart eeuw later - inmiddels is de Tachtigjarige Oorlog uitgebroken - werd Deventer belegerd door het Staatse leger van graaf van Rennenberg. Bij de verovering van de stad op de Spanjaarden in 1578 ging de houten paalbrug in vlammen op. De drie riviermolens troffen hetzelfde lot. Nadien is er niets meer van vernomen.

    Bij het beleg van Deventer door de graaf van Rennenberg worden brug en schipmolens compleet verwoest. Detail van een anoniem schilderij uit de collectie van het Historisch Museum Deventer.

    Literatuur

    Gräf, D. Boat mills in Europe form Early Medieval to Modern Times. Dresden, 2006.

    Hagens, H. Schipmolens te Zutphen. In: Molens, mulders, meesters (Hengelo, 1979) p. 264.

    Lamboo, R. Scheepsmolen verswolgen door de Maas. In: www.historieroermond.nl 

    Molen, P. van der. Scheepsmolens in Holland onbekend, in Europa gelief. In: Wiek & Rad, jrg. 33 (2014) nr. 4, p. 4-9.

    Molen, P. van der. Geheimen mysterieuze schipmolen langzaam ontrafeld. In: Wiek & Rad, jrg. 34 (2015) nr. 1, p. 10-13.

    Schipmolens: drijvende fabrieken op hernieuwbare energie. In: Lowtech Magazine (16 nov. 2010)

    Tutein Noltenius, A. Schipmolens. In: De Ingenieur (1955), nr. 36, p. 421-423.

    Tutein Noltenius, A. Schipmolens. In: Bijdragen en mededelingen der vereniging Gelre, jrg. 57 (1958) p. 233-243.

    Webbink, D. Leven van de wind: molens in Deventer. In: Deventer Jaarboek 25 (2011)p. 78-80.

    Met dank aan drs. Esmee Hagendijk voor de transcriptie van de tekst uit 1438.

    Door Dinand Webbink
    Volgende pagina

    Reacties

      Nog geen reacties aanwezig
    Reageren? Klik hier
    Beeld en geluid

    Uit het youtube HCO kanaal

    Tour de Salland, 1958

    Fragmenten uit een reportage over de Tour de Salland 1958, een vierdaagse fietstocht en -wedstrijd voor jongeren van 11 - 14 jaar in Deventer.

    Meest recent toegevoegd

    Uit de beeldbank van...

    Historische Vereniging Hardenberg

    Wielerronde Hardenberg

    De 102e editie van de Tour de France wordt momenteel gereden. Voor de zesde keer in de geschiedenis was de start van 's werelds bekendste wielerwedstrijd in Nederland. Na Amsterdam in 1954, Scheveningen in 1973, Leiden in 1978, Den Bosch in 1996 en Rotterdam in 2010 was het dit jaar de beurt aan Utrecht. De tweede etappe kruiste midden door het Groene Hart en finishte op het Zeeuwse eiland Neeltje Jans.

    In Overijssel zijn de afgelopen zeventig jaar ook diverse wielerrondes gehouden. De heuvels in Salland en Twente en de mooie wegen tussen het water in de Kop van Overijssel lenen zich uitstekend om langs te fietsen. Deze foto is van de wielerronde in Hardenberg in 1978. De renners nemen de bocht op de hoek van de Gramsbergerweg en de Stationsstraat. Een plaatselijk prominente wielrenner is Gerrit Brokelman.

    De renners in de Tour de France bevinden zich inmiddels allemaal in Frankrijk. Wanneer de Tourkaravaan Nederland weer aan doet is niet bekend. Misschien wordt het eens tijd voor een Tour-etappe door Overijssel!

    Door de redactie
    Volgende pagina

    ‘In Steenwiek bin wi'j heel normaal.’ Streektaal en jongeren

    De afgelopen maanden heeft Daan Brandenburg, stagiair bij de IJsselacademie in Zwolle, onderzoek gedaan naar de houding tegenover streektaal van Steenwijker jongeren tussen de 12 en 18 jaar. Deze doelgroep was niet geënquêteerd tijdens de Taaltelling Nedersaksisch uit 2005 door Henk Bloemhoff. De resultaten van het onderzoek zijn verwoord in de afstudeerscriptie: 'Steenwijk, Folk Perception and Regional Language of the Youth'.

    In het onderzoek zijn niet alleen jongeren, maar ook een groep volwassen sprekers van het Steenwijks geënquêteerd. Doel was om duidelijk te krijgen hoe zij tegen hun streektaal aankijken en om vast te stellen welke stereotype kenmerken van het Steenwijks er zijn. In dit artikel beperken we ons tot de uitkomsten van het onderzoek onder de jongere generatie.

    Een aantal gepensioneerden mannen op een bankje in Zwartsluis. (beeldbank HCO)

    Onderzoek

    In het onderzoek stonden twee vragen centraal:

    - Gebruikt de jongere generatie de streektaal nog?

    - Wat is de houding van de 12-18-jarigen ten opzichte van de streektaal in Steenwijk?

    Het onderzoek werd gehouden onder 141 scholieren van RSG Tromp Meesters. Om de houding van de jongere generatie ten opzichte van de streektaal te onderzoeken, werd gebruik gemaakt van de zogeheten ‘matched-guise techniek’, waarbij de scholieren een aantal geluidsfragmenten te horen kregen waarin een persoon dezelfde tekst voorlas, maar dan in verschillende talen, waaronder het Steenwijks, het Nederlands en het Nederlands met typisch Steenwijker woorden. De scholieren moesten op een schaal van 1 tot 5 aangeven hoe de persoon op hen overkwam in de verschillende geluidsfragmenten. Daarnaast moesten ze op dezelfde schaal aangeven of ze de taal lelijk of mooi vonden.

    Klik hier om het Steenwijker dialect te beluisteren: Steenwijk.m4a

    Klik hier om dezelfde zin in het Nederlands te beluisteren: Nederlands.m4a

    Nadat de jongeren de fragmenten hadden beluisterd, kregen ze een vragenlijst waarin hen om enkele persoonlijke gegevens gevraagd werd: leeftijd, geslacht, studierichting, geboorteplaats en die van hun ouders, of ze streektaal spreken, met wie en of ze die ook in de sociale media gebruiken. Aan het scholierenonderzoek deden zes verschillende klassen mee: een tweede en een vierde klas van elk van de schooltypen VWO, HAVO en VMBO.

    Resultaten

    Ongeveer 56 % van de scholieren geeft aan de streektaal op de een of andere manier te gebruiken: met hun ouders, broers en zussen, vrienden, grootouders, op school, sportclub of op sociale media. Jongens gebruiken de streektaal meer met vrienden, op school, op de sportclub en op sociale media dan meisjes, die de streektaal juist vaker gebruiken met broers, zussen en grootouders. Met andere woorden: jongens gebruiken de streektaal meer buitenshuis, de meisjes meer binnenshuis. Ook is er een duidelijk verschil te zien tussen de verschillende klassen. Vooral door leerlingen van MAVO 4 wordt de streektaal gebruikt.

    Tabel 1: Het gebruik van streektaal.

    De houding van de jongeren ten opzichte van de streektaal is redelijk negatief. Het Nederlands vinden ze mooier dan het Steenwijks, en de persoon die in de geluidsfragmenten streektaal sprak, werd als ouderwetser, dommer, onaantrekkelijker, vreemder en armer beschouwd dan de spreker van het Nederlands. Het enige punt waarop de spreker even hoog scoorde, was op de schaal onaardig – aardig, met andere woorden: iemand die Steenwijks spreekt is wel aardig!

    De jongere kinderen uit de tweede klas (13-14 jaar) hebben een positiever oordeel over het Steenwijks dan de vierdeklassers (15-19 jaar): de spreker van het Steenwijks scoort bij hen hoger op de schaal modern en slim en ze vinden het Steenwijks ook mooier. Jongeren die zelf de streektaal gebruiken, beoordelen het Steenwijks positiever dan degenen die dat niet doen. Er is geen belangrijk verschil tussen beide groepen waar het gaat om de beoordeling van het Nederlands.

    Staafdiagram van de houding ten opzichte van streektaal door hen die de streektaal spreken en niet spreken.

    Conclusies en aanbevelingen

    Op basis van het onderzoek kunnen we concluderen dat de streektaal onder jongeren nog steeds wordt gebruikt. Dat is positief, als men de uitkomsten van het onderzoek vergelijkt met die van de taaltelling in Bloemhoff (2005), toen werd vastgesteld dat van de volwassenen in Steenwijkerland nog 49,3% de streektaal gebruikte. De uitkomsten van het huidige onderzoek zijn ook veel positiever dan de gegevens van Geert Driessen (“Ontwikkelingen in het gebruik van Fries, streektalen en dialecten in de periode 1995-2011”, Nijmegen 2012). Het is wel opvallend te zien dat het streektaalgebruik van de jongeren meestal plaatsvindt in het contact met hun grootouders. Als het doorgeven van de taal voornamelijk van de grootouders moet komen, zal het gebruik van de streektaal blijven afnemen.

    Een groep jongens tijdens een jongenskamp in Ommen. (Beeldbank HCO)

    Jongeren die zelf de streektaal gebruiken, beoordelen het Steenwijks positiever dan degenen die dat niet doen. Voor deze laatste groep heeft de streektaal en wat ouderwets en dom imago. Instituten die zich bezig houden met het Nedersaksisch, zouden manieren moeten vinden om kinderen meer in aanraking te brengen met de streektaal, waardoor een positievere houding zal ontstaan. Erkenning van het Nedersaksisch onder Deel III van het Europese Handvest zou het gemakkelijker maken om materiaal te ontwikkelen voor kinderen en leraren en ouders hierin voor te lichten en te scholen.

    De scriptie "Steenwijk: Folk Perception and Regional Language of the Youth" van Daan Brandenburg is hier te downloaden.

    Door Philomène Bloemhoff-de Bruijn
    Volgende pagina

    Reacties

      Nog geen reacties aanwezig
    Reageren? Klik hier
    . . . . . . . . . .