MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 21
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 22
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 23

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 3
  • nummer 4
  • oktober 2015

Coververhaal

Hoe de trekker het Overijsselse platteland veroverde

Overijsselaars van toen

Atlete Tollien Schuurman hield het hoofd recht

Geschiedenis van alle dag

Loopfietsjes en hobbelpaarden. Speelgoed uit Overijssel

Naar de plek van ...

Andries Heidema, burgemeester van een stad van vrijdenkers

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Van de redactie
  • jaargang 3
  • nummer 4
  • oktober 2015

Gevarieerd magazine met verhalen die passen bij het lengen der dagen

Voor de laatste maanden van het jaar krijgt u weer een gevarieerde editie van MijnStadMijnDorp, ons online magazine over geschiedenis in Overijssel.

De bijdragen gaan over kunst en cultuur, over principes, stellingen zoals ‘er bestaat geen Overijsselse identiteit’ en Deventer als stad van vrijdenkers en van Geert Groote die om het Woord een nieuwe religieuze beweging stichtte. Het zijn onderwerpen die passen bij het lengen der dagen. Ze verdienen het om aandachtig gelezen te worden. Voor een deel gaan ze over mensen die geen meelopers waren, maar over hun keuzes hadden nagedacht. Neem nou de atlete Tollien Schuurman uit Windesheim. Ze bezat het wereldrecord op de 100 meter en iedereen zag haar als kandidaat voor minstens twee gouden medailles op de Olympische Spelen in Berlijn (1936). Toch ging ze niet. Op Spelen waar net de Joden waren buitengesloten, had zij niks te zoeken, en ze stopte per direct met hardlopen.

Of neem het ontwerpers-echtpaar Rokus en Corrie van Blokland. Ze waren eigenaars van de speelgoedfabriek Sio in Vroomshoop die in 1982 afbrandde. Ze maakten niet zo maar speelgoed, er was grondig over nagedacht. Het echtpaar was een overtuigd aanhanger van de stelling: ‘mijn spelen is leren’. Daar kwam bij dat hun ontwerpen zo mooi en doordacht waren dat het speelgoed werd opgenomen in de vaste collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam onder de noemer ‘design’.

Onderwijscentrum Oldenzaal kende ook vroeger al opleidingen van niveau. Zo was er eeuwenlang een Latijnse School waar leerlingen werden voorbereid op een academische studie. Filips van Rouveen (Philippus Rovenius) hield er van 1608-1626 een dagboek bij.

In de volgende bijdrage – een interview – is het niet het onderwerp dat filosofisch stemt, maar de geïnterviewde. Bert de Vries neemt na acht jaar afscheid van het Historisch Centrum Overijssel. Hij was de oervader van het platform MijnStadMijnDorp, waar uw online magazine een spruit van is. Martin van der Linde stelt hem ter zake doende vragen.

Na al dit gepraat over filosofie en nadenken, is het toch fijn dat het hoofdartikel het evenwicht weer herstelt. Het gaat over de komst van trekkers op het Overijsselse platteland.  Het is een onderdeel van het grote onderzoek naar modernisatie op het platteland, dat de IJsselacademie, samen met het HCO en de Twentse Welle mag uitvoeren.

Mooi man! Zo’n oude trekker!

Menno van der Laan, de redactie 

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Menno van der Laan (HCO), Doreen Flierman, Marcel Mentink (Rijnbrink), Dinand Webbink (SAB) en Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Kees Dinkla, Dirk Baalman (Het Oversticht), Ruud Olde Dubbelink en Martin Looman (Palthehuis, Oldenzaal), Girbe Buist, Tonny Peters (Transisalania).

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

Hoe de trekker het Overijsselse platteland veroverde

‘Een trekker heeft bij de winterdag geen eten nodig’, zei de vader van boerin Jo Lassche uit Haaksbergen begin jaren vijftig. ‘Als we nu een trekker kopen, zijn we van die paarden af.’ Die gedachte kwam na de Tweede Wereldoorlog bij veel Overijsselse boeren op.

Een trekker nam veel arbeid uit handen en het land kon met een trekker een stuk sneller bewerkt worden dan met een paard. Toch duurde het nog ruim twintig jaar voordat het trekpaard definitief van het Overijsselse platteland verdween. Hoe handig een trekker ook was, veel boeren vonden het moeilijk afscheid te nemen van hun vertrouwde ros.

Vader Adolf Tepper met een paar buurjongens op een autotrekker. (privécollectie Jan Tepper)

Autotrekker

De eerste trekker in Nederland was al in 1913 te bewonderen geweest. Hoewel de gebruiksmogelijkheden door een aantal technische verbeteringen sterk toenamen, waren er vooralsnog maar weinig boeren die zich er een aanschaften. Met hun relatief kleine bedrijven bleven de trekkers lange tijd een te duur alternatief voor paardenkracht. Na de Tweede Wereldoorlog kwam hier verandering in.

Akkerbouwer Jan Tepper uit Vroomshoop weet zich nog goed te herinneren dat de eerste, goedkope autotrekkers op de markt kwamen: ‘Er was een bedrijf in Vroomshoop die oude auto’s ombouwde tot trekkers. Dan werd er een versnellingsbak tussen geprutst. Ze raakten snel aan de kook. Je moest dan een emmertje water uit de wijk halen om de trekker af te koelen. Mijn vader heeft in 1947 een dieseltrekker gekocht: een Zetor van 15 PK. De voorlichter zei nog: “Je moet geen dieseltrekker kopen, want die gaan zo kapot.” Maar er was nooit iets mee aan de hand.’

Akkerbouwer Jan Tepper uit Vroomshoop bij een paar oude trekkers. (foto Albert Bartelds)

Bij Jo Lassche thuis kwam in 1950 de eerste trekker op het erf: ‘We hadden altijd van die grote werkpaarden. Die moesten we zelf beleren. Dan had je ze eindelijk zover en toen is er twee keer één doodgegaan. Daarom heeft m’n vader een trekker gekocht. Ik mocht er graag mee werken. Als vader mest wilde uitrijden, wachtte hij totdat ik uit school kwam. Dan reed ik trekker en trok hij de mest eraf. Anders moest hij steeds de trekker op en af.’

Jo Lassche achter het stuur van de trekker van haar vader. Naast haar staan twee zusjes. (privécollectie Jo Lassche)

Paarden- en trekkerboeren

Het werk met een trekker bespaarde de boeren tijd en moeite. Alleen al de rit van het ene stuk grond naar het andere ging een stuk sneller. Vóór de grote ruilverkavelingsprojecten lagen de percelen van een boer vaak op grote afstand van elkaar. Bovendien kon de boer met een trekker eenvoudiger ploegen, maaien en oogsten. De machine deed immers een groot deel van het werk.

Boerenknecht Harm Tuten uit Raalte heeft het verschil aan den lijve ondervonden: ‘De grootste fout die ik ooit gemaakt heb, is dat ik van een trekkerboer naar een paardenboer gegaan ben. Dan is het toch net alsof je een klap voor de kop krijgt. Ik kwam te werken bij boer Kloosterboer. Zijn kamp was, schat ik, zo’n 300 meter. Een zeven bunder was dat. Als je moest ploegen, liep je daar dagen! Terwijl ik voorheen op de trekker met een tweescharige ploeg er gewoon bij kon blijven zitten.’

Ploegen met paarden, op de boerderij van Jan Maat. De man op de foto is de buurman. (privécollectie Jan Maat)

Rijles

Hoewel een trekker in aanschaf duurder was dan een paard, vielen volgens de voorlichtingsdienst van het ministerie van Landbouw de kosten voor de boer mee. De aankoop van een trekker zou namelijk samen kunnen gaan met de vervanging van één of meer paarden door melkkoeien. Voor elk paard minder zou de boer een extra melkkoe aan kunnen houden. De melkproductie van deze koeien kon dan als inkomstenbron gelden die ontstond door de ingebruikname van de trekker. Zo beschouwd zouden voor een bedrijf van 10 ha de kosten van een trekker ‘niet of slechts weinig hoger zijn dan thans bij het gebruik van paarden’, aldus de voorlichtingsdienst.

Bert Rakhorst, die in 1948 introuwde op het boerenbedrijf van zijn schoonouders in Enschede, betaalde voor zijn eerste trekker 7.500 gulden: ‘Dat was een Ferguson met een ploeg en een frees erbij. Ik moest wel, ik had geen paarden of iets. Om wat extra geld te verdienen, heb ik met die trekker landbouwgrond bouwrijp gemaakt voor de stadsuitbreiding. Dat was aangenomen werk van de gemeente.’

In de beginjaren van de trekker gingen veel handelaren een dag met de boer mee om trekkerrijles te geven. Boeren konden ook een trekkerrijbewijs halen. (privécollectie Jo Lassche)

Trouwe makker en medewerker

Ondanks de voordelen die de trekker bood leek het er eind jaren vijftig op het Overijsselse platteland nog niet op dat deze het werk van het paard helemaal over zou nemen. Het maandblad ‘De Mars’ kopte in 1959 nog 'Paard laat zich niet verjagen'. De genegenheid van de Overijsselse boer voor het paard was groot, aldus het tijdschrift: 'Hij denkt er niet aan afstand te doen van zijn trouwe makker en medewerker, ook niet als hij af en toe de trekker gebruikt.' Een trekker kon dan wel veel werk van het paard overnemen, maar voor meerdere werkzaamheden bleef het paard te allen tijde beter. Het paard zou dus niet alleen om sentimentele redenen of uit traditie worden aangehouden, volgens ‘De Mars’.

Voorblad van ‘De Mars, maandblad van en voor Overijssel’, jan/febr. 1959.

Een van de agrariërs die juist lang met paarden door bleef werken, was melkveehouder Jan Maat uit Giethoorn. Hij was de laatste boer in zijn omgeving die zijn paarden wegdeed: 'Als je het goed kunt organiseren, kun je met paarden ook snel werken. Ik kon met mijn paarden net zo snel kunstmest zaaien als de buurman met een trekker. De paarden liepen bij mij altijd in draf. En als het zwaar was, zat ik niet op de kunstmeststrooier maar liep ik er naast hard. Dan kon je toch vrij veel doen.'

Maat was een echte paardenliefhebber: 'Een van onze paarden is misschien wel 25 jaar oud geworden en heeft verschillende keren een veulen gebracht. Overdag was ik met de paarden aan het werk, maar als ik 's middags ging eten deed ik ze weer in het hok. Het veulen kon dan drinken bij de merrie, bij de moeder. Dat was prachtig om te zien! Om één uur ging ik dan weer naar het land om te maaien of te ploegen.'

Melkveehouder Jan Maat op zijn land. (foto Albert Bartelds)

Laag pitje

Toch won de trekker langzamerhand steeds meer terrein. Bijna alle boeren kochten op een gegeven moment een trekker, soms op aandringen van hun naaste familie of gedwongen door de omstandigheden. Ook Maat stapte op een dag over op een trekker: 'Je kreeg op een gegeven moment een punt dat bijna iedereen een trekker had. De ontwikkeling van machines voor paarden werd toen op een heel laag pitje gezet, omdat er geen afnemers voor waren. De industrie maakte bijvoorbeeld een cyclomaaier. Die kun je niet achter een paard hangen. En de trekker kreeg op een gegeven moment een hefinrichting. Zo kwamen er dus steeds betere machines voor de trekker en niet meer voor een paard. Dus toen moesten we wel.'

De paarden van Jan Maat voor de kunstmeststrooier. Links op de foto een stagiair. (privécollectie Jan Maat)

Icoon

De opmars van de trekker als hét icoon van het moderne boerenbedrijf bleek uiteindelijk niet te stuiten. Telde Overijssel rond het midden van de jaren vijftig nog 23.000 trekpaarden; twee decennia later was het merendeel daarvan vervangen door een trekker. De technische en mechanische voordelen van een trekker wogen zwaarder dan het vertrouwde gevoel dat een paard de boer gaf. Sommige boeren konden moeilijk afscheid nemen van hun paard en bleven nog zo lang mogelijk met het dier doorwerken, totdat de achterstand op collega-boeren te groot werd. Paarden werden soms nog aangehouden voor de hobby of voor eenvoudige werkzaamheden. Als het paard werd verkocht, gebeurde dat met pijn in het hart.

Wim Roetert uit Diepenveen kan zich de verkoop van zijn paard nog goed voor de geest halen: 'We hebben nog jaren een mooi Gelders raspaard gehad. Die deed nog wat lichte werkzaamheden. Soms kwamen er kinderen om op het paard te rijden. Toen hij wegging, keek hij in de wagen achterom. Die blik vergeet ik nooit weer. Alsof hij wist wat er te gebeuren stond.'

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De Latijnse school in Oldenzaal, 1608-1662

Het Oldenzaalse kapittel, het kerkelijk bestuur van de stad, kent een lange geschiedenis. Het werd opgericht in 954 door bisschop Balderik en diende als steunpunt voor het bisdom van Utrecht. De leden van het kapittel heetten kanunniken. Bij het Oldenzaalse kapittel hoorde ook een school waar leerlingen onder andere les kregen in muziek en zang.

Wanneer deze kapittelschool werd opgericht is onzeker, mogelijk al vroeg in de Middeleeuwen. Wel staat vast dat het kapittel van Oldenzaal een omvangrijke bibliotheek had die helaas in de vijftiende eeuw bij een stadsbrand verloren ging. Philippus Rovenius, deken van het Oldenzaalse kapittel van 1608 tot 1626, maakte in 1608 een aantal notities over de kapittelschool. Deze ‘Acta Rovenii’ (de Handelingen van Rovenius) geven veel informatie over de gang van zaken bij het kapittel en de school. De zorg voor de school en de aanstelling en ontslag van de leraren berustte uitsluitend bij het kapittel. Het stadsbestuur van Oldenzaal wees twee raadsleden aan om samen met de kanunniken toezicht te houden op de school.

Kapittelschool

De kapittelschool was vooral een geestelijke instelling, waarbij zowel leraren en als leerlingen actief deelnamen aan de erediensten. Leerlingen bekwaamden zich behalve in zingen ook in andere liturgische zaken. Zij moesten bij de hoofdmeester een examen afleggen om zo een plaats in het koorgestoelte te verwerven; hierdoor kregen zij een stem in het kapittel. Vanaf 1215 was een kapittelschool voor alle kapittels verplicht. Rond 1460 zijn in de archieven en het memorieboek van het kapittel de namen van de scholastici, de hoogleraren, van de kapittelschool in Oldenzaal te lezen onder wie Gerhardus van Rande en Cornelius van Uteneng. In het memorieboek van 1482 wordt Henricus Ronsel van Rintelem genoemd als rector. De rector was in dienst van het kapittel. In de notities van Rovenius is te lezen dat het schoolgebouw zich naast de proosdij (de ambtswoning van de proost) bevond, achter het koor van de Plechelmuskerk. Hier stond ook het woonhuis voor de jongste van de drie leermeesters. Het lesgeld voor de leerlingen was een daalder per jaar.

Detail uit het memorieboek van het Plechelmuskapittel in Oldenzaal.

De Tachtigjarige Oorlog

Geleidelijk groeide de zeggenschap van het stadsbestuur over de school en het onderwijs dat werd gegeven breidde zich uit. Zonen van ingezeten burgers konden zo een goede opleiding krijgen. Ook kon men leerlingen van elders aantrekken, wat gunstig was voor de reputatie van de stad Oldenzaal. Omstreeks 1530 was een van de leerlingen de in Oldenzaal geboren Melchior Winhoff. Hij was schrijver van het Overijssels Landrecht, en later ook nog jurist, advocaat en burgermeester van Ootmarsum. Zoals overal in Nederland was ook in Oldenzaal Latijns de taal van de kerk en de wetenschap. Niet alleen bestudeerde men grammatica en literatuur in Latijn, ook de Gregoriaanse gezangen werden in Latijn gezongen.

In de vijftiende en de zestiende eeuw was de school zowel koor/kapittelschool als normale stadschool en in de loop van de zestiende eeuw raakte de naam ‘Latijnse School’ in zwang. Uit de ‘Acta Rovenii’ blijkt dat Rovenius zich strikt hield aan het katholieke en klerikale karakter van de Oldenzaalse school. Logisch, want in de periode dat hij deken van het kapittel in Oldenzaal was, werd Nederland geteisterd door de Tachtigjarige oorlog en ontstond er een hevige godsdienststrijd tussen de oude katholieke religie en het nieuwe protestantisme. Ook Oldenzaal ontkwam hier niet aan.

Het beleg van Oldenzaal in 1597 uit ‘Afbeeldinghe en beschrijvinghe van alle der veldslagen’ van W. Baudartius, 1614.

Hervormingen

Oldenzaal was van 1580 tot 1597 in Spaanse handen. Er waren in Twente in die periode twee drosten; een katholieke Spanjaard en één namens Maurits van Oranje. Het platteland rond Oldenzaal was al in handen van de Staatse (Nederlandse) troepen. In 1597 werd ook de stad Oldenzaal door het Staatse leger van prins Maurits heroverd. Utrecht en Deventer hadden sinds 1580 al geen bisschop meer en het nieuwe geloof en de Reformatie deden met de oorlogshandelingen hun intrede. Nadat in 1597 Oldenzaal was ingenomen, begon Maurits direct met zijn hervormingen. Behalve dat de kapittelzaal, het kapittelhuis en een deel van de Plechelmuskerk ontruimd moesten worden, werd in Oldenzaal een protestantse classis opgericht, een vergadering van predikanten. Hier werden besluiten genomen over de gang van zaken binnen de kerkelijke gemeenschap. De Classis Oldenzaal werd samengevoegd met de Classis van Deventer.

In 1601 vond in het Oldenzaalse stadhuis een vergadering plaats van de synode van de classis Deventer met de Staatsgezinde drost van Twente, Ernst van Ittersum tot Nijenhuis. De nieuwe leer werd ingevoerd. Predikant Ludgerus van Vogelzanck van Oldenzaal, secretaris van de classis, vond dat Oldenzaal nu het reformatorisch centrum van Twente moest worden. De kapittelschool moest worden omgevormd tot een protestantse Latijnse School met aan het hoofd een hervormde rector. Gekozen werd voor dr. Henricus Strombergh, dichter, musicus en balling. In 1598 verscheen een gedicht van hem over de zegetocht van Maurits door het oosten van Nederland. Bij de gedrukte versie uit 1600 staat als auteur ‘Henrico Strombergio, scholae Aldenzalensis Tubantium Rectore’. Hij werd in 1604 op staande voet ontslagen wegens herhaaldelijk wangedrag en openbare dronkenschap.

Philippus Rovenius (1573-1651) - Portret in 1631 geschilderd in opdracht van het kapittel van Haarlem.

Rovenius

In deze jaren was ook de deken van het kapittel in Oldenzaal, Philippus Rovenius in de stad. Hij hield vast aan het katholieke geloof en het voortbestaan van de kapittelschool, waarbij de rector door het kapittel werd aangesteld. Zo ontstond er in Oldenzaal een situatie met twee Latijnse scholen, de kapittelschool met katholieke rector en een hervormde Latijnse School met een hervormde rector. Aangezien in 1597 de kapittelzaal bij de Plechelmuskerk gevorderd was door de Staatsen, kon de nieuwe hervormde Latijnse School hiervan gebruik maken. De oude Latijnse kapittelschool bleef naast de proosdij bestaan daar deze gebouwen niet in beslag waren genomen.

In 1605 werd Oldenzaal echter weer heroverd door de Spaanse Spinola en werd de stad weer katholiek. Deze inname kondigde ook het Twaalfjarige Bestand van de oorlog aan en Oldenzaal bleef tot 1621 in Spaanse handen. In tegenstelling tot het platteland was de stad een katholiek bolwerk van waaruit Spaanse troepen herhaaldelijk strooptochten in de omgeving uitvoerden. Hierbij werden veelal predikanten, staatse ambtenaren en rechters gevangen genomen. De prins van Oranje besloot daarom dit Spaanse roofnest weer onder staatstoezicht terug te brengen en in 1626 trok hij Oldenzaal binnen. Rovenius verliet in vol bisschoppelijk ornaat huilend de stad Oldenzaal om er nooit weer terug te keren.

Jacob Revius (1586-1658).

Revius

Jacob Revius, predikant in Deventer en fel anti-paaps, wijdde in datzelfde jaar de grote Plechelmuskerk in voor de calvinistische godsdienst. De Classis van Deventer wilde nu samen met de regering de hervormingen krachtig aanpakken en in 1628 (effectief in 1633) werd de katholieke godsdienst niet meer in het openbaar geduld. De kerkelijke en geestelijke goederen werden in beslag genomen, het kapittel werd opgeheven alsmede de kapittelschool. Hiervoor in de plaats kwam de Latijnse School. Vermoedelijk werd omstreeks deze tijd het kapittelschoolgebouw omgevormd tot Duitse School met een woning voor de conrector van de Latijnse School bij de Plechelmus. Dit ging niet zonder slag of stoot. In 1628 was Brunesius rector van de school en deken van het kapittel. Brunesius weigerde pertinent om protestantse onderwijskrachten aan te stellen, waartoe hij verplicht was, want voor elke katholieke leerkracht moest ook een protestant worden aangesteld. In 1628 was Joannes Suderlandt de hervormde rector. Hij klaagde bij de Classis in Deventer dat hervormde leerkrachten door katholieke geestelijken werden gemolesteerd. De officiële oprichting van de echte Latijnse School in Oldenzaal is dan ook pas in 1662. Deze school leidde op voor universitair onderwijs. Met de Latijnse School had Oldenzaal de beste onderwijsmogelijkheid van de gehele streek. Ook Almelo, Enschede en Ootmarsum hadden een school waar Latijn werd onderwezen, maar zij hadden slechts één leerkracht. Wie meer wenste dan Oldenzaal bood, moest naar Deventer.

'Seminarium ecclesiae ac reipublicae'

Onderwijs en opvoeding behoorden te leiden tot vroomheid (pietas) en deugd (virtus). De godsdienstige en morele opvoeding liep via een linguïstische opleiding. Het leerprogramma van de school was in overeenstemming met de ideeën van het humanisme en de protestantse reformatoren, waardoor het onderwijs zich beperkte en verdiepte tot Latijn. De Latijnse School was een ‘seminarium ecclesiae ac reipublica’, zij bereidde voor op de studies theologie en rechten, zodat zij tevens een vooropleiding vormde voor predikanten en bestuurders. Het werd een kweekplaats voor de elite van kerk en staat.

Was voor de Hervorming het onderwijs gericht op de liturgie met haar vaste gebeden en formules, na de hervormingen kwam de nadruk te liggen op de kennis van de talen en dan met name een grondige kennis van de werken van Latijnse en Griekse auteurs. De kennis van de antieke bronnen was onmisbaar voor de theologische studie, die veel meer taalkundig georiënteerd was, ook in verband met de uitleg van de bijbel. Door de kennis van Latijn onderscheidde men zich als lid van de sociale elite. Latijn was de taal van het bestuur, diplomatie, universiteit en kerk. De Latijnse School werd een centrum voor de humanistische cultuur. Erasmus bracht in 1511 al zijn boek ‘De Ratione Studii’ uit, over de methode op school. Hierin is al te lezen: ‘De eerste plaats wordt opgeëist door de grammatica en de jongens moeten in beide onderwezen worden, namelijk Grieks en Latijn, niet alleen omdat in deze twee talen bijna alles overgeleverd is wat het kennen waard is…’.

NB. Dit was het eerste deel van een driedelige serie over de Latijnse School in Oldenzaal. De volgende delen worden gepubliceerd in MSMD Online Magazine januari en april 2016.

Bijschrift titelafbeelding: Plattegrond van Oldenzaal in 1626, gepubliceerd in de Stedenatlas van Blaeu in 1649.

Door Ruud Olde Dubbelink en Martin Looman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

Loopfietsjes en hobbelpaarden. Speelgoed uit Overijssel

Kinderen spelen al heel lang met speelgoed. Zo zijn er in de oudste beschavingen voorbeelden van bronzen speelgoed-meubilair, aardewerken poppen, dieren, ballen en tollen. Griekse en Romeinse kinderen vermaakten zich met lappen poppen, jojo's en trekkarretjes.

Uit de Middeleeuwen is weinig speelgoed bewaard gebleven. Het meeste is weggegooid of vergaan. Sommige vliegers, ballen, speelgoedsoldaatjes, hobbelpaarden, trek- en duwdieren hebben de tand des tijds wel doorstaan. De rijken konden zich speelgoed van zilver, brons of glas permitteren.

Bronzen speelgoed uit de Middeleeuwen. (Speelgoedmuseum Deventer)

Is speelgoed nuttig?

In de zestiende eeuw ontstond een discussie over het nut van spelen en speelgoed. Calvijn was er een tegenstander van en Luther – vader van een groot gezin - zag het plezier én het nut er wel van in. Op schilderijen uit de zestiende en de zeventiende eeuw wordt speelgoed steeds vaker en prominenter afgebeeld. Op afbeeldingen van Sinterklaas- avonden is allerlei speelgoed te zien. Tot in de achttiende eeuw waren kinderspelen vooral bedoeld om buiten te spelen. Vanaf die tijd speelden kinderen ook steeds meer binnen. Jongens en meisjes hadden ieder hun eigen speelgoed.

Op Sinterklaasavond werden al in de tijd van de schilder Jan Steen veel cadeautjes gegeven. (foto Speelgoedmuseum Deventer)

Massaproductie

Voor 1600 werd het speelgoed meestal thuis gemaakt door broers of vaders, of in een werkplaats door pottenbakkers, houtdraaiers of metaalgieters. Na 1800 ontstond een speelgoedindustrie. Het speelgoed werd in grote hoeveelheden gemaakt, maar was aanvankelijk voor de meeste mensen te duur. In de negentiende eeuw kwam het populaire blikken speelgoed opzetten. Door stoommachines kon er meer en goedkoper worden geproduceerd. Dit zorgde voor een stroom van betaalbaar speelgoed. Die autootjes, tollen enzovoorts zijn nu populair bij de verzamelaar, maar de ‘kids’ van tegenwoordig zitten liever achter het scherm een computerspelletje te doen.

Deventer werd beroemd met ingenieus blikken speelgoed. (Speelgoedmuseum Deventer)

Speelgoed uit Overijssel

Nog niet zo lang geleden brandde aan de Stationslaan in Vroomshoop een speelgoedfabriek af. De fabriek maakte vanaf 1938 speelgoed onder de merknaam sio (Speelgoed Industrie Overijssel). Het verkoopkantoor was gevestigd in Amsterdam. Om het vooruitstrevende karakter aan te geven, werd de naam zonder hoofdletter geschreven. Sio vertegenwoordigde toentertijd in z’n eentje de hele categorie ‘industrie’ in Vroomshoop. De fabriek werd ontworpen en geleid door het ontwerpers-echtpaar Rokus en Corrie van Blokland. Ze maakten houten speelgoed, waaronder speelgoedgarages, poppenhuizen, sio mobilo en sio montage, als goedkope tegenhangers van Meccano en Temsi.

Een Amerikaanse slee, te koop bij Wehkamp. (foto Historisch Centrum Overijssel)

Sio montage ontstond eind jaren vijftig. Het assortiment breidde binnen enkele jaren uit tot een groot aantal bouwdozen, licht- en motordozen en aanvulsets. De collectie sio montage werd tot 1982 gemaakt. De ontwerpen van de Van Bloklands hadden een opvoedkundige achtergrond (‘spelen is leren’) waarbij vorm en kleur van groot belang waren. De ontwerpen waren zó goed dat ze werden opgenomen in de vaste collectie design van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het ontwerpersduo werkte van 1950 tot 1980 voor sio en bouwde in die tijd een collectie op die uniek is voor Nederland. Sio maakte ook kaart- en bordspellen, zoals Kom Mee Naar Buiten (gemaakt voor de jubilerende NVV), Huisje Boompje Beestje, Ganzenbord, Het Padvinderspel en Het Tom Poes Spel. Daarnaast had sio de Nederlandse licentie van Scrabble.

Een kruidenierswinkeltje van sio.

In de jaren vijftig maakte sio houten kruidenierswinkeltjes en later stoffenwinkeltjes. In de jaren erna kwamen winkeltjes (boutiques en later boetieks) voor tienerpoppen op de markt. In de jaren zeventig maakte sio ook poppenhuizen, boerderijen en een serie wildwest-speelstallen. Men volgde de markt en was daarmee een spiegel van de samenleving. De fabriek brandde in 1982 af en in 1984 kwam een definitief einde aan het sio-speelgoed. Het Speelgoedmuseum in Deventer toont de ontwikkeling van speelgoed door de eeuwen. Vanaf 1983 is dit museum gehuisvest in twee fraaie laatmiddeleeuwse koopmanshuizen aan de Brink in Deventer.

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De Overijsselaar bestaat niet. Regionale identiteit in de provincie

‘Overijssel is een van de kaart geleerd begrip’, sprak de Twentse journalist en regionalist Adriaan Buter. Niemand in Overijssel noemt zich ‘Overijsselaar’. In de provincie bestaat geen gezamenlijke identiteit en die heeft ook nooit bestaan. Er is niet zoiets als een ‘Overijssels dialect’. In plaats daarvan worden er van oudsher veel verschillende dialecten in Overijssel gesproken. Hoewel dat in Drenthe ook het geval is, bestaat er wel degelijk zoiets als een Drentse provinciale identiteit. Waarom in Overijssel niet?

In de geschiedenis zijn er voorbeelden dat de bewoners van het oosten van Nederland zich als absoluut anders zagen dan de toonaangevende Hollanders. Een beeld dat werd bevestigd voor buitenstaanders. De Franse Bourgondiërs, die in de vijftiende eeuw het overgrote deel van Nederland bestuurden, noemden de Nederlanders in het westen ‘thiois’ (‘Diets’) en die in het oosten ‘allemands’ (‘Duits’). In de Middeleeuwen werd er in het westen en zuiden van het land Middelnederlands gesproken, terwijl men in het oosten Nedersaksisch sprak; de taal van de Noord-Duitse Hanze, waarin naast Noord-Duitse steden ook IJsselsteden als Kampen, Zwolle en Deventer zaten.

Oosterse uitspraak

Toen er na de Tachtigjarige Oorlog een verenigd (maar federaal) Nederland ontstond, waren de taalkundige verschillen tussen de westelijke provincies enerzijds en Friesland, Groningen, Drenthe, Gelderland en Overijssel anderzijds nog groot. Er zijn brieven waarin pruik dragende regenten uit Deventer zich in de achttiende eeuw beklagen over hoe ze uitgelachen werden door Hollandse regenten vanwege hun oosterse uitspraak van het Nederlands. Vanaf die tijd werd de elite van Overijssel zich bewust van de wortels van streektalen van het gros van de bewoners van Overijssel: niet het Nederlands, maar het Nedersaksisch.

De klassieke kaart van Ten Have van Overijssel ten tijde van de Republiek. In het groen boven het Meppelerdiep het Land van Vollenhove, in het rood Salland en daarnaast Twente. 

Nedersaksisch

Die Nedersaksische wortels zijn veel sterker aanwezig in Twente dan in het westen van Overijssel. De streektalen van het westelijke deel van de provincie (zoals het Sallands), zijn door de jaren heen sterker beïnvloed door het Nederlands, hoewel sommige varianten (Steenwijk, Staphorst, Deventer) ook een eigen ontwikkeling hebben doorgemaakt. Twente lag in de vroegmoderne tijd meer geïsoleerd en onderhield nauwere banden met de Nedersaksische buren in het aangrenzende Duitsland. In de negentiende eeuw veranderde dat. Met de komst van de textielindustrie werd Twente de cockpit van de industrialisatie van Nederland. Meer dan de helft van de bevolking van Overijssel woonde aan het begin van de twintigste eeuw in Twente.

Door de industrialisatie werden in Twente stad en platteland nauw met elkaar verbonden. De vooruitgang leidde hier tot een grotere en relatief snelle bewustwording van een eigen regionale taal en identiteit. Het gevoel van Twent-zijn werd rond 1900 in deze religieus verdeelde streek van zowel katholieke als protestantse zijde gestimuleerd. Zowel nieuwkomers als personen wiens families al generaties lang in de streek woonden deden hier aan mee. Als kers op de taart maakte de primus inter pares onder de Twentse regionalisten, J.J.van Deinse, voor Twente een eigen vlag, wapenschild en volkslied.

Het bekende symbool van Twente: het Twentse Ros. In Duitsland al het symbool van Nedersaksische regio’s als Nedersaksen en Westfalen. 

Biergrens

In Salland (inclusief de IJsselsteden) en de Kop van Overijssel werd tijdens de modernisering een dergelijke bewustwording veel minder gestimuleerd. Al sinds het einde van de Middeleeuwen was de invloed van Holland, in het westen van Overijssel groter dan in Twente. Nauwere handelscontacten (door een gunstigere ligging) met het westen van Nederland waren daar de oorzaak van. In westelijk Overijssel zijn duidelijke streekidentiteiten, maar die zijn minder uitgesproken ‘anti-Hollands’ dan andere Oost-Nederlandse streekidentiteiten. De ‘biergrens’ tussen Salland en Twente, tussen het ‘Hollandse’ Heineken en het Twentse Grolsch, is daar een ludiek voorbeeld van: Heineken als symbool van binding met de Randstad; Grolsch als symbool van verzet tégen de Randstad. Dat verzet is ook iets wat de typische beroemdheden van oostelijke regio’s uitstralen, zoals Herman Finkers (Twente), Bennie Jolink (Achterhoek) en Daniel Lohues (Drenthe).

Biergrens tussen de afname van Heineken of Grolsch in Overijssel. Sallandse gemeentes als Deventer en Hardenberg horen klaarblijkelijk bij het Grolsch-gebied. (bron: Elsevier)

Vechtdal

In de jaren zestig klaagde de Sallandse historicus Hammink dat Twentenaren ‘een cent oppoetsen om hem bij schemerdonker voor een kwartje uit te geven’. Hammink vond de Twentse regionalisten maar protserig, maar misschien kunnen regionalisten in westelijk Overijssel daar vandaag de dag nog wat van leren: het regionale bewustzijn lijkt hier op een laag pitje te staan. Salland is daar een goed voorbeeld van. Er bestaat zeker een ‘Sallandse identiteit’, maar in Sallandse steden als Kampen en Zwolle zal de gemiddelde inwoner zich geen Sallander noemen. In het noorden van Salland, in plaatsen als Nieuwleusen, Staphorst, Slagharen en Dedemsvaart spreekt men zelfs geen Sallands, maar een overgangsdialect naar het Drents. Niet geheel vreemd dan, dat vanuit de toeristische sector (en inmiddels overgenomen door de media: denk aan weekblad 'Vechtdal Centraal') de term ‘Vechtdal’ is gelanceerd voor de gemeentes Hardenberg, Ommen en Dalfsen. Volgens dertiende-eeuwse geschriften werden deze plaatsen met omliggend gebied pas toen aan Salland toegevoegd. Maar van een uitgesproken ‘Vechtdalse’ identiteit is tot zover geen sprake.

Typisch Twents

De Twentse regionale identiteit is meer geworden dan alleen het bewustzijn van een eigen Twentse streektaal. Met een ‘eigen’ biermerk als Grolsch, een ‘eigen’ succesvolle voetclub als FC Twente en ‘Tukker’ als geuzennaam is de Twentse identiteit ook een tegenbeweging geworden tegen alles wat voor de Randstad, Standaardnederlands en Den Haag staat. Daarbij worden typische Oost-Nederlandse gebruiken als paasvuren, midwinterhoornblazen en klootschieten opgeëist en gepresenteerd als typisch Twents.

Boerenechtpaar uit Ootmarsum boven een put blazend op een midwinterhoorn. (Vereniging Heemkunde Ootmarsum)

In die zin is de Twentse identiteit de opvolger van het gevoel van de middeleeuwse en vroegmoderne oosterling anders te zijn dan (en zich ook afzetten tegen) de Hollander. Het is dan ook niet vreemd dat inwoners van aan Twente grenzende dorpen als Den Ham en Hellendoorn zich steeds vaker als ‘Twent’ identificeren. De grens van Twente schuift op naar het westen.

Een groep klootschieters op de Haarlerheide bij Reutum. (Heemkunde Ootmarsum)

Het bestaan van regionale identiteiten, vooral sterke als de Twentse, hebben het ontstaan van een provinciale identiteit in Overijssel voorkomen, zoals we die bijvoorbeeld kennen in Groningen, Drenthe, Brabant, Limburg en Friesland. In een tijd waarin de nationale overheid en de provincies steeds meer macht overgeven aan gemeentes en de EU, is het geen luchtfietserij om te stellen dat de Twentse identiteit Nederland als nationale staat zal overleven. Of dat ook voor andere Overijsselse regionale identiteiten geldt, en voor Overijssel als provincie: dat is maar de vraag.

Door Kees Dinkla
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Een toekomst waarborgen. Twee ondernemende families, een landgoed en een verzekerings- bedrijf in Overijssel (1797 – 2015)

In 1797 kocht Bernardus Josephus van Sonsbeeck Landgoed Den Alerdinck bij Laag-Zuthem (gemeente Raalte). Hij breidde het landgoed aanzienlijk uit en dreef handel met producten uit bosbouw en landbouw. In 1809 richtte hij met enkele andere Zwollenaren een onderlinge brandwaarborg- maatschappij op, later ook wel 'De Overijsselsche' genoemd. In 1875 raakten de families Van Sonsbeeck en Van Voorst tot Voorst door een huwelijk aan elkaar gelieerd. De families Van Sonsbeeck en Van Voorst tot Voorst waren zowel in zakelijke als maatschappelijke zin zeer ondernemend. Ze waren in de negentiende en twintigste eeuw politiek actief op landelijk en provinciaal (Overijssel) niveau. In deze Zwolse familiegeschiedenis wordt met vele aansprekende voorbeelden beschreven hoe de twee families met grote betrokkenheid een toekomst probeerden te waarborgen.

Auteur: Jan van de Wetering

Uitgever: Waanders

ISBN 978 94 6262 043 8 | 256 pag. | € 29,95

Door de redactie

Middeleeuws Kampen

Tot dusver ontbrak het in de literatuur aan een overzicht van de archeologische onderzoeken in Kampen. Met behulp van dit boek wordt getracht deze leemte te vullen. Naast archeologische vondsten bestaat er ook buitengewoon veel historisch archiefmateriaal. In deze bijdrage is ervoor gekozen om voor de stadskern een overzicht samen te stellen met alle resultaten van 68 jaar onderzoeks- geschiedenis naar Middeleeuws Kampen. Welke factoren lagen ten grondslag aan de Middeleeuwse economie die Kampen betekenis gaven op Europees niveau? In dit boek worden de ruimtelijke en economische structuur ontleed van de middeleeuwse stad en het overige gemeentelijke gebied aan de hand van archeologische, bouwhistorische, numismatische en historische bronnen.

Auteur: Alexander Jager

Uitgever: Spa uitgevers

ISBN 978 90 8932 123 7 | 466 pag. | € 19,95

Door de redactie

Als gebinten konden vertellen

In dit boekje hebben we verhalen verzameld op en rond IJsselhoeven. We hebben vooral gelet op bouwtechnische kenmerken waar een interessant verhaal achter zit. Alles is waargebeurd en ons verteld door huidige en vroegere bewoners. Maar niet alles is perse historisch verantwoord of gecontroleerd. Zoals dat gaat met verhalen...elke verteller maakt ze weer ietsje mooier. De verhalen met beelden schetsen een levendig beeld van IJsselhoeven vroeger en nu. Hoe het ooit toeging op de boerderijen maar ook over verbouwingen en nieuwe bestemmingen. Afwisselend zijn ook enkele thema-verhalen opgenomen over bouwtechnische zaken. Deze zijn geschreven door Wim Jansen, die als historisch bouwkundige betrokken is bij Stichting IJsselhoeven.

Auteur: Willemien Hartmans e.a.

Uitgever: Stichting IJsselhoeven

ISBN 978 90 7833 500 9 | 99 pag. | € 12,50

Door de redactie

Victor's victorie

Het verhaal in dit kinderboek speelt aan het einde van de vijftiende eeuw. Victor is de hoofdpersoon in dit verhaal. Voor hem is er geen plaats in de bakkerij van zijn vader. Daarom heeft zijn vader besloten dat hij in de leer moet bij een andere gildemeester of anders het klooster in moet gaan. In het tweede deel van het boek wordt beschreven hoe Deventer er in die tijd uitzag.

Auteur: René Berends

Uitgever: Corps9 Publishers

ISBN | 56 pag. | € 6,95

Door de redactie

Deurningerstraat: Verleden & Heden

In elk huis schuilt een verhaal. Alleen komt het bijna nooit de deur uit. In de Deurningerstraat in Enschede is dat anders. Schrijver Jan Brummer bundelde zijn gesprekken met driehonderd stadgenoten en oud-stadgenoten die een band met de straat hebben. Honderden foto’s maken zijn boek Deurningerstraat, Verleden & Heden compleet. Met de oude foto’s trok hij op zondagmorgens vroeg naar Enschede om foto’s te maken van dezelfde plek. „Zodat je oud en nieuw kon laten zien”, aldus Jan Brummer. De opzet van het verhalenboek vol foto’s is rechttoe rechtaan. Het begint bij nummer 1, waar Euverman & Nuyts zitten. Vroeger stond er de villa van Van Heek, het latere rusthuis Licht en Vrede. Tegenover stond Villa Kleiboer. Het einde is op nummer 547, bij café Spitfire.

Auteur: Jan Brummer

Uitgever: Boekengilde

*Het boek is inmiddels uitverkocht, maar zal binnenkort digitaal beschikbaar komen op de website van de Stichting Historische Sociëteit Enschede-Lonneker.

ISBN 978 90 8135 470 7 | 284 pag. | € 22,00

Door de redactie

‘Ik kijk nu al met weemoed terug.’ Bert de Vries vertrekt bij het HCO

Ruim acht jaar was Bert de Vries directeur van het Historisch Centrum Overijssel (HCO). Een periode waarin het HCO onder zijn leiding veranderde van klassieke archiefdienst naar publieksgerichte instelling. Stokpaardje daarbij was de ontwikkeling van het cultuurhistorische netwerk voor Overijssel: MijnStadMijnDorp. Eind oktober neemt De Vries afscheid van het HCO om vanaf 1 november aan de slag te gaan als directeur van het Stadsarchief Amsterdam. Tijd voor een terugblik.

Welke situatie trof je aan toen je acht jaar geleden bij het HCO kwam?

Dat is een moeilijke vraag. De publiekshal van het HCO was in 2006 opgeleverd en in juni 2007 was er net een expositie over ‘de bussen van Schutte’ in de maak. Jeanine Otten deed toen nog de publieksactiviteiten. Ik heb daardoor Hans Schutte leren kennen. De samenwerking met mensen was een mooi aspect van alle projecten. De omslag naar publiek bij het HCO was dus in volle gang. Daarvóór was het misschien allemaal nog wat te bureaucratisch.

Waar wilde je heen met de organisatie?

Naar een HCO dat midden in de maatschappij staat en maatschappelijke meerwaarde levert. Mijn missie: ‘We presenteren met enthousiasme de geschiedenis van Overijssel’, hebben we gebruikt om het contact met de mensen te realiseren. Als ik naar alle felicitaties kijk in verband met mijn nieuwe baan, dan zijn we daarin zeker geslaagd. Alle complimenten die ik heb mogen ontvangen, zijn voor de medewerkers. We hebben het samen gedaan!

Hoe kwam je op het idee van MijnStadMijnDorp?

Hoe ik op dat idee ben gekomen weet ik niet meer precies. In een interview in De Stentor na mijn indiensttreding noem ik het idee al, dus het was al snel geboren. De relatie met de maatschappij, in dit geval vooral de historische verenigingen, stond en staat voorop. Wat zou het HCO nou voor hen kunnen betekenen, hoe kan je dingen bij elkaar brengen, hoe kun je dat faciliteren? Dat waren de vragen. Het HCO wordt gefinancierd uit publieke middelen, dan is het HCO van de mensen! We zijn schatbewaarder, maar die schat is van iedereen. Bij mijn eerste ideeën had ik ‘Hyves’ als referentiekader met eigen deelnemerspagina’s. ‘Hyves’ lijkt al weer eeuwen geleden, zo snel gaat de tijd.

Is MijnStadMijnDorp in zijn opzet geslaagd?

We hebben dit jaar een belangrijke omslag gerealiseerd. Er doen steeds meer verenigingen mee en het aantal collecties groeit snel. Daar hebben we hard voor moeten werken en weerstand moeten overwinnen (ook intern.) We hebben fouten gemaakt en nieuwe partners moeten vinden voor behoud en doorontwikkeling van de digitale infrastructuur. Maar de echte basis staat nu en we kunnen nu weer verder ontwikkelen. Er is behoefte aan meer thematische presentatiemogelijkheden. Daar wordt nu al voorzichtig aan gewerkt. Volgend jaar wordt ‘Onderzoek Overijssel’, de digitale studiezaal, verder ontwikkeld. Dat zijn allemaal nog nieuwe dingen. Stilstand is achteruitgang en dat geldt zeker voor internet, je moet blijven doorontwikkelen.

Wat moet nog beter?

De financiële basis van MijnStadMijnDorp moet nog beter. We hebben het platform tot nu toe met incidentele middelen ontworpen en gebouwd. Daarvoor moeten we vooral de provincie Overijssel danken, zonder de provincie was MijnStadMijnDorp nooit tot stand gekomen. De digitale infrastructuur die we hebben gebouwd moet een basisvoorziening worden voor elke organisatie in Overijssel die in het domein van geschiedenis, streekcultuur en streektaal werkt. Dat betekent ook dat we moeten gaan werken aan een vaste financieringsvorm.

Hoewel je al acht jaar directeur van het HCO bent, kwam je vertrek naar Amsterdam toch onverwacht. Wat had je eigenlijk nog meer willen realiseren?

In 2009 was een fusie met het Stedelijk Museum Zwolle bijna een feit. Ik ga hier niet meer te lang bij stil staan, maar dat was voor het HCO een prachtige locatie geweest voor onze exposities. Nu is er weer iets van een beginnende samenwerking en dat is positief. Ik denk dat er altijd ideeën en ambities zijn die opkomen omdat er kansen ontstaan. Structureel denk ik dat de grote lijnen zijn uitgezet.

In termen van projecten had ik nog wel eens een toneelspektakel over de Lucienacht willen zien, wellicht kan dat in 2016. Maar dan wel op hoog niveau, met het Nationaal Toneel of zoiets. Op het gebied van organisatieontwikkeling staat een samengaan met de archiefdiensten van Deventer en Kampen voor de deur. Ik zie daar enorme kansen voor de regio. De collecties uit de veertiende en vijftiende eeuw sluiten goed op elkaar aan en vertegenwoordigen de geschiedenis van de Hanze in Overijssel en uiteraard ook de geschiedenis van de Moderne Devotie. Ook andere samenwerkingen zijn nog mogelijk, maar dat is allemaal toekomstmuziek.

Hoe kijk je terug op je periode bij het HCO? Blijf je MijnStadMijnDorp nog volgen?

Ik kijk nu al met weemoed terug op een fantastische periode bij het HCO. Ik heb hier ontzettend graag gewerkt met ambitie en enthousiasme. Niet alleen met de medewerkers van het HCO maar ook met alle mensen in de provincie. Dankbaarheid is op zijn plaats. Uiteraard blijf ik MijnStadMijnDorp volgen. Ik ben ervan overtuigd dat het platform navolging gaat vinden en een belangrijke rol zal vervullen in de digitale toekomst van het cultureel erfgoed in Overijssel.

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

De wereld in kaart: gedrukte atlassen en kaarten tot 1900

Met de expositie ‘De wereld in kaart’ toont de Athenaeumbibliotheek vanaf 28 september een deel van haar imposante atlassencollectie. De vitrines in De Schatkamer van Deventer Boekenstad in de hal van de bibliotheek aan het Klooster zijn tot 8 januari gevuld met bijzonder en kleurrijk kaartmateriaal.

De zeventiende eeuw was de gouden eeuw voor de gedrukte atlassen en kaarten in de Nederlanden. Het centrum van de vervaardiging van monumentale atlassen verplaatste zich in die tijd van Antwerpen naar Amsterdam.Uit beide steden zijn cartografische hoogtepunten te zien, zoals een bijzonder gaaf exemplaar van de eerste echte atlas uitgegeven door Ortelius en gedrukt door Plantijn in Antwerpen. Tijdgenoten Braun en Hogenberg vervaardigen een voor die tijd ongeëvenaarde stedenatlas. In het midden van de zeventiende eeuw geeft de Amsterdamse firma Blaeu ware cartografische meesterwerken uit. Al deze en andere grote namen uit de wereld van de cartografie passeren de revue.

In de achttiende eeuw doet de Deventer drukker Jan de Lat van zich spreken met charmante handzame atlasjes, waarvan er maar liefst acht in hun geheel zijn te zien. Speciale aandacht gaat uit naar kaarten afgedrukt in Bijbels en de invloed van ontdekkingsreizigers op het wereldbeeld. De basis van goede cartografie is natuurlijk het werk van landmeters. Vandaar dat er vanaf 1600 diverse werken verschijnen over de theorie en praktijk van de landmeetkunde.

Zo geeft de tentoonstelling ‘De wereld in kaart’ een prachtig overzicht van de ontwikkeling van de cartografie. Op diverse overzichtskaarten is te volgen hoe de kijk op wereld veranderde. Andere kaarten, onder andere van Overijssel, laten zien hoe de aandacht voor detail en de nauwkeurigheid met de jaren toenam.

‘De wereld in kaart’ is te zien van 28 september 2015 tot 8 januari 2016. Voor openingstijden en route zie de website van de Athenaeumbibliotheek. De toegang is gratis

Door de redactie

Dit is onze stad! Zwolle in de jaren '50 en '60

Beleef de jaren ’50 en ’60 opnieuw in deze fototentoonstelling. Een samenwerkingsproject van het Historisch Centrum Overijssel en het Stedelijk Museum Zwolle. Te bezichtigen van 25 september t/m 25 oktober 2015 in het Stedelijk Museum Zwolle.

“Kom binnen!” De jaren ’50 waren huiselijk; thuis was het middelpunt, en overal en beetje hetzelfde. Moeder stopte de sokken, vader rookte pijp en de kinderen bouwden een kraan van Meccano of lazen Arendsoog. In de stad verrezen flatgebouwen; efficiënt ingericht en van moderne gemakken voorzien, maar zelden met een lift.

De welvaart kwam met de jaren ’60. We gingen protesteren, provoceren. De jeugd greep de macht en klitte samen rond de snackbar. Kleding werd comfortabeler, losser en gemakkelijker: geen stijve puntbeha meer, maar een soepeler exemplaar. Het gemiddelde gezin had drie kinderen en paste in een Renault Dauphine, Volkswagen Kever of Simca 1000. De jonge nozems gaven de voorkeur aan een brommer: een Puch of Tomos. Vetkuiven kozen voor een Kreidler of Zündapp en de dames reden op een Mobylette.

Door de redactie

Verliefd, Verloofd, Getrouwd! Tradities rond het huwelijk.

Ieder heeft wel eens als kind of tiener gefantaseerd over zijn of haar droomhuwelijk. Maar hoe zag dat huwelijk er vroeger uit? Was het ook een droom voor ieder? Dit is een van de onderwerpen, die aan de orde komen in de lezing van Ina Timmer. Zij is buitengewoon ambtenaar van de Burgerlijke Stand in enkele gemeenten. Ze heeft al meer dan 3.000 huwelijken gesloten.

Wie kent nog de naam van Gretna Green? Het plaatsje in Schotland waar jongeren in de vorige eeuw zonder toestemming konden trouwen in de smederij. Een klap op het aambeeld door de smid en het huwelijk was gesloten!

In haar lezing, die zij al in vele plaatsen heeft gehouden, neemt zij u mee (aan de hand van een powerpointpresentatie) door de geschiedenis van het huwelijk. Wat heeft Karel de Grote er mee van doen? En wat heeft een vroegere paus voor invloed gehad? Allerlei wetenswaardigheden komen aan de orde. Kleding van vroeger en nu, koppelen, het huwelijksbootje, de bruidstaart enz. Ook zal zij vertellen over de dagelijkse praktijk en haar bijzondere ervaringen van haar bijzondere ambt. Niet alleen voor vrouwen, maar ook voor mannen is het een boeiend onderwerp leert de ervaring!!!

De lezing vindt op 27 oktober 2015 om 19.30 uur plaats in Infocentrum IJssel Den Nul, Rijksstraatweg 109 in Den Nul

Door de redactie

Geert Groote tien weken in de spotlights

Tot en met 11 december 2015 vindt in Deventer het Geert Groote-evenement plaats. Het bestaat uit tal van exposities, optredens, lezingen, filmvertoningen en debatten. Geert Groote leefde in Deventer in de veertiende eeuw en is de grondlegger van de vernieuwingsbeweging de Moderne Devotie. Zijn gedachtegoed is in onze tijd nog steeds actueel. Het evenement vertaalt de Moderne Devotie uit de veertiende eeuw naar een zoektocht naar bezinning en bewustwording in onze hedendaagse maatschappij. Er wordt ingespeeld op thema’s die op dit moment populair zijn. De organisatie van het project ligt in handen van Deventer Verhaal en het Geert Groote Huis.

POSTMODERNE DEVOTIE

Tijdens het Geert Groote-project worden er twee langlopende tentoonstellingen georganiseerd. In de Broederenkerk komt een tentoonstelling over (post) Moderne Devotie in al haar diversiteit. Geert Groote speelt hierin als inspirator een belangrijke rol. De expositie toont videokunst geïnspireerd op het gedachtegoed van de Moderne Devotie.

GELEERD VAN GEERT

De expositie ‘Geleerd van Geert’ in het Geert Groote Huis gaat over geestelijke en kerkelijke rijkdom in de tijd van Geert Groote. In de tijd van Geert Groote waren kerken vaak een toonbeeld van pracht en praal. Tegelijkertijd bestonden er vele opvanghuizen voor zieken, gehandicapten, ouderen en armen. Hier was christelijke naastenliefde de belangrijkste inspiratiebron. Daarnaast gaat de tentoonstelling over rijkdom in de huidige tijd, de verdeling hiervan en de rol die banken hierin spelen. In de expositie zullen bruikleenobjecten te zien uit onder andere het Catherijneconvent in Utrecht en de Athenaeumbibliotheek Deventer.

DE 24 UUR VAN GEERT GROOTE

De hoofdactiviteit van het evenement is het eendaagse festival ‘De 24 uur van Geert Groote’. Tijdens dit evenement op 14 november 2015 zullen er in de Waag, het Geert Grootehuis en de Broederenkerk diverse lezingen, debatten, voordrachten en workshops plaatsvinden. Ook worden muziekoptredens georganiseerd op de expositielocaties.

Door de redactie

Jagen (en stropen) in Twente vanaf de achttiende eeuw

Leon Wessels vertelt over de jacht (en het stropen) in Twente, vanaf de 18e eeuw. Daarbij speelde de adel lange tijd een belangrijke rol, die later werd overgenomen door fabrikanten en de boeren. 

De sociëteitsavond van de Stichting Historische Sociëteit Enschede – Lonneker (SHSEL) wordt gehouden op vrijdag 20 november in het Enschede’s Old-Fellowhuis, Nicolaas Beetsstraat 44. Aanvang: 20.00 uur.

Secretariaat: Krooshooplanden 1, 7542 HZ Enschede, Kor Feringa; tel.: 053-477 45 95 k.feringa@home.nl

Website: www.shsel.nl

Door de redactie

Lezing Zwolle: Een toekomst waarborgen

De ondernemende Zwolse families Van Sonsbeeck en Van Voorst tot Voorst brachten in de negentiende en twintigste eeuw Landgoed Den Alerdinck II tot bloei, maar namen ook deel aan de turbulente gebeurtenissen van hun tijd, in Zwolle, in Overijssel en in Den Haag (eerste kabinet Thorbecke). Spreker Jan van de Wetering is auteur van Een toekomst waarborgen en van talrijke andere publicaties over de regionale geschiedenis.

Praktische informatie: Donderdag 19 november 2015 Inloop: 19.30 uur Aanvang: 20.00 uur Toegang gratis.

Organisatie: Zwolse Historische Vereniging

Locatie: Historisch Centrum Overijssel

Aanmelden: U kunt zich aanmelden voor deze avond via contacthco@historischcentrumoverijssel.nlonder vermelding van 'lezing 19 november'0

Over het Erfgoedplatform Zwolle

Deze lezing wordt u aangeboden door het Erfgoedplatform Zwolle. Dit wordt gevormd door: Stedelijk Museum Zwolle, Historisch Centrum Overijssel, Waanders in de Broeren, Zwolse Historische Vereniging, Vereniging vrienden van de stadskern Zwolle, Zwols Architectuur Podium, Gemeente Zwolle (afdeling Archeologie en Monumentenzorg), Stichting Levende Stadsgeschiedenis Zwolle, Stichting Stadsherstel Zwolle, Stichting Grote Kerk Zwolle en Het Oversticht.

Door de redactie
Overijsselaars van Toen

Atlete Tollien Schuurman hield het hoofd recht

Vele Overijsselaars en andere Nederlanders waren in de zomer van 2015 aan de beeldbuis gekluisterd. Tijdens de Wereld- kampioenschappen atletiek moest Dafne Schippers eindelijk de belofte die ze was, waar maken. En óf ze dat deed: goud op de 200 meter en een dag eerder zilver op de 100 meter in een recordtijd van 10,81 sec. Daarmee doorbrak Schippers eindelijk het wereldrecord op de 100 m. uit 1932. Dat stond met 11,9 sec. sinds die tijd nog steeds op naam van het natuurtalent uit Windesheim bij Zwolle, Tollien Schuurman. Ze was een felle tegenstander van Hitler en besloot niet naar de Spelen in Berlijn te gaan toen duidelijk werd dat de Joden van deelname waren uitgesloten.

De record-breker Tollien was niet in Overijssel geboren. Zij groeide op in de omgeving van Drachten waar ze lid was van de plaatselijke gymnastiekvereniging. Haar talent viel snel op en het regende records. Bij de wereldkampioenschappen in Praag werd zij tweede op de 100 en de 200 m. Het wereldrecord op de 100 m. sneuvelde in 1932. Tollien maakte er 11,9 sec. van. Snel maakte men een plaatsje voor haar vrij in de nationale ploeg. In dat zelfde jaar verhuisde het gezin Schuurman naar Windesheim. Zwollenaar en leraar lichamelijke opvoeding Jan Britstra nam haar onder zijn hoede.

Tollien Schuurman tijdens een estafette-wedstrijd.

Olympische Spelen

In 1932 richtte Schuurman zich volledig op de Olympische Spelen in Los Angeles. Ze werd gezien als Nederlands grootste troef voor een gouden medaille. Het werd een teleurstelling: valse starts, verkeerde ondergrond. En waar was haar trainer? Jaren later schreef Tollien het mislukte Olympische avontuur toe aan het gemis van haar trainer Jan Britstra. ‘Ik kwam van het platteland en dan sta je in de wereldse grootheid van Amerika. Ik was jong en onervaren en voelde mij alleen. Britstra kende mij volkomen en ik hem. Hij zou mij op mijn gemak hebben weten te stellen zoals hij dat altijd deed.’ De KNAU besliste aanvankelijk dat Britstra mee mocht op eigen kosten, later voor de helft van het geld en uiteindelijk helemaal niet. Wie in het KNAU-bestuur dit besluit heeft genomen is tot op vandaag niet opgehelderd. Jan van der Putte werd haar trainer en haar masseur.

De Nederlandse estafetteploeg die naar Los Angeles zou gaan. Van links naar rechts: Jo Dalmolen, Cor Aalten, Bep du Mee, Tollien Schuurman.

Ze ging niet

Ook al waren de Spelen voor Tollien mislukt, toch pikte zij de draad weer op. In 1933 liep ze een wereldrecord op de 200 m. In 1934 werd ze Nederlands kampioen op de 100 en 200 m. Voor de spelen van 1936, de Spelen van Berlijn, werd Tollien weer gezien als Neerlands hoop in bange dagen. Zij zou de grootste kans hebben op een gouden plak. Maar ook in Windesheim drong de wereldpolitiek in de huiskamer door en raakte men niet uitgepraat over de gebeurtenissen in Duitsland. Tollien kwam uit een rood nest. Haar ouders waren lid van de SDAP (de latere Partij van de Arbeid) en moesten niets hebben van Hitler en zijn trawanten. Toen bekend werd dat Joden niet welkom waren op de Spelen, stond haar besluit vast: zij ging niet! De Telegraaf probeerde haar nog onder druk te zetten; maar zelfs een persoonlijk bezoek van KNAU-bobo Strengholt bracht haar niet van haar stuk. Ze wist dat aan sommige bestuursleden van de KNAU-top nazi-sympathiën werden toegeschreven. Maar of dit echt de reden is geweest van de animositeit tussen de sporter en de bestuurder is onbekend.

Tollien Schuurman (rechts) wint de 100 meter sprint.

Tandartsassistente

Tollien verkeerde in de vorm van haar leven maar was het gezeur en gediscussieer meer dan zat: op 23-jarige leeftijd besloot zij abrupt een einde te maken aan haar sportcarrière. Haar plaats in de Olympische ploeg werd ingenomen door de jonge Fanny Koen, die een paar jaar later zou trouwen met de nationale atletiektrainer Blankers. Doordat Tollien niet meer meedeed, kwam er ruimte voor Fanny Koen, die in 1948 zou oogsten met drie gouden medailles. Het maakte Tollien Schuurman niets meer uit. Ze kreeg meer voldoening uit het feit dat zij op vakantie op Vlieland met haar vriendin Marijke Mulder twee kinderen van de verdrinkingsdood redde. Tollien ging weer bij haar ouders in Apeldoorn wonen en verdiende haar geld als tandartsassistente. Later begon zij een pedicure-praktijk, die al snel goed liep en in Amsterdam werd voortgezet. In 1965 belandde ze in Elspeet waar zij met haar vriendin Bep Nühnen in een boerderij woonde. Kinderen heeft ze nooit gehad; over een paar misgelopen medailles heeft ze nooit getreurd. Ze overleed in 1994 op 81-jarige leeftijd.

Door Tonny Peters en Menno van der Laan
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Twente en zijn historische tuinen: Het Warmelo

In Twente zijn vele kastelen, landhuizen en havezaten te vinden die een monumenten- status kennen. Maar ook de tuinen die deze huizen omringen worden vaak als monument aangemerkt. Veel van deze tuinen zijn te bezoeken. In sommige daarvan zijn vele eeuwen tuinarchitectuur te vinden, anderen kenmerken zich juist doordat de aanleg geheel in één stijl is gedaan.

De gemeente Hof van Twente bestaat sinds 2001 en behelst de plaatsen Delden, Goor, Diepenheim, Markelo, Bentelo, Hengevelde en enkele buurtschappen. De naam voor deze fusie van plaatsen is goed gekozen. Want Hof van Twente kent vele mooie havezates en veel historische tuinen. Een concentratie van deze historische huizen en buitenplaatsen is te vinden nabij Diepenheim. Een van deze huizen met een monumentale tuin is het eeuwenoude Warmelo.

Tekening van het Warmelo in 1732. (Gemeentemuseum Arnhem via Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed)

Warmelo

Het Warmelo wordt voor het eerst genoemd in 1315 en wordt in 1457 beleend door bisschop David van Bourgondië aan Wibolt van Warmelo. Via de families Batenborch en Van Gelre komt het door het huwelijk van Charlotte van Gelre in 1633 in bezit van de familie Sloet die het huis zou bewonen tot 1872. Na de dood van Gerhard Carel baron Sloet van Warmelo op 5 juni 1872, wordt het huis geveild. Het huis en landgoed waren toen in slechte staat. In het veilingboekje staat het goed beschreven als ‘de van oudsher bekende tiendvrije riddermatige havezate Warmelo, doorsneden door het riviertje de Regge, gelegen in de gemeente Diepenheim, een half uur gaans van het station van Markelo’. Ook worden twee bouwhuizen genoemd, een koetshuis en een oranjerie, stalling voor tal van paarden en vee, bouw- en weilanden en duizenden bomen. Inbegrepen bij de verkoop zijn ook alle pachtboerderijen in de Veldhoek en de herenbank in de Johanneskerk in Diepenheim.

Het geheel wordt verkocht aan mevr. Robidé van der Aa uit Zwolle die het in 1880 verkoopt aan Hendrik van Booven. Een gedeelte van het oude huis was toen al gesloopt. Na het overlijden van Van Booven komt het in 1882 in handen van de Franse markies Louis Jules d’Auriol prins van Parrano, die het gekocht had als asiel in gevaarlijke tijden. Het zou in zijn bezit blijven tot 1892. Eigenaar wordt dan de familie Meyjes die tot 1897 ook eigenaar waren van Wegdam. Zij verkopen het Warmelo in 1926 aan de baronesse Creutz. In 1952 wordt het huis aangekocht door ZKH Prins Bernhard voor zijn moeder, Prinses Armgard. Zij zal er tot haar dood in 1971 blijven wonen.

Schetsontwerp smeedijzeren hek. (Rijksdienst Cultureel Erfgoed)

Carré

Het huis kende oorspronkelijk een carré-vorm met binnenplaats, een vorm die goed verdedigbaar was. Dit werd later uitgebouwd tot twee hoofdgebouwen die werden verbonden door enkele lage gebouwen. In 1874 werd het Warmelo vanwege de slechte staat waarin het zich bevond, bijna geheel afgebroken. Het huidige voorhuis was het oorspronkelijke poortgebouw en waar nu het terras ligt, stond vroeger de edelmanswoning met zijn prachtige trapgevels. Het huis werd in 1928 geheel vernieuwd en gerestaureerd door de familie Creutz. Zij herstelden ook de tuinen.

De tuinen van Warmelo.

Poortman

De historische tuin van Warmelo kan zich bogen op vele eeuwen tuinkunst. Een echt historisch overzicht van de tuin is er niet, daar het archief van het landgoed helaas is verbrand, maar de oude elementen zijn nog goed zichtbaar. Het landgoed bestrijkt op dit moment bijna zeven hectare. De Douairière Creutz nam tuinarchitect Hugo Poortman in de arm om de tuinen te herstellen. Poortman volgde zijn opleiding bij de Franse tuinarchitect Edouard André. Via André kreeg hij de opdracht de verwaarloosde tuinen van Weldam te herstellen. Graaf van Aldeburg Bentinck was zo onder de indruk van Poortman dat hij hem het rentmeesterschap van Weldam aanbood. Vanuit deze functie werd hij door de Douairière Creutz gevraagd om zich ook over de tuinen van het Warmelo te ontfermen. Poortman was toen al ver in de zestig en niet meer in de beste conditie. Hij nam de opdracht echter graag aan.

Bovenaanzicht tuin.

Verschillende stijlen

De dubbele, en op sommige plaatsen driedubbele omgrachting, is een van de oudste elementen in de tuin van het Warmelo, waarschijnlijk al aangelegd in de zestiende of vroeg-zeventiende eeuw. Het is niet het enige historische element wat bewaard is gebleven. De verschillende stijlen die door de eeuwen heen populair waren zijn duidelijk zichtbaar in de huidige tuin. De Franse tuin was erg in de mode in de zeventiende en achttiende eeuw. De geometrisch aangelegde buxushaagjes en de rococovijver zijn hier een duidelijk voorbeeld van. Poortman, met zijn Franse opleiding, besteedde veel aandacht aan deze elementen. Ook het sterrenbos uit de achttiende eeuw is bewaard gebleven evenals de rozentuin, de vogeltuin en tuinsieraden zoals vazen.

Rondom de classicistische en Franse tuinen werd in de achttiende eeuw een tuin in Engels landschapstijl aangelegd, een stijl die toen sterk in opkomst was. Deze tuin wordt gekenmerkt door een parkachtig uiterlijk en kent vele verschillende tuinkamers waaronder een moerastuin met veel inheemse waterplanten en een puttuin. Ten oosten van het huis ligt een negentiende-eeuws Victoriaans gazon, omzoomd door hoge naaldbomen, ook wel een pinetum genoemd. In de twintigste eeuw zijn er in de rozentuin nieuwe kassen geplaatst die dienst doen als oranjerie. Daarnaast kent de tuin ook vele soorten azalea’s.

Baron en baronesse Creutz in 1946. (Historische Vereniging Old Deep'n - Diepenheim)

Creutz

In 1936 droeg Douariere Creutz het huis over aan haar zoon F.S.A. Baron Creutz wiens vrouw zelf graag en veel in de tuin werkte. Ook Prinses Armgard, bewoonster sinds 1952, hield zich graag met de tuin bezig. Samen met haar tuinbaas Derksen zorgde ze ervoor dat de tuin van het Warmelo een van de mooiste van de regio werden. Vanaf 1976 bewoont de familie Avenarius het landgoed. Sindsdien zijn de tuinen grondig gerestaureerd en hersteld naar de inzichten zoals die voor de tuinarchitectuur gelden van begin 1900, met inachtneming van de verschillende tuinstijlen. De tuinen van Warmelo zijn van 1 mei tot 4 oktober te bezoeken. Ook worden er in het zomerseizoen meerdere activiteiten georganiseerd. Zie www.kasteelwarmelo.nl voor actuele informatie.

Met dank aan onder andere landgoed Het Warmelo voor het beeldmateriaal.

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Naar de plek van...

Andries Heidema, burgemeester van een stad van vrijdenkers

‘Mijn eerste ervaring met Deventer is er een om nooit te vergeten. Met vrienden fietsten mijn echtgenote en ik richting Deventer. Dan kom je natuurlijk aan de IJssel uit, bij het pontje. Het gezicht op Deventer, het IJsselfront, is fantastisch: de eeuwenoude stad gezien vanaf de rivier met de Lebuinus en de Bergkerk, omgeven door groen. Op die snikhete dag zochten we op het eind verkoeling in de Lebuinuskerk. In de prachtige hallenkerk, een van de grootste van Nederland, zei ik tegen Marjolein, mijn vrouw: 'Je zal hier maar wonen en burgemeester zijn.' Profetische woorden, zo bleek, want twee jaar later werd ik in diezelfde Lebuinus geïnstalleerd!’

Andries Heidema is een vlotte prater. Met veel genoegen vertelt hij over zijn jeugd en zijn loopbaan. Hij combineerde zijn studie cultuurtechniek met het geven van orgelles. Zoals bij zoveel gereformeerde gezinnen stond er ook bij Andries een orgel in huiskamer waar op zondagen na het eten het gezin zich verzamelde en uit volle borst psalmen en gezangen zong. Zijn moeder stimuleerde haar kinderen om orgelles te nemen en aan Andries was dat goed besteed. Hij heeft zelfs al eens in de Bergkerk en in de kerk van Bathmen achter de Holtgräve-orgels mogen plaats nemen. Het bespelen van het orgel in de Lebuinuskerk blijft nog een wens.

Politiek

‘Na mijn studie aan de Landbouw Universiteit in Wageningen waar ik vooral leerde hoe je bij ingewikkelde veranderingsprocessen, zoals landinrichtingsprojecten, verschillende partijen bij elkaar brengt en bij elkaar houdt, ging ik met mijn gezin in Zoetermeer wonen. Daar kwam ik al vrij snel in de politiek terecht. Na enkele jaren werd ik gevraagd als wethouder op het terrein van stedelijk beheer, wijkaanpak, en kunst en cultuur. In die functie kon ik de kennis en ervaring opgedaan in mijn studietijd goed gebruiken.’

Burgemeester

Als burgemeester sta je boven de partijen. ‘Verbinden’ is dan ook een woord dat regelmatig valt in het gesprek. Kennelijk was in Deventer de tijd rijp voor een burgemeester die geen partijman was. Heidema is de eerste naoorlogse burgervader die geen PvdA-er is. Als lid van een relatief kleine partij, de Christen Unie, was het voor veel Deventenaren maar de vraag of hij iets van Deventer en zijn inwoners zou begrijpen. ‘Maxima heeft destijds tegen vele zere benen geschopt met haar uitspraak dat ‘de Nederlander’ niet bestaat. Bestaat er wel zo iets als een ‘Deventenaar’? Maar als ik iets van de bewoners van de oude Hanzestad kan zeggen dan is het dat het vrijdenkers zijn, creatieve geesten die zich verbonden voelen met hun plek. Het is dan ook niet zo gek dat er mensen zijn die zeggen: “Blijf met je poten van onze uiterwaarden af” of die faliekant tegen de bouw van het nieuwe stadhuis zijn. In dat nieuwe stadhuis, overigens, worden 2300 vingerafdrukken van evenzovele willekeurige Deventenaren verwerkt door kunstenares Loes ten Anscher. Ook van tegenstanders van de bouw, je mag dus in Deventer ook je middelvinger opsteken.’

IJsselhotel

Het gezicht op de stad vanaf het IJsselhotel is voor veel Deventenaren ‘de plek’. Daar wandel je op een zondagmiddag, genietend van de natuur, maar toch dicht bij de stad. Vanaf de ‘andere’ IJsseloever onderga je de verbondenheid van de stad met het water en met het groen. ‘Voor mij is ook belangrijk dat het IJsselhotel bewaard is gebleven dankzij de inspanningen van de N.V. Bergkwartier. In die N.V. verenigde zich eind jaren zestig een groep mensen die, wars van de plannen van de overheid, het eeuwenoude Bergkwartier voor de slopershamer behoedden. Als commissaris van de N.V. doet het mij deugd dat dit karakteristieke etablissement door de N.V. Bergkwartier behouden is en in oude luister is hersteld. In 2012 logeerde Desmond Tutu een week in het IJsselhotel, dat sindsdien ook een suite heeft die naar de anti-apartheidsstrijder is genoemd. Ik heb hier in het IJsselhotel met het zicht op onze mooie stad gedenkwaardige gesprekken gevoerd met deze bijzondere man.’

Bijschrift kopfoto: Andries Heidema met een mede door hem ontworpen mozaïekbol voor K2 KinderKunst, een initiatief dat zorgt voor verbinding tussen diverse activiteiten voor en door jongeren in Deventer.

De plek van Andries Heidema

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Karakter van een gebouw is werk van kunstenaar en ambachtsman

De mens wil zich graag onderscheiden van de ander. Dat was vroeger zo en is nu nog steeds zo. Eeuwenlang stelde men in de architectuur de eis dat de vormgeving van een gebouw het ‘karakter’ ervan moest weergeven. Aan de kerk moest je kunnen zien of die voor de rooms-katholieke of voor de protestantse eredienst was gebouwd, aan de rechtbank dat er onder 'romeins recht' werd gevonnist (niet onder kerkelijk recht) en aan de boerderijen dat zij niet in de stad stonden. Daarom kregen rechtbank en gymnasium een fronton en ziet de kerk van de katholieken er ‘gotisch’ uit en de hervormde kerk juist niet.

Karakter

Het aanbrengen van deze kleine details die nu net het aparte – het karakter - van een gebouw weergeven, werd het werk van specialisten, de kunstenaars en ambachtslieden. Zij maakten de complexe rieten daken, rijk versierde serres, kleurrijke tegeltableaus of verhalend beeldhouwwerk. De beeldhouwer, de rietdekker, de timmerman, metselaar, siersmid of glazenier waren vaklieden van enig belang.

Hun werk was kostbaar. Het mocht wat kosten om je een mooier huis dan dat van de buren te kunnen veroorloven. De kunstenaars en ambachtslieden pimpten het basisontwerp van het nieuwe huis danig op. Wie wilde benadrukken dat hij in een landelijke villa woonde, bracht in de geveltop houten vakwerk of sierspant aan. Een golvend rieten dak moest de herinnering levend houden aan een geromantiseerd leven op de hei.

Wie rond 1900 wilde laten weten dat hij 'modern' was, paste de vormen van de art nouveau toe (de ‘nieuwe kunst’). Kantoren van levensverzekeringsmaatschappijen – die waren nieuw aan het einde van de negentiende eeuw - kenmerkten zich door die bouwstijl. Denk aan ‘De Utrecht’ of ‘De Hollandsche van 1845’. En eerder al, ten tijde van de renaissance in de vijftiende eeuw, liet een opdrachtgever zien dat hij wel eens een boek had gelezen door een villa met zuilenfront en fronton te kiezen. Dat vereiste de knapste ambachtslieden, zowel voor het metselen van de ronde kolommen als voor het beeldhouwen (of in gips gieten) van de kapitelen (bekroning van zuilen).

Waar moeten we aan denken als we Overijsselse voorbeelden zoeken? Hieronder volgen de mooiste.

Zwolle, Thorbeckegracht

De bouwheer van dit woonhuis met bedrijfspand uit 1670 liet ons weten dat hij zich kon meten met de rijkste kooplieden van Amsterdam. De halsgevel liet hij versieren met festoenen (bloemslingers) en de muurdammen liet hij bekronen met kapitelen. Als afmaker een heus fronton op de geveltop, dit alles in Bentheimer zandsteen uitgevoerd. De zandsteen kwam per vlot naar Zwolle en werd voor de deur uitgeladen en verwerkt. Er waren voorbeeldboeken waarin de beeldhouwers konden nazien hoe ze moesten beitelen. Met het boek en het bijzondere zandsteen onderscheidde de bouwheer zich dusdanig dat het huis nog steeds een monument is.

Rijksmonumenten aan de Thorbeckegracht in Zwolle. (foto Het Oversticht)

Hengelo, R.K. Lambertuskerk

De Hervorming in de zestiende eeuw ging gepaard met een beeldenstorm. Bovendien konden katholieken lange tijd niet kerken in kerkgebouwen die vanaf de weg als dusdanig waren te onderscheiden. De hervormde religie was tot de Franse tijd (1795-1815) in Overijssel de staatsgodsdienst. Daarna mochten ook de katholieken weer kerken bouwen. De meeste daarvan werden gotische kerken. De katholieken streefden het ideaal van een gemeenschap van gelovigen uit de Middeleeuwen na. De parochies werden gehuisvest in gebouwen die leken op de kerken uit de bloeitijd van het katholicisme: de gotiek van de late-Middeleeuwen. Om spitsbogen, gewelven, kapitelen, beelden en glas-in-lood te kunnen vervaardigen, waren speciale vaklieden nodig die zich de kunst van het middeleeuwse ambacht opnieuw eigen hadden gemaakt.

De R.K. Lambertuskerk in Hengelo. (foto Het Oversticht)

Kampen, bakkerij-lunchroom Stuurman

Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde zich in Nederland een middenklasse met een zekere koopkracht. Burgers gingen voorzichtig wel eens buiten de deur eten. Melksalons of een bakkerij annex ‘lunchroom’ probeerden aan de wensen van de nieuwe consumenten tegemoet te komen. De nieuwheid van de handel werd benadrukt door een moderne architectuurvorm, de art nouveau. Om de kosten in de hand te houden, bleef die art nouveau vaak beperkt tot tegeltableaus, smeedwerk en deurversieringen. Maar ook daarvoor waren aparte tegelbakkerijen, smederijen en timmerlieden nodig. Zij leerden de nieuwe vormgeving in tekenlessen op de ambachtsschool en uit voorbeeldboeken die heel Europa doorgingen.

Bakkerij en lunchroom Stuurman in Kampen. (foto Het Oversticht)

Enschede, Hoge Boekel

De Twentse textielfabrikanten verdienden rond 1900 goed aan hun enorme productie van garens, stoffen, ondergoed of juten zakken. Voor hun arbeiders lieten ze veelal degelijke, maar sobere volkswoningen bouwen. Voor de rijksten onder de textielbaronnen was het beste nog niet goed genoeg. De fabrikanten hadden geld als water. En wat hun architecturale wensen betrof, sloten zij aan bij succesvolste leden van de ‘upper ten’. Zo wat ieder van hen woonde in een landhuis op het Twentse platteland. Om zich van andere fabrikanten te onderscheiden, haalde men architecten uit het Westen. Deze kozen gebouwvormen die hoorden bij de smaak van de allerrijksten. Zo had het huis van G.J. van Heek in Enschede een halsgevel en gebogen fronton alsof het aan een Amsterdamse gracht stond. Klassieke kolommen bij de ingang ontbraken niet. Het waren goede timmerlui die de frontons op de dakkapellen konden maken. Expert-leidekkers zorgden voor het leien dak, steenhouwers bewerkten het natuursteen en voor de interieurs kwamen meubelmakers langs. Een keur aan prachtige kunstvoorwerpen kreeg een plek in de mooie salons. Kunst en ambacht werden optimaal benut om het een paleis te laten lijken dat de glorie van de andere Van-Heekhuizen nog eens overtrof.

Buitenplaats De Hoge Boekel bij Enschede.

Zwolle, Ruusbroeckstraat

Rond de Tweede Wereldoorlog ontstond de gewoonte om van het geld dat de overheid aan bouwen besteedde, een percentage te reserveren voor beeldende kunst. Zo kreeg menig gemeentehuis, school of bejaardentehuis een kunstwerk aan de gevel of voor de deur. Het markeerde hun belang. Ook de volkshuisvesting kwam voor die ‘percentage-regeling’ (vanaf 1951: 1,5% van de bouwsom) in aanmerking. De ‘paleizen voor arbeiders’ uit de Wederopbouwperiode werden niet vergeten. In de Zwolse Ruusbroeckstraat kwam de kunstenaar met het idee op de kopgevels een geometrisch patroon aan te brengen. Een vakkundige voeger durfde het aan. Hij kreeg het alleen voor elkaar door verschillende kleuren specie te gebruiken en door op verschillende manieren te voegen: platvol, uitgestreken of met knipvoeg. Het was een mooie symbiose van kunst en ambacht, ingezet om ook bij een ‘sober en doelmatig’ volkswoningbouwcomplex de buurt iets van kunstzinnige rijkdom mee te geven.

Kunstig voegwerk in Wederopbouw- architectuur op een woningblok in de Ruusbroeckstraat in Zwolle.

Door Dirk Baalman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

Bevrijdingsfilm Deventer - Koot

Indringende beelden van de bevrijding van Deventer in de omgeving Brinkgeverweg/Veenweg. Er is onder meer te zien hoe vrouwen worden kaalgeknipt en anderen onder schot gehouden worden. (SAB Deventer)

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Gemeentearchief Steenwijkerland

Vredesmars in Steenwijk

In de beeldbank sluiten we deze maand aan bij het thema van de Maand van de Geschiedenis: Droom & Daad. Dit gaat over mensen die handelen om hun idealen te verwezenlijken.

Op de foto ziet u een afbeelding van een vredesdemonstratie van Steenwijk naar de militaire basis te Havelterberg op 26 december 1980. Midden jaren zeventig had zich in Steenwijk een initiatiefgroep gevormd om een burgerprotest tegen de vermeende aanwezigheid van atoomwapens op de Havelterberg mogelijk te maken. Tweede Kerstdag, het vredessymbool bij uitstek, werd als vast moment in het jaar gekozen om te proberen mensen op de been te brengen om tegen de wapenwedloop te protesteren. Dat lukte. In de jaren zeventig liepen een paar honderd mensen mee in een demonstratieve tocht. Daarna groeide het protest snel. Vanaf de jaren tachtig trok er jaarlijks een lange stoet van duizenden demonstranten met spandoeken naar de Havelterberg. Bij de basis werd vervolgens een korte manifestatie met één of meer toespraken gehouden. Op 26 december 1982 kwamen er naar schatting 10.000 mensen naar Steenwijk en de Havelterberg om hun eigen demonstratieve invulling van het Kerstfeest te geven: "Vrede op aarde".

Door de redactie
Volgende pagina
. . . . . . . . . .