MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 21
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 22
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 23

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 4
  • nummer 1
  • januari 2016

Coververhaal

De Steenwijker jaren van Desi Bouterse

Geworteld in Overijssel

De Enschedese roots van Gerard en Karel van het Reve

Geschiedenis van alle dag

Seksualiteit door de eeuwen heen

Overijsselaars van toen

Pastoor Rientjes, kunst- en dorpshistoricus

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Van de redactie
  • jaargang 4
  • nummer 1
  • januari 2016

Historische gebeurtenissen laten zich niet voorspellen

Bij basketbalclub Alcides uit Meppel werd hij begin jaren zeventig onmisbaar genoemd. Met hem erbij won Alcides alles, zonder hem was het behelpen. Hij woonde in de Dieptol in Steenwijk en vond het leuk om met de buren op te trekken. Kortom een gewone jongen die aardig was in de omgang. We hebben het over niemand minder dan Desi Bouterse, die voor de onafhankelijkheid weer naar Suriname zou vertrekken. Wie zou toen hebben durven beweren dat deze ‘mister nice guy’, die nog regelmatig pindasoep kookte voor de buren en een spaarcentje bij verdiende met een handeltje in seksboekjes, tien jaar later als legerleider betrokken was bij een staatsgreep, het opruimen van politieke tegenstanders en handel in verdovende middelen? In ons hoofdartikel kunt u alles lezen over de jaren dan Desi Bouterse in de Kop van Overijssel woonde. Het blijkt maar weer dat historische gebeurtenissen zich niet laten voorspellen.

Historische personen met een onverwacht verleden of een bijzondere loopbaan, het is een beetje het thema van dit nummer geworden. Ook de broers Van het Reve – Karel en Gerard – doorliepen een carrière die niet direct voor de hand lag. De broers kwamen uit een Twents geslacht van marxisten en stakingsleiders. Gerard werd een veel gelezen schrijver en Karel hoogleraar. Of pastoor Rientjes uit Heino. Deze katholieke geestelijke groeide uit tot kunst- en dorpshistoricus van verschillende Sallandse plaatsen. Terwijl de Groninger onderwijzer Berend Westera spil werd in de bittere Nijverdalse schoolstrijd en de heren van Saasveld plotseling de gevreesde roofridders van Saterslo werden. U merkt het al, de Overijsselse geschiedenis is er niet een van alleen maar grote mannen en vrouwen. Ook in het alledaagse zit het verleden. Lees erover in het nieuwe online magazine van MijnStadMijnDorp!

Menno van der Laan, redactie

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Menno van der Laan (HCO), Doreen Flierman, Marcel Mentink (Rijnbrink), Dinand Webbink (Athenaeum-bibliotheek Deventer) en Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Ruud Olde Dubbelink en Martin Looman (Palthehuis, Oldenzaal), Girbe Buist.

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

De Steenwijker jaren van Desi Bouterse

‘De onmisbare Deci Bouterse.’ Zo noemt de Meppeler Courant de speler onder wiens leiding basketbalclub Alcides uit Meppel de derby tegen stadsgenoot MSC op 24 februari 1972 overtuigend wist te winnen. Met maar liefst 18 van de 37 goals was Bouterse de onbetwistbare topscorer van de avond. U leest het goed, we hebben het hier over de later zo omstreden Surinaamse legerleider die toentertijd in Steenwijk woonde. Het hele basketbalseizoen blonk Bouterse uit om zijn goede spel en werd hij bij Alcides op handen gedragen.

Begin jaren zeventig was Bouterse via een aantal omzwervingen in Steenwijk terecht gekomen. De latere leider van de 'Sergeantencoup' was in 1945 geboren in Domburg in Suriname. Zijn jeugd bracht hij grotendeels door in Paramaribo. Nadat hij zijn middelbareschooldiploma had gehaald, kwam hij eerst als administratieve hulp te werken bij de aanleg van het Brokopondostuwmeer en later op de suikerplantage Mariënburg. Het waren de ‘sixties’ en een westerse levensstijl drong steeds meer door in Suriname. Net als veel Surinaamse jongeren reed ook Bouterse rond op een snelle brommer, droeg modieuze kleiding en beluisterde elpees.

Desi Bouterse in het midden van de jaren zestig in Paramaribo. (Still uit Hoge Bomen, AVRO, 2004)

Nederland

Hoewel het Suriname economisch gezien niet slecht verging, bleef Nederland voor veel jonge Surinamers aantrekkelijk. Niet vreemd aangezien het leven in de kolonie volledig op het moederland gericht was: het onderwijs, de winkels, levensmiddelen, de media. Nederland werd geïdealiseerd. Daar zouden kansen liggen, daar zou geld verdiend kunnen worden, daar gebeurde het. In 1968 vertrokken bijna vijfduizend Surinamers naar Nederland, onder wie Desi Bouterse. Op zoek naar avontuur en zijn vriendin Ingrid Figueira achterna, die al een jaar eerder naar Nederland was gekomen om een opleiding tot kleuterjuf te volgen.

Een jonge Desi Bouterse omstreeks de tijd dat hij naar Nederland vertrok. (Still uit Hoge Bomen, AVRO, 2004)

Militaire dienst

In Nederland vond Bouterse werk op de administratie van brandkasten- en slotenfabriek Lips & Gispen NV in Dordrecht. Enkele maanden later werd hij opgeroepen voor militaire dienst. Als Surinamer had hij een Nederlands paspoort en dus was hij dienstplichtig. Bouterse koos ervoor om beroepsmilitair te worden en meldde zich aan voor de opleiding tot onderofficier bij de Koninklijke Landmacht. Zijn opleiding volgde hij in Weert en Den Bosch.

Johannes Post Kazerne

Begin 1971 was Bouterse klaar en werd hij bevorderd tot sergeant. Vervolgens kwam hij terecht bij het 47ste pantserinfanteriebataljon dat gestationeerd was op de Johannes Post Kazerne in Havelte. Hij maakte deel uit van een staf die leidinggaf aan ongeveer dertig dienstplichtigen en nam deel aan meerdere oefeningen in NAVO-verband. Collega’s uit die tijd omschrijven hem als 'een eerlijke vent' en 'iemand met wie je plezier kon hebben', maar die 'niet aan flauwekul deed' als er gewerkt moest worden.

Het wachtgebouw van de Johannes Post Kazerne in Havelte.

Steenwijk

Bouterse was toen inmiddels getrouwd met zijn Ingrid en samen hadden ze een dochter, Peggy. Het gezin woonde aan de Bisschopsbergweg in Havelte, niet ver van de kazerne. Begin 1972 bleek Ingrid opnieuw zwanger, waarna de familie verhuisde naar een nieuwbouwwoning aan de Dieptol 7 in Steenwijk, in een typische bloemkoolwijk. Hier werd zoon Dino geboren. Toenmalige buren zien Bouterse nog zó in de keuken staan 'van alles klaar te maken'. Met name zijn pindasoep viel goed in de smaak. Eén buurvrouw maakt het nog precies zoals ze indertijd van Bouterse heeft geleerd. Daarnaast kon Bouterse 'als geen ander dansen' en ging hij regelmatig uit, hoewel het ook een 'gezinsmannetje' was, aldus de voormalige buren.

Het voormalige woonhuis van Desi Bouterse aan de Dieptol 7 in Steenwijk (foto: Martin van der Linde)

Bouterse bleek ook op en top sportman te zijn. De negen kilometer van zijn huis in Steenwijk naar de kazerne in Havelte legde hij regelmatig hardlopend af. Om wedstrijden te kunnen lopen meldde Bouterse zich aan bij de atletiekvereniging Steenwijk. Bij de club wordt hij herinnerd als 'fanatiek', 'gedreven' en ook als 'aardige vent'. De tijden die Bouterse liep waren beter dan gemiddeld, maar geen Nederlandse top. Op de drie kilometer liep hij tijdens de noordelijke kampioenschappen met 9 minuten en 36 seconden een clubrecord. Bij een parkloop van vijf kilometer in Leeuwarden leverde volgens de Leeuwarder Courant 'Daisy Bouterse uit Steenwijk een felle strijd met Peter Bots uit Warga om de vierde plaats, die Bouterse uiteindelijk won'. Zijn tijd was 15 minuten en 19 seconden, een persoonlijk record.

Bouterse bij de aankoop van een Ford Taunus, zijn eerste auto in Steenwijk. (Still uit Hoge Bomen, AVRO, 2004)

Basketbal

Op een avond liep Bouterse met zijn sporttas in zijn hand binnen bij basketbalvereniging Alcides in Meppel met de vraag of hij mee mocht trainen. Nadat hij zich verkleed had, was direct duidelijk dat er een 'geweldige basketballer' op de vloer liep. De eerste vijf wedstrijden waaraan Bouterse meedeed, werden glansrijk gewonnen. Pas na drie maanden was er de eerste verliespartij omdat 'de altijd op doelpunten belust zijnde Desi Bouterse een off-day had', aldus de Meppeler Courant. De vorm was snel weer terug, want in de resterende wedstrijden was telkens een hoofdrol voor Bouterse weggelegd waardoor Alcides promoveerde naar de landelijke Tweede Divisie A. Door opnieuw een verhuizing moest het team het jaar erop het echter zonder Bouterse stellen, waarna Alcides kansloos weer degradeerde.

Wedstrijdverslag van Alcides in de Meppeler Courant van 25 februari 1972. Links met nummer 34 'de onmisbare Deci Bouterse'. (foto: Pepijn Reeser)

Seedorf

In oktober 1974 vertrok Bouterse met zijn gezin uit Steenwijk naar het Duitse dorpje Zeven in de buurt van legerplaats Seedorf. Nederlandse militairen die in het buitenland geplaatst waren ontvingen een gevarentoeslag en kregen diverse belastingvoordelen waardoor ze meer konden verdienen. Jeugdvriend Roy Bottse zegt dat Bouterse 'economisch dacht' en noemt het financiële voordeel als waarschijnlijke reden voor de verhuizing naar Duitsland. Bouterse zou daarnaast in 'erotische blaadjes' hebben gehandeld en gaf om wat bij te verdienen twee keer per week gymles aan huisvrouwen.

In Seedorf bleef Bouterse sporten en deed hij in november 1974 zelfs mee aan de tv-actie 'Geven voor leven' van de NCRV en de Kankerbestrijding. Een aantal militairen, onder wie Bouterse, leverde met een estafetteloop van 440 kilometer vanuit Seedorf achtduizend ingezamelde guldens rechtstreeks af in de tv-studio. Op de beelden is te zien hoe Bouterse met rode muts de studio binnen komt rennen en zwijgend op het podium staat naast presentator Ted de Braak.

Desi Bouterse bij de tv-actie 'Geven voor leven' op het podium naast presentator Ted de Braak. (Still uit Hoge Bomen, AVRO, 2004)

Coup

Bouterse bleef uiteindelijk maar een jaar in Seedorf wonen. Op 21 oktober 1975 vertrok hij naar Suriname om daar mee te helpen bij de oprichting van een Surinaams leger. Op 25 november dat jaar zou Suriname onafhankelijk worden. Een kleine vijf jaar later hoorde de rest van de wereld voor het eerst de naam van Bouterse toen hij als leider van een groep van vijftien sergeanten uit het Surinaamse leger een militaire coup pleegde. De staatsgreep, de Decembermoorden in 1982 en zijn betrokkenheid bij de handel in drugs maakten hem internationaal tot een omstreden figuur. In Steenwijk en bij basketbalclub Alcides leidde dit achteraf tot de veelgemaakte grap: 'In onze tijd schoot hij ook al met scherp.'

Bronnen

- Leeuwarder Courant, 29 oktober 1973

- Meppeler Courant, 25 februari 1972

- Pepijn Reeser, Desi Bouterse. Een Surinaamse tragedie (Amsterdam, Promotheus/Bert Bakker) 2015.

- Hoge Bomen, AVRO, 8 juni 2004.

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De Nijverdalse schoolstrijd leidde tot diepe wonden

Op 2 januari 1913 opende de Gereformeerde lagere school te Nijverdal haar deuren voor maar liefst 177 leerlingen. 145 daarvan genoten tot aan die dag hun onderwijs aan de Christelijke Nationale School, die er pal naast stond. Hoofd van die school was de gereformeerde Willem Wieske. De opening van de nieuwe school was het eerste hoogtepunt, zo men wil dieptepunt, in een decennialange, bittere strijd, die wel wordt aangeduid als de Nijverdalse schoolstrijd.

De Christelijke Nationale School werd in 1866 gesticht, dit jaar precies 150 jaar geleden. De grote inspirator en organisator achter deze school was Hendrik Wormser (1810-1887). Wormser was lid van de Afgescheiden gemeente. De gereformeerde voorman was al sinds het begin van de jaren veertig bezig zijn ideaal van een school op strikt protestants-christelijke grondslag te verwezenlijken. De Afgescheidenen hadden een overheersende inbreng in de nieuwe school. De grond en het gebouw waren eigendom van deze kerkelijke groepering, hun dominee was voorzitter van het schoolbestuur en de stichter Hendrik Wormser bepaalde de dagelijkse gang van zaken, een rol die later door zijn zoon Johannes werd overgenomen.

Het gezin Westera in 1906.

Berend Westera

In 1898 kwam een jonge, enthousiaste onderwijzer uit Groningen het team versterken. Berend Westera (1875-1952) werd hartelijk verwelkomd door schoolhoofd Willem Wieske. Als Wieske in de toekomst had kunnen kijken, had hij misschien gevonden dat hij een adder aan zijn borst koesterde. Westera was vastbesloten zijn gereformeerde dorpsgenoten op te stuwen in de vaart der volkeren en liet daarvoor geen middel onbenut. Zijn energie is verbazingwekkend, zijn werklust tomeloos. Hij kocht een antirevolutionair weekblad op, dat hij ambitieus omdoopte tot het Twentsch Volksblad (het bestaat nog steeds, al is van de gereformeerde oorsprong niets meer te merken). Kort daarna begon hij een uitgeverij (het latere Bosch & Keuning), nam een boekhandel over, schreef boeken over taalonderwijs en opvoeding, was betrokken bij de oprichting van een plaatselijke protestants-christelijke vakvereniging, was medeoprichter van een landelijke onderwijzersbond en hij was ook nog eens politiek actief. Alles vanuit een gereformeerde levensvisie. Maar zijn hart lag bij het onderwijs.

Westera schreef een zestal boeken, waaronder deze opvoedkundige gids, uitgegeven door zijn compagnon en opvolger E.J. Bosch.

Scheuring

Hij vond dat het onderwijs volgens strikte gereformeerde opvattingen georganiseerd moest worden. Met lede ogen zag hij aan hoe de aanvankelijk zo grote invloed van de Gereformeerde Gemeente minder werd. Andere protestants-christelijke kerkgenootschappen groeiden en eisten meer macht. In het eerste decennium van de twintigste eeuw resulteerde dat in voortdurende onenigheid over de zetelverdeling in het bestuur. Officieel was het uitgangspunt dat de invloed van de kerk op de school zoveel mogelijk moest worden geweerd, maar met dominees in het bestuur was dat bijzonder lastig. De andere groeperingen eisten evenveel zetels op als de Gereformeerde Gemeente en dat was Berend Westera en zijn medestanders te gortig. Zonder er verder een woord vuil over te maken, besloten ze - in stilte - te werken aan een eigen school op strikt gereformeerde grondslag. Toen zij op 9 december 1912 aankondigden uit het bestuur te stappen, was dat geen verrassing meer. Nog geen maand later werd er een geheel nieuwe school geopend, zoals gezegd vlak naast de ‘moederschool’. Niemand was verbaasd dat Berend Westera tot hoofd werd benoemd. De scheuring was een feit.

Niets hield Westera nu nog tegen om als onderwijsman in hart en nieren zijn idealen verder uit te werken. Al meteen in 1913 experimenteerde hij met naschools avondonderwijs. Talentvolle jongeren (lees: jongens) moesten niet op twaalfjarige leeftijd de fabriek in, maar doorleren. Het experiment leidde in 1917 tot de oprichting van een gereformeerde U.L.O. Hiermee is Westera de grondlegger van het voortgezet onderwijs in Nijverdal. Toen deze U.L.O. gerealiseerd was, moest Westera zijn meer begaafde leerlingen nog onder dak krijgen. In november 1919 was hij aanwezig bij de oprichtingsvergadering van een H.B.S., het Christelijk Lyceum te Almelo. Westera bleef tot op hoge leeftijd bestuurslid.

Drie ULO's

Liever had Westera natuurlijk een H.B.S. in Nijverdal gehad, maar hij was realist genoeg om dat niet te proberen. Het in stand houden van een U.L.O. was al moeilijk genoeg. Het leerlingenaantal was zo gering dat Westera verzoeningspogingen ondernam naar zijn protestantse collega’s van de andere school. Er werd zelfs een gemeenschappelijke verklaring uitgegeven vol van verzoenende woorden. Echter, de dagelijks praktijk bleek weerbarstiger. Bij de gesprekken over een gezamenlijke christelijke U.L.O. kwam al gauw de signatuur van het schoolhoofd ter sprake. De gereformeerden schoven hun een eigen kandidaat naar voren, Westera zelf. De andere groeperingen wensten een hervormde kandidaat. Toen iemand het onzalige voorstel deed het lot maar te laten beslissen, was het gedaan met de onderhandelingen. Dus kreeg Nijverdal in 1922 een tweede christelijke U.L.O. De ouders in de gemeente Hellendoorn, met zo’n 11.000 inwoners, bevonden zich nu in de luxe positie dat zij voor hun kinderen konden kiezen uit drie U.L.O.’s, want er was inmiddels ook een openbare U.L.O. Eigenlijk konden ze geen van drieën bestaan, met elk slechts 20-25 leerlingen. De openbare U.L.O. legde in 1926 al het loodje.

De twee overgebleven scholen visten in dezelfde protestantse vijver. In 1922 ontbrandde er een strijd om de gunst van de leerling. Het leerlingental van beide scholen ging eerder achteruit dan vooruit. Bestuursleden van de scholen trokken er op uit om leerlingen te werven. Men trok daar zelfs voor naar aangrenzende gemeentes. Een oud-leerling van de gereformeerde school herinnerde zich dat zijn dominee als ‘het vliegende evangelie met wapperende zwarte jaspanden, op zijn fiets naar de afgelegen hoeken van onze gemeente snelde om de ouders op te wekken hun kinderen naar de eigen school te sturen, ook al moesten die schaapjes er 1 à 1½ uur voor lopen’.

In 1922 wordt de gereformeerde lagere school uitgebreid met een hele verdieping om de U.L.O. te kunnen huisvesten.

De eenheid hersteld

De Nijverdalse schoolstrijd leidde tot diepe wonden die nog lang nadien gevoeld werden. Ondanks verschillende pogingen tijdens het interbellum om de beide protestantse onderwijsinstellingen samen te voegen, bleken de standpunten over en weer onverzoenbaar. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam er een voorzichtig toenadering op gang. De aardverschuiving in het landelijke onderwijsbestel met de invoering van de Mammoetwet, het afschaffen van de aloude U.L.O en de introductie van de havo-mavo had katalyserende werking. In het midden van de jaren zestig fuseerden de beide protestants-christelijke scholen. De eenheid was hersteld.

Verder lezen: Een rusteloos leven; Berend Westera (1874 - 1952), onderwijzer en uitgever te Nijverdal (2008).

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geworteld in Overijssel

De Enschedese roots van Gerard en Karel van het Reve

In de oorlogsjaren had de zelfbenoemde volksschrijver Gerard Reve een relatie met de Enschedese Tine Fraterman, vertelt zijn biograaf Nop Maas in ‘De vroege jaren’. Dat Reve in Enschede vertoefde was niet zo verwonderlijk. Zijn vader, een overtuigd communist, had er gewoond tot hij in 1918 naar Amsterdam verhuisde. 

Toen de Duitsers in de zomer van 1941 Rusland binnenvielen, besloten veel communisten in Nederland onder te duiken. Gerard vertrok die zomer naar zijn Enschedese oom Gerrit van het Reve waar hij Tine ontmoette. Van zijn kant was het liefde op het eerste gezicht. Ook Tine was zeer onder de indruk van de achttienjarige jongen met ‘een stem als een bronzen klok’. Tine woonde enige tijd bij de Van het Reves in Amsterdam, maar in 1945 kwam er een einde aan de relatie.

Stakingsleider

Gerards overgrootvader, de fabrieksarbeider Gerard Hermannus van het Reve (Ambt Almelo 1832-Enschede 1899), huwde op 14 november 1857 te Enschede met Johanna Robers (Enschede 1835-Enschede 1904). Hun eerste kind werd in Enschede geboren op 14 januari 1858, precies twee maanden na hun huwelijk. Er volgden nog zeven kinderen, waarvan er meerdere op jonge leeftijd overleden.

Grootvader Johannes Hendrikus van het Reve (Enschede 1869-Enschede 1962) trad op 31 oktober 1889 te Enschede in het huwelijk met Femina C. Weernink (Enschede 1870-Enschede 1957). Femina stamde uit een gezin van textielarbeiders en bracht haar man het weversvak bij, die daardoor werk kon vinden in een Enschedese textielfabriek. Johannes was amateur-toneelspeler en hield van een borrel. Femina hield pas op met haar werk als dienstmeid toen het vierde van negen kinderen zich meldde. Om zijn karig inkomen aan te vullen moest Johannes sinds die tijd in de avonduren bijverdienen. Hij werkte als kelner en gaf daarnaast als lid van de plaatselijke muziekvereniging bruiloften een muzikaal tintje. Het gezin was weliswaar rooms-katholiek gedoopt, maar was niet streng in de leer. Wel bezochten de kinderen een katholieke jongensschool.

Van Heek & Co. in Enschede. Deze foto werd gemaakt in 1895, in de fabriek Kremersmaten. (Stichting Edwina van Heek)

Tot een breuk met kerk en geloof kwam het toen een van de kinderen op de lagere school voor een heel klein vergrijp slaag kreeg. Onmiddellijk stuurde Johannes zijn kinderen naar de openbare school. De Van het Reves maakten bewust de grote textielstaking mee bij Van Heek & Co van 1902. Duizenden arbeiders kwamen zonder inkomen te zitten. Johannes zamelde met medemuzikanten geld in. Ondanks hulpcomités uit de bevolking ging de staking verloren. Bij een volgende staking trad Johannes als stakingsleider op. Het draaide uit op zijn ontslag en Johannes was aangewezen op baantjes die zich van tijd tot tijd aandienden.

GERARD VAN HET REVE SR., COMMUNIST

Vader Gerardus Johannes Marinus van het Reve (Enschede 1892-Laren 1975) is geboren in de Alsteedsestraat in een textielarbeidersgezin met negen kinderen. Hij kreeg het communisme met de paplepel ingegoten. Gerard was een bewonderaar van Ferdinand Domela Nieuwenhuis en bevriend met een aantal militante socialisten. Hij ging al vroeg als wever aan het werk, maar vond dat het fabrieksleven zijn vrijheid te zeer belemmerde. Hij bleef er zich zijn hele leven tegen verzetten. In de loop der jaren had hij diverse baantjes in Twente en Duitsland. Gerard sr. volgde diverse cursussen, omdat hij graag onderwijzer wilden worden. Aan intelligentie ontbrak het hem niet, maar zijn ouders konden het inkomen dat hij verdiende, niet missen. Gerard begon artikelen te schrijven over de arbeidsbeweging die gepubliceerd werden in tijdschriften als ‘Recht door Zee, orgaan gewijd aan de belangen van de verdrukten en miskenden’.

Geboorteakte van G.J.M. van het Reve te Enschede, 11 april 1892.

In 1910 werd Gerard J.M. van het Reve lid van de Sociaal Democratische Partij (SDP) en secretaris van de afdeling Enschede. Hij nodigde de bekende dichter Herman Gorter uit voor een cursus. Tijdens een van deze cursussen ontmoette hij Janetta (Net) Doornbusch (Ambt Almelo 1892-Amsterdam 1956) met wie hij in 1916 in Almelo in het huwelijk trad. Een jaar later brak de Russische revolutie uit die door Van het Reve onvoorwaardelijk werd gesteund. In 1918 werd hij bestuurslid van de SDP en kreeg een baan bij ‘De Tribune’ in Amsterdam. Gerard schreef tot 1930  een lange reeks van politieke artikelen voor het orgaan van de SDP, dat later werd omgedoopt tot ‘De Waarheid’. 

Gerardus Johannes Marinus van het Reve in uniform, circa 1913. (foto BWSA)

In die periode woonde het echtpaar in Betondorp . Na enkele doodgeboren kinderen overleed ook Karel Wladimir (1918) al na een maand. Daarna werden de zonen Karel (1921) en Gerard (1923) geboren. De oudste van de twee broers werd hoogleraar Slavische letterkunde en een van Nederlands bekendste essayisten. De jongste schreef 'De Avonden' en was oorzaak van menig heftige discussie.

Breuk met de partij

Toen in 1923-1924 stakingen in Twente uitbraken, ging Van het Reve naar Twente om daar enkele toespraken te houden, wat hem twee maanden cel opleverde. Na een interne machtsstrijd binnen ‘De Tribune’ werd hij in 1930 ontslagen. Van het Reve moest plotseling op een andere manier zijn brood verdienen. Hij ging historische romans met een communistische inslag schrijven, zoals ‘De Voorsten’ dat in 1930 verscheen. Ook publiceerde hij dat jaar een kinderboek: ‘De avonturen van Mop en Strop’. Van het Reve werkte als redacteur voor tijdschriften met veelzeggende namen als ‘Feiten uit de Sowjet-Unie’ en ‘Links richten’, en hij organiseerde reizen naar de Sovjet-Unie. In 1938 waagde hij het lichte kritiek te uiten op het boek ‘De officiële geschiedenis van de Communistische Partij der Sovjet-Unie’, waarna hij werd afgezet als algemeen secretaris. Desondanks bleef hij zijn partij trouw. Nadat hij in 1942 in contact was gekomen met de Parool-groep, schreef hij artikelen voor deze verzetsgroep. In 1945 werd hij lid van de redactie van ‘Het Parool’ en zoon Gerard trad er in dienst als journalist.

Gerard van het Reve geportretteerd door zijn vriendin Tine Fraterman, 5 februari 1944.

Na de oorlog was Gerard sr. enkele jaren hoofdredacteur van de Twentse editie van ‘Het Parool’, wat hem in de gelegenheid stelde de textielindustriëlen weer eens flink te hekelen. Geleidelijk aan nam Gerard sr. afstand van het communisme en ging hij schrijven voor het links-socialistische blad ‘De Vlam’. Ook bezocht hij vergaderingen van de Socialistische Unie, voorloper van de Pacifistisch-Socialistische Partij, die later zou opgaan in Groen Links. In 1971 liet Gerard in een interview weten dat hij anticommunist was, maar bleef geloven in een betere wereld. In 1973 overleed Gerard J.M. van het Reve in een sanatorium te Laren.

Gerard Johannes Marinus van het Reve, ets van Tine Fraterman, circa 1944.

De broers Gerard en Karel van het Reve hebben nooit goed met elkaar overweg gekund. In de jaren tachtig raakten ze zelfs zo gebrouilleerd dat ze alle contacten verbraken. Gerard van het Reve leed in zijn laatste levensjaren aan de ziekte van Alzheimer. Hij stopte eind 1999 met schrijven. Gerard overleed 8 april 2006 in een verpleeghuis te Zulte (B) op 82-jarige leeftijd. Broer Karel, de essayist en Ruslandkenner, leed aan de ziekte van Parkinson en overleed op 4 maart 1999 te Amsterdam.

Bijlage

Kwartierstaat van Gerard en Karel van het Reve.

Door Marcel Mentink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

“Wij vertrouwen op onze keizer.” Sallandse jongens vechten voor en tegen Napoleon, 1811-1815

Tweehonderd jaar geleden vond Napoleon zijn Waterloo, maar menig jaar daarvoor vierde hij triomfen. In dit boek is te lezen hoe Sallandse mannen hieraan hebben bijgedragen. In 1810 lijfde de keizer Nederland in bij het grote Franse rijk. Om de Russische tsaar een lesje te leren had hij een groot en goed functionerend leger nodig. Veel jongens en mannen uit onze omgeving moesten er aan geloven. De auteur heeft voor het kanton Raalte grondig onderzoek gepleegd in diverse archieven. Wie werden in- of uitgeloot, hoe verliep de keuring en waaruit bestond hun uitrusting? We lezen over marcheren en vechten. We lezen over wie er deserteerden, wie er ziek werden, wie er stierven. Van de voormalige gemeenten Wijhe, Heino, Holten. Raalte en Hellendoorn zijn er tal van gegevens over de lotgevallen van Napoleons soldaten aan het licht gebracht.

Auteur: Evelyn Ligtenberg

Uitgeverij: Uutgeverieje ’n Boaken

ISBN 978 90 7627 230 6 | 421 pag. | € 24,50

Door Evelyn Ligtenberg

Uit rivier en zee geboren. Honderd erven op het Kampereiland, 1364-2014

De Kampereilanden zijn al meer dan 650 jaar in het bezit van de stad Kampen. In de veertiende eeuw werd de agrarische grond opgedeeld in erven en sindsdien worden ze verpacht. Doordat het gebied door de werking van de IJssel en de Zuiderzee steeds aangroeide, nam het aantal erven ook toe: van acht erven in 1432, tot veertig in 1594, zeventig in 1782 en honderd in 1880. Over deze honderd oudere erven publiceerde oud-pachter Geuje van der Linde vanaf 1988 elke kwartaal een artikel in het tijdschrift Erfnummer. In Uit rivier en zee geboren. Honderd erven op het Kampereiland, 1364-2014 is deze artikelenreeks op aandachtige wijze herzien, aangevuld en daarmee voltooid.

Van der Linde laat op treffende wijze zien dat landbouw – met de grillen en schoonheid van de natuur – altijd het Kampereiland heeft gekenmerkt. Tegelijk zien we dat op de pachtgronden in al die eeuwen veel is veranderd. Uit rivier en zee geboren schetst hoe de brede maatschappelijke en agrarische ontwikkelingen van invloed waren op het leven en werken op de Kampereilander pachterven. Het uitgebreide bronnen- en kaartmateriaal en de vele fraaie foto’s geven de honderden jaren pachtgeschiedenis letterlijk en figuurlijk kleur. Tal van anekdotische verhalen en persoonlijke herinneringen van (oud-)pachters verlevendigen het geheel. Dit alles maakt dit boek tot een prachtig naslagwerk, niet alleen van waarde voor bewoners en oud-bewoners van het gebied, maar ook voor onderzoekers en historici, nu en in de toekomst.

Auteur: Geuje van der Linde

Uitgever: IJsselacademie Zwolle

ISBN Uit rivier en zee geboren Honderd erven op het Kampereiland 1364-2014 | 336 pag. | € 37,50

Door Geuje van der Linde

Een profiel van Deventer in het midden van de achttiende eeuw

Wanneer je in het Deventer van de 18e eeuw door de straten van de stad zou lopen: hoe zag die stad er dan uit? Wat deden de inwoners? Hoe was het om in die tijd Deventenaar te zijn? Nergens is het gezicht op Deventer zo mooi en interessant dan vanaf de overzijde van de IJssel. Dit stadsfront heeft beeldende kunstenaars steeds geïnspireerd. Dat gold ook voor Caspar Philips Jacobszoon. Rond 1750 vereeuwigde hij Deventer in een prachtig profiel. Clemens Hogenstijn vertelt in dit boek uitgebreid over wat er zich achter de stadsmuren, de gevels van de woningen en de openbare gebouwen afspeelde. Ogenschijnlijk is het een verstild beeld van een stad in rust, maar schijn bedriegt.

Auteur: Dr. C.M. Hogenstijn

Uitgeverij: Corps9 Publishers en Stads en Atheneum Bibliotheek

ISBN 978 90 7970 135 3 | 64 pag. | € 6,90

Door Dr. C.M. Hogenstijn

onZichtbaar Zwolle

In het boek 'onZichtbaar Zwolle' geven de auteurs Henry Kranenborg en Dirk J. de Vries de nieuwste inzichten van de afgelopen vijftig jaar op het gebied van archeologie en bouwhistorie. Dat begint met de archeologen die aantonen dat Zwolle pas in de tweede helft van de achtste eeuw enige bewoning kenden. Vervolgens vertellen ze dat de oudste stadsommuring van Zwolle al tot de Kleine Aa liep en dus een veel groter stadsoppervlak omvatte dan tot voor kort werd aangenomen. Zij zetten ook grote vraagtekens bij de stadsbrand van 1324 omdat ze in de achtentwintig jaar opgravingen hiervan nog nooit sporen hebben aangetroffen.

Bouwhistorici laten de lezer kennis maken met de specifieke Zwolse dwarshuizen en de typische Zwolse houten kappen die nergens anders zijn aangetroffen. Ze nemen ons mee naar bijvoorbeeld het pand Melkmarkt 10 dat prachtige zeventiende-eeuwse plafondbeschilderingen heeft. Al deze zaken zijn in feite onzichtbaar voor de Zwollenaren en worden in dit boek zichtbaar gemaakt.

Auteur: Dirk J. de Vries en Henry Kranenborg

Uitgever: Spa uitgevers – Gemeente Zwolle

ISBN 978 90 8932 126 8 | 372 pag. | € 34,95

Door Dirk J. de Vries en Henry Kranenborg

De roep van een rivier

Veel mensen voelen zich nauwelijks verbonden met hun leefomgeving. Ze vinden vaak weinig meer terug van het landschap van hun jeugd. Snelle veranderingsprocessen roepen gevoelens van onbehagen op, zelfs van verlies. Daaruit blijkt de oermenselijke behoefte aan een vertrouwde ruimte die we mede vorm kunnen geven. Plekken bezitten daarom een eigen karakter. Maar niet altijd is duidelijk wat die eigenheid nu is. In dit boek gaat de auteur terug naar zijn geboortestreek, de IJsselvallei, op zoek naar herkenning en identiteit. Hij trekt langs bijzondere plekken aan de randen van de Veluwe, de Achterhoek en Salland.

Auteur: Tjirk van der Ziel

Uitgever: Stichting IJsselhoeven

ISBN 978 90 5881 875 1 | 159 pag. | € 14,90

Door Tjirk van der Ziel

Het wichke van Bliednsteens bleek

Een Twentstalige 'Krimi'. Het was altijd zo rustig bij de bleek van Blijdenstein, in het boerenland tussen Enschede en Lonneker. Maar op 6 mei 1806 gebeurt er iets verschrikkelijks. Iedereen is verbijsterd, niet alleen fabrikeur Blijdenstein zelf en bleekbaas Mriens, maar ook de bleeksters die er werken, en de pleegfamilie van Mientje Fransman, een Amsterdams weeskind dat Blijdenstein zelf eind achttiende eeuw naar Enschede had gehaald, tegelijk met een dertigtal andere weeskinderen. Toevallig is het boerenschooltje ’s zomers dicht en kan meister Van de Meij namens de marke Lonneker mooi helpen om deze zaak op te lossen. Hij moet landrichter Greve en notaris Pennink uit de stad maar eens flink achter de vodden zitten.

Auteur: Willem Bulter

Uitgever: Twentse Media

ISBN 978 90 7151 742 6 | 132 pag. | € 12,50

Door Willem Bulter

De roofridders van Saterslo

Op het omgrachte kerkeiland in het Twentse Saasveld, op de plek waar nu de St.-Plechelmuskerk staat omringd door prachtige tuinen en oude bomen, stond vroeger een groot en indrukwekkend slot. Al in 1361 werd dit slot genoemd in de kronieken van het bisdom Utrecht. Het heette Saterslo. Als wapen voerden de heren van Saterslo een springende rode bok op een gouden schild. Dit is nog steeds het dorpswapen van Saasveld.

Slot Saterslo kent een lange geschiedenis, het werd vernield en opnieuw opgebouwd en uiteindelijk definitief gesloopt in 1818. Naast de oude omgrachting zijn alleen in de tuin van de huidige kerk nog wat resten te zien van een zestiende-eeuwse huis zoals enkele wapenstenen. Maar ooit was de burcht beroemd en berucht en de heren of ook wel de ridders van Saterslo werden alom gevreesd.

Het dorpswapen van Saasveld. (foto: A. Bartelink)

Aan de stok

De ridders van Saterslo waren al eeuwenlang invloedrijk. In 1099 nam Jacob van Saterslo deel aan de kruistochten naar Jeruzalem en de familie bezat een versterkte burcht. Twente was in de Middeleeuwen een gouw. Tot deze gouw behoorde ook het Niedergrafschaft Bentheim. De hoogste ambtenaar van de gouw was de graaf die in Goor zetelde. Nadat het bisdom Utrecht in de elfde eeuw ook de wereldlijke macht in Twente verwierf, werd de graaf een vazal van de bisschop. De relatie tussen het bisdom Utrecht en het Oversticht en ook Drenthe was echter moeizaam. Zo moeizaam dat in 1227 de Slag bij Ane plaatsvond waarbij de toenmalige bisschop van Utrecht, Otto II, door Rudolf II van Coeverden het moeras werd ingelokt en vermoord. Latere onenigheid leidde ertoe dat de laatste graaf werd afgezet in 1248.

De functie van de graaf werd overgenomen door een drost, een functie die al langer bestond. Een van de drosten van Twente was Hermannus van Saterslo. Hij was drost van Twente van 1255-1258. Naast heer van Saterslo was hij ook kasteelheer van Lage. In de dertiende en veertiende eeuw worden er in de oorkondeboeken van het Sticht Utrecht en de Domboeken van Munster meer Van Saterslo’s genoemd. Alles leek pais en vree. Maar net als de graven van Twente kregen ook de ridders van Saterslo het uiteindelijk aan de stok met het bisdom Utrecht.

Otto II in de Slag bij Ane door F. Zurcher.

Naast het bisdom waren de bewoners van Saterslo namelijk de enigen die in de marke Dulder, nu Saasveld en Weerselo, ook grootgrondbezitters waren. Jan van Arkel (bisschop van 1342-1364) was echter van plan zijn greep op het Oversticht te verstevigen. De handel van het Hanzeverbond speelde hierbij een belangrijke rol. Zijn leenmannen hadden vestingplaatsen nodig en mogelijkheden om zich te kunnen bedruipen. Storende factor in zijn plannen waren de aanwezige edelen in Twente die hun eigen belangen nastreefden en op deze manier de handel van het bisdom bemoeilijkten. De ridders kregen vanwege deze conflicten door het bisdom al snel de titel ‘roofridders’ aangemeten en vooral Saterslo werd als een roofnest aangemerkt.

Rooftochten

De rooftochten van de heren van Saterslo hadden dan ook vaak het bezit van het bisdom Utrecht als doel. Zo moest het stift in Weerselo meerdere aanvallen verduren. Het was een geliefd doelwit vanwege de grote rijkdom die dit stift bezat. De rooftochten beperkten zich echter niet tot de nabije omgeving. In 1320 ondernam Gerhardus van Saterslo samen met collega-roofridder Herman van Reve een rooftocht naar het Convent in Assen. Dit was waarschijnlijk niet de enige keer dat zij deze tocht ondernamen en ook zullen zij niet de enigen zijn geweest want in het oude oorkondeboek van Groningen en Drenthe staat op 12 mei 1321 genoteerd dat paus Johannes de abt gelast maatregelen te nemen om het convent beter te beschermen tegen de overlast ‘die het van verschillende zijden wordt aangedaan’. Naast dit soort rooftochten waren ook ontvoeringen een bron van inkomsten. Volgens de overlevering bevond zich in een van de torens van Saterslo een put met messen op de bodem waar mensen gevangen werden gehouden zoals nu nog in een van de torens van slot Bentheim in Bad Bentheim te zien is.

Pentekening van Huis Saterslo naar een schets van Cornelis Pronk, 1729.

Ontmanteld

Roofridders kwamen niet alleen in Twente voor. En in Twente waren de heren van Saterslo ook zeker niet de enigen die zich op deze manier probeerden te verrijken. De enorme rijkdom van de verschillende kloosters, de groeiende wereldlijke macht van het bisdom Utrecht waardoor de meeste rijkdom uit Twente naar het westen verdween, speelde ook zeker een rol in hun manier van handelen. Maar uiteindelijk legden ze het af tegen de groeiende macht van de bisschop van Utrecht. Het huis Saterslo werd ingenomen en ontmanteld in 1358. Via vererving kwam het verwoeste huis in handen van de familie Van Reede.

De familie Van Reede van Saesveld bouwde in de zestiende eeuw een nieuw huis op de plek van de oude burcht. In de oude steen boven de deur zou hebben gestaan: ‘In 't jaar ons heeren duysent vijfhonderd en veerttien, doen lydt men van my den eersten stien, door Adriaan van Rede en syn huysvrouw is dit geschien.’ De woorden werden opgetekend door kunstschilder Cornelis Pronk die in de achttiende eeuw enkele tekeningen van het huis maakte.

Het Molenven. (foto: Marcel Tettero)

De ridders van Saterslo zijn echter nog niet geheel verdwenen uit de streek. Volgens de overlevering verdween in de dertiende eeuw in het nabijgelegen Molenven de lijkstoet van Hermannus van Saterslo. Blijkbaar doet hij ieder jaar een poging terug te keren naar zijn kasteel, volgens ooggetuigen in hanentred.

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselaars van Toen

Pastoor Rientjes, kunst- en dorpshistoricus

Antonius Egbertus Rientjes werd geboren in Heino op 12 augustus 1881. Zijn vader Hendrikus was vrachtrijder en getrouwd met Antonia Bosch. Het geboortehuis aan de Dorpsstraat van Heino staat er nog steeds en afgezien van het verdwijnen van de mooie lindebomen is er aan het uiterlijk van de woning weinig veranderd. Hendrik en Antonia kregen vier kinderen, Gerrit, Eef, Anna en Anton. Zoals dat gold voor zovele zonen uit rooms-katholieke gezinnen was Anton voorbestemd voor het priesterschap.

Dorpsstraat 81 in Heino, het geboortehuis van Anton Rientjes.

Kapelaan te Jutphaas en Utrecht

Een week na zijn priesterwijding in 1906 werd Rientjes kapelaan te Jutphaas. Hij had tijdens zijn seminarietijd al een meer dan gewone belangstelling aan de dag gelegd voor kerkelijke kunst. Wellicht was het daarom geen toeval dat hij in Jutphaas kwam te werken bij de bekende pastoor mgr. G.W. van Heukelum (1834-1910). De neogotische kerk aldaar was immers onder Van Heukelums bezielende leiding gebouwd en ingericht. De pastoor van Jutphaas stond tevens aan de basis van het in 1872 voor het publiek opengestelde Aartsbisschoppelijk museum te Utrecht. Dat museum, nu onderdeel uitmakend van het Catharijneconvent, bevatte een belangrijke collectie kerkelijke kunst.

In 1911 werd Rientjes benoemd tot kapelaan in Utrecht. Gedurende zijn twaalfjarig verblijf was hij nauw betrokken bij het Aartsbisschoppelijk museum. Er verschenen tientallen artikelen van zijn hand over kerkelijke kunst. Hij leunde daarbij niet uitsluitend op het gedachtegoed van Van Heukelum met zijn passie voor de Middeleeuwen en de neogotiek. Rientjes bleek met zijn ‘fijne intuïtie en aangeboren smaak’ een open oog te hebben voor nieuwe stromingen in de kerkelijke kunst. Tijdens zijn jaren in de stad Utrecht ontwikkelde Rientjes zich tot een gedegen historicus en werkte hij toegewijd en rustig door aan een imposant oeuvre.

Dunne beentjes oonder ’n lang’n jas

In 1923 werd Rientjes pastoor in Hellendoorn. Daar ontpopte hij zich als een regionaal historicus. Er volgde een bijna onafzienbare reeks artikelen en boeken. Met zijn vele publicaties legde Rientjes de basis voor de geschiedschrijving van dorpen als Hellendoorn, Haarle, Nijverdal, Den Ham, Heino, Olst en Wijhe, om er maar enkele te noemen. Illustratief voor de geestelijke is het verhaal over zijn bezoek aan de kerk van Den Ham, waar hij met de koster de kerkklokken ging bekijken. Rientjes las de in de oude klokken gegraveerde Latijnse teksten voor en vertaalde ze voor de koster. ‘Det is een keer eerder ebeurd’, had de koster gezegd, ‘det mie det veurelezen is deur een jong kealtien ’n slump joaren eleen.’ ‘Dat was ik dan ook’, had de pastoor gezegd, ‘want in mijn studententijd ben ik hier ook eens geweest.’

Tijdens zijn wandel- en fietstochten was hij een welkome gast op de boerenerven in de omgeving. De ontmoetingen met boerenfamilies, die natuurlijk ook onderdeel uitmaakten van zijn speurtochten naar het verleden, leverden hem een belangrijke vondst op, een Romaanse doopvont van Bentheimer zandsteen. 

Het door Rientjes ontdekte doopvont.

Gerrit Jan Eshuis, amateurarcheoloog en -historicus, vertelde over een ontmoeting van Rientjes met de Daarlese landbouwer Kerkdijk, die plaats vond in de zomer van 1927: ‘Pastoor Rientjes, die toen nog in Hellendoorn was, kwam in gezelschap van mejuffrouw Schuute eens kijken. Met de begroeting: “Heb ie-j luu hier zonnen pot”, was hij de deel komen opstappen. “Ik zèug al an de dunne beentjes dee oonder ’n lang’n jas hènkwamm’n, det ’t nen pastoor mos wèèn. Ik zegge: wie-j hebt hier wal meer pötte. Nee, zegge tow: ik bedoel zo’n steen’n pot. O, ie-j hebt de peerdekribbe op ’t oge. Joa, hoo deep zitte nog in de groond? Dat weet ik neet, ik ben der nog nooit oonder ewes.” Dit was het gesprek dat zich tussen de pastoor en zijn gastheer had afgespeeld. Het slot was, dat het Rijksmuseum Twenthe eigenaresse werd van dit mooie Romaanse doopvont.’

Aartsbisschoppelijk museum

Na zes jaar de geestelijke leidsman te zijn geweest van de parochie in Hellendoorn werd Rientjes in 1929 pastoor te Maarssen. Een benoeming die als een beloning kan worden gezien. Maarssen was een gewilde parochie met een interessant kerkhistorisch verleden. Het dorp aan de Vecht was van 1727 tot 1853 de zetel was van de aartspriester voor het aartspriesterschap Utrecht. Maar van nog groter belang was dat de bekende Alphons Ariëns er van 1908 tot 1926 zijn pastorale werk had gedaan. Deze sociaal bewogen priester wordt algemeen beschouwd als de grondlegger van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland. Hij overleed na een emeritaat van slechts enkele jaren ‘in faam van heiligheid’, zoals de kerkhistoricus Van Schaik het uitdrukt.

Door de nabijheid van de Domstad kon Rientjes zijn aandacht weer volledig wijden aan zijn grote liefde, het Aartsbisschoppelijk museum. Als bestuurslid stimuleerde hij de oprichting van een nieuwe afdeling onder de naam Museum voor Nieuwe Religieuze Kunst. Vernieuwend was het nieuwe museum zeker. Tijdens de opening in 1934 stond het werk van de expressionistische en in katholieke kringen omstreden schilder Albert Servaes centraal. In 1935 werd Rientjes voorzitter van het bestuur van het Aartsbisschoppelijke museum, een functie die hij maar liefst vijfentwintig jaar, tot de dag van zijn overlijden, zou blijven bekleden.

Aan het kruis, door Albert Servaes (1883-1966). (Fotograaf onbekend; bron: www.geheugenvannederland.nl)

…hij leefde snel…

Tijdens de eerste van de ruim vijfentwintig jaren als pastoor in Maarssen werd Rientjes bijgestaan door kapelaan dr. Bernard Alfrink, de latere kardinaal. In de drie jaar die Alfrink (1900-1987) met Rientjes samenwerkte, groeide er een vriendschap mede gevoed door hun beider belangstelling voor kunstgeschiedenis. Het werd een blijvende vriendschap, men zag de pastoor en de bisschop regelmatig in elkaars gezelschap. Alfrink zou tot de dood van zijn oud-pastoor bij hem zijn blijven biechten. Rientjes, die verder weinig aardse bezittingen had, liet zijn wijnkelder na aan zijn vriend.

Men kan zich afvragen waarom een wetenschapper als Rientjes, die naast zijn pastorale werkzaamheden kennelijk over voldoende tijd beschikte om zich met zijn geschiedkundige liefhebberijen bezig te houden, geen enkele echt grote en gezaghebbende publicatie op zijn naam heeft staan. Er staan zeker honderd artikelen op zijn naam, terwijl de boeken die hij publiceerde alle van te voren afleveringsgewijs verschenen in kranten of weekbladen. Deze constatering doet niets af aan de waarde van zijn werk en het vaak baanbrekende karakter ervan. Bij zijn overlijden geeft een anoniem gebleven parochiaan uit Maarssen, die hem blijkbaar goed kende, in dit verband een misschien wel zeer rake typering. Wie met hem in aanraking kwam, en dat waren er velen, want hij leefde ‘snel’, werd getroffen door zijn eerlijke, van binnenuit beleefde bescheidenheid.

V.l.n.r.: Kardinaal Alfrink, Rientjes, kapelaan Lamers en Willem Kamphof.

Laatste jaren aan de Nieuwegracht

Rientjes sleet nog zeven betrekkelijk rustige jaren in zusterhuis ‘Cunera’ aan de Nieuwegracht in Utrecht, dicht bij ‘zijn’ Aartsbisschoppelijk museum. Volgens zijn familie zou hij de voorkeur hebben gegeven aan zijn geliefde Heino: zijn geboortegrond bleef trekken. Rientjes kwam graag en veelvuldig bij zijn zuster en later bij zijn nicht. Heeroom werd er door zijn familie met alle respect en egards behandeld.

Op oudejaarsmiddag 1961 overleed hij. Onder zeer grote belangstelling werd hij op vrijdag vijf januari 1962 in Maarssen begraven. De mis werd opgedragen door de aartsbisschop van Utrecht, zijn vriend kardinaal Alfrink. Geheel in zijn geest werden er geen grote woorden gesproken. Men wist hoe weinig hij daarvan tijdens zijn leven had gehouden. Hij werd ter aarde besteld in een eenvoudig graf in de schaduw van zijn grote voorganger Ariëns.

Meer lezen: A.E. Rientjes, Op wandel; historische wandelingen door Hellendoorn en omgeving.

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

Seksualiteit door de eeuwen heen

Door de eeuwen heen is verschillend over seksualiteit gedacht. De omgang met seks is altijd verweven met de hele maatschappij. Ze verandert daarom niet alleen met de tijd, maar ook met de verschillende culturen.

Oudheid

Erotiek en beleving van de seksualiteit waren bij de Grieken aan geheel andere normen onderhevig dan waaraan wij in de laatste eeuwen in West-Europa gewend waren. Huwelijksontrouw was voor mannen gewoon. Bij vrouwen was het echter verboden. Seksualiteit was in de Griekse Oudheid gestoeld op de seksuele behoeften van de man. Naast strenge zedigheid (vooral een eis voor vrouwen) was er sprake van de grofste uitspattingen. Prostitutie was een algemeen verbreid en getolereerd verschijnsel. Ook kende men de zogenaamde pederastie, een liefdesrelatie, inclusief lichamelijke intimiteiten, tussen een oudere man en een jongen.

Hoe decadent de Romeinen omgingen met seks is te zien op dit negentiende-eeuwse schilderij van Thomas Couture (1815-1879), Musée d'Orsay Parijs

Middeleeuwen

Hoewel seks in de Middeleeuwen voor de kerk min of meer een taboe was, vormden de Middeleeuwen een ontuchtige periode, waarbij het moeilijk was om maagd te blijven. Officieel was seks alleen toegestaan binnen het huwelijk en was het doel voortplanting en geen genot. De praktijk was anders. Vreemd gaan was niet ongewoon. Ook liep men bloot over straat naar het badhuis. Mannen en vrouwen deelden daar het bad. Seksuele voorlichting was niet nodig. Kinderen waren erbij als hun ouders met elkaar vrijden. Seks werd niet gezien als iets intiems en persoonlijks. Seks was meer een natuurlijk en vanzelfsprekend gebeuren. Een behoefte, die ook in het openbaar bevredigd kon worden.

Taboe

Seks werd vanaf de zeventiende eeuw minder natuurlijk en vanzelfsprekend. Seks was alleen iets voor mannen. De seksuele gevoelens van vrouwen werden ontkend. Jongeren werden dom gehouden. Als volwassenen voorlichting gaven, bestond die vooral uit het behoeden van de jeugd voor het kwaad. Men waarschuwde met name tegen zelfbevrediging. Seks werd voorgesteld als iets vies en smerigs. Masturbatie zou zondig zijn en allerlei ziektes veroorzaken.

In de negentiende eeuw waren er zelfs apparaten om zelfbevrediging tegen te gaan. Eind negentiende eeuw waren er de antimasturbatie-schoolbank en de antimasturbatie-broek. Die broek was aan de voorkant dicht en aan de achterkant zat een slotje. Als je naar het toilet wilde moest je de sleutel vragen. Homoseksualiteit was in die tijd een taboe.

Gabriel Metsu (1629-1667), Geschenk van de jager (Rijksmuseum Amsterdam). Een man overhandigt een dode vogel aan een vrouw. Het aanbieden van een vogel stond voor een uitnodiging tot 'vogelen', oftewel het bedrijven van de liefde.

In de twintigste eeuw werd seks geleidelijk weer een stuk vrijer, vooral na de Tweede Wereldoorlog. Dankzij voorbehoedsmiddelen zoals de pil kon iedereen bewust kiezen tussen wel of geen kinderen. Seks was niet alleen bedoeld voor voortplanting, maar ook voor het plezier. Vanaf 1970 gingen de veranderingen in Westerse landen nog sneller. Je hoefde niet meer getrouwd te zijn om seks met elkaar te mogen hebben. Men ging het steeds normaler vinden dat jongeren seksuele gevoelens hebben en deze ook uiten. Ook kwam er een grotere emancipatie van homoseksualiteit. De pil, die in de jaren zestig beschikbaar kwam, droeg bij aan de seksuele emancipatie van de vrouw. Vrouwen en meisjes waren daarom niet meer afhankelijk van mannen.

Unieke vrouwenspuit in Zwolle

Het Stedelijk Museum Zwolle laat twee zogenaamde vrouwenspuiten zien. Die zijn gevonden in een Zwolse beerput. De vrouwenspuiten dateren uit de zeventiende eeuw en zijn, voor zover bekend, de eerste exemplaren uit die tijd, die in West-Europa gevonden zijn. Met de vrouwenspuit kon de vrouw in de eerste plaats de schede uitspoelen na het geslachtsverkeer. Dat vormde een oude, maar niet erg betrouwbare vorm van geboortebeperking. In de tweede plaats kon de vrouw met behulp van de vrouwenspuit geneeskrachtige kruidenmengsels in de schede brengen. Tenslotte zou de vrouwenspuit mogelijk als speeltje hebben gediend. Op dit punt bestaan slechts gissingen, geen directe aanwijzingen.

Vrouwenspuit (Stedelijk Museum Zwolle)

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Lezing Boeren in Overijssel - De stille revolutie op het platteland

Sinds de Tweede Wereldoorlog is de agrarische sector in hoog tempo gemoderniseerd. Mechanisatie, schaalvergroting en specialisatie maakten een einde aan de traditionele gemengde bedrijven, met akkerbouw, melkvee en wat varkens en kippen. Al die ontwikkelingen hadden grote invloed op het persoonlijke leven van betrokkenen.

Stichting IJsselacademie legt samen met het Historisch Centrum Overijssel en Museum TwentseWelle de ervaringen vast van tientallen plattelandsbewoners. Nu het nog kan, want de mensen die nog met de hand maaiden of hun werkpaard inruilden voor een trekker worden steeds schaarser. Hoe hebben zij al die veranderingen ervaren? Welke invloed had de modernisering op hun leven? En wat is er van hun bedrijf geworden?

Martin van der Linde en Albert Bartelds van de Stichting IJsselacademie schetsen aan de hand van verhalen, foto's en films een beeld van de 'stille revolutie' op het platteland. De avond is op woensdag 20 januari 2016 in Sluuspoort om 20.00 uur.

Door de redactie

Schaalvergroting in het historische stadscentrum van Zwolle

Zwolle heeft een waardevol, deels Middeleeuws stratenpatroon. Grote ingrepen vormen vaak een aantasting van dit stedelijk weefsel, maar leveren soms ook kansen op voor verbetering of aanvulling. Het stadhuis, het Huis met de Hoofden en het Dominicanenklooster zijn hier - elk om andere redenen - een goed voorbeeld van. Mascha van Damme, erfgoedadviseur bij Het Oversticht, gaat in op de veranderingen die deze grote complexen te weeg hebben gebracht, of nog zullen brengen. Met muzikale medewerking van Artez.

Praktische informatie: Vrijdag 12 februari 2016. Inloop: 19.30 uur. Aanvang: 20.00 uur. Toegang gratis, consumpties voor eigen rekening. Organisatie: Het Oversticht, Vrienden van de Stadskern. Locatie: Waanders In de Broeren. Aanmelden:

U kunt zich aanmelden voor deze avond via Waanders In de Broeren.

Over het Erfgoedplatform Zwolle: Deze lezing wordt u aangeboden door het Erfgoedplatform Zwolle. Dit wordt gevormd door: Stedelijk Museum Zwolle, Historisch Centrum Overijssel, Waanders in de Broeren, Zwolse Historische Vereniging, Vereniging vrienden van de stadskern Zwolle, Zwols Architectuur Podium, Gemeente Zwolle (afdeling Archeologie en Monumentenzorg), Stichting Levende Stadsgeschiedenis Zwolle, Stichting Stadsherstel Zwolle, Stichting Grote Kerk Zwolle en Het Oversticht.

Door de redactie

Rijksmuseum Twenthe: De Nieuwe Smaak

Van 17 januari t/m 21 augustus 2016 is in Rijksmuseum Twenthe in Enschede de tentoonstelling ‘De Nieuwe Smaak’ te zien. Deze tentoonstelling toont een selectie uit de verzameling van Geert Steinmeijer. Steinmeijer, die van Hartman tuinmeubilair een succesvol exportproduct maakte, is naast zakenman en investeerder ook hartstochtelijk verzamelaar. Vanaf het moment dat hij in 1993 zijn eerste aankoop deed, raakte hij gefascineerd door de kunst. Sindsdien bracht hij een zeer gevarieerde, mondiale collectie samen.

In de verzameling van Steinmeijer wordt traditionele Europese schilder- en beeldhouwkunst afgewisseld met moderne en hedendaagse kunst van verschillende continenten. Steinmeijer laat zich niet zozeer leiden door één smaak of voorkeur maar verzamelt eclectisch: dwars door de kunstgeschiedenis heen. Ook verzamelt hij ‘global’: kunst van over de hele wereld, met name uit landen met opkomende kunstmarkten waar nog van alles te ontdekken valt.

Met deze tentoonstelling wordt ook gereflecteerd op ontwikkelingen in het verzamelen van kunst in de eenentwintigste eeuw en het ontstaan van een nieuwe smaak. Want Rijksmuseum Twenthe ziet in Geert Steinmeijer een nieuw type verzamelaar: één die zich niet laat beperken door geografische en historische grenzen en zich niet toelegt op enkele kunstenaars of afgebakende stijlen en stromingen. Zie voor meer informatie Rijksmuseum Twenthe.

Door de redactie

Cursus: Leer mij Salland kennen

In het voorjaar gaat de cursus “Leer mij Salland Kennen” opnieuw van start. De leukste cursus van heel Salland! Leuk en ontzettend leerzaam, voor nieuwe én geboren en getogen Sallanders. Zes avonden, twaalf bevlogen docenten, op zes mooie locaties in Salland én een dagexcursie door heel Salland.

Zes avonden in het voorjaar van 2016 over: archeologie, geschiedenis, (agro)economie, kunst en streektaal, landschap en geologie, havezaten, dorpsgemeenschappen en religie. Met een dagexcursie.

Kosten Zes cursusavonden (inclusief excursie en lunch): € 150,00 p.p. Data: Maandag 7, 14, 21 maart en 4, 11 en 18 april van 19.30 tot 22.00 uur. Excursie op zaterdag 16 april van 10.00 tot 16.00 uur, inclusief lunch.

Aanmelden via: info@ijssellandschap.nl of 0570-635955, o.v.v. Cursus LMSK 2016 en uw naam, adres en telefoonnummer.

Door de redactie

'Wa-k zeggen wol': schriefwedstried Overijssel Verwoord

Overijssel is een veelzijdige provincie met een nog veelzijdiger assortiment aan streektalen. Dialectkringen zorgen ervoor dat onze streektalen voortleven, bijvoorbeeld door het samenstellen van woordenboeken, websites of verhalen in streektaal. Aan deze laatste categorie besteden wij binnen Overijssel Verwoord dit jaar extra aandacht. Dit jaar zijn wij op zoek naar een streektaaltalent! Het thema is 'Wa-k zeggen wol'. U kunt uw verhaal inzenden tot 1 april a.s. Op donderdag 19 mei 2016 wordt de prestigieuze titel bekend gemaakt. De winnaar ontvangt behalve de eer een bedrag van € 500,-.

Stuur uw streektaalverhaal hier in. Hier kunt u ook de voorwaarden vinden.

U kunt uw verhaal ook per post verzenden naar: Rijnbrink o.v.v. Overijssel Verwoord Postbus 9052 6800 GR Arnhem.

Overijssel Verwoord wordt georganiseerd door Rijnbrink en Athenaeumbibliotheek Deventer.

Door de redactie

Johanna van Buren Cultuurprijs voor glazenier Jan Schoenaker

Op 1 april 2016 zal de stichting Oald Heldern De Noaberschop de Johanna van Buren Cultuurprijs voor Oost-Nederland uitreiken aan beeldend kunstenaar Jan Schoenaker uit Oldenzaal.

Na de Tweede Wereldoorlog sloot Jan Schoenaker (1923) zich aan bij de vernieuwende kunstenaarsbeweging De Nieuwe Groep. Hij ontwikkelde zich tot een zeer veelzijdig kunstenaar. Dat blijkt uit de grote verscheidenheid aan technieken die hij beheerst. Naast glas-in-loodramen vervaardigde hij fresco’s, mozaïeken, houtsnijwerk, (pen)tekeningen, linosneden, etsen, aquarellen, zeefdrukken, olieverfschilderijen en wandkleden. Bij de meeste mensen is hij vooral bekend en geliefd vanwege zijn glazenierswerk. Zijn vaak heldere kleurstelling pakt de kijker direct. Er gaat van zijn bijbels prentenboek een grote zeggingskracht uit. Hetzelfde geldt voor zijn getekende kerstwensen, die bijzonder sfeervol zijn en altijd een scheutje Twente bevatten. Kortom, Jan Schoenaker maakt kunst die de kijker raakt en boeit.

Op 1 april a.s. zal de Hellendoorns burgemeester A. Raven de cultuurprijs aan Jan Schoenaker overhandigen. Ter gelegenheid van de toekenning van de prijs zal er speciale aandacht geschonken worden aan het werk van Schoenaker, onder meer in een lezing van Paul Janse, oud-leraar geschiedenis en kunstkliefhebber.

Door de redactie

De Latijnse School in Oldenzaal, 1663-1770

Het Oldenzaalse kapittel, het kerkelijk bestuur van de stad, kent een lange geschiedenis. Het werd opgericht in 954 door bisschop Balderik en diende als steunpunt voor het bisdom van Utrecht. De leden van het kapittel heetten kanunniken. Bij het Oldenzaalse kapittel hoorde ook een school waar leerlingen onder andere les kregen in muziek en zang. In de zeventiende eeuw was de Latijnse School een opleidingsinstituut geworden voor de elite van kerk en staat.

Rector

De rector van de Latijnse School moest de school aanzien geven. Hij gaf alleen les aan de hoogste klas en hield daarnaast toezicht op de tucht bij de andere klassen. Meestal werd de rector voor het leven benoemd. Zijn functie werd als een gewone baan gezien en de rector ontving hiervoor van het stadbestuur een traktement. Hij kreeg huuropbrengsten van de oude kapittelgoederen en had vrijstelling van het betalen van accijnzen op bier, wijn en brood. Daarnaast had de rector leerlingen als kostgangers in huis waarvoor hij kostgeld kreeg. Het kwam in de achttiende eeuw voor dat de docenten ook de verkoop van schoolboeken regelden. Er is een grammatica van Gerardus Vossius bewaard gebleven, een herdruk uit 1711, waarin gedrukt staat ‘tot Oldenzael bij J.B. Scholten’ Het boekje is gedrukt in Deventer maar werd in Oldenzaal door boekverkoper J.B. Scholten verkocht. Deze J.B. Scholten was praeceptor (leraar) aan de Latijnse School.

Etymologia en Syntaxis van G.J. Vossius, verkocht door J.B. Scholten in Oldenzaal.

Het is moeilijk te zeggen uit welke sociale klasse de rector kwam. Uiteraard moest hij academisch geschoold zijn, maar hij was over het algemeen niet afkomstig uit de hoogste lagen van de maatschappij, de adel of het patriciaat. Als rector genoot hij respect en had op school een grote macht. Ook in Oldenzaal ging de rector van de Latijnse School wel eens in discussie met de stadsbestuurders en de Overijsselse Ridderschap, meestal over het te betalen traktement. De rector van de Oldenzaalse Latijnse School woonde sinds 1651 in het voormalige Agnesklooster. Vanaf de achttiende eeuw woonde de rector in het pand Steenstraat 1 (nu winkel Piet Zoomers).

De toren van de Plechelmus in Oldenzaal.

In Oldenzaal werd de rector bijgestaan door twee praeceptoren (leraren) en een conrector, de plaatsvervanger van de rector bij afwezigheid. De conrector en de praeceptor woonden in het pand Steenstraat 1 (Verhaag/Piet Zoomers) en het huis bij de oude Proosdij/kapittelschool. Beiden hadden leerlingen in de kost. Deze kosthuizen werden in de vijftiende en zestiende eeuw ‘contubernia’ genoemd. Van de praeceptor werd verwacht dat hij ‘stiptelijk en voorbeeldig voorgaat’. Deze praeceptor moest ook onderwezen zijn in de theologie. Vaak waren het predikanten of zonen van predikanten. In Oldenzaal vinden we in het jaar 1696 dr. Johannes Burcherus als conrector en David Frantzen uit Hoogeveen als leerling. Burcherus was tweede predikant van Oldenzaal, tevens medicus en conrector van de Latijnse School. Voor zijn medische diensten kreeg hij 25 gulden per jaar van de stad Oldenzaal.

Discipuli in contubernium

Alleen jongens konden naar de Latijnse School. In de zestiende eeuw kon men al vanaf acht jaar onderwijs volgen aan de school. Doorliep men alle klassen van de school dan was men zestien of zeventien jaar als de opleiding was afgerond en kon men naar de universiteit. De leeftijd waarop men ging studeren varieerde echter; van invloed waren bijvoorbeeld geld en sociale klasse, maar ook de studiekeuze speelde een rol. Zo kon men de vrije kunsten (artes liberales) aan de universiteit gaan studeren, maar men kon hiermee ook al beginnen in de hoogste klassen van de Latijnse School. De meeste studenten schreven zich op een leeftijd van 15-16 jaar in voor deze opleiding. Voor de studies rechten, theologie en medicijnen was het namelijk noodzakelijk deze graad te hebben behaald. Studenten in deze studies waren dan ook meestal ouder en begonnen op achttienjarige leeftijd. Niet iedereen liet zich echter direct na de Latijnse School inschrijven bij de universiteit. Vaak werd er eerst nog gewerkt en koos men pas later voor een studie.

Jan Willem Racer (1736-1816).

Als men als kind op de Latijnse School kwam, was het kunnen lezen en schrijven noodzakelijk. Jan Willem Racer kwam als twaalfjarige in 1748 van Delden naar Oldenzaal om aan de Latijnse School toegelaten te worden. Ook Franciscus Davina was rond 1730 leerling van de Latijnse School (hij werd later als priester gewijd en pastoor te Saasveld). Racer kwam waarschijnlijk in de kost bij de rector van de Latijnse School aan de Steenstraat. De conrector in die tijd was Jan Frederik van Wulft (of van Wulfften). Uit het jaar 1770 is er een lijst overgebleven met voorwaarden voor ‘Jonge Heeren kostdiscipelen bij F. A. van Achter, rector te Oldenzaal’. De leerling die in de kost ging, moest 200 gulden per jaar betalen en zelf meenemen een zilveren lepel en vork, een tinnen waterpot, twee tinnen borden, zes servetten en zes handdoeken. Hierbij stond ook vermeld dat de rector en docenten zich verplichtten aan ‘de jeugd eene deftige en Christelijke educatie te geven….., onze jonge heeren kostdiscipelen met eene ordentelijke tafel te vergenoegen en te voorzien van behoorlijk beddegoed…’.

Een student van de Latijnse School.

De leerlingen werden op gedrag streng in de gaten gehouden door de docenten en men waagde het dan ook niet om zich in herbergen en bordelen te begeven. Uiteraard werd er toch het nodige kattenkwaad uit gehaald. Uit een negentiende-eeuws dagboek van een leerling van de Latijnse School is te lezen dat de Latijnse jongens in de achterbuurt ‘achter de muren’ een vrouw omhelsden en grappen maakten. De scholieren en studenten onderscheidden zich in kleding van de rest van de bevolking. Zij droegen een soort schooluniform met een cape en een rode baret.

Series Institutiones

Uit 1770 is er een leerprogramma bewaard gebleven van de verschillende klassen van de Latijnse School te Oldenzaal, de zogenaamde ‘Series Institutiones’. Hierbij stonden ook de instructies van de Ridderschap van Overijssel, waaraan de rector en praeceptoren zich hadden te houden. Voor de rector schreven deze instructies onder andere voor dat hij maandelijks op elke school een thema of compositie voorschreef en elke leerling naar verdienste en aantal fouten zijn plaats zou geven. Twee maal per week moest hij onderzoek doen naar diegenen die afwezig waren geweest in de kerk of de school. De rector was ook degene die de inschrijving van nieuwe leerlingen regelde, hen examineerde en een klas en leraar toewees. Daarnaast was hij degene die samen met de curatoren (toezichthouders vanuit het stadsbestuur) bekwame leerlingen mocht promoveren.

De plichten van praeceptoren waren onder andere dat zij nooit zonder een geldige reden de school mochten verzuimen. Zij moesten de rector en elkaar respecteren en hun leerlingen tot voorbeeld zijn op het gebied van zedigheid, matigheid en godsvruchtigheid. Ook moesten zij zondags naar de kerk om een oog op hun leerlingen te houden. Verder waren zij verplicht zich te houden aan de lesstof, aan de regels van de syntaxis en in de bovenste klassen aan de navolging van de klassieke auteurs. Daarnaast moesten zij de boeken van de klassieke auteurs die door de rector voorgeschreven waren gebruiken in het onderwijs, letten op de beleefdheid en de manieren van de leerlingen en de leerlingen onderwijzen in de gereformeerde godsdienst.

Klassen

De Latijnse School was onderverdeeld in een aantal klassen. Die klassen werden ook ‘scholen’ genoemd. Elke school bestond weer uit twee klassen. In opklimmende reeks bestond de Latijnse School uit: de Eerste of Benedenste School, de Tweede of Conrectors School, en de Derde of de Rectors School. In de drie schoollokalen van de Oldenzaalse Latijnse School zaten leerlingen van verschillende niveaus bij elkaar.

In de eerste klasse van de Benedenste School werden de leerlingen die dan een jaar of 11 waren, onderwezen in de Latijnse vocabularia, declinaties en conjugaties, de Rudimenta. De leerlingen oefenden zich in de ‘Samenspraken van Corderius’ (Colloquia Corderii). Daarnaast kreeg men les in de Nederduitse Etymologie, oftewel de Nederlandse taal en de herkomst van de woorden. In de tweede klasse van de Benedenste School werden behalve Corderius ook de etymologie, syntaxis en grammatica van Vossius behandeld. In deze klas kwamen verder de brieven van Cicero en de Disticha van pseudo-Cato aan bod.

De Disticha Catonis, een verzameling van 144 Latijnse zedenspreuken, telkens bestaande uit twee dactylische hexameters. Deze uitspraken worden, zij het ten onrechte, toegeschreven aan de oud-Romeinse moralist Cato de Oude, wiens kernachtige manier van spreken vele van zijn historische uitlatingen ook spreekwoordelijk maakte.

In de Conrectors School bestudeerden de leerlingen behalve de grammatica van Vossius, ook de ‘Liber Memorialis’ van Cellarius en, de fabels van Phaedrus. Tevens begon men met de beginselen van het Grieks, meestal Het Nieuwe Testament. Werd men bevorderd tot de tweede klas van de Conrectors School, dan begon men met de eerste oefeningen van de ‘prosodia’ van Vossius met als leesoefeningen ‘Tristia’ en ‘Metamorphosen’ van Ovidius en de ‘Bucolica’ en ‘Georgica’ van Vergilius. De leerlingen verdiepten zich ook in de werken van Caesar, Isocrates en Aesopus.

Vergilius.

In de Rectors School werd de retoriek uiteengezet aan de hand van een leerboek van Vossius en werd er uitvoerig Cicero gelezen. Op het hoogste niveau stond het werk van Franco Burgersdijk op het programma. Daarnaast las men Horatius en Homerus. De leerlingen kreeg ook les in rekenkunde en ethica.

Homerus.

De leerlingen hadden iedere dag, behalve zondag, les van half negen tot elf uur en ’s middags van half twee tot vier uur. Op woensdag- en zaterdagmiddag waren ze vrij. Vakantie had men in de zomer zes weken vanaf 1 juli en ’s winters twee weken vanaf acht dagen voor kerstmis. Het schoolgeld was in 1770 zes gulden per jaar. Goede leerlingen werden beloond en er werden prijzen uitgedeeld in de klassen. Vaak bestonden deze prijzen uit boeken van klassieke auteurs die de leerlingen in een volgend leerjaar konden gebruiken. Hiermee ontvingen ze dus eigenlijk een gratis leerboek, iets wat voor de meeste leerlingen niet te versmaden was.

Door Ruud Olde Dubbelink en Martin Looman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

Sneeuwwinter in Deventer

Reportage over een winter met veel sneeuw en ijs in Deventer. Veel kinderen zijn aan het sleetje rijden in het park en dalen massaal een helling bij de Singel af.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Historisch Archief Almelo

Schaatsen rond Huize Almelo

Het heeft even geduurd, maar de winter lijkt nu echt op gang te komen. Dat mag ook wel rond half januari. Wie wil nu niet die gezellige ijspret op de ontelbare Overijsselse kanalen, slootjes of grachten? Om alvast in de stemming te komen een foto van schaatsers rond Huize Almelo met op de achtergrond de Grote Kerk. De foto is gemaakt in 1979 komt van het Historisch Archief van de Gemeente Almelo, dat onlangs haar historisch archief onder heeft gebracht in MijnStadMijnDorp.

Door de redactie
Volgende pagina
. . . . . . . . . .