MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen

Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 4
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 5
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 6
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 7
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 8
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 9
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 10
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 11
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 12
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 13
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 14
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 15
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 16
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 17
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 18
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 19
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 20
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 21
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 22
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 23

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 4
  • nummer 4
  • oktober 2016

Coververhaal

Boeren op de barricade. De ruilverkaveling in Tubbergen

Geschiedenis van alle dag

Eten met mes en vork

Overijsselse topstukken

De haven van Almelo door Cees van der Aa

Overijsselaars van toen

Robert van Voerst: Deventer kunstenaar in het verre Londen

Overijssel in boeken

Uitgaven die recent in Overijssel zijn verschenen

Van de redactie
  • jaargang 4
  • nummer 4
  • oktober 2016

De 'grenzen' zijn helemaal terug in het publieke debat

Traditioneel is oktober de maand van de geschiedenis. Dit jaar is het thema ‘Grenzen’. Dat komt goed uit want vluchtelingen en dus ‘grenzen’ zijn weer helemaal terug in het publieke debat. De vluchtelingen kloppen aan de poorten van Europa, terwijl het geluk van hun metgezellen, of misschien wel van hun kinderen uiteenspatten op de rotsen van een kil Grieks eilandje.

Precies 60 jaar geleden waren er na de Hongaarse Opstand soortgelijke beelden te zien aan de grenzen van Oostenrijk. Slechts mondjesmaat werden de Hongaren toegelaten tot de betere kant van het IJzeren Gordijn. De vrijheidszoekers weren regelmatig over Europa verdeeld en ook Nederland kreeg zijn deel. De Hongaren integreerden uitstekend in Nederland. Er werd veel aangepast waarbij eigen culturele identiteit niet werd vergeten.

Deze aflevering van MijnStadMijnDorp Online Magazine is voor een deel gewijd aan geschiedenisverhalen die met grenzen te maken hebben: fysieke grenzen zoals aangeduid in het landschap door bijvoorbeeld markestenen of markante bomen. Aan de oever van de IIssel stond eeuwenlang een opmerkelijke boom, die de ‘Hijlige boom’ werd genoemd. Hij stond op de plek waar drie marken aan elkaar grensden. Eeuwenlang voldeed hij uitstekend, zoals Wim de Weerd voor een interessant artikel heeft uitgezocht. Vanaf de negentiende eeuw werd hij de Kozakkenboom genoemd, wat verwees naar de Russische kozakken.

In 1971 bleek de flexibiliteit van de Tubbergse boeren tot het uiterste beproefd. De plannen voor de ruilverkaveling moesten na stemming hun doorgang vinden. De boeren die nu in Tubbergen boeren waren echter niet zo flexibel als gedacht. Enkele peletons ME-ers moest er aan te pas komen om de gemoederen weer tot rust te krijgen. De grenzen aan wat men met de eigen grond allemaal mocht doen, waren bereikt. De burgemeester en de grootste landbouwers pasten de plannen aan, waarna na stemming, de grote ingreep in het landschap moest doorgaan. In de tijd zelf is er al veel aandacht aan ‘Tubbergen’ besteedt, maar in het artikel van Marcel Mentink is het stof der eeuwen er opnieuw vanaf afgepoetst.

Historicus met Jos Mooijweer hield zich vooral met perceelsgrenzen bezig. Hij voerde een inventarisatie uit van het bestaande veldnamenonderzoek in de provincie. Waarom heette het ene stuk grond Paleis en het andere Weiert? Het uiteindelijke doel van het onderzoek is om tot één veldnamenkaart in Overijssel te komen.

Dinand Webbink schreef een interessant artikel over uitgeverij Ankh-Hermes. Deventenaar Nico Kluwer werd door zijn vader nog zo gewaarschuwd om zich niet in te laten met ‘Oostersche droomerijen’ want dat zou alleen maar tot leed leiden. Niets was minder waar. De belangstelling van Kluwer voor het soefisme leidde uiteindelijk tot een bloeiende uitgeverij. Zo ziet u maar weer, de mogelijkheden zijn onbegrensd!

Menno van der Laan, hoofdredacteur

Abonnement?

Ontvangt u graag MijnStadMijnDorp Online Magazine? Meld u dan gratis aan voor een abonnement en ontvang een bericht wanneer het nieuwe nummer klaarstaat!

JA, IK WIL EEN ABONNEMENT

Colofon

Redactie

Menno van der Laan (HCO), Doreen Flierman, Marcel Mentink (Rijnbrink), Dinand Webbink (Athenaeum-bibliotheek Deventer) en Martin van der Linde (IJsselacademie)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Girbe Buist, Wim de Weerd, Johan van der Veen, Jos Mooijweer (IJsselacademie)

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel
atheneum
rijnbrink

Boeren op de barricade. De ruilverkaveling in Tubbergen

In december 1971, ik was toen 14 jaar, speelde er zich zo ongeveer voor onze voordeur een groots spektafel af. Wekenlang werd er al over gespeculeerd en de gemoederen liepen steeds hoger op. Op 21 december was het zover: de stemming met betrekking tot de ruilverkaveling in Tubbergen. Nu 45 jaar geleden.

Een ruilverkaveling was een belangrijk middel om boerenbedrijven aan te passen aan de eisen van de tijd. Percelen land werden geruild en samengevoegd, de waterhuishouding werd verbeterd en men verhardde de wegen. Het verhaal in Tubbergen begon eind juni 1971 toen in zaal Kemperink de stemming voor de ruilverkaveling zou plaatsvinden. 'Dames en heren, we zijn vanmorgen bijeengekomen om te stemmen.' Dat waren de eerste en meteen de laatste woorden van gedeputeerde dr. H. Schoemaker. De ruim honderd aanwezige boeren en grondbezitters overstemden hem direct en voor hij het in de gaten had, was hij van het podium verdreven door de opgewonden boeren. Een ieder die daarna nog het woord wilde nemen werd met hoongelach begroet. Binnen een half uur hadden de opstandelingen hun zin: de stemming ging niet door. De niet zo geliefde burgemeester Schepers riep iedereen op het pand ordelijk te verlaten. De autoriteiten waren met stomheid geslagen. Dit hadden ze absoluut niet verwacht. Er waren wel signalen geweest, maar die waren niet opgepikt door de organiserende instanties.

Dr. Schoemaker deinst verschrikt terug voor de boeren bij de eerste stemming in juni 1971. Rechtsvoor Jan Lansink (met pet), de latere voorzitter van het actiecomité.

Boos

Waarom waren de boeren nu zo opgewonden en boos? Het ging ze niet eens zozeer over de aanstaande ruilverkaveling zelf, maar vooral om de stemmingsprocedure. Elke grondbezitter had één stem, ongeacht of hij 15 bunder grond bezat of één vierkante meter. Er waren 3.000 stemgerechtigden en maar 1.200 boeren. Dus als alle boeren tegenstemden kon de ruilverkaveling toch nog worden aangenomen, want iedereen die niet stemde werd automatisch bij de voorstemmers gerekend. Daarnaast waren er de kosten van 700 gulden per hectare en het verlies van enkele procenten grond ten behoeve van wegen en waterloop.

Maar er zat nog meer achter. Want het land van de boeren, waar hun ouders en grootouders op geploeterd hadden, en wat natuurlijk het allerbeste land was, moest geruild worden met het kavel van iemand anders. De boeren moesten maar afwachten wat ze terugkregen. Dat gold met name voor de landbouwers uit het oosten van de gemeente. Dat waren de van oudsher kleine boeren. De bedrijven in het westelijk deel van de gemeente waren aanmerkelijk groter en jonger. Uit dit gebied kwamen de meeste voorstanders vandaan, onder wie oud-wethouder Bernard Hemmer, een man die in veel organisaties zat (oud-Statenlid, bestuurslid van het waterschap, voorzitter ABTB afd. Geesteren, etc) en mede daardoor een grote invloed kon uitoefenen.

Op 21 december 1971 verzamelen de tegenstanders zich ’s middags op het marktplein bij de zuivelfabriek. (foto Rob Mieremet)

Actiecomité

In de maanden na juni werd er een actiecomité opgericht om de krachten van de tegenstanders te bundelen. Huub Wenneger, broer van één van de tegenstanders, bijna afgestudeerd econoom, werd hun spreekbuis. De voorstanders vonden het niet nodig zich te organiseren: alle standsorganisaties (ABTB, OLM, CBTB) en politieke partijen waren immers voorstander. Dat kon toch niet misgaan, dachten ze.

De lange woordvoerder Huub Wenneger temidden van de actievoerders. (collectie Marcel Mentink)

In de maanden na juni probeerde men een proefstemming te houden onder de stemgerechtigden voor wie het landbouwbedrijf het hoofdbestaan was, maar de organisaties die in eerste instantie daarmee ingestemd hadden, trokken op het laatste moment hun medewerking in. Het actiecomité boycotte de aanstaande stemming en de situatie werd steeds dreigender: voorstanders werden bedreigd, ruiten ingegooid, eigendommen werden vernield, etc. De overheid daarentegen bleef vasthouden aan de stemming op 21 december 1971. Het zou een hete decembermaand worden.

Alle middelen worden in stelling gebracht. (collectie Marcel Mentink)

Dranghekken

Daags voor de stemming werd er 1.000 meter aan dranghekken geplaatst in de straten van Tubbergen en rondom de enorme tent waar de stemming werd gehouden. Officieel moest er namelijk een vergadering worden gehouden waarbij alle stemgerechtigden aanwezig konden zijn. De tent werd geplaatst op het grasveld naast de toenmalige landbouwschool aan de Prins Bernardstraat. De school werd ingericht als stemlokaal. De straten rondom werden verder afgesloten met enorme kraanwagens en er werden 150 extra agenten in stelling gebracht. Daarnaast waren er drie pelotons mobiele eenheid op de been (samen 120 man). Verder werd voor de zekerheid voor de volgende dag een tapverbod afgekondigd. Mensen die de volgende ochtend door het dorp reden, hadden het gevoel zich in een oorlogsgebied te bevinden.

De boeren lopen door de Oranjestraat op weg naar de tent waar de stemming wordt gehouden. Vlnr: Jan Lansink, Bernard Boerrigter, ? , Theo Droste en Huub Wenneger. (foto Rob Mieremet)

De stemming

Dinsdag 21 december bood een vreemde aanblik: verlichte kerstbomen die vrede uitstraalden tegenover dranghekken met prikkeldraad en honderden agenten. Rond het middaguur verzamelden honderden boeren zich op het marktplein bij de zuivelfabriek ‘de Eendracht’. Ze werden toegesproken door Huub Wenneger en vertrokken toen in demonstratieve optocht richting de tent waar ze de ingang blokkeerden. De eerste uren was de stemming nog heel rustig. De boeren zongen zelfs kerstliedjes. De incidenten vielen mee: dranghekken die uit elkaar werden getrokken door een tractor en tot groot vermaak van de omstanders werd een giertank leeggespoten richting de agenten.

Een enorme menigte heeft zich bij de tent aan de Prins Bernardstraat verzameld om de stemming te verhinderen. (foto Rob Mieremet)

Relschoppers

Tegen het eind van de middag sloeg de stemming langzaam om. Er kwamen steeds meer mensen, veelal jongeren, van buiten de gemeente op de demonstratie af. Dat terwijl de boeren zich opmaakten om naar huis te gaan, want de koeien moesten immers gemolken worden. Dat er relschoppers kwamen was niet zo verwonderlijk. De Telegraaf had die dag als kop: 'Boerenopstand op komst in Twente' en de subkop: 'Vandaag kunnen er doden vallen.' Later bleek ook dat er zelfs een bus vol relschoppers uit Amsterdam naar Tubbergen was gekomen.

De politie verspreidt boeren die hekken wegsleepten. (foto Rob Mieremet)

In korte tijd veranderde de situatie volkomen. Op een zeker moment werden er vanuit de menigte stenen richting de politie gegooid. Om hun eigen veiligheid te waarborgen besloot de politie een charge uit te voeren en ze verspreidden de menigte. Kort daarop werd er een brandbom richting het huis van de burgemeester gegooid dat op nog geen 100 meter van de tent stond en waar de gordijnen vlam vatten. Tubbergen veranderde in een slagveld: straten werden opgebroken, vele ruiten sneuvelden, verkeerborden moesten het ontgelden en brandbommen werden richting het gemeentehuis gegooid. Aan het eind van de avond keerde de rust weer terug nadat de politie extra hulp van buitenaf had ingeroepen.

Ook de Tubbergse jeugd liet zich niet onbetuigd. (foto Rob Mieremet)

De uitslag

De verantwoordelijke ambtenaren hadden de stembus om acht uur gesloten en de stemmen geteld: 27 uitgebrachte stemmen, waarvan twaalf tegen. Het ruilverkavelingsplan was dus aangenomen met 2.926 stemmen voor en 12 tegen. De autoriteiten besloten dat, na alles wat er gebeurd was, de ruilverkaveling niet zomaar kon worden uitgevoerd. Zelfs de landelijke politiek liet in die dagen daarna van zich horen met kritiek op de rellen, maar ook met kritiek op de stemmingsprocedure. De ruilverkaveling ging voorlopig in de ijskast en de stemmingsprocedure die vooraf absoluut niet gewijzigd kon worden werd in 1975 zodanig aangepast dat de meerderheid van de uitgebrachte stemmen bepalend was voor de uitslag. Uiteindelijk blijkt de politiek aan alle voorwaarden van het actiecomité tegemoet te komen en lijkt het er op dat prestigeverlies bij de overheid de belangrijkste reden is geweest om de stemming door te drukken.

De ME is druk in de weer om de demonstranten de verdrijven. (foto Cor Out)

De derde ronde

Eind 1972 kwamen voor- en tegenstanders een aantal keer bij elkaar en het onmogelijke bleek toch mogelijk te zijn: ze kwamen tot overeenstemming over een derde stemmingsronde. Op 26 maart 1973 werd er in drie kerkdorpen opnieuw een stemming gehouden waarbij alleen grondbezitters met meer dan één hectare stemrecht hadden. De politie was op de achtergrond aanwezig tijdens de stemming, maar alles verliep rustig. Er werden 1.237 stemmen uitgebracht. 736 stemmen waren tegen! De ruilverkaveling in Tubbergen ging niet door, totdat de boeren een aantal jaar later, zonder inmenging van de overheid, de ruilverkaveling zelf oplosten.

Door Marcel Mentink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

‘Oostersche droomerijen’ leiden tot een bloeiende uitgeverij

In 1925 trouwde de Deventer uitgever Nico Kluwer met zijn geliefde Bé Rahusen. Hij had haar een jaar eerder in Parijs ontmoet tijdens een zomerschool onder de bezielende leiding van de Indiase filosoof en musicus Inayat Khan. Khan was in Europa om de leer van het soefisme te verspreiden, iets wat Kluwer bijzonder aansprak.

Zijn vader, Æbele Kluwer, dacht er anders over. Hij schreef de pasgetrouwden een indringende brief: ‘Wel wil ik jullie beiden graag voor leed bewaard zien … Daarom zou ik graag willen dat je niet doorging met het importeren van Oostersche Cultuur. Die past niet in Europa, allerminst in ons land en in het geheel niet bij zakenmenschen die een helder hoofd moeten hebben en houden… Overgave aan de Oostersche droomerijen brengt je zeker leed.’

Nico Kluwer (1897-1975).

Æbele Kluwer runde een bijzonder succesvolle uitgeverij die hij in 1889 in Veendam was gestart. In 1891 verhuisde hij naar Deventer, waar hij zijn fonds uitbreidde met literatuur voor het onderwijs en met juridische boeken. Nico was in dienst bij zijn vader, net als zijn beide broers, en peinsde er niet over zijn ‘Oostersche droomerijen’ op te geven. In 1923 wist hij zijn vader te overtuigen om een boekje uit te geven van ing. J.A. Blok, getiteld ‘Staats-idee en religie’. Het kleine boekje over de oud-Chinese visie op staat en samenleving was het eerste van een lange, succesvolle reeks werken over oosterse filosofie, spiritualiteit, esoterie, natuurvoeding, gezondheid enzovoorts. Nog voor zijn ontmoeting met Inayat Khan had Nico al een boek van deze mysticus uitgegeven, ‘Boodschap en boodschapper’ (1923). Ook zijn broers Æbele jr. en Evert waren beslist niet enthousiast over de weg die Nico insloeg, maar vooralsnog mocht hij zijn gang gaan.

‘Staats-idee en religie’ (1923) was de eerste uitgave van Nico Kluwer.

HET SOEFISME VERBODEN

Hoewel zijn eerste uitgaven commercieel gezien bepaald geen succes waren, publiceerde hij ieder jaar onder de naam van Æ.E. Kluwer vijf tot tien titels, voor de oorlog veelal over het soefisme. Die beweging en leer trokken Nico Kluwer zo aan dat hij zelfs een soeficentrum in Deventer startte. Hij leidde dit zelf, samen met zijn vrouw, aangezien hij inmiddels tot cherab (priester) was gewijd. In de oorlog werd het soefisme verboden, samen met vele andere geestelijke stromingen, en mochten er geen boeken meer worden uitgegeven over oosterse religies. Nico trok zich er niet veel van aan en drukte naast legale werken illegaal nog steeds boeken van Inayat Khan. Het in bezit hebben van ‘illegale’ boeken was uiteraard ook streng verboden. Als de Duitsers een inval hadden gedaan in de drukkerij van Kluwer zouden ze er heel wat hebben aangetroffen. Dat gebeurde echter niet. Wel kreeg het echtpaar Kluwer ongenood bezoek in hun eigen huis in Joppe. Alle soefiboeken en een levensgroot portret van Inayat Khan verdwenen in een bestelbus. Zoon Paul, de latere opvolger van zijn vader, vertelde: ‘Ik was toen elf jaar en ik herinner mij dat het allemaal vrij rustig verliep … Mijn vader was woedend, maar hij deed niets. Hij was al lang blij dat ze hem niet meenamen.’ Later hoorde Nico Kluwer dat zijn boeken in de kelder van het gemeentehuis lagen. Hij haakte een karretje achter zijn fiets en toog naar Deventer. Paul: ‘ Hij is gewoon naar binnen gelopen en heeft die boeken in zijn armen naar buiten gedragen. Niemand die wat zei. Hij kwam thuis en heeft ze weer in de kast gezet, alleen heeft hij er een rij niet-verboden boeken voor gezet.’

Het boek ‘Magiers en zieners’ uit 1948 of 1949 veroorzaakte de breuk met het uitgeversconcern Æ. E. Kluwer.

NICO KLUWER NV

Wat er al lang aan zat te komen, gebeurde in 1948. Nico ging onder zijn eigen naam uitgeven. Breekpunt was zijn plan om een werk van Maurice Magre uit te geven, ‘Magiërs en zieners’. In de ogen van Nico’s broers was het antikatholiek en overschreed Magre in zijn kritiek op de kerk de grens van het toelaatbare. Nico koos er voor het boek wel uit te geven en richtte uitgeverij N. Kluwer N.V. op. ‘Magiërs en zieners’ rolde als een van de eerste van de persen. In 1948 verscheen ook onder zijn naam een werk van, hoe kan het ook anders, Inayat Khan. De boeken werden gewoon gedrukt in de drukkerij van Kluwer, want praktisch gezien veranderde er niets. Nico zat nog steeds in het Kluwergebouw achter zijn eigen bureau. De verstandhouding met zijn broers bleef goed. In de jaren vijftig begon Nico met het publiceren van boeken over yoga. Het bleek een gouden greep. Het boek ‘Sport en yoga’ bijvoorbeeld beleefde herdruk op herdruk. Het is overduidelijk dat de populariteit van yoga in Nederland mede aan de uitgaven van Nico Kluwer te danken is.

Paul Kluwer en Anke Eggink trouwden in 1954.

Zoon Paul leek voorbestemd om zijn opvolger te worden. In verband met zijn gezondheid bracht Paul vijf jaar in Zwitserland door, van 1946 tot 1951. Zijn vader stuurde hem alle uitgaves toe met het nieuwe logo waarin het ankh-teken was verwerkt. Het Egyptische ankh staat voor eeuwig leven en er zit de klank NK in, en laat dat nu net de initialen zijn van Nico Kluwer. In 1954 ging Paul voor grote broer Kluwer werken op de afdeling technische boeken. Hij had liever met zijn vader samengewerkt, maar er was geen plek voor hem. Dat werd anders toen vader Nico in 1963 met pensioen ging. Paul volgde hem op als directeur. Hij had inmiddels als afdelingschef Technische Boeken de nodige uitgeverservaring opgedaan en kon nu boeken publiceren die hem na aan het hart lagen.

Het logo van uitgeverij N. Kluwer.

WAREN DE GODEN KOSMONAUTEN?

‘That's one small step for a man, one giant leap for mankind.’ Indirect zou de maanlanding in 1969, toen Neil Amstrong zijn historisch woorden sprak, een grote sprong voorwaarts betekenen voor de Nico Kluwer NV. Paul Kluwer liep op de Frankfurter Buchmesse langs de stand van de uitgever die een boek van Erich von Däniken in zijn pakket had. Hij was al een poosje in het werk geïnteresseerd en vroeg of hij de Nederlandse vertaling kon uitgeven. Dat kon, maar alleen als hij meteen besliste. Hij kreeg een dag respijt, nam het boek mee naar zijn hotel en las de hele nacht door. In de zomer van 1969 verscheen ´Waren de goden kosmonauten?’. De belangstelling voor ruimtevaart was enorm, maar over de maanlanding waren de kranten snel uitgeschreven. De ‘giant leap’ liet nog even op zich wachten en men zocht nieuwe verhalen over ruimtevaart die de lezer zouden kunnen interesseren.

Het succes van ‘Waren de goden kosmonauten’ leidde tot de verzelfstandiging van de N. Kluwer NV.

In alle landelijke bladen verschenen artikelen over het boek van Von Däniken, het werd een hit, de factureermachine van Kluwer sloeg op hol en Paul reed zelf rond om de boekhandels en het Centraal Boekhuis te bevoorraden. Het enorme succes zorgde voor het nodige kapitaal en gaf Paul de zekerheid dat hij op eigen benen kon staan. Met de verdiensten konden minder rendabele projecten gefinancierd worden. Bovendien greep hij de kans om zich los te maken van het moederbedrijf, het grote Kluwer. In 1970 verhuisde N. Kluwer NV naar de Menstraat in het Deventer Bergkwartier dat net aan een grootscheepse facelift bezig was en tot het toeristisch paradepaardje van de oude Hanzestad uitgroeide. Om zich helemaal te onderscheiden van het moederbedrijf was een andere naam noodzakelijk. Dat Ankh in de naam zou zitten lag voor de hand. Hermes, de bemiddelaar tussen goden en mensen, vormt het tweede deel van de nieuwe naam: Ankh-Hermes. Later, in een interview met het Deventer Dagblad in 1987, zou Paul Kluwer zich een ‘spirtuele boodschappenjongen’ noemen, een moderne Hermes.

De panden van Ankh-Hermes in de Menstraat.

ANKH-HERMES BLOEIT

In de zeventiger jaren ging het onder de inspirerende leiding van Paul Kluwer crescendo met de uitgeverij. De tijdgeest zat mee, ook bekende auteurs als Jan Foudraine wilden maar al te graag door Ankh-Hermes uitgegeven worden, celebrities als Jiddu Krishnamurti, Shirley MacLaine en prinses Irene werden in het fonds opgenomen en series als de Grote Klassieken en de lichtvoetige Ankertjes waren een enorm succes. De Deventer uitgever bracht ruim zestig boeken per jaar op de markt. Logisch dat de historische panden in het Bergkwartier al snel te weinig ruimte boden aan het groeiende bedrijf. In 1980 verkaste Ankh-Hermes naar een voormalige tapijtfabriek aan de Smyrnastraat. Het succes van zijn uitgeverij steeg Paul Kluwer zeker niet naar het hoofd. Hij was uitgever in hart en nieren, maar vooral een liefhebber. Hij gaf alleen uit wat zijn sympathie had en deinsde er niet voor terug succesvolle schrijvers, zoals Bhagwan, uit zijn fonds te halen, als deze hem inhoudelijk niet meer bevielen. Bovendien zorgde hij ervoor financieel en bedrijfseconomisch onafhankelijk te blijven. ‘Ik ben aan niemand verantwoording schuldig, alleen aan mijn diepste wezen.’

Van 1980 tot 2011 was Ankh-Hermes gevestigd in een oude tapijtfabriek aan de Smyrnastraat.

In 2008 verkocht de inmiddels 77-jarige Paul Kluwer zijn bedrijf aan het uitgeversconcern NDC-VBK. Aanvankelijk bleef Ankh Hermes (nu zonder verbindingsstreepje) in Deventer, maar momenteel is de uitgeverij gevestigd in Utrecht. De banden met Deventer en de familie Kluwer lijken geheel verbroken.

Voornaamste bron: R. Hermsen (red.) ‘Wijsheid te boek; 75 jaar inspirerende boeken van N. Kluwer tot Ankh-Hermes’. Deventer, 1998.

Openingsfoto: Elke Binnemans, illustratie duiven: Gerry Daamen.

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijssel in boeken

Vooruitboeren. Overijssel 1950-2000

Het paard maakte plaats voor de trekker, de melkbus voor de koeltank en het agrarisch familiebedrijf voor grootschalige ondernemingen. De oudere generatie boeren heeft het leven en werken op de boerderij revolutionair zien veranderen. In een periode van enkele decennia kreeg het platteland een volledig ander aanzien. Rondom historische boerderijen schoten nieuwe bedrijfsgebouwen als paddenstoelen uit de grond. Snijmaïs en gras verdrongen het graan en de akkertjes met aardappels of suikerbieten.

Historici Ewout van der Horst en Martin van der Linde van de IJsselacademie spraken zestig boeren en boerinnen en andere vertegenwoordigers uit de agrarische sector in Overijssel. Wat bepaalde de ontwikkeling van de boerenbedrijven? Waarom bouwde de één een ligboxenstal en de ander niet? En hoe hebben ze alle veranderingen ervaren? Met een mengeling van weemoed en trots vertellen de mensen over zaken als grond, opleiding, fokkerij, coöperaties en veemarkten. Over hoe ze met hard werken beetje bij beetje konden vooruitboeren.

Auteurs: Ewout van der Horst en Martin van der Linde

Uitgever: WBOOKS

ISBN 978 94 625 8167 8 | 216 pag. | € 19,95

Door de redactie

Het Overvelde; een Sallands landgoed en zijn bewoners

Het Overvelde is een klein landgoed van zo’n 90 hectare aan de Boxbergerweg in Diepenveen. Tweederde is cultuurgrond, de rest is bos en parkbos.

In het verleden oefenden vijf boeren hun bedrijf uit op het grondgebied van Het Overvelde. Deze zijn allemaal opgehouden met hun bedrijf en de grond is nu verpacht aan boeren van buiten het landgoed. In 1953 bracht Eduard van Coeverden het landgoed onder in de Stichting Landgoed Het Overvelde. Hij stierf in 1956 en in dat jaar trad de stichting in werking.

Dit jaar, 2016, viert de Stichting Landgoed Het Overvelde haar zestigjarig bestaan. Het bestuur van de stichting vond dit jubileum een mooie gelegenheid om vast te leggen welke herinneringen er nog bestaan aan de familie Van Coeverden en wat voor veranderingen het landgoed in die zestig jaar ondergaan heeft. Alle bewoners van het landgoed, een aantal oud-bewoners en een paar bestuursleden van de stichting zijn in 2014 geïnterviewd.

In het boek zijn de uitspraken van de geïnterviewden gerangschikt rond een aantal onderwerpen. Er is gebruik gemaakt van de spreektaal van de geïnterviewden, die elkaar op sommige onderdelen aanvullen en een enkele keer tegenspreken. De verhalen over hoe het vroeger onder Van Coeverden toeging zijn nu vastgelegd tezamen met allerlei eigenaardigheden van de persoon Eduard van Coeverden, de laatste mannelijke telg van de familie.

Auteur: Margreet Gründemann (tekst) en Jan van de Lagemaat (foto’s)

Uitgever: Fagus, IJzerlo

ISBN 978 94 9163 440 6 | 160 pag. | € 30

Door de redactie

Oorlogsslachtoffers voormalige gemeente Denekamp/gemeente Weerselo

Een naam hadden ze al, maar nu krijgen alle 371 slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog uit de gemeente Dinkelland ook letterlijk een gezicht. Daar hebben Mariët Blokhuis en Bert Wolbers voor gezorgd. Ze hebben van de slachtoffers de levensloop getraceerd en foto’s van hen bemachtigd. De slachtoffers zijn per voormalige gemeente Denekamp en Weerselo te boek gesteld. Het boek over Ootmarsum verschijnt volgend jaar.

Auteur: Mariët Blokhuis en Bert Wolbers

Uitgever: niet bekend

ISBN --- | 116/176 pag. | € Weerselo 9,50/Denekamp 12,50

Door de redactie

Zwaar werk en gezonde vrije tijd

Dit boek, een uitgebreide versie van zijn Master-afstudeerscriptie, gaat over de bewuste bemoeienis van Twentse industriëlen tussen 1870–1960, met de vrijetijdsbesteding van de arbeidersbevolking gericht op gezond bewegen, sport en in het bijzonder bewegingstherapie.

De stelling in dit boek is, dat vrijetijdsbesteding ook therapeutisch gericht kan zijn. De auteur veronderstelt dat het grensvlak tussen sport en therapie heel vaag kan zijn. Bewegingstherapie, een deelgebied van de latere fysiotherapie, is zeer sterk verweven met sportieve activiteiten en deze twee hadden in vroegere tijden mogelijk ook al een sterke relatie.

Auteur: Erwin van Beek

Uitgever: eigen beheer

ISBN 978 90 8251 010 2 | 164 pag. | € 27,50

Door de redactie

Verraad. De driehoek van een verzets- echtpaar en een SD-agent

In het donker brengen twee ex-pacifisten een bom aan op de spoorlijn waar een Wehrmachttrein zal rijden. Het is 1942. Een van de twee is Herman Reef, de ex-schoonvader van de schrijver. Er is verraad en Herman en zijn vrienden verdwijnen naar concentratiekamp Vught. Zijn vrouw Leen gaat naar deSicherheitsdienst en verleidt een Hauptscharführer met een oog voor vrouwelijk schoon. Dit alles om haar man te redden.

'Als ik op zo'n manier ben bevrijd dan wil ik liever terug naar het kamp', roept Herman verontwaardigd uit als hij het verhaal hoort. Hij jojoot tussen vreugde over zijn herwonnen vrijheid en weerzin over het idee dat zijn vrouw in de armen van de vijand lag en daardoor verraad zou hebben gepleegd.

Roel van Duijn (oprichter van Provo) onderzocht de familieverhalen en legt na driekwart eeuw de historische werkelijkheid over deze overspelige bevrijding bloot. Tevens werpt hij licht op de tot nu toe vrijwel onbekend gebleven Twentse verzetsgroep Hazemeijer. Deze reconstructie van een verborgen geschiedenis rehabiliteert de als moffenhoer beschuldigde verzetsvrouw Leen. Ook staat hij stil bij de rol van een mysterieuze SD-er. 'Verraad' blijkt soms trouw. Het boek staat ook pal voor de rol van de vrouw in het verzet, die ten onrechte onderschat is.

Auteur: Roel van Duijn

Uitgever: Uitgeverij Aspekt

ISBN 978 94 6153 866 6 | 235 pag. | € 18,95

Door de redactie

Twente (1200-1500) en de Duitse Hanze

Dit boek, bestaande uit drie banden met samen maar liefst 1710 pagina’s handelt over de vroegste economische geschiedenis van Twente. In 1474 heeft Oldenzaal als een van de Hanzesteden die belang hadden bij de handel op Engeland, de Vrede van Utrecht geratificeerd. Die Vrede vormde een van de twee belangrijkste verdragen uit de lange Hanzegeschiedenis.

Met Oldenzaal tekenden in 1474 ook Deventer, Zwolle en Kampen. Ter vergelijking: Oldenzaal was reeds vanaf 1049 jaarmarktstad. Kampen speelde tot de twaalfde eeuw geen enkele rol. Zwolle kreeg pas jaarmarktrechten in 1265. Voor 1265 had Oldenzaal al twee handelsverdragen gesloten, namelijk met de handelsmetropool Keulen en de stad Coesfeld, de stad die een flinke rol zou gaan spelen. Hoewel de aandacht tot nu toe altijd uitging naar aan-het-water gelegen Hanzesteden, vindt er nu een kentering plaats naar de regio.

Door een vergelijking van familienamen van Hanzehandelaren uit talrijke Hanzesteden met familienamen van Hanzehandelaren uit Twente (in de loop van driehonderd jaar geschiedenis) worden ongeveer tweehonderd handelaren besproken. Een uitgebreide index (band III) maakt het zoeken eenvoudig.

Auteur: dr. Gerard Seyger

Uitgever: Uitgeverij Twentse Media

ISBN 978 90 7151 746 4 | 1710 pag. | € 55

Door de redactie
Overijsselaars van Toen

Robert van Voerst: Deventer kunstenaar in het verre Londen

In 1636 overleed in Londen de Deventer kunstenaar Robert van Voerst. De toen nog jonge schilder Gerard ter Borch jr., stiefzoon van zijn zus, tekende daar in 1635 een portret van hem. Tijdens het poseren hebben zij ongetwijfeld met elkaar gesproken over Roberts succesvolle loopbaan als etser van de portretten van Anthony van Dijck, hofschilder van koning Karel I.

Robert van Voerst werd op 8 september 1597 in Deventer gedoopt. Hij was de zoon van Jan van Voerst en Egbertje Roberts. Toen het huwelijk op 17 oktober 1596 werd voltrokken, werkte Jan als klerk op de bank van lening in Deventer. In 1609 werd hij directeur van hetzelfde instituut in Arnhem. Zijn zus Geeske trouwde in december 1621 met Gerard ter Borch sr., licentiemeester der octrooien en licenties van de stad Zwolle en tevens kunstschilder. Deze had toen al twee kinderen uit een eerder huwelijk: een jongen en een meisje. De zoon was Gerard ter Borch jr., de latere schilder.

In Utrecht leerde Robert van Voerst, waarschijnlijk in de jaren 1625-1626, graveren in de werkplaats van Crispijn van de Passe de Oude. Robert ging in 1627 of 1628 naar Londen. Daar werkte hij als graveur voor de Vlaamse portretschilder Georg Geldorp, een bekende van zijn leermeester. Van de Passe, die vanwege zijn doopsgezinde geloof een aantal keren had moeten verhuizen, leerde Geldorp tijdens zijn omzwervingen in Keulen kennen.

Robert van Voerst (1597-1636).

Omstreeks 1630 maakte Van Voerst zijn eerste ets voor Geldorp, het portret van Robert Bertie, Ist Earl of Lindsey. De uitgever was William Webb. Van koning Karel I kreeg hij in 1631 twee opdrachten om gravures van portretten te maken. Een ervan is het zeer bekende dubbelportret van de koning en zijn gemalin Henriëtta Maria, naar het schilderij van Anthony van Dyck. Hoewel Van Voerst geen formele positie aan het hof bekleedde, verleende koning Karel hem in 1635 een jaarlijkse toelage van 60 pond met daarbij 40 pond per jaar om een huis te huren.

Gravure van koning Karel I en zijn vrouw Henriëtta Maria, door Robert van Voerst, 1634. (National Portrait Gallery, London)

In 1634 gaf Van Dyck hem opdracht om negen portret-gravures te maken voor zijn beroemde Iconografie. Hij slaagde erin om er vier te voltooien, waaronder het portret van de Engelse architect Indigo Jones en zijn eigen portret naar het schilderij van de opdrachtgever.

In 1635 bezocht de stiefzoon van zijn zus, de schilder Gerard ter Borch jr., hem in Londen en tekende een portret van hem. Robert van Voerst overleed in 1636 aan de pest.

Robert van Voerst getekend door Gerard ter Borch jr., 1635. (Rijksmuseum, Amsterdam)

Van het oeuvre van Van Voerst zijn de volgende gravures bewaard gebleven:

• 29 portretten, waarvan 12 naar schilderijen van Anthony van Dyck en 4 naar schilderijen van Georg Geldorp;

• 21 afbeeldingen van beesten, die opgenomen zijn in het boek van Crispijn van de Passe de Jonge, ’t Light der teken en schilderkonst, Amsterdam, 1643.

Door Johan van der Veen
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Vaarboer Dries Eker: 'Het houdt een keer op'

Halverwege de twintigste eeuw woonden er op Dwarsgracht 37 boeren, ook wel vaarboeren genoemd. Begin 2014 was melkveehouder Dries Eker (1933) nog als laatste boer over.

Boer zijn op Dwarsgracht verschilde nogal met elders op het platteland. Door het vele water en de weinige wegen in het gebied ging bijna alles per boot. Eker: ‘Mijn vader had bij het Giethoornsche Meer een stuk of zes koeien lopen. ‘s Ochtends voeren we daar eerst heen om te melken. Je was zo een half uur onderweg. Als we in de turf zaten, bleven we overdag van huis. We hadden brood en koffie mee. ‘s Avonds voeren we eerst naar de koeien om ze te melken. Daarna gingen we pas naar huis. Anders bleef je heen en weer varen.’

Dries Eker vervoert zijn koeien per bok over de Dwarsgracht, 2005. (collectie Eker)

Begin jaren vijftig nam Eker de boerderij van zijn vader over. Fatsoenlijke wegen waren er op Dwarsgracht nog niet. ‘De weg aan de overkant van de gracht is pas in 1957 aangelegd. Als er krachtvoer werd gebracht, zetten ze dat op de steiger aan de overkant. We brachten die zakken dan zelf met de bok daar vandaan naar de boerderij.’ Paarden gebruikte Eker niet, vanwege al het water in de buurt: ‘We maaiden het gras altijd met de zeis. En later met de motormaaier. Dat ging ook goed hoor. Er waren hier maar een stuk of drie boeren met een paard. Als dat dier niet in de bok wou, deden ze hem achterstevoren in de boot. Of ze gooiden hem een jas over z'n hoofd. Dan ging het vaak beter.’

Het hooi sloeg Eker op in de hooiberg achter de stal. ‘Op het land maakten we oppers om het gemaaide gras te laten drogen. Die brachten we met de boot naar huis. Zo’n opper tilde je met twee man in de boot. Er pasten er ongeveer zestig in, drie stapels hoog. Dat was zwaar werk. Thuis was je bijna de hele middag bezig om die schuit leeg te prikken. Je was de hele zomer aan het hooien.’ Later liet Eker z’n hooi in pakjes persen. ‘Die haalde ik ook naar huis met de bok. We brachten ze naar boven in de hooiberg met een transporteur. Dat is zo’n lopende band waar je de pakjes op kan zetten.’

Dries Eker (rechts) haalt het hooi per bok over het water binnen. Jaren negentig. (collectie Eker)

De waterrijke omgeving beperkte de Dwarsgrachter boeren in hun uitbreidingsmogelijkheden. Eker heeft op zijn boerderij nooit meer dan twintig koeien gehad. ‘s Winters stond het vee op stal maar in het voorjaar bracht hij ze met de boot naar het land toe, waar ze dan de hele zomer bleven staan. Zijn hele boerenleven molk Eker op het land, bijna zeventig jaar lang. ‘In 1960 heb ik een melkmachine gekocht, een Hektor. Dat was zo'n weidewagen waar je de koeien aan vast kon binden. De laatste jaren heb ik in een doorloopwagen gemolken. Als het regende was dat veel makkelijker, maar in de zomer was het ook weleens verrekte warm! Je kon de deur niet opendoen, want anders vlogen de koeien er weer uit!’

Dries Eker melkt zijn koeien in het weiland met een weidewagen. Jaren negentig. (collectie Eker)

Vroeger werd de melk van de boeren op Dwarsgracht opgehaald door de melkvaarder. Die bracht zijn boot vol met melkbussen naar de fabriek in Giethoorn. Later moesten de boeren hun bussen zelf op een centrale steiger klaarzetten. Na de komst van de melktank werd de melk alleen nog opgehaald door een tankauto. ‘Maar die kon niet bij ons en vijf collega’s aan deze kant van de gracht komen’, zegt Eker. Een groot probleem, want hoe moesten ze dan hun melk aan de fabriek leveren? Om de boeren tegemoet te komen, bouwde de melkfabriek in 1982, met hulp van de provincie en het Rijk, een gezamenlijk melktanklokaal. Dit was een klein gebouwtje met een rieten dak dat nog steeds bestaat. ‘We moesten allemaal onze eigen tank betalen, die in dat lokaal kwam te staan’, legt Eker uit. ‘We brachten de bussen er per boot naartoe, waarna we de melk overgoten in onze eigen tank. Je moest wel samenwerken, noodgedwongen natuurlijk. Anders had ik er direct wel mee kunnen stoppen.’

Een aantal boeren bracht zijn melk in melkbussen naar het gezamenlijk melklokaal in Dwarsgracht. Hier zijn ze melkbussen aan het schoonspoelen. (collectie Eker)

Na het overlijden van zijn moeder, nu bijna twintig jaar geleden, bleef Eker alleen achter op de boerderij. De laatste jaren heeft hij een vriendin. ‘Anders ben je ook maar alleen.’ Eker boerde nog jarenlang op kleinschalige wijze door, maar op het laatst kostten de koeien hem meer geld dan dat ze opleverden. ‘En je had er veel werk mee, want je moest nog wel grasmaaien en hooien.’ In het voorjaar van 2014 ging het lichamelijk niet meer. ‘Wat er precies aan scheelt weet ik niet, maar ze hebben me helemaal ondersteboven gekeerd en ik slik nu een doos vol pillen! Niks aan, ouder worden.’ Met pijn in zijn hart heeft Eker zijn koeien moeten verkopen. ‘Ze lopen nu bij een boer in Giethoorn-Zuid. De stallen staan er nog allemaal en de melkinstallatie zit er nog in. Ik zou hem zo aan kunnen zetten en weer gaan melken. Maar ja, het houdt een keer op.’

Dries Eker vervoert zijn machines per bok over het water. Jaren negentig. (collectie Eker)

Meer lezen? Dit verhaal is een voorpublicatie van het boek 'Vooruitboeren. Overijssel 1950-2000', dat historici Ewout van der Horst en Martin van der Linde van de Stichting IJsselacademie hebben geschreven. Het boek verscheen op 11 oktober bij uitgeverij WBOOKS en is te koop voor 19,95 euro. Kijk ook op www.vooruitboeren.nl.

* Titelfoto: Dries Eker bij de hooiberg aan het water achter zijn huis. (foto Albert Bartelds)

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

De heilige boom en de oude Kozakkenlinde bij Deventer

Direct ten noorden van Deventer ligt de buurtschap De Platvoet, dat voor 1999 hoorde bij de voormalige gemeente Diepenveen. De Platvoet maakte deel uit van de Tjoenermarke. De marke-eigenaren van Tjoene vergaderden in vroeger eeuwen vaak op een heel bijzondere plaats, namelijk bij een hele dikke eik. Zo blijkt uit het markeboek dat er op 30 oktober 1550 ‘een holtgericht’ (een vergadering) gehouden is waarbij het gezelschap onder de ‘hijllige Boom versaemelt’ was.

Omdat de boom ook vermeld wordt in een opsomming uit 1611 van de onderhoudsplichtigen van de IJsseldijk, weten we precies waar deze stond. Volgens deze omschrijving eindigde de dijk van de Tjoenermarke in de richting van Olst ‘tegens einen eickenboem met een cruis ingehouwen ende geteickent, ende op de rechterhand aff ein wenich int lant staende’.

Fragment uit het verslag van het ‘holtgericht’ waarin sprake is van de ‘hijllige Boom’. (Bron: J. ten Hove, ‘In de schaduw van de stad’)

De oude eik stond dus dichtbij de IJsseldijk aan de rechterkant indien men in de richting van Olst reisde. Daar ging de marke Tjoene over in die van Rande en daarom is het aannemelijk dat de ‘hijllige Boom’ fungeerde als grenspaal. De toenmalige markegrens liep ter hoogte van de huidige Kozakkenweg. De eik zal daar geplant zijn nadat de marke Tjoene zich omstreeks 1330 afsplitste van Rande. Reizigers over de IJsseldijk gebruikten de plek voor een moment van bezinning en om uit te rusten. In de boom was een groot kruis ‘ingehouwen’. Misschien was de boom, die bedevaartgangers uit de wijde omgeving aantrok, door een miraculeuze gebeurtenis onderwerp van verering geworden.

Op de plattegrond van Deventer uit circa 1558, vervaardigd door Jacob van Deventer, is de heilige eik gemarkeerd met een kruis.

Detail van de plattegrond van Jacob van Deventer, met het kruis en daaronder een galgenveld.

‘MET MALCANDEREN VROLIC’

De eigenaars van de marke Tjoene lieten zich na een vergadering bij de ‘hijllige Boom’ en na de nodige verteringen per koets weer naar Deventer vervoeren. Meestal maakte men vóór de vergadering een ‘rondvaert door de marke’ om vervolgens onder de boom te vergaderen. Grote delen van de marke (soms wel 70%) bestond uit woeste, gemeenschappelijke gronden met veel heide waar de eigenaren hun schapen lieten grazen. De daar geproduceerde schapenmest was uiterst belangrijk voor de landbouw op de ontgonnen percelen rondom de boerderijen. Men controleerde tijdens ‘de rondvaert’ op tal van ongeregeldheden, maar vooral op het illegaal ‘aangraven van grond’. Het in gebruik nemen van gemeenschappelijk bezit werd beboet met 25 goudguldens, opgelegd door de markerichter.

Uit de notulen blijkt dat marke-eigenaren met enige regelmaat in waren voor een feestje om de onderlinge band te versterken en ‘met malcanderen vrolic’ te zijn. Uit de notulen van 1694 is af te leiden dat dit nogal eens ontaardde in een enorme braspartij. Er werden grote hoeveelheden Moezelwijn, Franse wijn en brandewijn gedronken en men ging zich te buiten aan ‘schinke’, een ‘halflam’, ‘kalfsborste’, hoenderen, vis en ‘drie pont kraekmandelen’. Behalve aan een grote hoeveelheid drank en voedsel werd er ook geld besteed aan ‘spilkaarten’. Aangenomen mag worden dat vóór de omvangrijke maaltijd het gezelschap zich wijdde aan kaartspelen (daarna zullen hoofd en maag er zich niet voor geleend hebben).

De Kozakkenlinde in 1929.

KOZAKKENLINDE

In 1613 bleek dat de heilige boom, de imposante eik van bijna driehonderd jaar oud, verdwenen was. Desondanks kwam men ook in dat jaar en het volgende jaar weer gewoon op dezelfde markante plek bijeen. Wellicht was de boom op last van de nieuwe kerkelijke autoriteiten omgehakt, omdat in de ogen van de gereformeerden de verering hiervan gelijk stond aan afgoderij. Hoe dan ook, in de notulen van 18 mei 1614 wordt vermeld dat de markerichters Melchior van Briel en Henrick Snijder hebben ‘doen setten einen lindeboom die mettet setten vijftig stuiver kostte, op de plaatse daer die eykenboom plach tho staan, ende daer die erfgenamen haere gewoentlicke holtspraecke holden’.

In de notulen van 1619 en 1620 wordt als vergaderplaats van de marke-eigenaren van Tjoene alleen maar genoemd ‘by den jongen lindeboom’. Voor iedereen was duidelijk waar dit was. Het is vrijwel zeker dat deze Hollandse linde dezelfde boom is als de imposante eeuwenoude Kozakkenlinde die nu nog op deze plek staat bij de IJsseldijk en Kozakkenweg. Op precies die plek stond immers ook de oude eik, de ‘hijlligen Boom’. De Hollandse linde heeft nu een stamomvang van ruim zes meter. De leeftijd wordt door deskundigen geschat op minstens 370 jaar. In 2014 stond de door de beide markerichters Melchior van Briel en Henrick Snijder aangeplante Hollandse linde daar dus precies vierhonderd jaar!

De Kozakkenlinde in de lente van 2015. (foto: Wim de Weerd)

De oude Kozakkenlinde is er gelukkig nog steeds maar verkeert wel in slechte staat. De boom herinnert ons aan de marke-eigenaren die eronder vergaderden, ‘een rondvaert’ door de marke Tjoene maakten en ‘met malcanderen vrolic’ waren.

Dit verhaal over de heilige boom is een bewerking van een van de vele hoofdstukken van het in 2016 in eigen beheer uitgegeven boek ‘Het Buitengoed Veenhuis op de Platvoet’, geschreven door Wim de Weerd. Het is voor € 7,-- verkrijgbaar de auteur: w.weerd.1@kpnmail.nl.

Door Wim de Weerd
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselse topstukken

De haven van Almelo door Cees van der Aa

Overijssel kent vele musea en historische verenigingen die een bijzondere collectie in bezit hebben. In deze nieuwe rubriek willen wij u de topstukken laten zien die in onze provincie te vinden zijn.

Stadsmuseum Almelo

Het Stadsmuseum Almelo wordt beheerd door Stichting Museum voor Heemkunde Almelo. De stichting werd in 1976 opgericht. Het museum heeft als doel een beeld te geven van de geschiedenis en de ontwikkeling van Almelo. Sinds 1987 is het museum gevestigd in het oude Rectorshuis annex voormalige Latijnse School aan de Korte Prinsenstraat 2. Sinds 2004 is er in het naastgelegen Heijdahuis een expositieruimte ingericht. Naast een presentatie van de vaste collectie heeft het museum ook regelmatig wisselende exposities. Daarnaast heeft het Stadsmuseum een bibliotheek en een fotoarchief.

Het stadsmuseum in Almelo.

De haven van Almelo

In februari (her)opende Stadsmuseum Almelo met een nieuwe presentatie van de vaste collectie. De collectie van het museum bestaat voornamelijk uit objecten uit de periode 1880-1960. Oudere en nieuwere objecten zijn echter ook aanwezig. Met ale deze objecten wordt het verhaal van Almelo verteld. Eén van de topstukken binnen de collectie is volgens conservator Riet Strijker het olieverfschilderij ‘De Haven van Almelo’ door de Almelose schilder C.J. van der Aa (1883-1950). Het schilderij laat de haven van Almelo zien in het jaar 1922. De havenkom lag in het centrum van de stad en was een en al bedrijvigheid voornamelijk door de textielindustrie die daar ruimschoots aanwezig was. Op het schilderij zijn verschillende gebouwen te herkennen die er nu nog zijn, zoals bijvoorbeeld het Wetshuys uit 1690, vroeger rechtszaal en raadhuis tegenwoordig een eetcafé. Het lichtgekleurde gebouw rechts was het Kantongerecht van de achterkant gezien. Het grijze dak links voor het gebouw van het kantongerecht was hotel ‘Van Ouds de Prins’ dat helaas verwoest werd in de Tweede Wereldoorlog.

De haven van Almelo door Cees van der Aa (1883-1950).

Van der Aa

De kunsthandelaar en schilder Cornelis (Cees) Johannes van der Aa werkte voornamelijk in de stijl van de Haagse School. Deze kunststroming ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw in Den Haag en streefde een realistische weergave na. Als onderwerp kozen deze schilders vaak typisch ‘Hollandse’ taferelen waarbij atmosfeer en de weergave van het licht prioriteit hadden. Er werd veelal gebruik gemaakt van grijstinten waardoor het geheel soms wat somber overkwam. Door zijn afmeting, het schilderij ‘De Haven van Almelo’ is 127,5 cm hoog en 193,5 cm breed, is het een in het oog springende voorstelling en neemt daardoor een prominente plek in binnen de collectie van het Stadsmuseum Almelo. Omdat het schilderij binnenkort intensief gerestaureerd moet worden, is het Stadsmuseum op dit moment bezig met het werven van fondsen hiervoor.

Door Doreen Flierman
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Het Paleis aan zee. Eén veldnamen- kaart voor heel Overijssel

Mijn vader werd er als Vollenhoofse jongen regelmatig op uitgestuurd zand te halen van het Paleis aan zee. Dit zand werd gebruikt om de vloer in de gelagkamer van café De Oude Moespot te bestrooien. Na de Tweede Wereldoorlog raakte het strooien van fijn wit zand op vloeren in onbruik. Zand halen aan het Vollenhoofse strand ging sowieso niet meer; door de aanleg van de Afsluitdijk en Noordoostpolder had de kust opgehouden te bestaan. Heel af en toe viel de naam van het Paleis nog bij ons thuis. De naam intrigeerde, maar ik wist niet waar ik de plek zoeken moest.

Veldnamen

Het Paleis is een van de talrijke veldnamen die voor de invoering van het kadaster in 1832 werden gebruikt om een perceel aan te duiden. Dat was handig. Door een stuk land bij de naam te noemen wist iedereen meteen waar je het moest zoeken. Toch vond men blijkbaar dat alleen zo’n naam bij een verkoop onvoldoende zekerheid bood. Want voor de plaatsbepaling werden in een overdrachtsakte ook de eigenaren van de belendende percelen opgesomd of de ligging van het perceel in kwestie op een andere wijze gepreciseerd.

Transportakte (na verkoop) d.d. 8 november 1703, waarin een perceel in het schoutambt Vollenhove wordt omschreven. (uit: Oudrechterlijk archief schoutambt Vollenhove, inv.nr. 20, fol. 283).

Het kadaster

De invoering van het kadaster in 1832 maakte deze omslachtige en weinig nauwkeurige omschrijving van de locatie van percelen onnodig. Voordat het kadaster in werking kon treden, was eerst het grondgebied van elke gemeente bepaald, letterlijk door het slaan van grenspalen. Daarna was het gemeentelijk grondgebied opgedeeld in eenheden, secties geheten, en elke sectie voorzien van een letter, vanaf A en verder alfabetisch opvolgend. Binnen de secties had men daarna alle onroerend goed eigendommen perceelsgewijs opgemeten en in kaart gebracht. Ze werden voorzien van een uniek nummer, beginnend bij 1 en verder oplopend. De ligging van een perceel met de vermelding van kadastrale gemeente, sectie en nummer kon daarna geen misverstanden meer oproepen.

Mondelinge overlevering

Het efficiënte systeem om percelen aan te duiden met een unieke combinatie van letter en nummer maakte het niet langer nodig om in officiële stukken veldnamen te vermelden en met een omtrekkende beweging naastgelegen percelen te omschrijven. We zien ze dan ook langzamerhand verdwijnen uit officiële stukken. In de wandeling bleven de veldnamen evenwel gebruikt worden. Een stuk land was in zijn omgeving bekend bij zijn naam, niet met zijn kadastrale aanduiding. Die bekendheid hield stand zolang de naam van generatie op generatie mondeling kon worden overgedragen.

Teloorgang

Het gebruik en de kennis van veldnamen kwam in de 20ste eeuw onder druk te staan. Enerzijds lekten gebruik en kennis van veldnamen weg door groeiende sociale mobiliteit, waardoor steeds minder mensen een generatielang op dezelfde plaats blijven wonen. Anderzijds ging de combinatie van naam en perceel verloren door rigoureuze en veelvuldige ingrepen in het landschap, zoals bij wegenaanleg, woningbouw, ruil- en herverkavelingen. De vertrouwdheid met veldnamen ging door deze ontwikkelingen in rap tempo achteruit.

Veldnamenonderzoek

Na de Tweede Wereldoorlog groeide het besef dat veldnamen waardevolle informatie bevatten en dat met de teloorgang ervan plaatsgebonden immaterieel cultureel erfgoed onherroepelijk zou verdwijnen. Want de historische naamgeving van weiden, akkers, kolken, grachten, voetpaden, bosjes, heidevelden, moerassen en noem maar op, kan ons veel vertellen over de geschiedenis en het gebruik van grond en water, over zijn bewoners en eigenaren, en over begroeiing, ligging en gesteldheid. Denk maar aan het voorbeeld van het Paleis. Daarnaast is de naamgeving in taalkundig opzicht interessant.

Overijssel

In Overijssel kwam de aandacht voor veldnamen op in de jaren dertig. Vroeg erbij waren de Denekampse schoolmeester W.H. Dingeldein, die in Twente ging verzamelen, en ir. H. Huytker uit Staphorst, die een veldnamenkaart van een ruilverkavelingsgebied in Nieuwleusen maakte. Vanaf de jaren vijftig zwol de belangstelling verder aan en kwamen hier en daar losse initiatieven voor een inventarisatie van veldnamen van de grond. Zo publiceerde de Stichting Bodemkartering (afgekort Stiboka) in 1958 in het tijdschrift Boor en spade (nr. 9) een artikel van C. Hamming ‘Verkaveling, veldnamen en ontginningsgeschiedenis in een deel van het Land van Vollenhove’. Tot mijn verrassing staat op een begeleidende perceelsnamenkaart ook de veldnaam Paleis ingetekend. Nu weet ik waar mijn vader naartoe ging om zand te halen.

Uitsnede van de perceelsnamenkaart met de veldnaam het Paleis, gelegen ten noordoosten van de stad Vollenhove aan de Zuiderzeekust.

Veldnamencommissie

Het was na een eerdere, gestrande poging uit 1965 pas in 1973 dat men serieus en systematisch werk ging maken van het onderzoek naar veldnamen in Overijssel. Een commissie van de Culturele Raad Overijssel (inmiddels opgeheven), het Meertensinstituut (toen nog P.J. Meertensinstituut geheten) en het toenmalige Rijksarchief in Overijssel (later opgegaan in het Historisch Centrum Overijssel) sprak een onderlinge taakverdeling af. Om het draagvlak van de commissie te vergroten en om haar inhoudelijke kennis te verbreden, werd de commissie aangevuld met personen van buiten, zoals H. Bloemhoff van de toenmalige werkgroep dialectonderzoek van de IJsselacademie.

Veldnamenboekjes

Om de resultaten van het veldwerk makkelijk hanteerbaar te maken voor de onderzoeker, de uitkomsten beschikbaar te stellen aan het publiek en om de veldnamen voor de toekomst te behouden, werd elke afgesloten inventarisatie, het zogenoemde ‘veldwerk’ in een boekje gepubliceerd. Een en ander werd mede mogelijk gemaakt met financiële ondersteuning door de provincie Overijssel. Zo verscheen in 1980 als eerste in de reeks Veldnamen in Hasselt. Daarna zouden er nog 10 volgen met Veldnamen in Enschede als laatste in 1992. Hierna stopte de commissie met haar werk. In het beste geval zorgde een plaatselijke commissie ervoor dat het alsnog tot onderzoek en publicatie kwam. Het spreekt vanzelf dat die zich niet gebonden voelde aan de opzet van publicatie die door de veldnamencommissie was gehanteerd. Daarmee ging de gelijkvormigheid van publicatie helaas verloren.

Omslag van het eerste veldnamenboekje, Veldnamen in Hasselt, dat door de veldnamencommissie in 1980 werd uitgebracht.

Gebrek aan overzicht

Zo kon het gebeuren het dat we op dit moment over afgerond en gepubliceerd veldnamenonderzoek beschikken, over afgebroken of afgesloten maar niet gepubliceerd onderzoek, dat hier en daar nog onderzoek gaande is en dat er gebieden zijn waar het onderzoek nog zou moeten beginnen. Kortom, het beeld van het veldnamenonderzoek in Overijssel is volstrekt ondoorzichtig geworden. Als we daarbij bedenken dat het onderzoek is uitgevoerd in het pre-digitale tijdperk, dat veel veldnamenboekjes niet meer verkrijgbaar zijn, en dat met het einde van de commissie ook de regie over het onderzoek weg is, dan heeft de oude commissiedoelstelling om de resultaten zo breed mogelijk toegankelijk te maken en beschikbaar te stellen zijn geldigheid grotendeels verloren.

Verhalend landschap

Dit heeft de IJsselacademie doen besluiten om de stand van het veldnamenonderzoek in Overijssel te inventariseren en, als vervolgstap, te bekijken of het doenlijk zou zijn alles bij elkaar te brengen in één digitale gegevensbank, verbonden met één provinciale kaart. Op die manier zouden de resultaten van het veldnamenonderzoek pas echt breed en toegankelijk beschikbaar komen, zowel voor het publiek als voor wetenschappelijk vervolgonderzoek. Meteen worden dan ook de witte vlekken zichtbaar, dat wil zeggen de gebieden waar nog niets aan veldnamenonderzoek is gedaan. Door de kaart interactief te maken kunnen mensen worden uitgenodigd die witte vlekken in te vullen. Bovendien heeft één digitale gegevensbank met kaart tot voordeel dat veldnamen onderling vergeleken kunnen worden, ook over gemeentelijke grenzen heen, en dat het plaatselijke veldnamenonderzoek tot bovenlokaal niveau wordt opgetild.

Schetskaartje van het veldnamen- onderzoek in Overijssel langs de grenslijnen van de toenmalige gemeenten. In groen: gepubliceerd veldnamen- onderzoek, in blauw: uitgevoerd maar niet gepubliceerd, en in geel: veldnamen- onderzoek in uitvoering.

Locatieverhalen

Tegelijk kunnen we bij zo’n onderneming iets nieuws betrekken, namelijk de verhalen die gekoppeld zijn aan objecten in het landschap of de gebouwde omgeving. Hierbij doelen we op verhalen waarvan de oorsprong exclusief verbonden is met iets op de locatie. Dit geeft meteen ook de kwetsbaarheid van het voortbestaan van zo’n verhaal aan: zodra het ‘kapstokelement’ uit de omgeving verdwijnt gaat ook het verhaal verloren. Tijdens het project canonvanoverijssel.nl dat de IJsselacademie uitvoerde met plaatselijke canoncommissies kwamen mooie voorbeelden van locatieverhalen boven tafel.

‘Kerk open’

Ik geef een voorbeeld, weer uit het Vollenhoofse. Het kruis op de spits van de toren van de consistoriekamer van de Grote Kerk in Vollenhove fungeerde voor de vissers op zee als een kompas om veilig de thuishaven te bereiken. Bij een koers op de stand van het kruis, precies in het midden, tussen de twee dakpartijen van de kerk in, lukte het door de smalle vaargeul de haven in te varen. Deze manoeuvre was bij de vissers bekend onder de naam ‘de kerk open’. Dit locatieverhaal kan op de kaart worden gekoppeld aan de kerk van Vollenhove al is de zee inmiddels verdwenen.

Silhouet van de stad Vollenhove, gezien vanuit zee met ‘de kerk open’ (uit: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want. De zeilvisserij voor en na de afsluiting van de Zuiderzee, V (Franeker 1996) 43).

Behoud

Net als voor veldnamen geldt, zou het in kaart brengen van dergelijke verhalen bijdragen aan een zorgvuldiger omgang met de relatie landschap - geschiedenis en daarmee aan hun behoud. Een platform voor het vastleggen van locatieverhalen bestaat nog niet. De behoefte eraan wel, zo blijkt overduidelijk uit de informatiefolders, boekjes en kaarten die voor bezoek aan natuurgebieden en cultuurregio’s worden gemaakt. De digitale kaart kan daarvoor belangrijke informatie aandragen. Op termijn zou zelfs het boerderij- of ervenonderzoek dat op veel plaatsen is of wordt uitgevoerd kunnen aanhaken. Voor het ervenonderzoek in de regio’s Salland en Land van Vollenhove, die vergeleken met Twente hierin nogal achterlopen, zou van zo’n platform een stimulans kunnen uitgaan.

Belang

Bij het behoud van veld- en locatieverhalen is niet alleen het thuisgevoel van de plaatselijke bewoner of de kennis van de wetenschapper gebaat. Meer dan ooit wordt vandaag het belang ingezien van de eigenheid van een plaats of streek. Het besef is doorgedrongen dat een sterke identiteit welbevinden oplevert voor bewoners en kansen biedt voor toerisme en recreatie. Met andere woorden, er is zelfs een sociaaleconomisch nadeel in het geding bij verlies van verhalend landschap. Overheden willen daarom bij ruimtelijke ordening, meer dan in het verleden, rekening houden met historische structuren en achtergronden. De op te zetten gegevensbank met kaart kan alle belanghebbenden hiervoor de gewenste en benodigde informatie aanreiken.

Verkenning

Om erachter te komen of en zo ja waar succesvolle voorbeelden bestaan voor de opzet van een dergelijk programma is contact gezocht met Theo Spek, hoogleraar landschapsgeschiedenis en hoofd Kenniscentrum Landschap aan de Rijksuniversiteit Groningen. Met het oog op de wetenschappelijke bruikbaarheid van de gegevensbank werden door hem en zijn medewerkers aanbevelingen gedaan voor de informatie die per veldnaam zou moeten worden opgeslagen. Op zoek naar een geschikt kaartprogramma werd vervolgens contact gezocht met professor Hans Mol van de Fryske Akademy in Leeuwarden. Hans Mol is projectleider van het HisGis-project, dat de historische informatie van de eerste en nooit wijzigde kadastrale kaarten (minuutplans) en de bijbehorende gegevens over de percelen uit de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT’s) uit 1832 vastlegt in een digitaal kaartprogramma met georeferentie. HisGis lijkt goed te voldoen aan de vereisten voor de opzet van een interactieve digitale veldnamenkaart en is aantrekkelijk vanwege de minimale kosten.

Het gebied ten noordoosten van de stad Vollenhove als weergegeven op de eerste kadastrale kaarten uit 1832, na bewerking voor HisGis. In het bovenste olijfgroene vlak moeten we het Paleis zoeken.

Draagvlak

Een dergelijk ambitieus project kan uiteraard alleen met succes worden uitgevoerd als het op draagvlak kan rekenen. Op diverse momenten waar vertegenwoordigers van historische verenigingen bijeen waren is meermaals voorzichtig gepolst of zij het nut en belang ervan inzagen om de veldnamen, die veelal met hun betrokkenheid zijn verzameld en al of niet gepubliceerd, hiervoor te lenen. Het plan lijkt te kunnen rekenen op een brede en positieve ontvangst. Nu ook de inventarisatie van het veldnamenonderzoek in Overijssel is voltooid en een geschikt digitaal programma voorhanden is, kan worden nagedacht over de manier waarop het project het beste kan worden aangepakt.

Oproep

Instanties of personen die mee willen werken aan het realiseren van één veldnamenkaart voor Overijssel en de kenners van locatieverhalen worden van harte uitgenodigd om contact op te nemen met Jos Mooijweer, per mail jmooijweer@ijsselacademie.nl of per telefoon 038-4266385. Ook voor eventuele vragen en meer informatie kan men hier terecht.

Door Jos Mooijweer
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alledag

Eten met mes en vork

Wanneer werd de Overijsselaar zo keurig dat hij met mes en vork ging eten? En als je deze meest gebruikte voorwerpen uit het dagelijkse leven wilde kopen, waar moest je dan – bijvoorbeeld in Zwolle – zijn?

Lepel, mes en vork zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar toch heeft elk deel van het eetgerei een eigen ontstaansgeschiedenis. Messen werden al in het Stenen Tijdperk gebruikt bij de jacht om dierenhuiden af te halen. Het tafelmes was al in de tiende eeuw na Christus in Frankrijk een bekend gebruiksvoorwerp, maar het duurde tot in de twaalfde eeuw voordat het mes algemeen in gebruik was. Toch werden de tafels niet met messen gedekt. Het was namelijk gewoonte dat de gasten hun eigen mes meenamen, dat ze droegen in een versierde schede aan de gordel. Tot het einde van de zestiende eeuw at men het meest met de vingers.

Behalve messen werden in het middeleeuwse huishouden vrijwel alleen lepels als bestek gebruikt. Deze veertiende-eeuwse lepel is van brons. (Rijksmuseum van Oudheden)

Maar vingers waren niet geschikt om hete soep mee te eten. Vandaar dat er al vlug lepels ontstonden. Eerst was dat een lompe nap die van een steel werd voorzien. Rond 1100 hoorde men in Europa voor het eerst over de lepel.

De vork ontstond in het Verre Oosten en werd in 1611 door de handelaar Caryat in het Westen geïmporteerd. Hier kende men rond 1100 al een tweetandige vork, waarmee men het vlees vastpinde zodat het bij het snijden nergens heen kon. De drietandige vork van Caryat was toch niet populair omdat het sneller was om met de vingers te eten. In de loop van de tijd is er een vierde tand aan de vork toegevoegd, maar pas in de negentiende eeuw raakte de vork in zwang.

Een advertentie voor bestek in de Wehkamp-folder. (collectie HCO)

En waar kocht de Zwollenaar zijn bestek? Op verschillende plekken, maar vooral bij Tamse Wiertz aan de Oude Vismarkt, of bij Oldenhof aan het Gasthuisplein. Het familiebedrijf Oldenhof bestaat al sinds 1814 en hier kan men al bijna honderd jaar terecht voor de bekende bestekdozen.

De winkel van Tamse Wiertz aan de Oude Vismarkt in Zwolle, 1972. (collectie HCO)

De winkel van Oldenhof aan het Gasthuisplein in Zwolle. (collectie HCO)

Door Girbe Buist
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Palmyra: Stad van Duizend Zuilen in Deventer

In 1694 arriveerde het ruim vier meter lange schilderij ‘Zicht op Palmyra’ in het huis van de Deventer geleerde en burgemeester Gisbert Cuper (1644-1716). Het is de oudste verbeelding van de Syrische oase en staat aan het begin van de ontdekking van Palmyra door de Westerse wereld. Nu, meer dan driehonderd jaar later, heeft de stad niets van haar mythische aantrekkingskracht verloren. Door de recente verwoestingen in de stad heeft Palmyra wereldwijde bekendheid gekregen. Waar komt onze fascinatie voor deze oude stad vandaan? De tentoonstelling Palmyra toont de Syrische stad door de eeuwen heen. Van Gisbert Cuper en zijn schilderij – dat speciaal voor deze gelegenheid terugkeert naar Deventer – tot de recente gebeurtenissen. We zien de stad voortdurend veranderen: de Stad van Duizend Zuilen heeft vele gezichten.

Museum De Waag, Brink 56, Deventer Dinsdag t/m zondag 10:00-17:00, 11 november 2016 tot 12 februari 2017 

Door de redactie

Subsidie voor agrarisch erfgoed in Overijssel

Een steuntje in de rug voor boerderijeigenaren om historische boerenerven voor de toekomst te behouden. Dat is de insteek van een nieuwe subsidieregeling voor agrarisch erfgoed in Overijssel, opgezet door vier boerderijenstichtingen in de provincie.

Duizenden historische boerderijen en bijzondere bijgebouwen sieren het Overijsselse landschap. Door verlies van de agrarische functie verdwijnt dit erfgoed in rap tempo. Stichting IJsselhoeven, Sallands erfgoed, Twentse erven en Maarkels Landschap maken zich hard voor behoud en herbestemming van deze gebouwen.

Met steun van de IJsselacademie en Monumentenwacht hebben de boerderijenstichtingen een subsidieregeling opgezet onder de titel 'Beleef het boerenerf(goed)!' Boerderijeigenaren uit de hele provincie kunnen tot maximaal 40 procent van hun restauratiekosten vergoed krijgen. De aanmeldingstermijn loopt tot 15 november 2016. Het initiatief wordt mede mogelijk gemaakt door de provincie Overijssel.

Kijk voor de voorwaarden en het aanmeldingsformulier op www.ijsselacademie.nl.

Door de redactie

Portretten van Paul Citroen in Nijverdal

In de reeks FUNDATIEfusions is tot 31 december 2016 in de hal van het Huis voor Cultuur en Bestuur in Nijverdal een kleine tentoonstelling met portrettekeningen van Paul Citroen te zien. Paul Citroen (1896-1983) was één van de belangrijkste Nederlandse portretschilders van de twintigste eeuw. Hij studeerde in zijn geboortestad Berlijn en aan het Bauhaus in Weimar. Citroen kwam in 1928 naar Nederland, het land van zijn vader. Sinds de jaren dertig legde Citroen zich toe op het portretgenre, zowel in tekeningen en schilderijen als met foto’s. Door de jaren heen tekende en schilderde Citroen honderden portretten. Daaronder bevinden zich vele portretten van bekende Nederlanders. In de jaren zeventig werd Paul Citroen ook zelf een bekende Nederlander door als portrettekenaar op te treden in de veelbekeken TV-programma’s van Willem Duys. Citroen was geboeid door de mens die schuilging achter het bekende gezicht. Al tekenend en schilderend probeerde hij dieper door te dringen tot zijn modellen.

Tussen 1973-1995 is de hele nalatenschap van Paul Citroen in het provinciehuis terecht gekomen door bemiddeling van Adri Maaskant (1920-2006), PvdA-politicus en directeur van het Oversticht. De collectie wordt momenteel beheerd door Museum de Fundatie.

Door de redactie

Oude en nieuwe wijsheid - van Nico Kluwer tot Ankh-Hermes

In 1923 geeft Nico Kluwer in Deventer zijn eerste boek over oosterse wijsbegeerte uit. Hij publiceert tientallen boeken over soefisme en andere oosterse filosofische systemen. Nico is daarmee een pionier en wegbereider voor andere uitgevers. Na de Tweede Wereldoorlog wordt de N. Kluwer NV opgericht en begint Nico met een uiterst succesvolle reeks boeken over yoga. In de jaren zeventig richt zoon Paul Kluwer uitgeverij Ankh-Hermes op. Er volgt een stroom van boeken over spiritualiteit, esoterie, natuurvoeding, paranormale wetenschappen en gezondheid. Ankh-Hermes wordt een begrip. Topauteurs als Jan Foudraine, prinses Irene en Bhagwan gaven de nodige kleur aan het fonds dat uitgroeit tot meer dan tweeduizend titels. In 2016 schenkt Paul Kluwer het gehele fonds van Nico Kluwer en Ankh-Hermes aan de Athenaeumbibliotheek. In de tentoonstelling Oude en nieuwe wijsheid komen vele hoogtepunten en bijzondere uitgaven aan bod, vanaf 1923 tot heden.

Athenaeumbibliotheek Deventer – De schatkamer van Deventer Boekenstad Klooster 12 - 7411 NH Deventer Geopend van maandag tot en met vrijdag van 9.00 – 17.00 uur. Toegang gratis. Openingstijden kunnen afwijken in vakantieperiodes. Raadpleeg www.obdeventer.nl/athenaeumbibliotheek.

Expositie van 14 november  2016 – 20 januari 2017

Download de gratis app voor uitgebreide informatie over deze tentoonstelling: http://www.sab-app.nl/

Door de redactie

Expositie: geschiedenis van een handelsfamilie

Aan de hand van bijzondere verhalen, verkoopartikelen (waaronder veel speelgoed) en een kijkje in de privélaatjes van het directeursbureau, nemen we je mee op reis door de handelsgeschiedenis van de familie Simon. Begonnen ze anderhalve eeuw geleden als handelaars in huishoudelijke artikelen, nu hebben ze een groothandel in speelgoed.

De expositie vertelt het verhaal vanaf de eerste Simon tot aan vandaag de dag, waarin de vijfde generatie Simon aan het roer staat. En als je de verhalen van alle generaties in de expositie naast elkaar ziet, ontdek je misschien wel het geheim van het 150-jarig bestaan! De expositie is gratis te bezichtigen bij het Historisch Centrum Overijssel van 6 september t/m 9 december 2016.

Door de redactie

Gemeentearchief Borne sluit aan bij MijnStadMijnDorp

Het Gemeentearchief Borne gaat haar beeldbank ontsluiten via het Overijsselse Platform MijnStadMijnDorp. Op donderdagmiddag 29 september werd tussen de Gemeente Borne en het Historisch Centrum Overijssel (de beheerder van het platform) hiervoor een dienstverleningsovereenkomst getekend. Burgemeester van Borne Rob Welten en directeur van het Historisch Centrum Overijssel Arie Slob hebben de samenwerking toegelicht.

De Gemeente Borne zet deze stap om de bijzondere beelden uit de geschiedenis van de gemeente voor een groter publiek toegankelijk te maken. De gemeente wil de vindbaarheid verbeteren en door de beelden digitaal te presenteren via het platform wordt het bereik aanzienlijk groter. Via het digitale platform is de beeldbank gemakkelijk in te zien en te doorzoeken voor belangstellenden. De eerste beelden zullen naar verwachting al voor het einde van het jaar te vinden zijn op www.mijnstadmijndorp.nl.

Door de redactie
Beeld en geluid

Uit het youtube HCO kanaal

75 jaar Zwolse brandweer

In deze documentaire over het 75-jarig bestaan van de Zwolse brandweer in 1969 beeld de brandweer allerlei noodsituaties uit waar zij mee te maken krijgt.

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

Hongaarse vluchtelingen in Markelo

Precies 60 jaar geleden vond de Hongaarse Opstand plaats, die na een aantal weken bloedig werd neergeslagen door troepen van de Sovjet-Unie. Meer dan 200.000 Hongaren ontvluchtten hun land. Een aantal van hen kwam in het Twentse Markelo terecht. De Stichting Heemkunde Markelo heeft een foto in haar collectie waarop te zien is hoe inwoners van het dorp een krentenwegge aanbieden vanwege de geboorte van een kind van een Hongaarse vluchtelinge. Het meisje werd uit dankbaarheid Andrea Markoline (Muzsik) genoemd.

Door de redactie
Volgende pagina
. . . . . . . . . . .