MijnStadMijnDorp online magazine wordt geladen
Dit magazine is het best te bekijken in Internet explorer 9 of hoger, Firefox, Safari of Chrome

Edities

  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 1
    Juni 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 2
    Oktober 2013
  • Mijn Stad Mijn Dorp
    Nummer 3
    Januari 2014

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Met de pijltjestoetsen op uw toetsenbord kunt u van links naar rechts en van boven naar onder scrollen:

    keys
  2. Als u met de muis naar de rand van de pagina gaat, verschijnt er een donkergrijze balk met een pijl: als u daarop klikt gaat u naar links, rechts, boven of beneden.
  3. Aan de rechterkant bevindt zich een zwarte balk. Daarin staan alle pagina’s van boven naar beneden. Met de muis kunt u de pagina van uw keuze aanklikken. U kunt daar ook scrollen met uw muiswiel of slepen met uw muis.
  4. Bovenaan in de rechter kolom staan een aantal knoppen. Hieronder ziet u welke functie deze hebben.

    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  5. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Hoe bladert u door MijnStadMijnDorp online magazine?

  1. Door met uw vingers over het scherm te vegen (‘swipen’).
    Dit kan zowel van links naar rechts als van boven naar onder en vice versa.
  2. Via het rode blokje rechtsboven krijgt u meer mogelijkheden.
    Tik op het blokje of sleep het met uw vinger naar beneden:
    - bovenin verschijnt een rode balk waarin u kunt bladeren door te ‘swipen’.
    - midden onder verschijnen een aantal knoppen die u aan kunt tikken:
    • Ga naar voorpagina
    • Lees instructies
    • Bekijk vorige edities
  3. Verder komt u nog een paar andere knoppen tegen in het magazine:
    • klik hierop om een foto groter te bekijken.
    • klik op deze knop om een foto weer te sluiten.

Inhoudsopgave MijnStadMijnDorp online magazine

  • jaargang 1
  • nummer 1
  • juni 2013

Coververhaal

‘De Karst’ ontdekt in Hellendoorn het wielrennen

Naar de plek van ...

... Bert de Vries, directeur van het Historisch Centrum Overijssel

Geschiedenis van alle dag

Het geheim van de smid: van snijbonenmolen tot boxspring

Overijssel in boeken

De geschiedenis van Overijssel te boek

Overijsselaars van toen

De legendarische pastoor van Beckum

Colofon

Redactie

Menno van der Laan (HCO), Inge Zomer (HCO), Tonny Peters (Rijnbrink Groep) en Dinand Webbink (SAB)

Grafisch ontwerp

ZinOntwerpers (Zwolle)

Correspondenten

Ester Smit (HCO), Vincent Sleebe (VORG), Roland de Jong (HCO), Bert de Vries (HCO), Het Oversticht, Historische Kring Ommen, Stichting Sallands Erfgoed, Tonny Peters (weblog Transisalania)

Redactieadres

infomsmd@mijnstadmijndorp.nl

Beeldmateriaal

Wij hebben ons uiterste best gedaan de rechten met betrekking tot het beeldmateriaal te regelen volgens bepalingen van de Auteurswet.

Abonnement

Wilt u ook het MijnStadMijnDorp online magazine ontvangen? Meld u dan hier aan voor de mailing, dan wordt u automatisch op de hoogte gehouden van de volgende uitgave.

hcoverijssel

 

atheneum

 

rijnbrink

‘De Karst’ ontdekt in Hellendoorn het wielrennen

‘Jij wilt later zeker boer worden, hè?’ is een bekende vraag in een commercial voor broodbeleg. ‘En schaatser!’ antwoordt het jongetje. Zo moet het de gereformeerde notariszoon Gerben Karstens uit Leiderdorp ook vergaan zijn. Hij wilde niets liever dan boer worden en had bovendien een enorm talent voor schaatsen. Hij belandde zelfs in de Nederlandse kernploeg.

Maar een notariszoon die boer wil worden? Schoorvoetend stemde zijn vader in met de wens van zoonlief. Landbouwscholen waren er in of rond Leiderdorp blijkbaar niet, in Overijssel des te meer. Zo kwam de jonge Gerben terecht op de lagere Landbouwschool in Nijverdal. Ondertussen woonde en werkte hij bij boer Bartels in het naburige Hellendoorn. Gerben fietste elke dag keihard op en neer tussen school en boerderij. Want zijn vader had hem een racefiets gegeven. ‘Dat had ik nooit moeten doen’, zei hij later. Gerben, die droomde van een schaatscarrière, wilde in de zomer zijn conditie op peil houden en schaatsers deden en doen dat vooral op de fiets.

1975 Gerben Karstens haalt capriolen uit tijdens de Tour de France van 1975. Rechts Gerrie Kneteman.
(Foto: Cor Vos)

Ronde van Overijssel

Gerben Karstens ging voor de aardigheid meedoen met wielerwedstrijden. Wat bleek? Hij won altijd. Hij hield ervan om vanaf de start alleen op kop te rijden, maar bij een aankomst met meer was hij ook altijd de rapste. In 1958 kwam de Ronde van Overijssel door Hellendoorn. Gerben had geen licentie, maar fietste toch mee, zonder rugnummer. Natuurlijk was hij weer de snelste, zo wordt verteld, al telde de overwinning niet. Maar het stond nu vast voor Gerben: hij werd wielrenner. De Karst was geboren.

Olympisch kampioen

Geen schaatser dus. En boer? Ach, dat bleek toch ook niets voor hem te zijn. Hij had geen enkel geduld met de langzaam voortsjokkende koeien van boer Bartels. En wat voor een wielrenner werd hij. In 1964 werd hij in Tokio Olympisch kampioen 100 km ploegentijdrit op de weg. Twee jaar later Nederlands kampioen op de weg. Als sprinter won hij etappes in alle drie grote rondes. Zo won hij zes etappes in de Tour. Maar Gerben Karstens kennen we toch vooral als de grappenmaker van het peloton. Handstandjes op de fiets in de Ronde van Frankrijk tot grote ergernis van de Tourbazen. Een keer demarreerde hij keihard om zich even later in de bosjes te verstoppen en achteraan weer aan te sluiten, terwijl iedereen op zoek was naar de ontsnapte Karst, de clown van het wielerpeloton.

Door Dinand Webbink
Volgende pagina

Reacties

  • OaldHeldern Henk Webbink: ik herinner mij een wielrenwedstrijd in Hellendoorn, die Gerben met groot gemak won, waarschijnlijk in 1960. Iedereen mocht meedoen. In die tijd hadden 2 Hellendoorners een racefiets (een soort wereldwonder voor ons), nl. Johan Klink en Heinrich, de Duitser, die er overigens niet meer racete. 02-07-2013
  • OaldHeldern Marinus Klink: mijn broer Johan was zeker net zo goed als Gerben Karstens. Alleen, hij had geen rijke vader. Die racefiets kon hij nog net zelf betalen, maar toen de voorvork brak was het einde verhaal. 02-07-2013
Reageren? Klik hier

Hans Alma, reislustig journalist

De Zwolse journalist Hans Alma schreef in de jaren vijftig een vijftal reisverhalen. De van geboorte Hagenees (30 mei 1917) was aanvankelijk in de traditie van zijn familie officier in het leger. In 1946 werd hij redacteur bij de (toen nog) Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Alma bleek veelzijdig.

Hij stelde de sportpagina’s samen, schreef over kunst, en maakte paginagrote reportages over de meest uiteenlopende onderwerpen. Wanneer hij op pad was voor de reportages werd hij vergezeld door de Zwolse schilder en tekenaar Teun van der Veen, die de illustraties bij de artikelen verzorgde. In de zomer van 1950 kwam hij op het idee twee weken liftend zonder geld door de Benelux te trekken en daar reportages voor de krant over te maken. Ook Teun van der Veen ging mee. Ze voorzagen in hun levensonderhoud met goochelen en sneltekenen.

Teun van der Veen

Door deze reis en de enthousiaste reacties op de verhalen ontdekte Hans Alma een gat in de markt in het na-oorlogse Nederland: er was nauwelijks een boek te krijgen over toeristische reizen naar vreemde landen. Opnieuw met Teun van der Veen maakte hij een reis naar Spanje en schreef daarover ‘Carmen zonder make-up, een vrijmoedig verhaal over een vreemde reis naar het Spanje van heden’ (1952).

Daarna volgden nog vier boeken over zijn reizen in het Middellandse Zeegebied, die hij overigens alleen maakte:
- Waar Europa eindigt, tussen derwischen en trolleybussen in het land van Tito (1953)
- Marianne’s rokzoom, achter de coulissen van de Rivièra (1954)
- In de schaduw van Hellas, een ontmoeting met het Griekenland van heden (1955)
- De ongepoetste laars, een reis door Zuid-Italië en Sicilië (1958)

1958 De ongepoetste laars, een reis door Zuid-Italië en Sicilië

In zijn boeken speelde Alma zelf de hoofdrol, het waren geen reisgidsen. Hij beschreef de interactie met de lokale bevolking en gaf daarbij een beeld van de cultuur en van de typische gewoonten van de streken die hij bezocht. De verschillende ‘types’, die hij ontmoette beschreef hij uitvoerig. Hij schreef in lange zinnen en gebruikte veel bijvoeglijke naamwoorden. Zijn stijl en taalgebruik doen sterk denken aan Havank.

Het rooms-katholieke Lectuurrepertorium kon niet om hem heen maar waarschuwde haar lezers wel: zijn boeken waren ‘bohémien-achtige, doch suggestieve reisverhalen’.

Hans Alma maakte naam als schrijver en journalist. Hij stond op de nominatie om zijn hoofdredacteur van de Zwolse Courant op te volgen. Het liep anders. Op 25 april 1960 keerde hij met zijn gezin terug van een vakantie in Lugano, toen hij in de Ardennen op een brug frontaal op een vrachtwagen botste. Hans Alma en zijn vrouw overleefden het niet, hun zoontje bleef alleen achter.

De reisverhalen van Hans Alma zijn alle te leen bij de Overijsselcollectie van de Rijnbrinkgroep (voorheen OBD) te Nijverdal.

Biografische schetsen van Hans Alma en Teun van der Veen staan op de website WieiswieinOverijssel:
http://www.wieiswieinoverijssel.nl/details1.asp?id=301
http://www.wieiswieinoverijssel.nl/details1.asp?id=348

Door Tonny Peters
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Cultuurhistorie in Overijssel

Gids met acht fietsroutes langs boerenerven in Salland

De Stichting Sallands Erfgoed is opgericht om het streekeigen landschap van Salland met zijn oude boerenerven te behouden. Om al dat moois te laten zien komt er binnenkort een gids met acht fietsroutes.

Een rietgedekt Sallands boerderijtje

Op dit moment verdwijnt er in hoog tempo eeuwenoud Sallands cultureel erfgoed. Wat er nog staat, laten de mensen achter de stichting u graag zien. Het is een mooie manier om de streek te leren kennen. De fietsroutes worden samen met de historische verenigingen gemaakt en voeren langs boerderijen in heel Salland. Een aantal van deze boerderijen wordt ook beschreven. Er zijn veel verschillende typen boerderijen. Boerderijen uit dezelfde periode vertonen veel overeenkomsten. De agrarische geschiedenis is er vanaf te lezen. De routes leiden langs erven en katersteden, krukhuisboerderijen, dwarshuisboerderijen, traditionele boerderijen, wederopbouwboerderijen, en nog veel meer. Een boerderij staat nooit alleen. Er is een grote verscheidenheid aan bijgebouwen, zoals de kokhuisjes, karnhuisjes, hooibergen, haverbergen, kippenhokken en kapschuren. Met hier en daar nog een traditionele moestuin aan de voorzijde van de boerderij, aan de achterkant alleenstaande bomen zoals eik of kastanje, leilinden op het zuiden en houtwallen. Boerderijen waren vaak zelfvoorzienend. In natte gebieden werden ze op een terp gebouwd, zoals te zien is lans de IJssel. Boerderijen vormden een eigen kamp of met meerdere boerderijen samen een enk. Kortom er is veel te zien en te ontdekken tijdens een fietstocht langs boerenerven. De acht fietsroutes zijn vanaf 1 september ook te downloaden op www.stichtingsallandserfgoed.nl. Daar is ook meer informatie te vinden over Stichting Sallands Erfgoed en de boerderijen.

Door Maureen Fakkert

Acht nieuwe rijksmonumenten in Overijssel

In 2007 kwam minister Plasterk met zijn zogenoemde top 100 van potentiële ‘rijksmonumenten van de Wederopbouw’. Dat was een eerste selectie van bouwwerken uit de periode 1940-1958, toen er enorm veel gebouwd is in Nederland. Voor Overijssel stond alleen het St.-Jozefziekenhuis in Deventer uit 1957 op de lijst.

Onlangs wees het Rijk dertig ‘gebieden van de Wederopbouw’ aan, die speciale aandacht verdienden. Bovendien werd er nu voor de periode 1959-1965 een lijst van bijna 100 ‘potentiële rijksmonumenten’ geselecteerd. Overijssel viel nu iets vaker in de prijzen. De acht Overijsselse voorgedragen monumenten – ze zijn het nog niet officieel - vallen:
1. het NS-station van Almelo uit 1962 door K. van der Gaast en J.H. Baas;
2. een deel van de Tuinen van Mien Ruys in Dedemsvaart uit 1960;
3. de patiostudentenwoningen van de Technische Hogeschool Twente in Enschede uit 1964 door H.P.C. Haan;
4. het Purfina-tankstation in Enschede uit 1961 door Sybold van Ravesteyn;
5. het Kantoor van Schrale’s Beton in Zwolle uit 1960 door Gerrit Rietveld;
6. het Raadhuis van Hengelo uit 1963 door J.F. Berghoef en J.F. Hondius;
7. de Europatunnel in Hengelo uit 1960 door S. van Ravesteyn;
8. de Sint-Raphaëlkerk in Hengelo uit 1959 door H.J. van Wissen.

In Overijssel was al langer belangstelling voor de Wederopbouw. Enkele jaren terug bestudeerde Het Oversticht al in opdracht van de provincie wat er aan naoorlogs erfgoed was overgebleven. Dat mondde uit in diverse publicaties. Zie voor meer informatie hierover www.oversticht.nl

Door Gesien van Altena

Vereniging voor het voetlicht: Historische Kring Ommen

De Historische Kring Ommen (HKO) werd opgericht in januari 1997 en heeft ruim zevenhonderd leden. Een deel ervan is actief in een van de werkgroepen: boerderij- en veldnamen (1), genealogie (2), audiovisueel (3), dialect (4), historisch rijwiel Ommen (5), klederdrachten (6) en Tweede Wereldoorlog (7). De HKO was oorspronkelijk gevestigd in het Streekmuseum in molen Den Oordt.

1954 De Darde Klokke
De Darde Klokke anno nu

Eind jaren ’90 werd de HKO vervolgens ondergebracht in het oude Foekerthuis aan de Julianastraat, niet ver van de Vechtbrug. Het Foekerthuis was het voormalige huis van de laatste beroepsvisser op de Vecht. Nadat het onbewoonbaar was verklaard zag de HKO zich genoodzaakt haar inventaris elders onder te brengen. Zo volgde rond de eeuwwisseling de verhuizing naar de vroegere Laarakkersschool aan de Nering Bögelstraat. In 2009 trok de HKO tijdelijk in in het overbodig geworden pand van schilder Van Elburg aan de Schurinkstraat 22b. Zomer 2013 verkast de HKO opnieuw, nu naar een hopelijk een iets standvastigere locatie, een van de ruimten van de Carrousel, het multifunctionele gebouw aan het Carrouselplein.

De Historische Kring Ommen werkt nauw samen met de Stichting De Darde Klokke en de Gemienschop van Oll Ommer. De belangrijkste publicatie is ook ‘De Darde Klokke’, het ‘drie moandeleks tiedschrift veur Ommen’. De Darde Klokke kwam voor het eerst uit in januari 1954. Het ging om een gestencild blaadje van vier kantjes. Het was destijds een ‘maondblad’ dat enigszins tegenstrijdig één keer per twee maanden uitkwam. In 1962 begon De Darde Klokke onregelmatig te verschijnen, in oktober van dat jaar staakte de uitgave zelfs geheel. In 1971 werd het tijdschrift nieuw leven ingeblazen. Belangrijkste schrijvers werden Martend Makkinga (‘M.M.”), zijn broer Dieks, E. ten Tooren en de tuinman/amateurhistoricus Evert Dijk. Langzaam maar zeker werd het allemaal professioneler en anno 2013 is De Darde Klokke een kwartaalblad vol historisch verantwoorde verhalen en foto’s over en van het Ommen van vroeger. Voor meer informatie hierover: www.hko-ommen.nl en www.oudommen.nl.

De Darde Klokke

‘De Darde Klokke’ verwijst naar de klokken in de toren van de hervormde kerk. Dat zijn er twee, maar de overlevering wil dat het er ooit drie waren. Sommigen beweren dat Kozakken de darde klokke uit de toren haalden en ‘m op een wagen naar Zwolle wilden brengen, zodat deze aldaar voor veel geld kon worden verkocht. In Varsen konden de paarden door de slechte weg de kar niet meer trekken. De klok werd vervolgens teruggebracht en in een schip geladen dat in de Burggraven lag. De zware klok zakte door de bodem van het schip en verdween in de Burggraven. Anderen geloven dat de bisschop van Münster (Bommen Berend) in 1672 de klok mee wilde nemen naar Münster. De klok werd op de wagen gezet, die over de Hessenweg naar Hardenberg zou rijden. De wagen brak echter onderweg. De Staatse troepen kwamen er ondertussen aan en er was geen tijd meer om nog een andere wagen te laten komen. De klok werd daarom zomaar in Den Lagen Oordt gedumpt, dat in die tijd erg drassig was. Weer anderen geloven heilig dat de klok zich in een kolk bij molen Den Oordt bevindt. Tja, wie heeft gelijk? Misschien is het wel goed dat het mysterie in stand blijft… De Darde Klokke heeft nog veel meer te vertellen. Elke drie maanden krijgen de abonnees daarvan het bewijs.

Door Mannes Schoppink
Volgende pagina

Fotograaf Wesselius: op reis in Overijssel

‘Zijn het er nou 300 of 302?’ ‘Weet ik niet, tel maar even’. ‘Ja, en laten we ze dan ook verpakken volgens de kwaliteitsnorm’. Na het tellen bleken het er 301 te zijn. Een leuk digitaliseringsproject. Ze lagen in het quarantainedepot te wachten om ontsloten te worden. Afgelopen maand kwam die droom uit.

In 2001 overleed de fotograaf Adrianus Wesselius, die geboren was in 1910. Hij was zijn leven lang fotograaf in Enkhuizen en vooral bekend op regionaal niveau. Dat zegt echter niets over zijn kwaliteiten als fotograaf. Zijn dochter had dat goed in de gaten. Ze besloot na het overlijden van haar vader dat de afbeeldingen voor het nageslacht bewaard moesten blijven en schonk de dia’s mét de rechten aan Historisch Centrum Overijssel.

Zoals blijkt uit zijn afbeeldingen hield Wesselius veel van Overijssel. Hij heeft er tussen 1974 en 1976 veel gefotografeerd. Aan de hand van de foto’s die hij gemaakt heeft, kunnen we zien dat hij in feite een rondreis door Overijssel maakte. Of hij de reis in een keer heeft gemaakt is niet bekend, maar aan de volgorde van de dia’s lijkt het of hij twee reizen heeft afgelegd. De eerste dia’s zijn van de hoofdstad. De fotograaf had oog voor oude architectuur, maar ook nieuwbouw legde hij mooi vast. Hij ging verder naar de polder en Urk, toen nog onderdeel van Overijssel, waar hij vrouwen in klederdracht fotografeerde. Via Kampereiland, Kampen, de buitenkant van de poort in Kampen is nog wit, en langs de IJssel deed hij Zwolle weer aan. Binnensteden zijn nog verpauperd; in ‘the seventies’ werd de historische waarde daarvan nog anders ingeschat, Wesselius wist wel een zekere sfeer in beeld te vangen. Dan naar Twente, langs het prachtige Mander, richting Duitse grens. Hij maakte foto’s van Singraven, de molen daar, van de natuurgebieden bij de Dinkel. Een volgend reisrondje maakte hij via Ossenzijl, Genemuiden, Staphorst, Giethoorn en Blokzijl.

Dankzij deze diacollectie krijgen we een goed beeld van Overijssel van zo’n veertig jaar geleden en hoe gevarieerd deze prachtige provincie was en is. We zien prachtige plekken door de ogen van een nieuwsgierige reiziger. Het is alsof je een zomerse vakantie beleeft. Veel plekken zijn nog goed herkenbaar. Er is echter een mysterie. Een dorp, met een doorgaande weg en aan de linkerkant een winkel waar je chocolade en ijs kunt kopen. Waar is dit? Wie helpt het mysterie op te lossen van DIA016498? De afbeelding is te vinden in de beeldbank onder nummer DIA016498. Alle informatie over deze onbekende afbeelding is welkom. De beste inzending wordt beloond; wie juiste informatie kan leveren krijgt een prijs, met (indien gewenst) een eervolle vermelding in de beeldbank van Historisch Centrum Overijssel.

Wie meer afbeeldingen van Adrianus Wesselius wil bekijken kan naar de beeldbank van HCO: http://beeldbank.historischcentrumoverijssel.nl/publiek en zoek op Wesselius of onder nummer DIA016293 t/m DIA016593.

Door Ester Smit
Volgende pagina

Reacties

  • Marten Wink HVA Dedemsvaart Mijn complimenten. Ziet er heel goed uit. Leuke onderwerpen. 25-06-2013
  • Jan Spoolder Gefeliciteerd met de nieuwe site. De onbekende foto is gemaakt in Denekamp, het is de Nordhornsestraat naar het noorden. http://goo.gl/maps/iGOl2 02-07-2013
Reageren? Klik hier

Paviljoen Zwemlust: Vollenhove, badplaats van het oosten

Op de zonovergoten Tweede Pinksterdag van 1933 zag het aan het Vollenhoofse strand zwart van de mensen. Maar liefst 4.000 badgasten genoten van het warme weer en de zee, bijna driemaal zoveel als het inwonertal van de stad. Het pas geopende paviljoen Zwemlust met zijn toeristische voorzieningen deed uitstekende zaken. Vollenhove maakte snel naam als dé oostelijke badplaats aan de Zuiderzee.

Strandvertier in Vollenhove bij paviljoen Zwemlust in de jaren ’30. We zien T-Fordjes van badgasten die per auto zijn gearriveerd, een boot die aan de pier is aangemeerd om strandgasten te brengen, en een baggervaartuig die de aanleg van de Noordoostpolder aankondigt. (Ansichtkaarten, particuliere collectie)

Het Zuiderzeestrand bij Vollenhove trok in de jaren ’30 van de vorige eeuw steeds meer dagjesmensen. De noordwestflank van de Voorst bood door zijn hoogte en beschutting kans op een heerlijk verblijf in de zon. Het paalscherm, dat eeuwenlang de kust tegen afslag had beschermd, werd door de komst van de Afsluitdijk overbodig en verdween langzamerhand zodat de golven ook het strand bereikten. De Vollenhoofse ondernemers Luut de Lange en Barend Velsen roken hun kans en zagen handel in de vele bezoekers. In het voorjaar van 1933 begonnen zij een paviljoen met een tiental badhokjes, een tennisbaan, afgebakend zwemwater en de verhuur van roeibootjes. De feestelijke opening vond plaats op 24 mei, waarbij burgemeester Ten Cate “breede perspectieven” zag voor niet alleen de exploitanten van het paviljoen, maar ook voor “andere neringdoenden” in “dit door de droogmaking van de Zuiderzee zoo zeer gedupeerde plaatsje”. Ten Cate doelde hiermee op de pas gedichte Afsluitdijk die het voor de Vollenhoofse vissers moeilijk maakte om uit te varen en aan de kost te komen.

Het nieuwe paviljoen bleek een schot in de roos. Tijdens de pinksterdagen twee weken later kwamen er meer mensen dan ooit tevoren en de hele zomer daarna bleef het druk. Voor het volgende seizoen werden er zelfs badhokjes bijgebouwd, de aanlegsteiger voor boten vergroot en de fietsenstalling onderging een uitbreiding. De vervoersmaatschappij Zwolle-Blokzijl verkocht in samenwerking met het paviljoen speciaal eendaagse retourbiljetten, die tevens toegang gaven tot het bad. Enkele zomers lang arriveerden bussen vol dagjesmensen uit de wijde regio om van de zon, de zee en het strand te genieten.

Desondanks werd de hoop van burgemeester Ten Cate op nieuwe economische voorspoed voor Vollenhove uiteindelijk de kop in gedrukt. De afdamming van de Zuiderzee, gevolgd door de aanleg van de Noordoostpolder, bleek niet alleen voor de Vollenhoofse visserij funest. Ook Zwemlust kreeg met de ontginningswerkzaamheden te maken. In 1937 verschenen de eerste baggeraars voor de aanleg van de ringdijk van de nieuwe polder. Hierdoor verdween het mooie uitzicht en vermoedelijk ook het heldere water. In het najaar van 1940 werd de dijk gedicht, waarna met het droogmalen kon worden begonnen. De dagen met duizenden bezoekers op het strand waren voorgoed voorbij. Het paviljoen werd gesloten en ingericht als woonhuis.

Door Martin van der Linde
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Media

Uit het youtube HCO kanaal

1960 – Zomervakantie in Denemarken

Een vakantiefilm met diverse beelden van o.a. de bootreis, de Deense hoofdstad Kopenhagen, mensen in een park, paleiswachters, een picknick, met de auto langs een snelweg en een strandbezoek...

Meest recent toegevoegd

Uit de beeldbank van...

... het Historisch Centrum Overijssel (HCO)

Het is 25 mei 1913. Een club vrienden en kennissen tuft met twee auto’s op weg vanuit Zwolle richting de Veluwe.

Een automobiel was toen nog een zeldzaam fenomeen, bestemd voor de allerrijksten. Een van de heren is G.J.Wispelweij, een rijke industrieel en amateurfotograaf. Ter hoogte van de Woeste Hoeve, even voorbij Apeldoorn stopt het gezelschap en schiet een kiek. Gerrit Wispelweij zit met zijn vrouw op de achterbank van de eerste auto. Een vriendin, Nora Wigman maakt deze foto. Voor die tijd een bijzondere en dure hobby, net als de auto, alleen weggelegd voor rijke mensen. Verteld wordt dat ze zouden zijn gestopt vanwege een lekke band.

Klik hier voor meer foto’s uit de beeldbank van het HCO.

Overijssel in boeken

‘Oonze Jehanna’ geeft nieuwe kijk op streektaaldichteres

Boek van Dinand Webbink completeert het beeld van ‘Oonze Jehanna’ van Buren.

Dinand Webbink, cultuurhistorisch medewerker bij Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek in Deventer, heeft al een flink aantal historische publicaties op zijn naam staan. In april verscheen een boek dat alleen door hem geschreven kon worden. Veel is er al geschreven over de Hellendoornse dichteres Johanna van Buren, die ook na haar overlijden in 1962 onverminderd populair bleef. Dinand Webbink deed de laatste tien jaar diepgravend onderzoek en maakte daarbij gebruik van foto’s, gedichten, radio-interviews, brieven en een poezie-album dat Johanna in haar jongste jaren bezat. Het werd tijd de verworven kennis in een nieuw boek, Oonze Jehanna: Johanna van Buren en haar lezers, te publiceren.

Gedichten in de krant

Johanna van Buren was zo geliefd in Twente en Salland dat er straten naar haar werden genoemd, een standbeeld werd opgericht, een cultuurprijs haar naam draagt en dat haar gedichten op muziek zijn gezet. Dat zij zo’n status zou krijgen, lag niet voor de hand, want zij had niet meer dan lagere school. Ze verdiende de kost als thuisnaaister en later ook als medewerkster op het postkantoor. Wel bleek ze al vroeg talent te hebben om gedichten te schrijven. Of eigenlijk gelegenheidsverzen bij heugelijke gebeurtenissen als verjaardagen en jubilea. Pas op 44-jarige leeftijd debuteerde ze in 1926 in het Twentsch Volksblad. Daarna verscheen wekelijks tot eind 1953 ‘een leedtie’ van haar in het Twentsch Zondagsblad en later Dagblad van het Oosten. Ze werd zeer populair bij het gewone lezersvolk, maar ook gestudeerde lezers met kennis van de literatuur konden haar waarderen.

De eerste helft van haar leven

In Oonze Jehanna schetst Dinand Webbink de eerste helft van haar leven, toen ze nog nauwelijks bekend was. Deze periode was van groot belang voor haar latere dichterschap. Volgens de auteur komt er in veel boeken over haar wel een wat eenzijdig beeld naar voren als ware zij ‘de moeder aller streektaaldichters’.
‘Dat zij als kunstenares twijfelde aan haar dichterschap is veel minder bekend. En dat zij als mens met allerlei levensvragen worstelde evenmin’, aldus Webbink. De dichteres ging alleen door het leven en had ook haar moeilijke momenten. Daar liep ze niet mee te koop, maar wie haar gedichten goed leest, haalt de bewuste strofen eruit, meent Dinand Webbink. Oonze Johanna is een welkome aanvulling op de bestaande literatuur over de geliefde dichteres.

ISBN 978 90 7627 226 9 | 144 pag. | € 14,50

Door Tonny Peters

Opnieuw een spannende historische thriller van Almar Otten

Almar Otten schrijft historische thrillers, ofwel fictie geworteld in de geschiedenis. Zijn eerste, De afstammeling, werd wel ontvangen als de ‘Deventer Da Vinci Code’. Met zijn tweede, Blauw goud, sleepte hij de Diamanten Kogel 2012, de prijs voor de beste Nederlandstalige thriller, in de wacht. In maart van dit jaar verscheen Jeugdzonde, waarvoor hij opnieuw lovende kritieken ontving.

De afstammeling

De afstammeling gaat over een luie en arrogante Utrechtse professor, diens promovendus, die in allerlei avonturen verzeild raakt en zonder het te beseffen een grote ontdekking doet, een medewerkster van de Athenaeumbibliotheek, die de mysterieuze dood van een vriend probeert op te lossen, en over (oer)oude Duitse adel. Alles blijkt met elkaar te maken te hebben.

Het boek begint met een veldslag waarbij duizenden Saksen door het Frankische leger van Karel de Grote over de kling worden gejaagd. De monnik Lebuinus is daarbij aanwezig en hij waarschuwt de Saksische leider Widukind. Widukind is weer de stamvader is van een Duitse edelman met gevaarlijke ideeën. De hoofdrolspelers raken verzeild in een levensgevaarlijke zoektocht in en rond Deventer.

ISBN 978 90 2180 859 8 | 383 pag. | € 18,95

Door Tonny Peters

Blauw goud

In het juryrapport bij de Diamanten Kogel 2012 staat over Blauw Goud: ‘Blauw Goud is een echte paginadraaier met levendige en geloofwaardige personages en waarin een middeleeuws boek, corruptie en macht een rol spelen. Otten ontvouwt het mysterie voor zijn lezers in een langzaam maar goed gedoseerd tempo. En elke stap die daarbij wordt gezet, elk brokje informatie dat prijs wordt gegeven roept weer andere vragen op. Op die manier creëert hij steeds weer nieuwe spanning. De plot van Blauw Goud is complex maar zit doordacht in elkaar. De sfeer van de jaren zeventig en tachtig en de maatschappelijke en historische achtergronden ervan worden erg sterk en sfeervol uitgetekend. Het onverwachte einde is niet voor de hand liggend, maar wel aannemelijk. De auteur vermijdt terecht een gemakkelijk en goedkoop ‘happy end’.’

ISBN 978 90 2180 630 3 | 334 pag. | € 18,95

Door Tonny Peters

Jeugdzonde

De figuur Lineke Tesinga, historica, verantwoordelijk voor de middeleeuwse collectie van de Atheneumbibliotheek, krijgt in de serie een steeds belangrijker rol. In Jeugdzonde spelen zij en haar vriendin Laura de hoofdrol. Opnieuw kiest de auteur voor een historisch gegeven dat een oorzakelijk verband heeft met het heden. Een gestolen archiefstuk, een verboden manuscript, de oude wijsgeer Spinoza, apocalyptische scènes, ontvoering en moord en dat alles tegen de achtergrond van een streng gereformeerd milieu vormen de ingrediënten van dit boek.
Voor liefhebbers van geschiedenis én van thrillers zijn de boeken van Almar Otten een must. De boeken lenen zich uitstekend voor lange zomeravonden of om mee te nemen op vakantie.

ISBN 978 90 2180 851 2 | 335 pag. | € 18,95

Door Tonny Peters

80 Zwollenaren vertellen over hun leven

Fotograaf Joop van Putten stelde een prachtig boek samen aan de hand van interviews met 80 80-jarigen uit Zwolle. ‘Uit respect en nieuwsgierigheid’, zoals hijzelf zegt.
80 jaar in Zwolle is een prachtig vormgegeven boek vol karakteristieke portretten, oude foto’s en Zwolse verhalen van een sterke generatie.
De levens van 80 geboren en getogen Zwollenaren van 80 jaar en ouder zijn verweven met de ontwikkeling van Zwolle in de laatste eeuw. De mannen en vrouwen in dit boek zijn geboren tussen 1916 en 1932. Zij laten hun stad zien. Wat is verdwenen en wat is gebleven?

ISBN 978 90 663 0338 6 | 168 pag. | € 24,95

Door Tonny Peters

Tussen Steenwijk en Blokzijl: de wereld van bakker Jonkman

Lijvig boekwerk van Jaap Houwer, die in een groot aantal artikelen over diverse onderwerpen de geschiedenis van het gebied van zijn voorouders beschrijft: de buurtschappen Wetering, Muggenbeet en Nederland. Veel foto’s vullen de tekst aan. Geen wetenschappelijk werk maar juist door de aandacht voor families, personen en het dagelijks leven in dit voormalig hoogveengebied, een rijk bezit voor wie zijn roots in dit gebied heeft liggen.

765 pag. | € 45,-

Door Tonny Peters

Almelo frontstad: de bevrijding van Twente

C.B. Cornelissen publiceerde al veel over de Tweede Wereldoorlog in Twente. In dit van veel foto’s voorziene boek beschrijft hij de bevrijding van Twente van dag tot dag (1 tot 10 april 1945). Veel nadruk ligt op de gebeurtenissen rond Almelo. Niet verwonderlijk want het gebied tussen Almelo en Wierden vormde in die dagen de zwaarst bevochten sector, waar de strijd vijf dagen lang op en neer golfde. Er vielen relatief veel slachtoffers en de Almelose bevolking bevond zich letterlijk tussen twee vuren.

ISBN 978 94 9164 004 9 | 175 p. € 34,95

Door Tonny Peters

Tuinen en parken in Vollenhove

De stad Vollenhove is rijk aan historisch groen en een mooi rijk geïllustreerd overzicht hiervan is te vinden in deze uitgave van de IJsselacademie. Auteur Jan B. Wester beschrijft niet alleen de totstandkoming en de ontwikkeling van de tuinen en parken, maar ook de huidige situatie. Ook uitstekend te gebruiken als wandelgids.

ISBN 978 90 6697 231 5 | 88 pag.| € 9,95

Door Tonny Peters

Heren op het land: buitenplaatsen van Twentse textielfabrikanten

Eindredacteur Mascha van Damme van het Oversticht verklaart de hang naar het platteland van de textielfabrikanten aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw uit het feit dat hun vaders en grootvaders als fabrikeurs langs de boerderijen getrokken waren en er de jacht beoefenden. De veelal dialect sprekende fabrikanten hadden een band met het landelijke Twente. Natuurlijk boden de villa’s op de aangekochte landgoederen ook de kans de stinkende en lawaaiige fabriekssteden te ontvluchten. Het Twentse land werd heringericht met kapitaal verdiend in de textiel. Op bijna elke heuveltop verscheen een villa – meestal niet protserig, maar gebouwd met Twentse invloeden en cottage-achtige elementen. Landgoederen werden gesticht compleet met boerderijen, tuinen, jachtgelegenheid, vijvers en theekoepels. Het huidige Twentse landschap heeft honderd jaar geleden haar gezicht gekregen. Prachtig boek met veel illustraties.

ISBN 978 94 9119 630 0 | 208 pag. | € 29,95

Door Tonny Peters
Volgende pagina
Naar de plek van...

Bert de Vries, directeur van het Historisch Centrum Overijssel

‘U ziet het Zwarte Water vanaf de Mastenbroekerbrug in Zwolle. We kijken richting Hasselt. De eerste keer dat ik op mijn fiets naar het Historisch Centrum Overijssel fietste, keek ik naar rechts om het uitzicht richting Hasselt te bewonderen. Links de Hasselterdijk, rechts het Westerveldse Bos, de oude vuilstort.’

‘Het Zwarte Water is een 19 kilometer lange rivier in de Nederlandse provincie Overijssel. De oorsprong ligt in Zwolle, waar het ontstaat uit de Soestwetering en de Nieuwe Wetering. De rivier mondt uit in het Zwarte Meer. Het door Baron van Dedem gegraven kanaal de Dedemsvaart mondt uit in het Zwarte Water.

Het Zwarte Water dat zich een stukje verder samenvoegt met de Overijsselse Vecht was een belangrijke rivier voor Zwolle al vanaf de Middeleeuwen. Na het ontstaan van de Zuiderzee in de 13de eeuw was het Zwarte Water niet meer alleen van belang voor de visserij. De rivier groeide uit tot een belangrijke doorgangsroute voor handelaren en schippers. Aan het Rode Toren plein werden schepen geladen en gelost en voeren schepen richting Hasselt en Genemuiden richting de Zuiderzee. Wat de IJssel was voor Kampen was het Zwarte Water lange tijd voor Zwolle.

Nu fiets ik erover heen en geniet van dat prachtige uitzicht richting Hasselt. Het Zwarte Water, een historische rivier, een genot om naar te kijken ook fietsend langs de Hasselterdijk.’

Door Bert de Vries
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier
Overijsselaars van toen

De legendarische pastoor van Beckum

Chrisjaan Osse (Losser 1865) was dorpspastoor van Beckum en vervulde zijn ambt op ongewone wijze. Hij werd door de bevolking van Beckum uitsluitend aangesproken als ‘Heeroom’. Hij vervulde zijn functie van 1907 tot zijn dood in 1940. Talrijk zijn de anekdotes over hem.

Pastoor Chrisjaan Osse van Beckum

Studeren ging hem goed af

Zijn moeder overleed bij zijn geboorte. De vier broertjes en zusjes van Chrisjaan overleden alle op zeer jonge leeftijd. Zijn vader hertrouwde en Chrisjaan kreeg nog zeven (half)broers en (half)zusjes. Het was zijn wens naar het seminarie te gaan, het studeren ging hem goed af. In 1891 werd hij tot priester gewijd. Na Reutum en Arnhem, waar hij assistent-kapelaan was, volgde Haarle (1893-1895), waar hij met zoveel plezier werkte dat hij er wilde blijven. De bisschop besliste anders. Hij werd kapelaan in Saasveld, Zeddam, Maarssen, Uithuizen en Beltrum, tot hij ten slotte in 1907 tot pastoor van Beckum benoemd werd.

Legendarische figuur

Hij werd al tijdens zijn leven legendarisch door zijn voor die tijd ongewoon optreden als pastoor. Hij kende geen onderscheid in rang en stand en ook niet in religie. Hij sprak gewoonlijk Twents en begon de mis met ‘Leu, goat zitten’. Preken deed hij uit de losse pols, tot ongenoegen van de aanwezigen omdat het betoog vaak ellenlang was en vol vreemde kronkels zat. Aan het eind snapte niemand er nog wat van. In de oogsttijd hield hij het met opzet wel kort. Ook doorspekte hij zijn preken met zijn eigen mening en kwamen er zaken ter sprake die door zijn collega’s nooit in een preek zouden worden verwerkt. Toen hij eens wegens stropen bekeurd was door een jachtopziener, vroeg hij tijdens de preek: ‘Wat is een jachtopziener? Jachtopzieners schieten hazen en konijnen en daarbij ook bokken’.

Franciscus van Assisi was Osse’s grote voorbeeld. Hij leefde sober en kleding en uiterlijk vertoon interesseerden hem niet. Zo liep hij tijdens een processie in Kevelaer met een groot gat in zijn kous onder zijn kuitbroek. Hij begreep niet waarom men zich daar druk over maakte.

Ongewone hobby’s

Jagen, stropen en vissen waren zijn grote hobby’s, vaak in gezelschap van dorpsgenoten. Maar hij jaagde ook met de Van Heeks en andere Twentse notabelen. Hij vroeg graag mensen te eten als hij wild geschoten had. Hij kookte dan zelf, niet zijn huishoudster. Pastoor Osse was een voorstander van algemeen openbaar onderwijs voor iedere gezindte. Met de katholieke onderwijzers in het dorp boterde het dan ook niet altijd. Na een wild-diner met een paar onderwijzers vroeg hij of ze wisten wat ze gegeten hadden. Het was toch haas? Bijna goed: het was dakhaas (kat) en hij toonde zijn gasten een kattenvel. Niemand weet of hij het vel van een overleden kat had getoond - het opzetten van dieren was ook één van zijn hobby’s – of dat er echt kat op het menu had gestaan.

Hij reisde graag, niet alleen naar Rome maar ook naar Amerika, een land dat hij bewonderde ‘omdat iedereen van welke rang of stand ook, gelijk was.

Nieuwe kerk

Toen de oude kerk van Beckum moest worden vervangen, maakte pastoor Osse een ontwerp voor een nieuwe kerk met de hoogste toren van Twente. Het plan werd afgewezen. Toch hield hij een collecte met de volgende woorden: ‘Leu ’t geet zo niet langer, as ’t dak (van de oude kerk) noar beneden pleert, dan goat d’r dreehonderd boeren dood en moar eenen pastoor.’ Bij collecte keek hij overigens de andere kant op. Hij hoefde niet te zien wat men gaf, die kerk kwam er toch, op welke manier dan ook. Zo verkocht hij fruit uit zijn boomgaard ten behoeve van de kerk.

Van verzuiling moest Heeroom Osse niets hebben. In de herfst stond een bord in de tuin van de pastorie: ‘te koop appels en peren, ook voor gereformeerden’.

Revolutionaire taalmethode

Pastoor Osse had één hobby waarvan slechts intimi op de hoogte waren: schrijven. Hij schreef hele verhandelingen over taal en ontwikkelde een taalmethode om zijn theorie over het leren van taal in praktijk te brengen. De methode kwam grofweg neer op: leer kinderen op jonge leeftijd Latijn (ook het spreken) en met zijn lesmethode zijn ze in staat gemakkelijk meer vreemde talen te leren.

Eén menschentaal!, de lesmethode van pastoor Osse

Over weinigen zijn zoveel anekdotes bekend dan over pastoor Osse, toch was hij volgens biograaf Rinus Scholten geen lolbroek of grappenmaker. Hij was een rustig en sociaal-voelend man met droge humor.

Door Tonny Peters
Volgende pagina

Reacties

  • Antoon Engelbertink Goed verhaal. Ben benieuwd naar de andere anekdotes. 25-06-2013
  • Antoon Engelbertink Heb even gezocht op wiewaswie.nl Christianus Egbertus Osse is inderdaad geboren in 1865 maar zijn moeder Hermina Keilvers is niet bij zijn geboorte overleden maar op 28-10-1868. De pastoor is 75 jaar geworden en overleden op 6-9-1940. 25-06-2013
  • Antoon Engelbertink Goed, dan de kwestie helemaal opgelost! Moeder Hermina Keilvers overleed op 28-10-1868 in het kraambed. Ze was bevallen van een tweeling. Hermina Maria overleed na 26 dagen op 23-11-1868 en haar zusje Christina Veronika na ruim 1 maand op 2-12-1868. Nicolaas Johannes, 4 jaar, stierf op 12-6-1867. Johannes Bernardus, 6 jaar, stierf op 26-5-1870 Diena Hendrika Catharina, 3 jaar, stierf op 2-6-1870 Vader Petrus Zwiebertus of Zwabertus of Zwubertus Osse (36 jaar) hertrouwde op 30-5-1871 met Johanna Maria Hendrika Alink (22 jaar) Bron: wiewaswie.nl 25-06-2013
  • Tonny Peters Dank voor de aanvullingen. Ze overleed dus wel in het kraambed, maar niet bij de geboorte van Chrisjan. Voor meer anekdotes zie: Rinus Scholten. Heeroom Osse van Beckum, het levensverhaal van een legendarische dorpspastoor. Hengelo, 1987. 26-06-2013
  • Met vriendelijke groet Andries Schokker Er is een boekje over zijn leven geschreven Heeroom Osse van Beckum door Rinus Scholten en in het fam. boek van Schoot-Lunter geschreven door F. van Schoot zal hij oo wel genoemd worden. 26-06-2013
Reageren? Klik hier
Geschiedenis van alle dag

Het geheim van de smid: van snijbonenmolen tot boxspring

In 1887 levert de Deventer smid Jan Auping een aantal loodzware metalen bedden aan het splinternieuwe St. Geertruiden Gasthuis aan de Singel.

Bij de opening van het ziekenhuis trekken de bedden de aandacht van dr. Berns, directeur van het nieuw te bouwen Burgerziekenhuis in Amsterdam. Of Auping hem er veertig kan leveren, maar dan wel voorzien van matrassen met een verende ondergrond. Die zijn nog hygiënischer en helpen tegen het doorliggen. Auping neemt de opdracht aan, maar heeft op dat moment nog geen idee hoe hij die matrassen moet maken.

Johannes (Jan) Albertus Auping (1836-1907). (Foto: Koninklijke Auping B.V.)

Van snijbonenmolen tot boxspring

Weliswaar bestaan er dan al bedden met een verende ondergrond, maar Auping zoekt een eigen oplossing. In zijn winkel van huishoudelijke artikelen verkoopt hij ook snijbonenmolens. Dat apparaat, hij fabriceerde de molens waarschijnlijk zelf, brengt hem op een lumineus idee. Hoe hij het precies voor elkaar krijgt, is het geheim van de smid, maar het lukt hem om met de snijbonenmolen lange spiralen te draaien. Vervolgens vlecht hij deze in elkaar en zo maakt hij een stalen spiraalbodem. Auping kan zijn veertig bedden leveren en de voorloper van de boxspring is geboren.

Wie meer wil lezen over de geschiedenis van Auping kan terecht bij het prachtige boek van Sam de Visser en René Berends Auping, het bed van de toekomst is nooit af, Deventer (www.sied.nl), 2008.

Door de redactie
Volgende pagina

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier

Wijken voor krotbewoners in Deventer

Kort na de Eerste Wereldoorlog verrees aan de toenmalige rand van de stad Deventer aan de spoorlijn naar Zwolle een complex van tachtig ‘semipermanente’ woningen.

Deze woningen waren telkens met vieren aan elkaar geschakeld in een soort stolpvorm, zodat de woningen met de achter- en één zijkant aan elkaar grensden. De woningen hadden beneden een portaal met een wasbak en afzonderlijk toilet en een woonkamer-keuken. Op zolder waren drie slaapkamers. De wijk werd Molenwijk genoemd, naar een molen die er vlakbij stond. Straatnamen werden niet nodig geacht. Ook aan de andere kant van de stad, in de Rielerwijk, kwam dit soort woningen tot stand. Deze woningen waren bedoeld voor bewoners van de vele krotwoningen in het Noordenbergkwartier en Bergkwartier in het centrum die onbewoonbaar waren verklaard en ontruimd moesten worden.

Beide wijken stonden echter niet hoog aangeschreven. Al in 1920, krap een jaar na de oplevering, wees de gezondheidscommissie op de risico’s van de talrijke onbedekte mestverzamelingen in de tuintjes bij de woningen ’…wat van hygiënisch standpunt in deze wijk, waar toch reeds veel minder hygiënisch levende personen verzameld zijn, moet vermeden worden’. Ook bleken van de nog niet bewoonde huizen bijna alle ruiten te zijn ingegooid. Er rustte dus al direct een negatief stempel op deze wijk.

Molenwijk Deventer

Molenwijk en Rielerwijk kunnen gezien worden als voorbeelden van de manier waarop na totstandkoming van de Woningwet in 1901 de krotopruiming en de huisvesting van voormalige krotbewoners ter hand werd genomen. Omdat deze bewoners niet in staat werden geacht reguliere woningen te bewonen – of vanwege wangedrag en/of huurschuld daar weer uit werden verwijderd – was er vervangende huisvesting nodig in de vorm van dit soort wijken. In dat opzicht sloot Deventer aan bij de praktijk in andere steden.

Ondanks hun ‘semipermanente’ status hebben deze wijken het opmerkelijk lang volgehouden. Geleidelijk ontstond een subcultuur van kleine handelaars en scharrelaars. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog waren zij in afwachting van prijsstijgingen kelders, zolders en slaapkamers als opslagruimte voor oud papier, lompen en oud ijzer gaan gebruiken. Bovendien had de gemeente op de omliggende grond volkstuintjes verhuurd aan de bewoners, die vervolgens ook als opslagterreinen voor werden gebruikt. Hierdoor was het met het aanzicht van de wijk zeer slecht gesteld. Tot aan de spoorweg stapelden de autowrakken zich op. Beide complexen werden pas in de jaren 1960 gesloopt en deels vervangen door sociale woningbouw. Klaarblijkelijk hadden de benamingen Molenwijk en Rielerwijk toen zulke negatieve associaties gekregen dat nu wel ‘echte’ straatnamen werden toegekend.

Door Vincent Sleebe

Reacties

    Nog geen reacties aanwezig
Reageren? Klik hier